Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917

Chapter 9

Chapter 93,987 wordsPublic domain

Het was de heer Van der Molen. Wij maakten kennis, namen elkaar eens op en de eerste vragen en antwoorden wisselden elkaar af. Ik had verwacht met een krachtig en joviaal mensch kennis te zullen maken; maar wat was dit voor een man met zijn smalle gezicht, zijn dwalende en onrustige oogen, zijn onzekeren blik en met die diepe groeven in zijn gelaat die van zielelijden spraken? Een neurasthenicus zeker! En wat moesten die vier honden? Voor Indië zoo iets zeldzaams en vooral zulke mooie exemplaren. Doch ik diende af te wachten, hoewel de eerste indruk, waarbij men het type reeds terstond leert kennen, allerminst gunstig was.

Een boot vol bagage, kisten en koffers, zelfs een veldkeuken volgden hem en tevens een Javaansche jongen.

We wandelden achter den grobak, met bagage volgeladen, landwaarts. Hij deed de eene vraag na de andere, en keek me onderwijl half angstig, half brutaal aan, terwijl hij zeer ongeduldig was om zijn huis op het emplacement van de onderneming te leeren kennen. Toen we daar aankwamen, keken de aanwezige contractanten nieuwsgierig naar hun nieuwen chef, en verbaasd en giechelend naar de vier fox-terriers, die wild om ons heen stoeiden. Het huis stond hem nogal aan, de ligging vond hij mooi, hij zou het zich hier eerst eens "senang" maken, alvorens verder rond te kijken.

Na dit eerste samenzijn had ik dien man voldoende gepeild, om met een bezwaard hart en met allerlei vragen, waarop nog geen antwoord te vinden was, dien avond naar huis te gaan. Hoe zou ik ooit aan zoo iemand mijn werk met vertrouwen kunnen overdragen? Hoe kwam hij er toe naar deze positie te hebben gedongen? Hoe was het mogelijk, dat men zulk een man hier heen had gestuurd? Maar hoe werd ik hem weer kwijt, en hoe moest ik me dan helpen?

Vol innerlijken wrevel na die eerste kennismaking, zat ik dien avond peinzend bij den zendeling onder de galerij en verlangde, waar ik in de toekomst mijn werk onder leiding van zoo iemand mislukken zag, naar Holland terug, weg uit dit akelige Indië met zijn zwervers, zijn dépravés en zijn ellendelingen, waarmee niets aan te vangen was. Dat Indië, waarover men in Holland wel kon fantaseeren, doch waarvan men voor die werkelijkheid staande, met allerlei onverwachte ongunstige factoren rekening had te houden, welke men den eerlijken strijder, bij een slechten afloop, niet steeds in zijn voordeel zou boeken.

Dien avond ging ik in een bittere stemming naar bed.

Den volgenden morgen toen de rol werd gehouden, bleef het huis, waar Van der Molen sliep, gesloten. Eerst tegen 7 uur ging de deur open en kwam mijnheer, in morgentoilet, met een paar slaperige oogen eens kijken. Tegen den middag gingen we een eindje het bosch in. De man was toch administrateur en moest toch wel eenige belangstelling toonen en van een en ander nota nemen. De eerste dagen liet ik hem zoo aan zichzelven over, totdat hij zich in zijn huis met behulp van zijn jongen goed en wel had ingericht. Toen verzocht ik hem 's morgens op de rol te verschijnen en in zijn kwaliteit op te treden.

Mijnheer verscheen echter niet op de rol en hij zag gaarne dat ik voorloopig de administratie bleef voeren. Voor een wandeling door het bosch, voor een kijkje hier en een kijkje daar, waarbij zijn vier honden hem altijd vergezelden en het meest zijn aandacht in beslag namen, was hij wel te vinden. Voor hetgeen hem echter interesseeren moest, bleef hij vrij wel doof. Hij was afgetrokken als een man wiens gedachten steeds door iets anders van het naastliggende worden afgeleid, als een speculant die voor zijn ondergang staat.

Wel bemerkte ik, dat hij zich eenigszins voor de contractanten interesseerde, en dat hij tijdens mijn afwezigheid lange gesprekken met hen hield; voorts dat de aanwezige gereedschappen en voorraden door hem in oogenschouw waren genomen, want weldra kwam hij met aanmerkingen over de veel te geringe hoeveelheden, die hij had gevonden. Daarop werd door hem een lijst gemaakt van alles wat hij wenschte te bestellen. Die bestellingen liepen echter zoo de spuigaten uit dat, ik hem hier en daar wel attent moest maken op de al te buitensporige hoeveelheden, die hij nu wenschte te laten komen. Daar zouden, onder meer, 300 kilo spijkers en 100 kilo schroeven door hem worden besteld, verder blikken lijnolie en roode menie, verf, ijzergaas en prikkeldraad enz. in zulke hoeveelheden, dat we een aparte loods voor dien noodeloozen en kostbaren opslag zouden moeten bouwen. De verzending der brieven met deze bestellingen zou echter voorloopig op de terugkomst der boot moeten wachten.

Intusschen vermeerderden van zijne zijde de aanmerkingen met den dag, waarvan de diepere oorzaak was, dat de man geen energie en geen lust had tot het opbouwende werk dat hier gedaan moest worden.

Daarenboven was hij door 't vernemen der praatjes van Verster op zijn lange reis naar hier vergiftigd. Deze had namelijk van Makassar tot Tobelo alle plaatsen die door de boot werden aangedaan, met zijn laster besmet. Hij had dit zoo bont weten te maken, dat zelfs onder de zendelingen op de verafgelegen posten, door hem op zijn terugreis bezocht, een tijdelijke verkoeling was ontstaan.

Intusschen zat ik met mijn nieuwen titularis, die mij met telkens hernieuwd wantrouwen lastig viel, die steeds meer aanmerkingen begon te maken, steeds meer cognac begon te drinken, waarvan hij met andere spiritualiën een goeden voorraad bij zich had, die steeds onbeschaamder werd en als administrateur meer bedierf dan goed deed.

In zijn huis hingen verscheiden portretten zijner vrouw, een zeer wereldsche dame, een vrouw die het hier geen twee weken zou uithouden. Zijn geschiktheid voor deze positie, die hij als getrouwd man anders zou hebben, werd daardoor ook niet beter. Zijn praatjes over allerlei perkara's (wat ruzie of kwestie beteekent, een der eerste woorden die men in Indië leert kennen), waarin hij gewikkeld was geweest, gaven mij al spoedig de zekerheid, dat ik binnen niet al te langen tijd ook dezen man zijn ontslag zou moeten geven.

Doch wat dan?

Op een morgen maakte hij het zoo bont en toonde zich, met zijn verzwakten geest en zijn ondermijnd lichaam, zoo in 't geheel niet opgewassen voor zijn taak, dat hij zelf door den last, die hem nu reeds scheen te drukken, het woord ontslag noemde. Het was de tiende dag van zijn verblijf te Tobelo.

Toen hij eenmaal het fatale woord ontslag genoemd had, moest hij vernemen, dat dit des te eerder des te beter gewenscht was.

Dien middag verscheen ik met twee getuigen in zijn huis en reikte hem in hun bijzijn zijn ontslagbrief over. Hij kon dan met dezelfde boot, waarmede hij gekomen was en die binnen zeven dagen terug zou keeren, naar Java teruggaan. De brutaliteit van mijnheer en zijn eischen over het uit te keeren salaris kenden nu evenwel geen grenzen, hoewel hij vrije passage heen had gehad en ik hem vrije passage terug plus een bedrag in contanten waarborgde.

Men moet zelf in een bijna rechtloozen staat, zooals die verre posten in de Buitenbezittingen, wanneer goede ambtenaren ontbreken, practisch nog zijn, met dergelijke desperado's of hoe men zulke menschen noemen wil, te doen hebben gehad, om te weten hoe moeilijk men zulke patienten, die daarbij nog altijd met recht en wet schermen, tot rede kan brengen. Slechts het dreigement hem op staanden voet uit het huis en van de onderneming te laten zetten, kon hem dwingen tot het teekenen van een stuk, waarin hij, na ontvangst van zijn salaris, zijn passage en nog een extra uitkeering, afstand deed van alle eischen, die hij volgens zijn contract misschien nog eens meende te kunnen laten gelden.

Kreunend en bijna jankend als een geslagen hond gaf de man, die nooit iets had uitgevoerd of van plan was geweest iets uit te voeren, ten slotte toe. Ik liet hem in het huis, waar hij kon blijven tot de boot zou komen.

Zie zoo, dat was afgeloopen. Doch nu een derde administrateur! Hiervoor zou ik zelf moeten zorgen. Het was mij bekend, dat bij de Batjan-maatschappij ten Zuid-Westen van Halmaheira een jonge getrouwde assistent, een Hollander, naar verbetering van zijn positie haakte. Hij had reeds door bemiddeling van anderen zijn diensten, die ik toentertijd niet gebruiken kon, aan mij aangeboden. Zeer waarschijnlijk was deze jonge man nog daar ter plaatse en allicht zou hij nog gaarne voor deze betrekking in aanmerking komen. Ik zou van geluk mogen spreken, indien ik er in slagen kon hem te engageeren, daar ik in het andere geval naar Java zou moeten reizen. Men bedenke daarbij wat zulk een reis, die slechts eens in de maand te doen is en waarvan de duur even lang is als van Europa naar Java, terwijl ik hier onmisbaar was, voor mij moest beteekenen.

Ook deze reis reeds, naar Batjan en terug, zou door de slechte verbindingen reeds weken kunnen duren.

Nog een week had ik voor me, om mij op mijn langdurige afwezigheid voor te bereiden. Het was weer de oudste zendeling die mij hielp, door zich genegen te toonen gedurende mijn afwezigheid den opzichter en de mandoers te controleeren, wat voor mij van onschatbare waarde was. Onder dien zedelijken invloed, hoopte ik, zou het ontginningswerk niet te veel te lijden hebben; maar in elk geval, nood breekt wet en zoo maakte ik mij weer gereed tot een zwerftocht, waarvan het einde nog niet te overzien was. Weer werden een paar koffers gepakt en werd alles voor het vertrek gereed gemaakt.

Op de onderneming ging ondanks die strubbelingen het werk geregeld zijn gang. Van der Molen ontweek mij door ook overdag veel te bed te blijven of in zijn achtergalerijtje weg te kruipen, wanneer ik in het kantoortje verscheen, dat reeds gedurende eenigen tijd naar de binnengalerij van dit huis was verplaatst.

Het was op een Zondagmorgen, dat ik plotseling verrast werd door de ontvangst van een schrijven van zijn hand, waarin hij mij mededeelde den avond te voren, terwijl hij in de ontginning wandelde, van een boomstam te zijn gegleden, waarbij hij zich ernstig in de zijde had gewond en nu met ondragelijke pijnen te bed lag.

Met den oudsten zendeling, die eenige medicijnen medenam, spoedde ik mij daarheen en vond hem in zijn slaapkamer te bed krimpend van pijn. Uiterlijke teekenen van een verwonding waren niet te constateeren, doch hij deed ons een omstandig verhaal, hoe hij den avond te voren om zes uur dat ongeluk had gekregen en sedert dien tijd hier met die pijnen lag. Bij navraag aan zijn Javaanschen jongen bleek, dat de Toewan om zeven uur 's avonds nog springlevend was geweest. We begrepen nu niets meer van dien man, die daar waarschijnlijk den zieke speelde. Hij deed het echter zoo natuurlijk, dat we in twijfel verkeerden, te meer daar we volstrekt geen reden voor simuleeren konden ontdekken.

Den dag daarop lag hij nog evenzoo. Hij at niet, kreunde maar en dronk soms wat koffie en cognac. Het werd mij in dat huis steeds ongemoedelijker, tot ik den derden dag van zijn ziekte eens weer in zijn slaapkamer kwam en niet wist of ik lachen of huilen moest. Met een verwilderd gezicht, in een vuil geworden pyjama, onder een vuile deken lag hij daar nog steeds in een donkere, benauwde kamer, waarin alleen door reten in den gaba-gabawand eenig licht drong. Met een zwakke stem zuchtte hij slechts. "Wanneer komt die boot nou?" Tranen had hij in zijn oogen, ongeschoren waren zijn kin en wangen, het magere gezicht was nog magerder dan anders en om zijn hoofd had hij, als een tulband, natte doeken gewikkeld. Hij was, zooals hij daar lag en zich gedroeg, een toonbeeld van de diepste menschelijke ellende. Toen dacht ik een oogenblik dat hij niet toerekenbaar meer was en kreeg medelijden met hem. Weer klaagde hij over pijn in de zijde. Tegen zijn zin werd bij nu op een langen dekstoel naar buiten gedragen, waar hij frisschere lucht had en naar de groene boomen, de zon en de blauwe lucht kon kijken. Misschien zou hem dat wat opkwikken. Een aanbod om geneeskundige hulp van den zendeling te halen, sloeg hij zeer beslist af en zoo liet ik hem liggen met de verzekering, dat hij mij elk oogenblik kon laten roepen, als hij hulp noodig had.

Zoo bracht ik eenige uren per dag in dit "unheimisch" geworden huis door. Hij, kreunend op zijn bed, ik werkend aan de schrijftafel. Het weergalmen van de fluit der verwachte stoomboot maakte hieraan plotseling een einde. Iedereen kwam in beweging, ik zelf niet het minst, want weer heette het vertrekken en nog laatste orders geven en een laatste hand leggen hier en daar.

HOOFDSTUK VI.

NAAR BATJAN. OPNIEUW TE TERNATE.

Voor Van der Molen was een draagbaar in gereedheid gebracht, om den zwaar zieken man naar boord te kunnen dragen, daar hij dien afstand toch onmogelijk te voet zou kunnen afleggen. Tot mijn niet geringe verbazing bedankte hij er hooghartig voor. Na uit zijn bed te zijn gestapt, kleedde hij zich aan en legde met zijn vier fox-terriers den driekwartier gaans langen weg naar de aanlegplaats te voet af. Of ik om hem of om mijzelf weer lachen of huilen moest wist ik niet, maar tragikomisch was het geval nu zeker geworden.

Aan boord vernam ik van den kapitein en den stuurman en van eenige passagiers, die met hem hadden gereisd, hoe zonderling hij zich reeds op de heenreis had gedragen en hoe men mij algemeen beklaagd had met de aanwinst van zulk een nieuwen administrateur, terwijl men overtuigd was geweest, dat hij met dezelfde boot ontslagen teruggestuurd zou worden. En met zulke menschen sluit men in Indië contracten van 5 jaren, met een aanvangsalaris van f 500.- in de maand. Zoo weinig stellen deze menschen, die geen cent bezitten, dergelijke posities op prijs.

Zoo kwam ik weer, na maanden, te Ternate terug met mijn tweeden afgedankten administrateur op weg naar een derden. Vele bekenden der Hollandsche kolonie trof ik aan, die allen min of meer begaan waren met het noodlot, dat mij achtervolgde.

Na een etmaal aan den steiger te hebben gelegen, vertrok de boot tegen den nacht naar Batjan, de eerste haven die nu door haar zou worden aangedaan.

Ik had mij altijd voorgesteld, wanneer ik eens weer tusschen de vulkanen van Ternate en Tidore door zou varen, de Moluksche Zee in, dat ik dit zou doen met bestemming naar het vaderland, een heerlijke toekomst in het verschiet, terwijl het welslagen van de onderneming op Halmaheira, overgelaten aan vertrouwde handen, verzekerd zou zijn.

Niets van dat alles! Met een bezwaard hart had ik mijn werk half voltooid moeten achterlaten, en een geheel, onzekere toekomst lag voor me. Zou ik op Batjan slagen? En zoo niet, wat dan? Dan wachtte mij een zwerftocht door den Archipel en een tijdverlies van dagen en weken, dat zich tot maanden zou rekken. En zou het op Java gelukken?

Van Batjan zou ik, als ik daar niet slaagde, op een of andere wijze moeten trachten Ternate weer te bereiken, vanwaar dan over Menado en Makassar naar Java gereisd zou moeten worden.

Wat zou men in Holland moeten denken? In Holland, waar men zich de moeiten en de bezwaren, die de toestanden in de Buitenbezittingen opleveren, niet kon voorstellen. Daar zou men immers binnen een enkelen dag den stroom van goede sollicitanten naar zulk een goed gesalarieerde betrekking niet kunnen weren.

Later kreeg ik op Java eens inzage van sollicitatiebrieven naar een betrekking van assistent op een groote onderneming. Het was leerzaam zulk een collectie eens door te snuffelen en teekenend voor Indië, op welk een wijze vele sollicitanten zich zelven trachtten aan te bevelen. De een schreef, als aanbeveling: ik ben wettig getrouwd; een ander dat hij getrouwd was, doch dat het hem onverschillig was of hij zijn vrouw zou kunnen meenemen of niet; een derde, dat hij geen geld meer had en dus nu wel verdienen moest--want er waren geen veeren meer te plukken van een geplukte kip; een vierde.... dat hij het wel eens probeeren wilde, enz.

Het was reeds geheel dag, toen we de ruime baai van Batjan, omgeven door een kring van bergen, binnenstoomden. Tot mijn verwondering had ik dezen morgen reeds tijdig aan de ontbijttafel in het eetsalon den heer Van der Molen zien verschijnen, die zich de vorige dagen aan boord bijna niet had laten zien. Hij zag er weer beter verzorgd uit en scheen zich wat monterder te gevoelen. Dit was 't laatste wat ik van dezen man zag, van wien ik de dupe was geworden, en die van den beginne en ook nu nog een raadsel voor mij was gebleven.

Het eerste wat ik, aan den wal gekomen, vernam was dat de assistent, die door mij werd gezocht nog te Batjan vertoefde, echter op een eenzaam gelegen landpunt aan het eind van de baai, op een afstand van ruim twee uren per prauw van hier.

Met den civiel-gezaghebber wandelde ik het plaatsje binnen, dat veel grooter dan Tobelo, maar onaanzienlijker dan Ternate, echter de residentie is van een sultan, van den Sultan van Batjan, wiens witte woning met atappen dak wij bij het binnenvaren van de baai hadden opgemerkt. Kleine toko's wisselden af met grootere en kleinere inlandsche huisjes langs den grooten weg en langs de zijwegen. Na een tijdje zoo te hebben gewandeld bereikten we een groot plein, waaraan een ruim woonhuis lag, dat een uitzicht had op zee, het huis van den kapitein-civiel-gezaghebber.

Al spoedig had ik het er goed. De vrouw van den civiel-gezaghebber noodigde mij aan de middagtafel, en in het paviljoen van het huis van een vermogenden planter en zakenman vond ik een uitstekend onderdak.

Deze laatste, een Hollander dien ik te Ternate reeds had leeren kennen, was, zooals jaarlijks voor een half jaar zijn gewoonte was, naar Europa vertrokken, doch hij had zijn huis onder toezicht van den bestuursambtenaar, voor doortrekkende gasten beschikbaar gesteld. Hoe innig dankbaar was ik dien gastheer voor zijn royale beschikking en hoe weldadig deed het mij aan, daar in dat huis een comfort te vinden, waaraan ik niet meer gewend was, terwijl mij de vrije beschikking over een bibliotheek werd gegeven, die de vele uren, hier waarschijnlijk door te brengen, op de aangenaamste wijze zou kunnen vullen.

Met den huisbewaarder, den mandoer van mijn gastheer, en mijn jongen werd alles voor een tijdelijke huishouding geregeld, zoodat ik me hier weldra geheel thuis voelde en dankbaar en knus genieten kon van een der lichtzijden van het Indische leven in de Buiten-bezittingen, nl. van een onbeperkte gastvrijheid. Een van mijn eerste bezigheden was, mij aan de schrijftafel van mijn gastheer te zetten om hem een brief met welgemeenden dank te doen toekomen.

Den volgenden morgen stapte ik in een prauwtje, dat mij naar de landpunt zou brengen, die naar het Westen aan den uitgang naar zee te zien was. Langs een strand, waar rijen klapperboomen met wuivende kruinen en zware vruchtentrossen stonden, werd ik voortgeroeid. De wind stond in de baai en weer danste ik in een notedop met in het water kletsende vlerken over hooge blauwe witgekuifde golven voort. De landpunt, ook met klapperboomen begroeid, werd steeds duidelijker zichtbaar; een paar wrakken van gestrande schoenertjes teekenden zich daar tegen den wal af, een dak gluurde tusschen de stammen door, en toen ik eindelijk, tegen dien wind in, na eenige uren mijn doel genaderd was en op het strand wilde stappen, verscheen tusschen de hooge slanke stammen der klapperboomen een jonge man geheel in het wit, met een zonnehoed op het hoofd--de assistent, dien ik zocht en die hier met vrouw en kind woonde.

Onder de wuivende kruinen wandelden we samen naar zijn huis, dat dicht bij de kust iets verder in de schaduw van die boomen lag. Een jonge vrouw zat onder de galerij van het vriendelijk uitziende witte huisje, dat we naderden. Verwonderd een haar onbekend heer in gezelschap van haar man in deze verlatenheid te zien naderen, stond zij, nu verschrikt over haar ongegeneerd toilet, snel op om dit nog inderhaast eenigszins in orde te maken, maar reeds te spoedig stapten we het voorgalerijtje binnen en lachend accepteerde ik gaarne de excuses over haar kleeding, waar men in Indië en dan in de Buiten-bezittingen niet al te nauw op dient te letten. Aan bloote voeten en half opgemaakte haren went men gauw; aan sarong en kabaai, een dracht die de slanke inlandsche vrouw goed kleedt, went men bij de breeder geheupte Hollandsche vrouw moeilijker.

Daar zij verrast waren over mijn komst, deelde ik spoedig het doel van mijn reis mede, en al pratende kwam ik tot de overtuiging hier een paar jonge menschen voor me te hebben, die met weinig ervaring, in gelukkigen overmoed van de jeugd naar Indië waren gegaan, droomende van prachtige vooruitzichten en vertrouwende op beloften, die niet altijd werden of konden worden vervuld. Zij waren de eersten niet en zouden ook de laatsten niet zijn, die, bekoord door het zonneland in de verte, gelukkig hun vleugels in vrijheid ruim uit te kunnen slaan, hun vaderland hadden verlaten, om daarginds door het Indische lot op ongelooflijk hardhandige wijze uit hun droom te worden gewekt. Wat daar onder zulke omstandigheden aan heimwee en teleurstellingen, in 't bijzonder onder de jonge vrouwtjes geleden wordt, wie zal het precies zeggen. Doch levens worden er voor altijd geknakt en gaan er te gronde.

Doch deze menschen waren jong en nog niet gebroken; maar zooals ze daar zaten tusschen inlanders, verlaten van andere blanken, met een inboedeltje, dat bestond uit een paar rieten stoelen en een tafeltje, een ijzeren bed, een wiegje, wat portretten en de noodzakelijkste lijfgoederen en het noodzakelijkste eetgerei, kon toch moeilijk aan eenige illusie voldoen. Het huisje met het zinken dak onder de klapperboomen was niet onvriendelijk, maar lag steeds in het halflicht, met een eentonig uitzicht tusschen de slanke klapperstammen op de verlaten, soms door een prauwtje bevaren zee. Bij harden wind vielen de zware noten dikwijls met donderend geraas bij dag en bij nacht op het zinken dak hunner woning of in de omgeving van het huis, waardoor het wandelen en het spelen van een kind daar ongeraden werd. Bezoek kwam er nooit, en slechts zelden mochten ze eens van hier met een prauw naar Batjan. Dag in dag uit zaten ze daar eenzaam tusschen de stammen van de klapperboomen op de verlaten zee te turen.

De man had zijn werk met een ploeg contractanten, die in de nabijheid woonden, zij had haar kind, maar de eene dag was als de andere, de financiën plaagden en de toekomst gaf weinig vooruitzichten noch zekerheid, en daarmede groeiden de bezwaren. De royale opvattingen vóór en tijdens hun komst in Indië en hun groote verwachtingen hadden voor zuinigheid plaats moeten maken en voor het gespartel met een door allerlei bezwaard inkomen. Maar, zooals gezegd, ze waren niet gebroken, en hunne illusies werden nog altijd gesteund door de levenskracht hunner jeugd en door niet-opgegeven verwachtingen voor de toekomst.

En waarlijk, die jeugdige taaiheid zou misschien niet bedrogen uitkomen. Het bezoek dien dag zou er reeds iets van kunnen verwezenlijken. Eerlijke jonge menschen, die kunnen en willen werken om zich een positie te verschaffen, zijn in deze streken zeldzaam. Aan hun werklust behoefde ik niet te twijfelen, en zoo kwam ik met mijn voorstellen voor den dag. Er werd overlegd en gepraat, de gezichten werden glunder, het jonge vrouwtje zette een kop thee, hij gaf me een sigaar en in beginsel waren we het spoedig eens geworden. Ik zou zijn chef te Batjan trachten te spreken te krijgen, om daarna zoo spoedig mogelijk terug te keeren en hem den uitslag van dit bezoek mededeelen.

Mijn indruk van dit jonge paar menschen, dat Indië reeds van de hardste zijde had leeren kennen, was zeer gunstig voor de betrekking, die ik had aan te bieden en tegen den middag ging ik, met den wind mee, in snelle vaart over de hooge golven terug naar Batjan, met de zekerheid een paar menschen gelukkig te hebben achtergelaten.