Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917
Chapter 7
Met dit beschermende fluïdum der geesten onzer voorouders om mij heen, gevoelde ik me voor goed rustig en veilig tegenover de inheemsche bevolking, die overigens ook niets kwaadaardigs had. Kwam men Tobeloreesche mannen en vrouwen tegen, dan zouden zij steeds voor den Europeaan uitwijken. De eersten waagden dan gaarne eens een "Tabé Toewan!" en bleken aangenaam verrast wanneer men hun groet met een "Tabé!" beantwoordde. De laatsten bleven dikwijls stilstaan en wachten tot men voorbij was en sloegen daarbij schuchter en zedig de oogen neer; zelfs gebeurde het dat zij op eenzame plekken op de vlucht sloegen en in de hooge alang-alang verdwenen. Een kijkje te nemen bij hun feesten scheen hen volstrekt niet te hinderen. Ongegeneerd gingen ze dan met zingen en dansen en het uitstooten van kreten en het maken van grimmassen voort, terwijl ze groote hoeveelheden sago aten en sagoweer dronken, van welk vocht ze lodderig en halfdronken werden. Vele mannen en vrouwen zagen er flink gebouwd uit, doch ondanks het natuurleven van dit natuurvolk was het toch geen sterk en krachtig ras. Vieze huidziekten, waaronder de framboesia tropica vooral berucht was, kwamen hier veel voor en kinderen hadden somtijds booze zweren over hun gansche lichaam verspreid.
Met hun dooden sprongen zij om zooals hun geloof het hun ingaf. In kleine doodenhuisjes op palen of in half gevulde graven, waarboven een dakje, werden de lijken vlak in de nabijheid hunner huizen neergelegd, terwijl blauw gekleurde borden en schalen van aardewerk, waarop eten, daarnaast werden geplaatst. Ook wapens en huisraad werd daar in de nabijheid neergelegd ten gebruike der afgestorvenen; want de macht hunner geesten bleef op aarde groot, en daaraan was hun vrees evenredig. Zoo trachtten zij die geesten steeds gunstig gestemd te houden, om het booze af te weren en het goede te ontvangen.
Na een week te zijn weggebleven, kwam ten slotte de prauw met een volle lading van de mooiste noten aan den wal. De opzichter had voor zijn lange uitblijven allerlei verontschuldigingen, van tegenwind, en moeite hier, en moeite daar. Wat daar van waar was zou moeilijk te controleeren zijn, doch de volle lading deed verder het hare om den storm, die over zijn hoofd dreigde op te steken, te doen bedaren.
De eerste grobak (ossenkar) met noten hoog opgestapeld, reed door de kampong en over den breeden weg door de alang-alang velden naar het emplacement, waar zij spoedig, een voor een en in lange rijen, op de kweekbedden werden uitgelegd. Nu kon de groei beginnen en bij steeds grootere en meerdere ladingen, die weldra zouden volgen op steeds breedere basis.
Wanneer nu de lang verwachte boot verscheen, zou met volle kracht het werk kunnen worden aangepakt en daarmede de grond worden gelegd voor een gezond begin. Doch wanneer kwam die boot! Reeds dagenlang was zij over haar tijd, en de mogelijkheid dat haar een ongeluk was overkomen, werd steeds grooter.
Het was in die dagen--terwijl een hevige ingewandsziekte mij overviel, die in dysenterie dreigde te ontaarden--dat, twaalf etmalen te laat, de boot eindelijk binnenviel. De inlanders liepen van het strand de kampong binnen en riepen: "Kapal masok! Kapal masok!" (de boot is binnen). Een tijding, die aan iedereen in de kampong ontspanning en vreugde zou brengen na de onzekerheid en het lange wachten en die mij, was ik gezond geweest, in vuur zou hebben gezet. Nu bleef ik onverschillig en roerloos op mijn veldbedje liggen, verzwakt en mat door de hevige ziekte.
Weldra bereikte mij de tijding dat Verster met het eerste vijftigtal koelies uit de Minahassa aan boord was. Berichten uit Holland, brieven, tijdschriften en couranten zouden binnenkomen. Werk zou er in overvloed zijn. Na den stilstand was de hartslag van een bedrijviger leven gekomen, doch dommelend moest ik blijven liggen waar ik lag, terwijl om mij heen nu alles in de weer kwam. De een na den ander verliet zijn huis. Christenen in hun witte baadjes, Chineezen, Arabieren enz. spoedden zich naar de aanlegplaats of trachtten prauwen en prauwtjes machtig te worden om naar boord te roeien. Reeds kwamen passagiers, die ontscheept waren, over den weg de kampong binnenstappen, en weldra zag ik de Minahassers met groote en kleine bundeltjes op den rug passeeren. Zij maakten een geheel anderen indruk dan men zich gewoonlijk van een troep koelies maken zou. In licht gekleurde gestreepte broeken en witte of kleurige baadjes, met een staand kraagje en een stroohoedje dandy-achtig boven de gele en veelal nette en nog jonge gezichten, sommigen met schoenen aan de voeten, zou men ze eerder gehouden hebben voor een troep studenten eener inlandsche hoogeschool. Nu zou het te Menado ontvangen en natuurlijk aanstonds verteerde voorschot, van f 40.- per man, aan die nieuwe baadjes en nieuwe hoedjes wel niet vreemd zijn geweest. Daarbij doet het uiterlijk van den Minahasser, wat huidkleur en gelaatstrekken betreft, zeer sterk aan vermenging met Japansch bloed denken; ja zelfs vindt men er onder, die hierin maar zeer weinig van den Europeaan verschillen. Ook hebben zij, reeds van ouder tot ouder Christenen zijnde, van den eersten tijd onzer komst in Indië onafgebroken onder onzen invloed gestaan en gevoelen zij zich dan ook veel meer aan ons gelijk dan de doorsnee-inlander. De meesten hebben goed onderwijs gehad, schrijven vaak keurig en spreken soms een woord Hollandsch.
Weldra kwam Verster, vertelde in 't kort iets van de ellende, die hij op deze reis had ondervonden, beklaagde me en verdween spoedig weer met zijn mannetjes naar het emplacement. Het was me even opgevallen, dat hij zeer zenuwachtig en neerslachtig was geweest, doch onverschillig daarover verder dommelend, werd ik spoedig weer afgeleid door passagiers van de boot, die aan land een kijkje kwamen nemen en een praatje kwamen maken, mij zeer beklagend, zooals ik daar lag. De post werd verdeeld en brieven van huis en over zaken hielden me in spanning, en joegen me met zweepslagen uit den dommel der zwakte. Den morgen volgende op dien dag, gevoelde ik me zoo slap als een vaatdoek. Verster opperde toen het denkbeeld om mij, per extra prauw, over de landengte van Dodinga naar Ternate te laten expedieeren, opdat ik onder doktershanden zou kunnen beteren. Ik weigerde beslist en liet de hulp inroepen van den oudsten zendeling, die dadelijk kwam en mij, met zijn vele practische ervaring der gevaarlijke Indische ziekten, er binnen eenige dagen met een streng dieet en het geregeld toedienen van een homoeopathisch middel weer bovenop hielp.
Terwijl ik in die dagen nog met huisarrest onder het galerijtje zat, kwam op een morgen Verster uit het bosch terug en overviel me met de mededeeling, dat we hier onmogelijk verder zouden kunnen gaan, daar het terrein volgens zijn zeggen wegens watergebrek voor cultures niet deugde; dat we derhalve niets beters konden doen dan aanstonds het werk te staken en de koelies af te danken en op Java of elders beginnen, daar alle werk hier tijd en geld verknoeien zou zijn. Er was toen, door gebrek aan werkvolk, op het terrein nog geen water gevonden doch overal was de aanwezigheid van grondwater theoretisch vastgesteld.
Het bleek me toen, dat hij in dezen geadviseerd was geworden door den oudsten zendeling, die op een wandeling het emplacement had bezocht en daar in een kwartier tijds tot die conclusie was gekomen. Ik moest hartelijk om deze meening lachen; doch Verster, die nu uiterst zwaartillend en nerveus was, vatte de zaak heel anders op en vertrok, om spoedig met den zendeling terug te keeren, die mij persoonlijk zijn meening zou meedeelen.
Nu had deze man, naast een bezadigde wijze van spreken, de gave zijn meening helder en met overtuiging voor te kunnen dragen. Door zijn leven te midden eener omgeving, waarboven hij ver uitstak, had hij buitendien, daar alle tegenspraak hem vreemd was, een te groot zelfvertrouwen gekregen, waardoor hij zijn oordeel vaak op te stellige wijze uitsprak.
Tegenover hem en Verster gezeten, hoorde ik de meening van die beide autoriteiten hoofdschuddend en eenigzins lachend aan en weerlegde de bezwaren van den zendeling. Dit bleef niet zonder indruk op hem,--een half jaar later zou hij zelf voor de zendingsvereeniging een stuk grond naast het onze voor de klappercultuur in concessie aanvragen,--en hij vond de zaak bij nader inzien dan ook nog zoo kwaad niet. Ik dankte hem voor zijn ongevraagd advies en bleef bij het eenmaal genomen plan om op dit mooie stuk grond met de ontginning voort te gaan. Verster weigerde echter en bleef koppig weigeren hier voortaan als administrateur op te treden, hoewel ik hem verlof gaf een rapport over een en ander, dat ik van mijn kantteekeningen voorzien, naar Holland te zenden, zoodat hij, van alle verantwoordelijkheid ontslagen was.
De zendeling vertrok en liet mij intusschen, nog zwak en nauwelijks hersteld, met Verster achter, die, wijl ik zijn meening niet deelde, woedend was en beweerde, volgens zijn contract alleen verplicht te zijn op de oorspronkelijke concessie op Morotai te werken, weshalve hij te Tobelo geen slag meer wenschte uit te voeren. Daar zat ik met een administrateur, die alle redelijkheid verloren had, voor een taak, die mijn taak niet was.
Ook den volgenden morgen bleek Verster nog niet voor rede vatbaar te zijn en weigerde beslist zijn werk weer op te vatten, ik had daar naast me een man, die van aanleg werkzaam en flink was geweest, doch wiens gestel door een funest Indisch leven van veel reizen en zwerven en rooken en drinken en veel te veel praten, geheel ondermijnd was geworden. Tegen de zorgen en moeiten der laatste maanden was hij niet meer bestand geweest, terwijl het afkeurend oordeel en allerlei inblazingen, die zich doen hooren, wanneer men trachten wil iets op te bouwen, hem den nekslag hadden gegeven. Hij was door die kritiek op onze, uit den aard der zaak, riskante onderneming gaan twijfelen aan de uitvoerbaarheid der plannen. Niet intelligent genoeg had hij de booze wereld en hare goede-raadgevers niet kunnen nemen voor wat ze zijn. Inderdaad bleek het me later, dat hij op zijn terugreis van Menado naar Ternate, door toedoen van mijn vroegeren gastheer daar, met alles behalve goede adviezen van die laatste plaats naar Tobelo was teruggekeerd, waarvan hij nu het slachtoffer dreigde te worden.
Door de wijze waarop hij zich gedroeg, zou ik genoodzaakt worden hem, wanneer hij niet bijtijds tot inkeer kwam, zijn ontslag te geven. En reeds dreigde hij zelf met ontslag nemen, in de meening mij door zijn onmisbaarheid te kunnen dwingen. Nu begreep ik, dat ik hem nooit als zelfstandig administrateur zou kunnen achter laten, zoodat zijn ontslag zelfs wenschelijk werd. Op een laatste scherpe aanmaning om aanstonds aan het werk te gaan, waarop hij een weigerend antwoord gaf, volgde dit ontslag.
Na die tragedie was het verblijf met hem onder één dak zeer pijnlijk geworden en was het me zeer welkom voorloopig mijn intrek bij den jongsten zendeling te kunnen nemen. Van nu af ging ik elken morgen bij het krieken van den dag van dit huis naar de loodsen in het bosch, alwaar begonnen werd het werkvolk onder leiding van den opzichter en eenige mandoers aan den arbeid te zetten. Dan was er den ganschen dag volop werk tot 's avonds als het donker werd, waarop ik terugkeerde om onder de galerij, bij de petroleumlamp, waar ook de zendeling met zijn vrouw zat, nog menig uurtje aan correspondentie te wijden.
In den put op het emplacement, die door bekwamere werklui sneller kon worden uitgediept, werd na eenige dagen op 15 M. diepte water gevonden, terwijl dit op andere gedeelten van het terrein, die lager waren op geringere diepten eveneens overal werd aangetroffen. Daarmee was deze cardinale kwestie ook practisch opgelost.
Met de komst der menschen werd het in het bosch weldra bedrijvig en vroolijk; vrouwen en kinderen, die met den vader waren meegekomen, zag men den ganschen dag voor de loodsen; kippen liepen er weldra rond en kakatoes en papegaaien slingerden aan hun stokken; armzalige gladakkers snuffelden naar alles wat van hun gading was; vuurtjes werden gestookt voor het klaarmaken van het middagmaal; de wasch hing aan de drooglijnen uit, en zoo gaf al dat menschelijk bedrijf aan die stille plek in het bosch een geheel ander aanzien, dan ik daar tot nu toe gewend was geweest. Een fiets, die hier nog een hypermodern vervoermiddel was en dan ook in den beginne zeer de aandacht der bevolking trok, was uit Menado meegekomen en bekortte me zeer den dagelijks herhaalde malen af te leggen afstand over een smal voetpaadje, van het huis van den zendeling naar de ontginningen.
Intusschen was ik nog niet geheel van Verster bevrijd. Uit een zeer menschelijke neiging tot wraak en tot het zoeken van eigen voordeel zou hij nog zooveel mogelijk trachten mij te dwarsboomen, nu hij in mij zijn vijand meende te moeten zien. Als administrateur had hij het beheer der gelden gehad. Na zijn ontslag was hij verplicht de boeken en de kas, welke laatste altijd nog zwervende was geweest en die zich nu ten huize van den civiel-gezaghebber bevond, aan mij over te dragen. Op mijn aanmaning ontving ik een verantwoording, waaruit aanstonds bleek, dat de man in zijn geëxalteerden toestand de grenzen der eerlijkheid had overschreden. Aanstonds liet ik door den civiel-gezaghebber beslag leggen op al het geld dat aanwezig moest zijn; en onder den druk van zijn geweten en van een zeer begrijpelijke vrees gaf Verster op diens aanmaning het papiergeld af, waarmede hij reeds in zijn zak liep en het zilver, dat hij op andere wijze had verstopt. Daarmede was het geld nu wel uit de handen van Verster gered, doch hiermede had ik zelf de beschikking over bijna alles verloren en de dichtst bijzijnde rechtbank voor dergelijke delicate zaken was die te Makasser, welke plaats eerst na een reis van ruim 14 dagen te bereiken was.
Verster begon, doelloos te Tobelo rondloopende, zich daar steeds onbehagelijker te gevoelen. Zijn ontslag had tengevolge, dat hij zijn ruime salaris had verspeeld, terwijl door de inbeslagname der kas het resteerende bedrag hem voorloopig niet kon worden uitgekeerd. Weldra zou het hem aan contanten gaan ontbreken. Schaamte en berouw deden het hunne, en daar de terugkeerende boot naar Ternate nog een drietal weken zou uitblijven, oordeelde hij het raadzaam na een week per prauw daarheen terug te keeren. Op een morgen vernam ik, niet zonder medelijden met hem te gevoelen, dat hij vertrokken was. Met vuur en ijver was hij een tijdlang voor onze belangen opgekomen; toen hadden zijn woelige natuur en zijn verbeelding hem parten gespeeld en zijn kortstondige energie gebroken. Een man als hij zou onder de Europeanen steeds meer blijken tot de categorie van gelukzoekers en zwervers, waaraan Indië zoo rijk is, te gaan behooren.
De onderneming begon zich te ontwikkelen en groeide met den dag. De kweekbedden strekten zich steeds verder uit en voortdurend kwamen er nieuwe ladingen noten. Reeds deden de eerste spruiten den dikken vezelbast scheuren en rezen er stengels met zijwaarts gerichte bladeren uit den grond op. Met donderend geweld ploften de reuzen van het woud ter aarde, en door de open ruimte, die steeds wijder werd en over den chaos van omgevallen stammen en kruinen en takken klonken de bijlslagen den ganschen dag. Een timmerman, die was medegekomen om de leiding van den bouw van huizen op zich te nemen, had zijn taak aangevangen en onder een dakje van atap werd gezaagd en gehakt en geschaafd aan de balken en stijlen voor het eerste huis.
In een der loodsen was een gedeelte gereserveerd voor kantoor, waar eindelijk de brandkast werd opgesteld, die, na uit Amerika te zijn gekomen, de reis van Holland uit had meegemaakt en nu, na dien tocht rondom de wereld, in het oerwoud eindelijk haar bestemming had bereikt. Een beschuttend dak voor het kantoortje uitgebouwd, werd weldra mijn galerijtje, waar ik, als mijn werk in het bosch was afgeloopen en mijn aanwezigheid niet elders werd vereischt, de administratie en correspondentie verrichtte en waar de Tobeloreezen en handelaren, die materialen en goederen en zaadnoten leverden, geduldig op betaling zaten te wachten, wanneer de Toewan Maatschappij het bosch in was.
De naam van Toewan Maatschappij had men mij te Tobelo spoedig gegeven, ter onderscheiding van den Toewan Magistraat, den civiel-gezaghebber en den Toewan Pendita (Geestelijke), den oudsten der zendelingen.
Het was, na een onafgebroken zwerven van meer dan zes maanden, waarin ik onder allerlei omstandigheden correspondentie en administratie had moeten verrichten, een heerlijkheid daar een veilig plekje te hebben gevonden, waar alles netjes bijeen was en elk stuk, uit de groote kist met schrijf- en kantoorbehoeften uit Holland meegenomen, zijn plaats had gekregen. Het was er heusch een echt kantoor, met agenda's en memorandums en briefregistrators, copieerboeken en copieerpers. Nog behielp ik me met een tafel en stoelen uit bamboe gemaakt, doch een schrijftafel was bij de timmerschool in de maak. De brandkast was als de kroon op het geheel; zij werd met haar kantoorboeken en geheimzinnige geldkastjes, door de menschen uit de wildernis, die soms eens familiaar kwamen kijken, steeds met ontzag aangekeken en nader besproken. In dat leven van rondzwerven in het bosch en den geheelen dag buiten zijn, en--wanneer het werk mij riep voor het primitieve kantoortje--van hard afwisselend werken van den morgen tot den avond, voelde ik me wonderwel thuis en gezond. En wanneer niet sterke banden mij naar het vaderland hadden teruggeroepen dan zou ik mij zelven hier tot administrateur hebben benoemd. Nu echter moest ik trachten een opvolger voor Verster te vinden, wat in dezen uithoek der wereld niet zoo gemakkelijk zou zijn. Met de komst van dien nieuwen functionaris zou, wanneer hij de rechte man op de rechte plaats bleek te zijn, mijn taak zijn afgeloopen. In het belang der onderneming zou zoo iemand, nu de eerste bezwaren en moeilijkheden der vestiging waren overwonnen, zelfstandig en op eigen verantwoordelijkheid dienen te handelen.
Met de postprauw, die tusschen de aankomst der booten in naar Ternate vertrok, gaf ik telegrammen mee naar Holland en naar relaties op Java, om een tweeden administrateur te zenden. Er zouden voor de komst van den nieuwen titularis ten minste een drietal maanden verloopen, en zoo was ik in dien tijd mijn eigen baas en kon handelen naar eigen inzichten en believen.
Elken dag zag me de opkomende zon door de alang-alangvelden fietsen naar den uitgestrekten woudzoom in het Westen, waarachter de Doekoenoe en de uitgedoofde vulkaankegel van den Momoja verrezen. Dat eerste begin van den dag, met de verdwijnende sterren en het verschieten van het rood aan de wolkenvegen, en het scheren van de eerste zonnestralen over de aarde, was in de open ruimte tusschen zee en woud een telkens weerkeerend zalig beleven van den eersten morgenstond.
Na den inspectietocht in den vroegen morgen door het woud verscheen, tegen 8 uur, Ketjil met den etensdrager, waarin door de goede zorgen van mijn gastvrouw een smakelijk ontbijt was geborgen. Soms genoot ik van die versterkende rustpauze voor mijn kantoortje gezeten, soms ook op een omgevallen boomstam in het woud, waar na een langdurig zoeken de jongen mij toevallig had gevonden. Zijn anders altijd goedmoedige gezicht had dan, door het sleepen met dien zwaren etensdrager over boomstammen en struiken en door een warnet van takken en ineengestrengelde lianen een grimmigen trek gekregen, doch zijn goede humeur herstelde spoedig als hij neergehurkt tegenover zijn etenden baas, geduldig zat te wachten.
Schrijven, regelen, overleggen, een tweede rondgang en soms een derde volgden, daarna tusschentijds even middageten bij den zendeling aan huis en zoo keerde ik tegen den avond, als het werk der koelies was afgeloopen, vermoeid huiswaarts.
Op deze wijze verliep het leven geleidelijk, zonder horten of stooten; alleen de komst der booten gaf eens in de maand eenige opschudding, terwijl ook de Zondag eenige verandering bracht, daar het werk dan moest worden stilgelegd. Daar er bijna uitsluitend met Christenen werd gewerkt, had men tegenover hen, volgens contract, den Zondag als vrijen dag moeten erkennen. Op dien dag werd ook door een der zendelingen in een der loodsen op de onderneming gepreekt, waarbij het in die primitieve omgeving steeds zeer ernstig toeging. Op planken, die over kisten en balen waren gelegd, zaten de toehoorders en een enkele toehoorster in hun Zondagsche plunje aandachtig luisterend op rijen achter elkaar, terwijl de zendeling achter een tafel van bamboe staande, in het Maleisch zijn preek hield. Als ouderling en voorzanger trad steeds de timmerman op, die onder het laatste gezang tevens met het kerkezakje aan den langen steel rondging. Kakelende en vechtende kippen en hanen liepen soms, pikkend en verwaand rondkijkend, tusschen het publiek of onder den geïmproviseerden preekstoel door. Doch een goed zendeling is voor dergelijke stoornissen niet in 't minst vervaard; hij heeft geen kerken of kathedralen, noch plechtige stilte noodig, doch predikt als het zijn moet overal en onder alle omstandigheden, waarbij de stemming of de indruk niet in het minst behoeft te lijden. Integendeel, in dien soberen eenvoud is iets stichtelijks en ontroerends. De oudste zendeling vertelde mij, dat hij eens onder een boom staande voor slechts één mensch had gepreekt.
Somtijds wandelde ik op zulk een Zondagmorgen met den voorganger mede en woonde den kerkdienst bij.
Het publiek, dat hier bijeenzat, was misschien meer stil-aandachtig dan devoot, want eenmaal inziende, hoe geenerlei dwang op hen werd uitgeoefend bij het ter kerk gaan, had er spoedig een groot verloop van toehoorders plaats. Toen er weldra meer werkvolk op de onderneming verscheen en voornamelijk bewoners van de Sangir- en Talaut-eilanden, bleek het, dat deze in grooter afzondering levende eilandbewoners, veel trouwer naar de Zondagmorgenpreeken kwamen luisteren dan de meer geraffineerde Minahassers.
Ten huize van den jongsten zendeling nam ik, indien aanwezig, deel aan de gewoonten van dit huis. Reeds zeer vroegtijdig, gewoonlijk wanneer het nog schemerend was, liet de heer des huizes een belletje door het huis weerklinken, waarop de huisjongen en de jongens der school, die in de bijgebouwen sliepen, in letterlijken zin hun matjes oprolden, zich waschten en zich gingen klaarmaken voor den dag. Meestal zat ik, als dat belletje weerklonk, reeds op de fiets, en in het donker of halfdonker waren een drietal dier jongens, wier weekbeurt het was, reeds buiten en in de keuken bezig om het huiswerk te bezorgen. Door de talrijke reten der gebarsten gedek-wanden van het keukentje flikkerden reeds de vlammen van een vuurtje, en daar buiten was er een bezig hout te kloven; zelfs den zendeling ontmoette ik somtijds reeds op dat vroege morgenuur op het erf, genietend van de koelte en van den aanblik van het krieken van den dag en het opgaan der zon.