Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917
Chapter 8
Over het achtererf, langs een smal kronkelend paadje, tusschen kletsnatte door den dauw bevochte alang-alang, kwam ik dan met de fiets weldra op den rechten weg, die naar het emplacement leidde. Ten huize van den zendeling was inmiddels een ieder ontwaakt en vond er zijn werk. De leerlingen der kweekschool voor goeroes, de Papoeatjes, de Amboneesjes, de Galelareesjes enz. verdwenen in het schoolgebouw of in de studeerkamer van den zendeling en repeteerden en schreven en zeiden lessen op, of kregen in het vroege morgenuur onderricht in het zingen van kerkelijke liederen. Tegen acht uur was dan het ontbijt in de achtergalerij klaar gezet, alwaar hij nu met zijn vrouw plaats nam te midden van alle jongens, die zich langs de wanden hadden geschaard. In het Maleisch werd door hem uit den bijbel voorgelezen, waarna in diezelfde taal eenige psalmen werden gezongen. De morgengodsdienst eindigde met gebed en soms met een vermaning aan een of meer jongens, die dit hadden verdiend. De jongens verdwenen nu onder het voorgalerijtje van hun slaaphuis, waar op eenige lange tafels hun ontbijt was klaar gezet, dat steeds uit sago en visch bestond.
De middagtafel werd eveneens door bijbellezen en gebed voorafgegaan, de avondtafel alleen met gebed, en elke maaltijd eindigde met gebed. Bij de laatste maaltijden schaarden de jongens zich niet om de tafel, doch 's avonds had na afloop van het dagwerk nog een bijeenkomst plaats in de achtergalerij, waar alle Papoeatjes, Amboneesjes en Galelareesjes enz. weer langs de wanden stonden, en waar ik in gezelschap van den heer en vrouw des huizes ook steeds aan deelnam. Er werd dan weer in het Maleisch uit den bijbel gelezen, er werden psalmen gezongen, en er werd gebeden.
Het werd me bij die telkens herhaalde godsdienstoefeningen, in dien tredmolen van bidden en bijbellezen en psalmen zingen met de geheel onontroerde gezichten dier inlanders voor me, wel eens vreemd te moede, en ik kon den indruk niet van me afzetten, dat het dagelijksch verkeer met de hoogste dingen zoo precies op de klok en in het openbaar, en lukraak door allerlei stemmingen heen, het doel voorbijschoot en leidde tot een familiariteit en tot een gewoonte, waarbij het gevoel tot gebaar, het verhevene tot sleur werd.
Wanneer we daar dan 's avonds zaten met al die jongens, geschaard langs de wanden van de achtergalerij, de zendeling en zijn vrouw aan het lange, ik aan het korte eind der tafel, waarop steeds het roode tafelzeil met zijn grillige figuren lag, dan dwaalden onder het eentonige Maleische gezang mijn gedachten van de krullen en dwarreling dier figuren, na de herrie van den dag die mij in beslag had genomen, naar andere dingen, totdat het Amen was uitgesproken, waarop we naar de voorgalerij gingen voor het laatste werk of het laatste praatje van den dag, terwijl buiten de Indische nacht was aangebroken en de insecten om ons heen snorden en gonsden en tegen de petroleumlamp botsten en tji-tjaks hun geluid deden hooren, roerloos zittend of zich snel bewegend langs de gaba-gabawanden van het huis.
De eerste boot, die van Ternate binnenviel, bracht als verrassing den koeliewerver, dien we bijna vier maanden geleden van daar hadden uitgestuurd, in gezelschap van een flinke ploeg werkvolk van de Sangir- en Talaut-eilanden. We hadden deze werving, daar in den tusschentijd niets van hem was gehoord, reeds als mislukt beschouwd en tevens als een belangrijk geldverlies, naardien ons alleen was bericht, dat het geld dat hiervoor te Menado was gedeponeerd, door een misverstand in handen van den koeliewerver was gekomen, aan wien we dit niet hadden toevertrouwd. Deze vermeende mislukking en het gevreesde geldverlies had Verster zich indertijd zeer sterk aangetrokken en was voor hem een der teleurstellingen geworden, die zijn vertrouwen in onze onderneming hadden geschokt. Echter de werver was eerlijker gebleken dan we dachten, en met niet geringe blijdschap ontwaarde ik hem met zijn mannetjes aan boord van de binnengevallen boot.
Met volle kracht konden we ons nu aan het ontginnen zetten, te meer daar de Sangireezen en Talauters uitmuntende werklui moesten zijn.
Tevens kwam met deze boot de inbeslaggenomen kas aan het adres van den civiel-gezaghebber terug, welke kas door hem aan den resident van Ternate was toegezonden. Het bleek, dat de civiel-gezaghebber in zijn functie een dergelijke inbeslagname niet had mogen verrichten, weshalve de resident er ambtshalve niets mede te maken wilde hebben. Intusschen was aan Verster, op mijn verzoek, het hem nog toekomende salaris door den resident uit deze kas te Ternate uitgekeerd geworden, zoodat ik redelijkheidshalve mocht verwachten weer de beschikking over het resteerende bedrag terug te krijgen. Dit was echter niet het geval. De civiel-gezaghebber behield hetgeen hij had, in afwachting van een advies, dat bij den officier van justitie te Makasser was aangevraagd. Daar zou men nu op zulk een afstand de ellende van een proces aan den gang kunnen krijgen met een tegenpartij die geen cent bezat en om een bedrag, dat de groote onkosten van zulk een proces niet zou dekken. Ik was allesbehalve over deze bureaucratische oplossing, die de heeren ambtenaren aan deze zaak wilden geven, gesticht en begreep, waar van mijne zijde redelijk gehandeld was en ik een proces vóór alles vermijden wilde, dat ik dit geld uit de handen van den civiel-gezaghebber terug moest hebben alvorens de justitie zich er verder mee zou mogen bemoeien. Nu had onze civiel-gezaghebber, naast een groot gevoel van eigenwaarde ook een groote mate van eigenliefde, die, wanneer ze gestreeld werd, hem zoo gedwee en lieftallig maakte als een lam. Doch hij had den laatsten tijd door allerlei kleine voorvallen steeds meer getoond zijn macht tegenover mij te zullen laten voelen, daar wegens mijn gemoedelijken en vriendschappelijken omgang met den oudsten zendeling, dien ik steeds meer had leeren waardeeren, zijn stemming tegenover mij niet verbeterd was. Hij kon mij deze sympathie voor zijn tegenstander niet vergeven, doch hij zou ook des te gevoeliger zijn, wanneer ik mij eens extra onderdanig tegenover hem betoonde.
Van deze zwakheid der eigenliefde moest ik in deze omstandigheid partij trekken om mijn doel te bereiken, en zoo gebeurde het op een avond, nadat er weer een kwestie tusschen ons was gerezen,--kwesties, zooals hij er zoo dikwijls en met zoo velen had gehad--en die, per brief behandeld, een zeer scherp karakter dreigde aan te nemen, dat ik naar zijn huis stapte met het voornemen om, hoe ook, zoowel dit verschil bij te leggen als te trachten het geld terug te krijgen. Slechts ter wille der zaken, die ik vertegenwoordigde, kwam ik tot dezen stap; doch eenmaal besloten, ging ik met het vaste voornemen, hem door mijn houding en een gemoedelijk praatje in de gewilde stemming te brengen.
Toen ik zijn erfje opliep, zag ik den geweldige met een ernstig en gewichtig gezicht alleen onder zijn galerijtje zitten. Mij ziende, scheen hij niet anders te verwachten dan met iemand te moeten praten, die in de gerezen kwestie zijn opinie eens ronduit kwam zeggen. Ik hield me echter zoo passief en zoo leuk en schikte me zoo geheel naar zijn wenschen en regelingen, dat hij niet wist hoe hij het had, terwijl mijn inschikkelijkheid hem geheel ontwapende en zachtmoedig stemde. Ik dacht toen zoo voor me heen: "je bent nog zoo'n kwaje kerel niet, als men maar een beetje met je weet om te springen." Toen ik na eenigen tijd voorzichtig en terloops in het gesprek de in beslaggenomen gelden aanroerde en op de teruggave daarvan zinspeelde, weigerde hij eerst en wilde afwachten; doch tegen een zachten aandrang en eenige vriendelijkheden aan zijn adres was hij niet meer opgewassen, en ten slotte gaf hij mij wat hij in zijn gestreelde eigenliefde niet meer weigeren kon.
Dienzelfden avond nam ik van hem afscheid met de gedachte, die zich in dit uur steeds meer aan mij had opgedrongen: "Jij bent nog zoo'n kwaje kerel niet."
Dit zou echter niet lang duren. Eenige dagen later, toen ik zijn huis wilde passeeren, schoot juist op het oogenblik dat ik den uitgang van het erf was genaderd, een inlander in snelle vaart uit het hekje, gevolgd door den civiel-gezaghebber, die een dikken stok in zijn hand had. De inlander vluchtte niet ver, doch bleef spoedig in gebogen houding gelaten afwachten wat er komen zou. Daar daalde de stok op het hoofd van den man neer, totdat deze brak en het bloed hem langs het gelaat liep. Toen hij mij zag, trachtte hij een verklaring voor zijn handelwijze te geven en poogde den indruk te verzachten door den inlander mee naar zijn huis te nemen, waar hij hem eigenhandig verbond.
Wie dezen man een stroobreed in den weg legde moest voor hem wijken of bukken; ging het niet goedschiks, dan kwaadschiks en met geweld, en van dat laatste genoot zijn wreede natuur. 's Avonds, wanneer we onder de lamp zaten en het eene vliegje of kevertje na het ander, door het licht aangetrokken, zich door het licht verblind in den lichtcirkel op de tafel zette, was zijn gewone bezigheid, die beestjes een voor een met duim en wijsvinger zoo ver mogelijk weg te knippen. In zijn leven trachtte hij met menschen op gelijke wijze te doen, doch hij vergat dat deze zich zulk een behandeling niet zoo gemakkelijk lieten welgevallen.
Voor zijn uitgebreide taak, waarvoor hij niet de minste opleiding had gehad,--hij was boekhouder bij de Paketvaart en de Landschapskas geweest,--en waarvoor hij noch de kennis noch de gaven bezat, was hij alleen in zijn eigen verbeelding berekend. Hij sloeg dan ook herhaaldelijk de plank mis en was voor zijn meerderen en voor allen, die met hem in aanraking kwamen een lastpost of, zooals men in Indië zoo hartgrondig zeggen kan..... een ellendeling. Zag ik hem door de kampong stappen, prenta's uitdeelend aan de hoofden, de sangadji, de kapala kampong en anderen, die hem volgden en, met angst en beven tegen den willekeurigen Weledelgestrengen opziende, hem toch achter zijn rug bedrogen en uitlachten, dan moest ik zelf ook lachen, doch tevens het arme Indië beklagen, dat door zulke in Indië zelf geboren tirannen moest worden bestuurd. Met zijn waardige collega van Tidore behoorde ook hij tot de noodhulp-ambtenaren die "op straten en pleinen waren bijeengezocht."
De voortgang, dien de ontginningen maakten, noopte uit te zien naar steeds grooteren aanvoer van goede zaadnoten, en zoo was ik genoodzaakt steeds meer goede vruchtdragende boomen voor de levering dezer noten op te sporen. Gewoonlijk zond ik den opzichter hierop uit; somtijds, als het werk het toeliet, ging ik zelf per prauw en bracht daarbij bezoeken aan de koraaleilanden, die voor de kust lagen. Al deze eilanden waren bewoond en bezaten meer of minder groote klapperaanplantingen, door de bevolking aangelegd. Steeds werd ik bij zulk een bezoek getroffen door den wirwar van planten en struiken en boomen, waarmede zulke eilandjes, op de zacht glooiende, kale witte strandjes na, waren begroeid. Slechts in de directe omgeving der huisjes was soms eenige regelmaat te bespeuren. Daar stonden soms op de erfjes een drie- of viertal klapperboomen en pisangs op een rijtje bijeen, doch van een laan of een groep of een eenigszins regelmatigen aanplant vond men slechts zelden eenige sporen. Vond men een complex klapperboomen, dan stonden zij kris en kras dooreen, alsof ze bij toeval geplant waren. Zag men die eilandjes van de zee uit, dan leeken zij onbewoond en geheel verlaten, en met moeite ontdekte men van dichtbij hier en daar een bescheiden huisje, bijna geheel onder dat groen en zijn schaduw verborgen. Door hun kleinheid maakten zij, van de zee uitgezien, den indruk onbewoonbaar te zijn. Doch wanneer men eenmaal van het strand landwaarts-in wandelde en weldra niets meer dan boomen en struiken om zich heen zag, totdat men in het midden een grootere of kleinere kampong had ontdekt, dan begon men zich te verwonderen over hun betrekkelijke grootte en over het vele, dat daar groeide en over de vele menschen die daar leefden op wat, van de zee uit, niet veel meer dan een verlaten en met wat struiken en klapperboomen begroeid stukje land had geleken.
De dagen verliepen in onafgebroken werkzaamheid, waarvan de resultaten dag aan dag duidelijker werden. De open plek in het bosch was een enorme ruimte geworden, waaruit hier en daar de kapala kajoes (boomstronken) van de dikste stammen tot 6 M. hoog uitstaken. Een drietal groote kweekbedden, op verschillende plaatsen aangelegd, kwamen vol noten te liggen, waaruit overal met Indische groeikracht de stammetjes en bladeren zich ontwikkelden. Het eerste huis kwam in aanbouw, het geraamte stond er reeds en het dak kwam er op. Het terrein in concessie verkregen, werd nauwkeurig afgepaald, een hooger gelegen, eenigszins geaccidenteerd stuk grond bleek bij nader onderzoek gemakkelijk uit te schakelen en te ruilen voor een lager en vlak terrein, en zoo was overal ontwikkeling en groei en verbetering merkbaar. Met vreugde en trots zag ik in wording en vol beloften voor de toekomst, hetgeen door voet bij stuk te houden was blijven bestaan.
Inmiddels was er bericht van Java ontvangen, dat men er daar in geslaagd was een flinken administrateur te engageeren, die, daar hij de veertig reeds gepasseerd en getrouwd was, zeker de noodige bezadigdheid voor dezen post zou bezitten. Tegen het eind van Mei zou ik hem met de boot mogen verwachten, en ik zou dan aan hem het mooie werk moeten overdragen, wat mij zeer aan het hart ging.
Alvorens de nieuwe titularis kwam wenschte ik nog een bezoek aan onze bezittingen op de eilandjes Dodola besar en Dodola ketjil te brengen.
Voor deze reis had ik slechts de beschikking over een prauw, en wel over die van den oudsten zendeling, welke deze mij zeer bereidwillig voor die reis afstond. Mijn Talauters, die met de zee vertrouwd waren, waren uitstekende roeiers. Zij konden nu hun krachten eens toonen, daar ik den tocht in zoo kort mogelijken tijd wilde doen, wijl een langdurige afwezigheid van de jonge onderneming niet wenschelijk was. De afstand Tobelo naar de Dodola's was linea recta 42 K.M. over de zeestraat, welke afstand in twaalf uren moest worden afgelegd. Ik besloot tegen het vallen van den avond te vertrekken; de zee was 's nachts gewoonlijk kalmer dan des daags en aan de roeiers zou de koelte van den nacht tijdens het langdurig werk zeer welkom zijn.
In mijn dagboek vind ik dien tocht als volgt beschreven.
19 Mei 1913. 't Wordt avond, 6 uur, en ik maak me klaar om met de prauw den oversteek te doen naar de eilanden Dodola besar en Dodola ketjil.
Ik kan niet zeggen, dat het me toelacht om twee nachten in een kleine prauw op zee door te brengen, erg afhankelijk van wind en regen. Maar ik verlaat het veilige huis en zeg het lekkere ruime bed vaarwel, om mij aan de ongemakken van zulk een reis over te geven.
't Zal maannacht worden, de lucht is dreigend; 6 u. 10 min. steken we van wal, vijf minuten later breekt reeds een bui los; de roeiers worden terstond kletsnat evenals mijn rug, die niet voldoende door het kleine tentje op de prauw kan beschermd worden.
Met mijn pajong tracht ik me droog te houden. Spoedig scheidt het met regenen uit, de maan breekt door de wolken, de bui trekt somber zwart over de zee naar het Noorden af.
De vier roeiers beginnen een eentonig lied te zingen, dat telkens opnieuw krachtig inzet en dat den moed en de kracht er in zal houden, om den ganschen nacht zonder ophouden met stevigen pagaaislag door te roeien.
't Zijn vier contractanten der onderneming, menschen van de Talaut-eilanden. Deze eilanden vormen met de Sangir-eilanden twee groepen, die ten noorden van Celebes liggen op weg naar de Philippijnen.
't Zijn Christenen, trouwhartige menschen, aan wie ik mij volkomen toevertrouw.
Twee zitten voor, twee achter in de prauw.
Op de maat van den forschen pagaaislag word ik telkens op mijn bankje naar voren en naar achteren geworpen. Het zware werk, dat vóór hen ligt, mag ik van hen vorderen; als eilandenbewoners zijn ze aan dit werk gewend, dat ze, te oordeelen naar hun luidruchtigheid, met lust verrichten. Alle inlandsche indolentie en inertie is plotseling geweken.
De bergen van Halmaheira staan donker boven het glinsterende, door de maan beschenen water. De eilanden voor de kust liggen als zwarte plekken met fijne contouren van boomgroepen in de verte.
Ik voel me weer als zwerveling verder van honk gaan.
Een flauwe maanregenboog is zichtbaar tegen de verder trekkende bui.
Het kleine vaartuigje met zijn vlerken aan beide zijden, waardoor zulk een hulkje zoo zeewaardig wordt, volgt al spoedig, nu de eilanden zijn gepasseerd, elke beweging van de wijde zeedeining. De vlerken ploffen glijdend en spattend in het water en snijden, nu links dan rechts, de golven.
En verder en verder gaat het, dansend en met gezang, over de golvende watervlakte, waarboven het boord van de prauw slechts een enkelen decimeter uitsteekt.
Uit mijn koffer neem ik de nachtutensiliën: deken en pyjama, trek schoenen en kousen en jas uit, en over den koffer en de bank, waarop ik zat, spreid ik mijn veldbedje uit en leg me verder, gekleed, daarop neer, de opgerolde klamboe als kussen onder 't hoofd.
Wel is het veldbedje te kort om languit te liggen, want het toch reeds te kleine bedje kan niet geheel worden uitgeslagen; maar ik vind voldoende ruimte om te slapen, zij het ook dat ik een der voorste roeiers wel eens met mijn voeten tegen zijn achterdeel schop, of dat een hunner door de forsche beweging mij raakt.
Had ik te kiezen tusschen een nacht door te brengen in een comfortabelen slaapwagen van een ratelenden nachttrein of in dit primitieve prauwtje onder den blooten tropischen nachtelijken hemel, ik koos het laatste. En zoo, terwijl de temperatuur nu het nacht wordt, een weinig daalt, val ik onder de deken in slaap.
Van zeeziekte bespeur ik in zoo'n klein dansend prauwtje niets, terwijl een groote stoomboot mij spoedig onder de eerste slachtoffers telt.
Wel hoor ik in dien nacht telkens het eentonig gezang der roeiers en voel ik het deinen van het scheepje; dan keer ik mij om en slaap weer in.
Om vier uur word ik voor goed wakker. Nog altijd roeien die menschen met denzelfden slag als tien uren geleden. Nog onder den indruk van zwaar gedroom, dat mij in Holland verplaatste, kijk ik op en zie daar, ongeveer twintig graden boven de oosterkim, waar straks de zon zal opkomen, Venus in bijzonder gunstigen stand als een brok licht aan den duisteren hemel staan. Jaren geleden had ik haar ook eens in de Zwitsersche bergen, op zulk een wijze boven een bergrug te voorschijn zien komen. Toen had ik versteld gestaan over de grootte dier planeet; nu was ik verrast; immers over hetzelfde natuurphenomeen staat een mensch maar eenmaal versteld.
Aan de Westerkim is de maan aan 't ondergaan. Het eerste ochtendkrieken ontstaat boven de bergen van het eiland Morotai. 't Is nu op mijn horloge kwart voor vijf geworden.
Na het eerste gloren ontstaan er teêre tinten in de lucht en de eerste duidelijke wolkafscheiding steekt af tegen een rossen, dan rooden, dan goudgelen horizon. Feller, steeds feller worden die kleuren; om half zes zet ik den zonnehoed op en druk hem in mijn oogen, nu de zon zelf verblindend boven Morotai te voorschijn komt.
Spoedig denk ik nu mijn doel te zullen bereiken, dat voor de kust van dat groote eiland ligt. Nauwelijks zijn de eilandjes tegen dien achtergrond te onderscheiden.
Vooruit! naar die eilandjes, die verder liggen dan ik eerst schatte; 't wordt zes uur, zeven uur, zelfs half acht, alvorens de prauw over de zeetuinen van koraalgesteenten op het witte strand van Dodola besar heen kan worden getrokken.
De twee kleine huisjes, waarin de vijf man wonen, die, onder toezicht van een mandoer, elke maand door een nieuwe ploeg worden afgewisseld, zijn gesloten. Ik open de deuren en vind ze verlaten. De menschen doen dus hun plicht en zijn aan 't werk. Na eenig zoeken vind ik ze bezig met den grond onder de klapperboomen schoon te maken. De kranige roeiers krijgen vrijaf om den dag te verslapen. Een vind ik een paar uren later met opgetrokken knieën op een stapel coprazakken, met den bijbel op zijn borst, in slaap gevallen.
Het spel der fantasie, in mijne jeugd bij 't lezen van Robinson Crusoë gewekt, is werkelijkheid geworden. De waaiende palmenkruinen op hun hooge stammen tegen de blauwe zonnelucht, de tropische hitte, het schelle licht weerkaatsend van het witte zand der stranden, waartegen de blauwe golven spoelen, het prauwtje daarginds, de huisjes van gaba-gaba, atap en bamboe, de stilte van de natuur, die in den ochtend nog overheerlijk is, de eenzaamheid van den blanke tusschen zijn bruine broeders, het is hier alles in de werkelijkheid rondom mij.
De inspectie over het groote eiland begint, waarbij een mandoer en twee man volgen. Nu wordt de cultuurman wakker, die met critisch oog de natuur bekijkt, om te zien welke voordeelen zij hem kan brengen. De palmen worden naar den leeftijd getaxeerd, de rijpe klappers worden aan eenige reeds overvloedig dragende boomen geteld, en de oogsten worden voor de naaste toekomst zooveel mogelijk getaxeerd. Het wordt tegen den middag ontzettend heet. Als dit werk gedaan is, gaan we terug, achtervolgd door muskieten. Een geweldige wesp zet zich op mijn wang en steekt me als met een gloeiende naald. De inlanders maken beenen, ik hen na, want een gansche zwerm komt opzetten. Op 't heetst van den dag leg ik me neer onder de klamboe van het veldbedje. Dan wordt het tweede, veel kleinere eiland geïnspecteerd.
Tegen den avond laat ik mij voor een der huisjes onder de galalaboomen een veldtafeltje dekken, waaraan ik, op een veldstoeltje gezeten, eindelijk eens met een flink maal begin.
Door de goede zorgen van mijn gastvrouw te Tobelo is het een tafeltje-dek-je geworden. Het landschap is met fijne overgangstinten belicht, het wordt donker, maar reeds komt de volle maan op, die weer dezen nacht den terugweg zal belichten. Van de bergen van Morotai, over de zee die ons van dat eiland scheidt, komt de avondwind opzetten. Mijn roeiers trachten een zeil te maken op de prauw, in de hoop dat het nachtwerk, dat hen wacht, daardoor verlicht zal worden.
Eindelijk is alles klaar en is de prauw geladen. Eenige mannen komen nog met groote schelpen aandragen en dan gaan we den tweeden nacht in. Een nacht van volmaakte windstilte, want nauwelijks is het geheel donker geworden of de avondwind is ook ter ruste gegaan.
Het eentonig gezang dat den pagaaislag begeleidt, is weer aangevangen. Voor dertien uren zitten de roeiers weer op hun bankjes, om onafgebroken te roeien. Na den heeten, vermoeienden dag komt er op die stille zee een weldadige ontspanning. Alle gedachten aan zaken en zorgen worden gebannen en de geest zweeft op luchtiger banen door het onbegrensde, onder den goddelijken indruk van de ontzaggelijke ruimte om mij heen.
Toen ik 's morgens om vijf uur wakker werd, waren we onder de kust van Halmaheira aangekomen. Op mijn vraag aan de roeiers of een van hen ook vermoeid was geworden, klaagde slechts een over een beetje pijn in zijn rug.
Binnen veertien dagen zou de boot van Java kunnen binnenvallen, waarmede, volgens de ontvangen berichten, de nieuwe administrateur, de heer Van der Molen, mocht worden verwacht.
Het huis op de onderneming was intusschen zoo ver klaar gekomen, dat het hem zou kunnen ontvangen, te meer daar hij zijn vrouw voorloopig op Java had achtergelaten.
Toen de boot dan ook het anker liet vallen, vernam ik al spoedig van bekenden, die aan wal stapten, dat de heer Van der Molen zich aan boord bevond en elk oogenblik met de motorboot aan land kon komen. En inderdaad, daar legde de motorboot aan de pier van koraalsteenen aan en aan land sprong een rijzige man in groen kaki, met een klein deukhoedje op zijn hoofd, een karwats in de hand en gevolgd door vier blaffende en springende foxterriers, die na de lange reis dol van vreugde waren weer vasten grond onder zich te hebben.