# Een Jolig Troepje

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-jolig-troepje-12070/index.md

"Hier, meisje, heb je dan wat van mij, dan kun je het geheele gezelschap op appelbollen trakteeren."

"Dank u wel, hoera! Kinderen, vanavond zal een regiment appelbollen zijn intrede in den huize Van Brakel doen."

"Met het oog op onze logétjes vind ik beter de appelbollenpartij tot morgen uit te stellen," zei moeder. "De kleuters moeten vanavond niet te laat naar bed."

"Dus morgen, heerlijk," zei Nel.

"Maar Bob, wat doe je toch?" vroeg Door.

Bobbie, voorover in het gras liggend, zat Julia aandachtig te bestudeeren. Al een paar keer had hij moeite gedaan haar oogleden op te lichten, zoodat poes, wie deze handtastelijkheden blijkbaar danig begonnen te vervelen, bedaard Bob den rug toekeerde, langzaam, met deftige passen, om het perk met viooltjes heen stapte en toen op eenigen afstand van haar kleinen plaaggeest ging zitten. Ze kneep haar beide oogjes toe tot op een kiertje, vleide haar staartje met het grappige zwarte puntje keurig langs haar voorpootjes en bleef zóó in diep nadenken verzonken.

"Effentjes kijken, hoe laat het is," antwoordde Bob.

"Hoe laat het is. Denk je dan soms, dat onze Julia een horloge draagt?"

"Jaap zegt," zei Bob, "dat de oogen van een poes net klokjes zijn; je kunt er op zien, hoe laat het is."

"Ja," zei Hans, "Jaap zegt: als 't pilletje in zijn oogen als een recht streepje omhoog staat, is het twaalf uur."

"Het pilletje? O, de pupil," gierde Door.

"Nel, Dolf en Leni, hoort eens, wat onze logétjes vertellen. O, "onmogelijk" leuk!"

"'t Is maar jammer," zei Dolf lachend, "dat de poesjes zelf zoo weinig pleizier van hun horloge hebben."

"Maar 't is nu zeker al veel later," zei hij, naar Julia kijkend, die nu het heele troepje met haar ernstige oogen zat op te nemen.

"Het pilletje lijkt in 't geheel niet op een recht wijzertje. Kijk, 't is een klein, zwart balletje."

"Ja," zei Hans, "hoe laat zou het nu wel zijn? Misschien wel tien uur. Kijk eens, Bobbie."

Bobbie knikte, hij wist het niet precies. Hij vond het een moeilijk geval.

"Tien uur is het gelukkig nog niet," zei Nel.

"We kunnen nog best een spelletje doen. Zullen we verstoppertje doen met verlos?"

"Ja, best! Wie doet er mee?"

"Ik, ik," klonk het van alle kanten.

"Eerst er om raden, wie zoeken mag," stelde Door voor. "Ik zal wat uit mijn zak nemen. Wie het aantal raadt, mag zoeken."

"Mag?" lachte Dolf. "Zoeken is toch geen pretje?"

"Nu _moet_ dan," verbeterde Door. "En als niemand het raadt, ben ik de ongelukkige. Nu?" zei ze, nadat ze iets uit haar zak had genomen en Nel haar hand voorhield. "Hoeveel raad je? één, twee, drie, vier, vijf of zes?"

"Drie."

"En Leni?"

"Twee," zei Leni, na zich een tijdje bedacht te hebben.

"En onze logé's?"

"Moeten we beiden hetzelfde raden?" vroeg Hans, die nooit zoo'n spelletje had mee gedaan.

"Neen, ieder mag op zijn beurt raden, maar als Hans het raadt, helpt Bob zoeken en als Bob zoo knap is, Hans. Want zoeken is lang niet gemakkelijk."

Gelukkig voor Hans en Bob waren ze geen van beiden zoo knap.

"Dolf, nu staat het tusschen ons beiden," zei Door. "Natuurlijk raad jij het, dat moet je voor je zusje over hebben."

Dolf lachte. "Neen hoor, zoo lief ben ik niet. Vier."

"Mag ik je deze vier dingetjes laten zien als bewijs, dat je getoond hebt toch wèl zoo'n lief broertje te zijn?" zei Door, Dolf vier knikkers voorhoudende.

"Maar Door, wat doe jij met knikkers in je zak?" lachte Nel.

"Je weet," zei Door, "dat mijn zaakjes nu eenmaal veel van stuivertje wisselen houden. Mijn mesje en mijn beurs ben ik al drie dagen kwijt en daarvoor in de plaats loop ik al meer dan een week met deze knikkers in mijn zak. Hoe ik er aan kom, weet ik werkelijk niet," zei ze lachend.

"Ik begrijp het best," zei Nel. "Jij hebt die knikkers zeker ergens zien liggen en omdat je er nu eenmaal niet van houdt, dat zulke dingen rondslingeren, heb je ze in je zak gestoken, erg netjes, dat moet ik zeggen."

"En ik ben het slachtoffer van Doors opruimmanie," zei Dolf. "Nu, ik ga tellen. Als ik vijftig roep, moet jullie verstopt zijn. Jullie moogt je alleen in den tuin verstoppen, niet in huis."

"Een, twee," telde Dolf.

Ieder vloog een kant uit. Hans en Bob stonden wel wat verlegen. "Kom maar met mij mee," zei Door tot Bob. "Ik kruip achter dezen struik, ga jij achter dien staan."

"O, Door," riep Bob verschrikt.

"Wat is er?" fluisterde Door, omkijkende. "O, maar Bobbie, hoe is 't mogelijk! Ben jij in Dolfs rooverhol gezakt? Je hadt warempel je beenen wel kunnen breken. St, houd je maar stil en kruip er zoo diep mogelijk in. 't Is het mooiste verstopplaatsje uit den geheelen tuin. Als Dolf dezen kant uit komt, moet je je goed bukken, dan vindt hij je nooit, eenig. Hoor Fox eens opgewonden zijn, zeker, omdat hij ons zoo hard heeft zien loopen, daar kan Fox nu eenmaal niet tegen. Als hij ons nu maar niet verraadt. Stil, Dolf komt dadelijk zoeken. Je zit daar wèl leuk, hoor."

"Vijftig!" riep Dolf, "Ik ga zoeken."

Geen antwoord, ieder had zeker een plaatsje gevonden.

"Stil toch, Fox en loop niet zoo om mijn beenen, bedaar toch wat."

Maar Fox had hierin in het geheel geen lust. Als een dolleman vloog hij den tuin door, toen eenige malen langs het kippenhok, zoodat de arme dieren het bijna bestierven van angst. Daarna zou hij met een vaart in huis, maar werd bijtijds door Kee, met een "hallo marsch, je niet hier verstoppen," den tuin weer ingejaagd, zoodat hij ten laatste, moe van het gedraaf, een middagdutje in het grasveld ging doen.

Dolf zocht en zocht, maar durfde zich bijna niet van den boom begeven, bang, dat de een of ander uit zijn schuilhoekje te voorschijn springen en naar de verlosplaats loopen zou, om het hem af te winnen.

"Leni, jij staat achter het kippenhok, een, twee, drie, verlos," riep hij.

"Nel, neen Door, dáár bij het priëel! kom maar voor den dag. Ik ken je aan je hoed."

"Hoera, voor 't vogelnestje," juichte Nel en kwam met Doors ingedeukten hoed achter het priëel vandaan. "Gefopt."

"Dat is flauw," zei Dolf teleurgesteld. "Wie kan dat nu ook denken."

"Ja, zoo'n slim zusje heb je nu," lachte Nel, "wees maar blij."

"Nu Door en de tweelingen nog."

"Een, twee, drie verlos!" riep Door, toen Dolf juist den anderen kant was opgeloopen.

"Dat heb ik je lekker afgewonnen. Wat heb je dat mooi bedacht," zei ze lachend tot Nel. "Waar mijn vogelnestje toch al niet dienstig voor is."

"Kom, Dolf, nu de tweelingen nog," zei Nel.

"Hé," zei Dolf lachend tot Kee, die gedurende de verstoppartij geheel tegen haar gewoonte in al dien tijd op de waranda was blijven staan kijken. "Mij dunkt, je hebt eenige rokken extra aangetrokken van morgen. Je schort staat heelemaal uit."

"Ja," zei Kee lachend, "één rok heb ik aangetrokken, omdat het de eerste vacantiedag is en één, omdat Bob en Hansje gekomen zijn."

"Die Kee, die Kee," proestten Nel en Door. "Of je gelijk hadt? Zoo'n dubbele feestdag mag wel met een paar extra rokken gevierd worden."

"Maar ik moet nu eigenlijk weer aan het werk. En dan is mijn feestgewaad mij wel wat lastig."

"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dolf. "Wiens neus voel ik door Kee's schort heen? Mij dunkt," zei hij, de schort wat op zij schuivende, "mij dunkt, die van Hansje Pansje."

Hansje schaterde het uit. "Was het geen mooi plaatsje? Je kon mij toch bijna niet vinden, hè?"

"Neen, hoor. Wie heeft dat wel zoo mooi bedacht?"

"Kee," zei Hans.

"Ik moet nu gauw naar het eten gaan kijken. 't Is maar goed, dat hier niet elken dag zoo'n verstoppartij is," zei Kee en liep haastig naar binnen.

"Maar waar zou Bob nu zijn?" zei Dolf. "Die heeft zich een bijzonder mooi plaatsje uitgezocht, dunkt me."

"Ja," zei Door, "je moet maar goed zoeken."

Dolf keek achter elken struik, bij het kippenhok, in het priëel, tot hij op eens, achter in den tuin gekomen in lachen uitbarstte.

"Komen jullie toch eens hier," riep hij. "O Bob, blijf zoo stil zitten, ze moeten je allemaal zoo eens zien."

Nel en Leni proestten het uit, toen ze Bob in den grooten kuil zagen zitten met alleen zijn bovenlijf er uit. Hansje klapte in de handen. "O, Bobbie, wat een mooi plaatsje."

"Kom er maar gauw uit, kleine vent," zei Dolf en gaf Bob een hand.

"Ik stapte op de takjes en zakte op eens naar beneden," legde Bob triomfantelijk uit.

"Je mag wel gauw je kuil dicht maken," zei Nel, "voor er ongelukken gebeuren."

"Ja," zei Dolf, die zich wel wat schuldig voelde. "Ik was dien overdekten kuil heelemaal vergeten."

"Ziezoo," zei Door, "nu weer een nieuw spelletje. Dolf, jongen, je moet weer zoeken."

Wat hadden allen een pret!

"Och, kijk toch eens Bobbie, wat dikke kanaries," riep Hansje verbaasd, toen hij voorbij het kippenhok liep en juist zou hij aan Door vragen, of hij eens eventjes een in de hand zou mogen hebben, toen ze geroepen werden, om te komen eten. Vroolijk holde het troepje naar binnen.

"O, wat een bestorming, als je blieft eerst voeten vegen," zei Moeder.

"Hansje Pansje glaasje melk omgesmijt, hè Mammi?" begon Fritsje weer, toen hij Hansje zag.

"Ja, ja," lachte Ma.

"Mogen we na het eten de kanaries eens zien?" vroeg Bob, zoodra hij aan tafel zat.

"O ja, de kanaries," riep Hansje opgetogen.

"De kanaries?" vroeg moeder verwonderd.

"O, zulke dikke, tante. In het kippenhok zijn ze, hè Bob?" zei Hans vol vuur.

Moeder lachte. "O, nu begrijp ik het."

"Na het eten gaan onze logétjes één, twee, drie naar bed," zei vader. "Die kleine kanaries moeten nu ook slapen, anders kunnen het nooit groote worden. Maar morgen vroeg, als haantje kukelekaantje jullie wakker heeft geroepen, dan maar gauw je kleertjes aan en den tuin in."

*****

"Een, twee, drie, instappen," zei Nel, toen ze een uurtje later Hansje had uitgekleed en in bed tilde.

"Wacht, eerst even bellen," zei Bob en greep een tafelbel, waarmee hij, voor Door dit verhinderen kon, luid ging bellen.

Kee kwam verschrikt naar boven vliegen.

"Och, lieve tijd, wat is hier te doen?" riep ze. "Toch geen ongeluk gebeurd?"

"Gauw instappen, de trein gaat dadelijk weg," zei Bob tot Keetje, niet begrijpende, dat hij haar zoo had doen schrikken.

Kee, die eerst van plan was boos te worden, omdat hij haar voor niets naar boven had laten komen, kon toch haar lachen niet bedwingen bij het gezicht van die twee grappige broekemannetjes. "Tuut," riep ze en zette den kleinen Bob in bed. "Goeie reis, hoor, goeie reis," en met haar zakdoek wuivende verdween ze.

Nel en Door gierden het uit.

"Dumderdedumderdedum," en vier kleine voetjes trappelden, dat het geheele bed schudde.

* * * * *

"Het zal mij benieuwen, of die dreumesjes gauw den slaap zullen vatten," zei Nel, toen ze beneden in de huiskamer kwam.

"'k Zal eens kijken, of ze slapen," zei Door een kwartiertje later.--"Als roosjes, hoor!" kwam ze terug.

DERDE HOOFDSTUK.

ARME HANS EN BOBBIE.

"Zullen wij den haan maar gaan roepen?" vroeg Hansje den volgenden morgen. Hij stond met Bob voor Dora's bed.

"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig.

"'t Haantje heeft ons niet geroepen, het is misschien ziek," zei Bobbie.

Nel lag te schudden in bed. Op eens begon ze te zingen: "Op, gij meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," en sprong het bed uit.

"O, ik wou dat er geen hanen en geen Hansjes en Bobbies waren," zei Door, half brommig, half lachend.

"Op, gij meisjes en gij knapen, kukeleku! 't is uit met slapen," zong Nel weer en wilde Door uit het bed trekken. "Toe, jongens, jullie aan den anderen kant; wacht, daar komt Leni ook aan. Heisa, hopsa!" Door stond buiten het bed.

"Ik weet wel," zei Door, "dat ik vanavond niet naar bed ga, dan behoef ik er morgen vroeg ook niet uit te komen."

"Of je gelijk hebt. Dat is, geloof ik, nog het allerbeste voor jou. Jongens, loop hier nu maar een beetje in je hanssopje rond. Zoodra we klaar zijn, zullen we je helpen. Of ben jullie misschien zoo knap, dat je je alleen kunt aankleeden?"

"De kousen kunnen we wel aantrekken en de schoenen ook, maar ze dicht maken, dat doet Maatje altijd."

"Mooi zoo, haal jullie je kleeren en begin maar vast."

Bob en Hansje togen ijverig aan het werk.

"Och, kijk eens, dat kousje doet zoo raar," zuchtte Bob met een vuurroode kleur van inspanning, nadat hij al een heelen tijd bezig was geweest.

"O, de hiel!" schaterde Leni. "Kijk, die zit boven op den voet. 't Lijkt wel een leeg geldzakje. Wacht, ik zal je wel helpen."

Door, Nel en Leni hadden het druk met de logétjes. 't Werd een wedstrijd, wie 't eerst klaar zou zijn.

"'k Zou juist zeggen, mijn schortje is zeker weer op de wandeling," zei Door, die overal naar dit kleedingstuk had gezocht, "maar neen, hoor, 't ligt kalm onder mijn handdoek. Toch grappig, dat al mijn spulletjes altijd zoo'n lust hebben om van 't eene plaatsje naar 't andere te verhuizen."

"En dat ze jou nooit vooraf vertellen, waarheen ze gaan," plaagde Nel.

Eindelijk waren allen aangekleed en ging ieder met een keurige "vacantie-kuif", zooals Leni 't noemde, naar beneden.

"Goeden morgen, goeden morgen!" klonk het vroolijk, toen 't vijftal de huiskamer binnen kwam stormen.

"Wel verbazend, kinderen, wat ben jullie vroeg," zei vader, "zoo mag ik het zien."

"Zullen we nu eerst even 't haantje roepen?" vroeg Hans.

"'t Haantje roepen?"

"Zou het ziek zijn, oom?" vroeg Bob.

"Waarom ziek, kleine man?"

"'t Haantje heeft ons niet geroepen."

"En hoe komen jullie dan zoo vroeg?"

"Bobbie en Hansje hebben voor haantje gespeeld. Ze hebben Dora wakker gemaakt," zei Nel.

"Ik was nog zoo "onmogelijk" slaperig."

"Als jullie je boterham op hebt, moet je maar eens kijken, of het haantje wakker is," vond moeder.

"Kijk toch zoo'n bedelaarstertje eens," zei Nel, toen Julia zacht miauwend achter op haar stoel sprong en voortdurend met haar kopje tegen Nels arm duwde.

"Zij wil verven, zij wil verven," riep Bob; "kijk, ze gaat met haar staart over mijn gezicht."

"Goed, dat er geen verf aan zit."

"Ja, voor den staart en voor Bobbies neusje."

"Jaap zegt, dat zijn poesje geverfd is, dat is heelemaal bruin, behalve zijn borst en zijn pooten. Bobbie en ik hebben het eens met een spons gewasschen, maar er kwam heelemaal geen verf aan de spons en toen heb ik mijn vinger nat gemaakt en over zijn kopje gestreken en afgelikt, maar het proefde in 't geheel niet naar verf en de schutting wel, toen Jaap die geverfd had. Bobbie en ik hebben daar eventjes aan gelikt, niets lekker, hoor!"

"Brr," zei Hansje en trok bij de gedachte nog een vies gezicht.

Allen schaterden het uit.

"Vader zei, dat het niet geverfd, maar zoo geboren was."

"Of vader gelijk had!"

"Julia houdt in 't geheel niet van zoo'n waschpartij. Was dat poesje niet boos, krabde ze niet?"

"Wel een beetje, maar Bobbie en ik hebben haar toen stijf vastgehouden."

"Arm poesje. Lieve Hansje en Bobbie," ging Door grappig ernstig voort, "zie je onze Julia?"

Bob en Hans knikten.

"Zie je dat keurige witte overhemdje, dat zwarte snuitje, dat grappige staarte-puntje?"

Weer knikten Hans en Bobbie.

"Toen onze deftige Julia nog een heel klein Juliaatje was, had ze al datzelfde grappige staarte-puntje, datzelfde zwarte snuitje, datzelfde witte overhemdje. Onze Julia is zoo geboren. Begrijp jullie mij goed? Onze Julia is zoo geboren," herhaalde ze. "Onze Julia is dus niet geverfd. Ik zeg jullie dit alles, dat jullie haar morgen of overmorgen ook niet in een badkuip zult stoppen, of met je lieve vingers zult gaan belikken."

Een schaterend gelach ging op en Dolf, die juist binnen kwam, riep: "leve onze Dorus, leve onze Julia!"

En Fritsjes lief stemmetje klonk hier tusschen door. "Julia een lief poesje, hè, mammi?"

Julia, die blijkbaar verlegen werd onder zooveel lof, haar door Dora toegezwaaid, liet zich zacht van Nels schouder glijden en zocht een plaatsje op den hoek van den schoorsteenmantel.

"Mogen we nu de kanaries eens zien?" vroeg Bob, toen 't ontbijt was afgeloopen.

"Wel zeker, wel zeker, kom maar mee," zei Nel.

"Neen, Foxje, jij kunt niet mee, je zoudt de geheele kippenfamilie angstig maken. Kijk, Leni is alweer bezig haar kippetjes te trakteeren."

"Hij is toch wel wakker?" zei Bob verwonderd en wees naar den haan.

"Ja, ja, ik geloof ook wel, dat hij jullie geroepen heeft; maar toen lag jullie nog op één oor en heb je hem niet kunnen hooren."

"Dan zal ik morgen eens op geen oor gaan liggen," dacht Bob bij zich zelf.

"Zie Slokop weer eens begeerig zijn," zei Nel, "vooruit, jou deugniet." Met een stok duwde ze de zwarte kip weg. "Zal ik nu eens zeggen, hoe deze kanaries heeten? Kuikentjes. Het zijn kindertjes van die groote zwarte kip, die lekkere kruimeltjes voor haar kuikentjes bewaart. De gele dààr heet Asschepoes, de andere hanen en kippen zijn niet aardig voor haar. Kijk die ondeugende Schoorsteenveger en Wafelbakster eens, die trekken haar aan den staart," en Nel deed alle moeite, Asschepoes van een witte kip en een zwarten haan te bevrijden.

Bob en Hans hadden pret voor tien om al die mooie namen.

"En hier heb je de dwergjes," zei Leni. "Vind jullie het geen dotjes?"

"Leggen die kuikentjes ook eitjes?" vroeg Hans, die zijn oogen niet van de diertjes af had.

"Mag ik zoo'n kuikeneitje?"

"Neen, de kuikentjes leggen nog geen eieren; als ze groot zijn wel en dan komen soms uit die eitjes weer heele kleine kuikentjes, o zoo beeldig. Wafelbakster en Asschepoes zijn ook zulke aardige kuikentjes geweest en kijk het nu eens groote kippen zijn."

"Hier heb je ook nog een kuikentje," lachte moeder en zette Frits op Nels hoofd. Frits kraaide het uit.

"Hij is geen kuikentje, maar een kraaiend haantje," lachte Nel. "Kom hier, Haantje kukelekaantje," en zij nam Frits op den arm. "Nu weet ik een mooi spelletje," zei ze. "We zetten Fritsje in den ouden kinderwagen, Dolf wordt zijn paard en Leni koetsier. Bob en Hans komen in de sportkar. Dora is hun paard en ik word koetsier."

Het geheel leek wel een optocht. Als de stoet bij vader en moeder, die op de waranda zaten, voorbijkwam, wuifden zoowel passagiers als publiek.

"Niet zoo wild rijden, niet zoo wild!" had vader juist geroepen, toen op eens, doordat Dora de bocht te kort nam, de sportkar omsloeg en Bob en Hansje er uit en in 't gras vielen! Groote ontsteltenis! Vader, moeder en Keetje kwamen dadelijk aanhollen, want beide logétjes hieven een erbarmelijk geschrei aan. Bobbie bloedde vreeselijk uit zijn neus en had zijn voorhoofd bezeerd en Hansje Pansje riep maar steeds: "O, mijn voetje doet zoo'n pijn."

Ma droeg hem en vader Bobbie naar binnen. Hans werd op de canapé gelegd, waarna moeder hem den schoen uit trok. Bob kreeg koude compressen op zijn neus. Door, die zoo wit als een doek zag, wilde dadelijk om den dokter gaan, maar vader vond beter nog een poosje te wachten. Gelukkig bedaarde het bloeden. Hansjes voet was blijkbaar een beetje verstuikt. 't Was wel een ongelukkig gezicht, de twee vroolijke kaboutertjes daar zoo te zien zitten met dikke tranen op de wangen: Bob met een compres op den neus en Hans met zijn voet op de canapé.

"Dat is een treurig begin van zoo'n vroolijken dag," zei vader.

"Stil maar, jongens," troostte Door, "vanavond krijgen jullie heerlijke appelbollen."

"Jullie weet niet, hoe goed die voor bloedende neuzen en verstuikte voeten zijn," zei Dolf.

"En voor alle menschen, die geschrokken zijn. Och, lieve tijd, ik beef er nog van in mijn beenen," klaagde Nel.

"Kijk eens," en Leni kwam met in iedere hand een grappig klein eitje, "is dat nu niet lief van mijn krielkipjes Snoetie en Toetie? Ze zijn dadelijk aan het leggen gegaan, toen ze hoorden, dat jullie zoo gevallen waart."

Bob en Hans lachten door hun tranen heen.

"Als ik wist, dat Toetie of Moetie"....

"Snoetie, paatje."

"Och, jij ook met je namen altijd. Nu, als ik wist, dat Snoetie voor mij ook zoo'n lekker eitje wilde leggen, dan zou ik ook wel zoo'n buiteling uit de sportkar willen maken."

"Oompje in de sportkar," lachte Hans.

Daar kwam Kee de kamer in stormen. Kee stormt altijd, langzaam loopen kan ze niet, want Kee heeft altijd haast. "Kijk eens," zei ze en bracht Hans en Bob ieder een schoteltje roode bessen. "Hoe vinden jullie dat? Als je die op hebt, ben je, dat durf ik wedden, weer geheel beter. Heb ik ze niet keurig gerist? Ik moest eigenlijk mijn kachel poetsen, maar nee, dacht ik, eerst zal ik die wurmen een verfrisschend hapje brengen. Door of Nel moeten er maar wat suiker op strooien. Kom, die leelijke tranen neem ik mee naar de keuken," zei ze en veegde, wel een beetje hardhandig, Bob en Hansje de tranen af. En vóór de beide jongetjes nog iets hadden kunnen zeggen, was Kee verdwenen.

"Heeft jij jouw been gebreekt? Kun je niet meer loopen?" Onderzoekend keek de kleine Frits naar Hansjes been.

"Beweeg het eens." Hans deed het heel voorzichtig.

"Doet het pijn, als jij jouw voetje beweegt?"

Hans knikte: "een beetje."

"Ik is niet gevallen," zei hij toen met voldoening. "Mag ik eens zien, of er nog bloed uit jouw neusje komt?" vroeg hij, vol belangstelling naar Bobbie kijkende.

Bobbie deed even den zakdoek voor den neus weg.

"O, mammie!" Fritsje week verschrikt een paar passen achteruit. "O, mammi, allemaal rood op Bobbies zakdoek!"

"Kom maar gauw hier, mijn kereltje", zei ma. "Hans en Bob zullen wel gauw weer beter zijn."

VIERDE HOOFDSTUK.

DE APPELBOLLENPARTIJ.

"Een brief, een brief!" Met deze woorden kwam Door eenige uren later de kamer binnenstormen.

"Voor wie?" klonk het als uit één mond en Nel strekte haar hand al verlangend uit.

"Mis, juffertje. Hij is voor Bobbie en Hansje."

"Een brief, o Bobbie, zeker van maatje."

"Of van vader, want paatje heeft ons er eentje beloofd."

Door moest den brief laten kijken.

"Ook een postzegel er op?"

"Ja, 't is geen kleinigheid," lachte Nel, de verrukte gezichtjes ziende.

"Zal ik hem voorlezen?" vroeg Door.

"Begin maar gauw," riep Hans.

"Ook wat er buiten opstaat," vond Bob.

"Aan Hans en Bob, gelogeerd bij hun oom, mijnheer Van Brakel te Westerkerke.

"Lieve kaboutertjes. De kusjes heb ik gegeven."

"Van Paatje," zei Bob.

"Ma," las Door, "op elken wang een. Bruno's snuit heb ik in mijn hand genomen en Miekies zacht pootje even gedrukt. Jelui weet niet, hoe stil ma, Bruno, Miekie en ik het vinden, nu onze kaboutertjes er niet zijn. Bruno zat gisterenmorgen voor jullie slaapkamertje geduldig te wachten. Ma en ik lieten hem stil begaan. Wij wilden eens zien, wat hij zou doen. Na een tijd rustig gewacht te hebben, begon hij zacht te janken. O, het klonk zoo bedroefd en steeds keek hij naar de kruk van de deur. Daarop begon hij te blaffen en zoowaar aan de deur te krabben. Toen riep ik hem. "Die ondeugende kaboutertjes! Willen ze de deur niet open doen?" zei ik. Bruun kwispelstaartte uit alle macht, liep van de slaapkamer naar mij en van mij naar de slaapkamer, en keek mij met zijn trouwe, bruine oogen zóó smeekend aan, alsof hij zeggen wilde: doe nu toch die nare deur open, ik kan toch niet door 't sleutelgat. "Kom dan maar," zei ik, en toen was Bruun niet te houden, hij sprong tegen mij op, likte mijn handen en blafte, dat hooren en zien je verging. Met een vaart rende hij de slaapkamer in, maar bleef op eens verbaasd staan, toen hij die leeg vond. Alles werd besnuffeld, hij begreep er niets van. Zijn mooie pluimstaart, die even te voren nog zoo vroolijk wapperde, hing nu sluik neer. "Arme hond, zijn ze weg?" zei ik. Nog eens liep hij de kamer rond, snuffelde onder 't bed en liep toen langzaam naar de huiskamer.

Ma troostte hem met een stukje hondekaak en een hompje kaas. Na 't ontbijt zijn ma en ik een flinke wandeling met Bruno gaan doen.

