Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917

Chapter 6

Chapter 63,751 wordsPublic domain

Toen we den volgenden morgen reeds vroeg voor Galela lagen, verscheen na eenigen tijd een reeds oudachtig heer aan boord. Hij had de eigenaardig slappe wangen en het vaalgele teint, waaraan men de weinige oude Hollanders, die men in Indië ziet, herkent. Hij liep gesteund door een stok, daar een zijner beenen krom en krachteloos bleek als gevolg eener vroeger opgedane blessuur. Zijn zonnehoed was van een vreemd model en toonde sporen van een jarenlang gebruik, zijn mond was bezig tandeloos te worden, maar achter zijn brilleglazen fonkelden nog een paar zachte, vriendelijke oogen, die eenigszins verbijsterd in het rond keken, toen hij van de hooge scheepstrap, die langszij hing, op het dek verscheen. Het was de oudste zendeling dezer streken, een geleerde, een taalkenner. Men herkende terstond in hem een goed, eenvoudig mensch, een liefdevol gemoed, een die ondanks zijn eenzaam leven zijn blijmoedigheid niet had ingeboet. Zoodra hij mij zag trad hij, hoewel wij elkaar nog niet kenden, op mij toe, daar hij wel vermoedde wie ik was. Een luidruchtig gesprek begon en menige schaterlach weerklonk weldra over het dek, waartoe de oude heer met zijn vroolijke belangstelling telkens aanleiding gaf. Daar ook Galela slecht eens in de twee maanden door de boot werd aangedaan en hij ver van elke nederzetting van blanken woonde, had hij in weken geen Europeaan gesproken. In Duma, een uur landwaarts in aan het meer van Galela, waar het water meehelpt het landschap te flatteeren, woonde hij met zijn vrouw en kind, met zijn goeroe's en zijn kleine christengemeente in een prachtige omgeving, niet geplaagd door het geroezemoes van een drukke moderne samenleving, in het gelijkmatige tempo van de steeds weerkeerende plichten van zijn zendelingenhuis en in het kalme geluk der vreugden van een taalgeleerde.

Hij wilde het reisje met de boot naar Tobelo meemaken, om den volgenden dag per prauw naar zijn standplaats terug te keeren. Als oudste der zendelingen had hij de verplichting, de tractementen en de overige gelden voor de zendingsposten, die door de boot in één bedrag aan papier en zilver waren meegenomen, te verdeelen en van hier verder te verzenden. Voor dit werkje trok hij zich in den salon terug en weldra vernam ik van daar het geklikklak der ringgits.

Na eenige uren voor Galela op de ree te hebben gelegen, gingen we weer onder stoom, om tegen den middag voor Tobelo het anker te kunnen laten vallen.

Intusschen zetten we ons aan den lunch, waar het gesprek onder leiding van den zendeling met den kapitein en den stuurman, die mede aanzaten, weldra zeer druk werd. Doch het duurde niet lang of de vrede zou verstoord worden. De stuurman, die, als zooveel menschen in Indië, de zending en de zendelingen nu eenmaal niet kon uitstaan, had zich in den loop van het gesprek schampere opmerkingen over hen in 't algemeen laten ontvallen, wat door den zendeling niet onbeantwoord was gebleven. Het kwam nu van het een tot het ander. De brave oude heer, die zijn menschen niet voldoende scheen te kennen en met zijn eerlijk hart ook geen diplomaat genoeg was om te zwijgen, ontwikkelde daar de redenen van zijn rotsvast geloof, waarbij hij met zijn trouwe oogen den stuurman aankeek alsof hij niet anders verwachtte dan dat deze man nu toch wel met zijn denkbeelden zou instemmen. Deze echter, die geen fijngevoeligheid of medelijden kende, maakte hem met zijn zekere weten voor een zieligen stumper uit. In plaats van te zwijgen ging de arme man trillend van zenuwen, waar hij op zulk een wijze in het diepste en heiligste zijner overtuiging werd aangevallen, voort en verkondigde daar, zooals hij tegenover zijn goeroe's en zijn christengemeente steeds zonder tegenspraak gewend was, in een stijgende extase, wat hij voor onomstootelijk waar hield.

Ik hield mijn hart vast, toen ik keek naar het gezicht van den stuurman, waarop de schamperheid met onmeedoogendheid afwisselde. Daar was van dezen man een antwoord te verwachten op deze met veel overtuiging gedane belijdenis, zoo pijnlijk kwetsend als slechts te vinden was om daarmede zijn tegenstander voor goed den mond te kunnen snoeren. Het bleef dan ook niet uit, en kort en goed schreeuwde hij den zendeling, die alles zoo zeker wist en verklaarde, in het gezicht, dat hij een arrogante en pedante ezel of idioot was; de keuze liet hij aan hemzelf over.

De arme man was nu inderdaad sprakeloos; hij hijgde naar adem en trilde over zijn gansche wezen over zulk een beleediging niet hem; maar zijn overtuiging aangedaan. Ik had deernis met den ouden heer, die nauwelijks zijn veilige knusse hoekje had verlaten, en in de eerste aanraking met de groote wereld daarbuiten, op zulk een wijze zijn hoofd stootte.

Maar iets van eigen schuld aan zulke pijnlijke ervaringen in hun ontmoeting met de buitenwereld ligt bij de zendelingen zelve, daar zij, voor een groot deel voortgekomen uit den kleinen burgerstand, waar de gezichtskring niet bijster groot is, maar al te vaak verbeelden beter te zijn dan anderen, en alles wat buiten hun wereldje ligt, in hun geborneerdheid, als één brok zonde vaak liefdeloos verafschuwen. Wie echter een jaar lang achter de schermen dezer kleine wereld heeft kunnen kijken, zal eerbied hebben gekregen voor hun beginselvastheid en voor hun ingetogen levenswijze, maar hij weet tevens, dat hier niet minder afgunst en niet meer christelijke liefde heerscht dan elders, terwijl weer andere fouten, die men in de groote wereld niet zoo kent, in dit wereldje dikwijls leelijk om den hoek komen kijken. En tout cas le diable ne perd rien.

HOOFDSTUK V.

UIT DE PRILSTE JEUGD EENER CULTUURONDERNEMING.

Terug te Tobelo. Na een landing van menschen en beesten en goederen, die uren duurde, daar de boot door de tallooze koraalbanken steeds een paar kilometer uit de kust op de reede moest blijven liggen, zoodat iedereen en alles per sloep, per prauw of motorboot naar het land moest worden geroeid of gesleept, was ik dan veilig en wel te Tobelo weergekeerd en opnieuw ingekwartierd ten huize van den civiel-gezaghebber. De koelies, die van Ternate waren meegegaan, bleken reeds een onderdak te kunnen vinden in een der twee groote loodsen, die men nog bezig was op het terrein te bouwen en waarvan de daken in de verte op den weg daarheen reeds hadden verteld, dat de bedrijvigheid alhier tijdens mijn afwezigheid niet geheel had stilgestaan. Ook was een 9 M. breede weg van de kampong naar het concessieterrein lijnrecht uitgezet en voor een groot gedeelte reeds van de boomen en planten, die daar stonden, ontdaan.

Op het terrein zelf aangekomen, wachtte mij echter een groote zorg, die mij nog eenige weken achtervolgen zou. De eenige kali, die het terrein doorsneed, was in haar benedenloop meestentijds droog, alleen na hevige regens stroomde er water in. Zonder water zou het prachtige terrein, waarvoor we nu stonden, voor cultures zoo goed als waardeloos zijn. Het werd dus zaak water te zoeken; doch waar? We hadden hoop door het graven van putten voldoende grondwater te zullen vinden. Er liepen door dezen poreuzen bodem ondoordringbare leemlagen, die het grondwater ophielden; doch hoe en waar deze te vinden waren, wist niemand.

Zoo hadden we op goed geluk op verschillende plaatsen putten laten graven, doch nergens was nog water gevonden. Waar de loodsen werden gezet, hetgeen we het emplacement gingen noemen, was reeds een dergelijke put tot een diepte van 10 M. gegraven en nog was hij droog. Dat zag er leelijk uit en zou ons scheepje kunnen doen stranden. Dieper graven en overal naar water zoeken was nu het consigne geworden. Met de mannetjes, die ik tot mijn beschikking had, werden binnen en buiten de grenzen van het terrein gaten gegraven en na eenigen tijd bleek het, dat het grondwater in dezen doordringbaren bodem even hoog stond als het niveau van den zeespiegel. Zelfs bleek het, dat dit water rees en daalde naar gelang van eb en vloed. De diepte der putten zou dus afhankelijk moeten zijn van de hoogte van het terrein boven den zeespiegel, en daar het emplacement 15 M. hoog bleek te liggen, zou vrij zeker tot deze diepte gegraven moeten worden.

Intusschen leerde ik op mijn dagelijksche tochten ter nadere verkenning en onderzoek door de kilometerslange rintissen of over moeilijk te vinden en te volgen voetpaadjes, het oerwoud allengs meer kennen en geraakte er steeds meer mee vertrouwd. We drongen door tot aan den voet der bergen en vonden onzen weg door moeilijk doordringbare glagahbosschen of door bamboestoelen (een groep bamboekokers uit een zelfden wortelstok), die dank zij de slagen van den parang op de lange kokers, die in een enkelen forschen slag doormidden waren, ons voortgaan niet konden beletten.

Onder het zwaarste hout was het doordringen het minst moeilijk; daar onderschepten de zware kruinen hoog in de lucht het zonlicht totaal, zoodat een weelderige vegetatie op dien bodem uitgesloten bleef. Wel stonden er op dien altijd vochtigen boschgrond groote en kleine varens en trachtte ook het jonge hout naar boven en naar het licht te streven, doch het halflicht onder het dichte bladerendak dier reuzenstammen verhinderde een opulenten groei.

Het wemelde in zulk een woud van klein gedierte. Milliarden mieren, groote en kleine, bruine en zwarte krioelden over den grond en over omgevallen boomstammen; millioen- en duizendpooten en venijnige schorpioenen scharrelden er tusschen.

Griezelige spinnen, soms fraai gekleurd, sponnen haar groote taaie netten met witte kruisen tusschen 't jonge hout, waaronder de zwaarbehaarde vogelspin, met hare pooten uitgestrekt zoo groot als de palm eener hand, me altijd een schrik op het lijf joeg. Aantrekkelijker waren de vlinders, die met hun felle kleuren en in nooit te voren geziene grootte zweefden door de roerlooze stilte van het woud, of de tallooze wonderlijke insecten, waaronder allerlei soms bijna lachwekkende spelingen der natuur. Daaronder waren de wandelende takken en bladeren als frappante voorbeelden van de neiging der natuur tot mimicry, waardoor zij natuurlijk uiterst moeilijk te ontdekken waren. Tallooze hagedissen schoten telkens als weerlichten weg; leguanen, waarop de inlanders gaarne jacht maakten terwille van het lekkere vleesch, verdwenen kruipend tegen de hooge stammen in de donkerte der kruinen. Soms vernam men in het lage hout het gedruisch van een wild varken, dat op de vlucht sloeg, naast de herten, het eenige gevaarlooze grootwild dat op Halmaheira te vinden was. Men was er reeds binnen de grenzen der Australische fauna, waartoe veel buideldieren, doch geen gevaarlijk wild behoorde. De koeskoes, de oostersche opossum, een dier onschuldige buideldieren, werd dikwijls, door de koelies doodgeslagen, uit het bosch meegesleept en boven het vuur als smakelijk maal geroosterd. In de alang-alang ritselde wel eens een slang, die daarmede hare tegenwoordigheid verried, wat haar gewoonlijk het leven kostte. De menschelijke haat tegen deze beesten was hier al even erg als een halfrond verder, waar de Drentsche boer elken adder, die op zijn weg komt, met zijn klomp tracht dood te slaan of met zijn zakmes in stukken tracht te snijden.

Op den vlakken bodem van het woud passeerden we dikwijls hoopen, uit aarde, bladeren en takken bestaande, die van een tot anderhalven meter hoog en vele meters in omtrek waren. Deze hoopen werden door de boschkip opgeworpen voor het bewaren en het uitbroeden harer eieren. Wanneer men dan dezen vogel zag, die slechts iets grooter was dan een patrijs en men liet zulk een aardhoop openleggen, dan vond men daarin een zevental eieren, elk grooter dan een eendenei, en stond men verbaasd over de ongerijmde energie die door dat beestje was ontwikkeld en die in geenerlei vergelijking stond met de normen, waaraan de natuur ons in dat opzicht heeft gewend. Het krijschen van papegaaien en kakatoes, en soms 't geroep van den jaarvogel, vergezelden ons op onze tochten langs de soms meters dikke stammen in de vochtige koelte van het woud. Een voor een zouden die reuzen moeten vallen en het moeten afleggen tegen die venijnige menschjes, die nu zoo klein langs hun voeten kropen; met donderend dreunen zouden die stammen en kronen ter aarde vallen, zoodat men in de kampong Tobelo aan het rommelen van een aardbeving zou denken.

De gladstammige kanariboomen van ruim 40 M. hoogte, die met hun breede kruinen loodrecht naar boven streefden, zouden met vele andere onbekende grootheden, waarvan het hout niet bestand was tegen het Indische klimaat en het invreten van houtwormen, als waardeloos worden verbrand en in den drogen tijd als dood hout langzaam wegsmeulend, geheel tot asch verteren. De betere houtsoorten echter, zooals het veel gebruikte harde ijzerhout (kajoe besi), lingowa, oetang kanari en zelfs ebbenhout, zouden worden uitgezocht en bestemd worden voor den bouw van huizen en loodsen. Ook zouden met dat woud de tallooze lianen verdwijnen, die in allerlei dikten langs die hooge stammen van de zware takken dropen, de klimplanten en de parasieten, waaronder de orchideeën, die zich op de takken met hun kort stelsel van luchtwortels hadden vastgehecht.

Zoo leerde ik me in die bosschen steeds meer oriënteeren en allerlei kleine verschillen opmerken, die eerst langzamerhand in het oog vielen, waar het in den beginne een chaos van takken en bladeren was geweest. Zoo, met die natuur vertrouwd geworden, was het een genot soms alleen door de plechtige stilte van zoo'n eeuwenoud roerloos woud te kunnen gaan.

Herhaaldelijk was ik in de uitvoering van mijn taak genoodzaakt de hulp van den oudsten der zendelingen in te roepen. Voor zijn grooten timmerwinkel hadden we steeds bestellingen, van zijn geneeskundige kennis en het hospitaal moesten we veel en zouden we op den duur, met meer koelies, zeer veel gebruik moeten maken. Als vraagbaak voor velerlei kleinigheden stond hij me met zijn kennis van land en volk steeds bereidwillig ten dienste.

Met leede oogen zag onze civiel-gezaghebber het aan, hoe ik meer en meer achting voor zijn tegenstander begon te krijgen. Met nauw verkropte woede moest hij het aanzien, hoe ook ik den zendeling, waar deze mij zoozeer van dienst was, gaarne van dienst wilde zijn en somtijds kon zijn. In zijn heerschzucht en zijn groot gevoel van machthebber zou hij het liefst dezen omgang verboden of deze samenwerking onmogelijk hebben gemaakt; nu echter was hij wel gedwongen zich te bepalen tot eenige schimpscheuten en onvriendelijke opmerkingen.

Het was mij ook reeds op reis herhaaldelijk opgevallen, dat men den naam van dezen zendeling veel noemde en daarbij dikwijls op minder vriendelijke wijze. Doch het bleek me bij nadere kennismaking al spoedig, dat hij voor deze streken een man van beteekenis was, hetgeen alleen reeds reden genoeg was tot allerlei gepraat.

Menigen avond, als het donker geworden en het werk afgeloopen was, stapte ik het ruime erf van het zendelingenhuis op en zat met hem en zijn vrouw onder de voorgalerij der gezellige woning. Daar hoorde ik dan van hun leven en ontberingen in de eerste jaren van hun verblijf in deze streken. Het was toen zoo vol ellende geweest, dat van een zestal kinderen die in hun huwelijk geboren waren, slechts één meisje in het leven was gebleven, en dit kind hadden ze op negenjarigen leeftijd, als hun eenigen oogappel, terwille harer opvoeding, naar Batavia moeten zenden. Doch uit de moeiten en ontberingen van dien eersten tijd was langzamerhand veel goeds gegroeid, en nu kon hij wijzen op den gestadigen bloei van 't geen hij in onderscheidene richtingen tot stand had gebracht. Want naast zijn directen werkkring van zendeling, had hij, met zijn energie en kijk op practische dingen, nog tijd en lust gevonden voor allerlei werkzaamheden, waardoor hij tevens den werklust bij zijn gemeente had aangewakkerd.

In de timmerschool op zijn erf werkten dagelijks van 's morgens tot het donker werd, onder het toezicht van een Chinees, een dertigtal inlandsche jongens en aankomende mannen van allerlei stammen uit den omtrek, zelfs Papoea's van Nieuw Guinea. Zij maakten daar kasten en stoelen en tafels en bedden, en verder allerlei nuttig gerei, waar hier steeds veel vraag naar was. Zoo noodig werd ook de bouw van een huis in den naasten omtrek van hieruit geleid. Zoo was daar die schavende, beitelende en hamerende troep voor de geheele Residentie Ternate een unicum van bedrijvigheid. Ook het hospitaal eischte dagelijks door de vele menschen die om hulp kwamen vragen, veel werk.

Een klapperaanplanting van 10.000 boomen, waarmede reeds jaren geleden door hem was begonnen, verlangde steeds meer toezicht, nu de oogsten grooter werden en zeer belangrijk beloofden toe te nemen; tevens waren proefaanplantingen van hevea, manilla-hennep en cacao door hem aangelegd.

Zijn kennis van de Tobeloreesche taal had hem in staat gesteld een uitgebreid woordenboek dier taal samen te stellen en uit te geven; en zoo werkte zijn veelzijdige bekwaamheid in veelzijdige richting tot zegen van deze streek.

Een geheel ander man was zijn jongere collega, die iets verder woonde en die zich uitsluitend tot het geestelijk beroep bepaalde en het practische, als zijnde niet in de eerste plaats zijn werk en niet met zijn neiging strookende, liefst afwees. Jaren later gekomen, had hij ook veel reeds gereed gevonden. Zijn huis, evenals de school, waarin hij de inlandsche jongens tot goeroe opleidde, was door zijn collega gebouwd. Zijn leven verliep tusschen die school en dat huis en de kleine kerk, waarin hij ook geregeld een preekbeurt vervulde. Hij was een aangenaam man in den omgang, die pratend en luisterend zijn gezelschap met de belangwekkendste gesprekken wist bezig te houden. Door de gunstige omstandigheden, die hij hier van den dag zijner komst af gevonden had, was hij geheel buiten de gewone moeilijkheden gebleven, waarmee de zendeling anders op deze verre posten dikwijls te kampen heeft. In zijn huis, in gesprek met hem en zijn vrouw, met de beschikking over zijn bibliotheek, waarin de Hollandsche schrijvers voor het jaar '80, goed vertegenwoordigd waren, waande men zich geheel in Holland terug, in een well-to-do en zelfgenoegzaam Holland, waarmede de pisangs en de klapperboomen op het erf en de tropische zon, die buiten de galerij scheen, in 't geheel niet harmonieerden.

Het was tegen het eind van Januari geworden, toen we konden beginnen met klappernoten te verzamelen, die als zaadnoten op de eerste kweekbedden zouden worden uitgezet. Onder leiding van een Ternataanschen opzichter, die als zoodanig door mij was aangenomen, wijl hij de taal van het volk en ook Hollandsch sprak, was de prauw, die uit Ternate was meegebracht, met een zestal koelies bemand naar de naburige eilanden en langs de kust gezonden, om deze eerste noten te verzamelen. Het zou dagen duren, want de gezondste en zwaarstdragende boomen die te voren door ons waren uitgezocht en gemerkt, lagen ver uiteen. Er bleef mij in die dagen niet veel te doen over, dan af te wachten en het toezicht te houden op het bouwen der loodsen en het graven van putten. Alleen wanneer de boot zou binnenvallen, die binnen eenige dagen verwacht mocht worden, zou daaraan spoedig een einde komen. Dan opeens, als de fluit zou weerklinken, zou het leven weer beginnen, dat nu langzamerhand uitging, elken dag wat meer, totdat de eentonigste saaiheid van bijna werkelooze dagen was bereikt.

Zoo brak de dag voor de aankomst der boot aan, doch wij hielden er rekening mede, dat zij tenminste drie dagen te laat zou binnenvallen. De dag verliep dan ook in ononderbroken rust, ook de volgende dag en de dag daarop en de eene dag na den anderen, en ook de prauw onder leiding van den opzichter kwam niet terug. Hoe keek ik nu uit naar dien onruststoker uit de groote wereld, wanneer ik na de paar menschen, die op het emplacement werkten bezocht, en gezien te hebben, dat zij elken dag hun taak hadden volbracht, doelloos ronddoolde door het woud. Zoo begon ik in die dagen te lijden aan ongeduld, verveling en... verlangen, en in mijn dagboek vind ik uit dien tijd een gedichtje:

Totdat...

Weer komen er verlangens Smartelijk los, Terwijl ik wandelend ben Door 't eenzaam bosch.

Weer dwalen mijn gedachten Van dit kruis, Zij gaan, onmerkbaar eerst, Naar 't ver tehuis.

En peinzend denk ik dan: "Hoe zal 't daar zijn!" Ginds, waar mijn lieven leven Groot en klein.

De kleinen met hun spelen Hun gevraag, De groote stil verlangend Tot het daag.

Tot daag het uur van wederzien, Tot daag 't geroep, 't gejuich der kleinen, Tot het verlangen henengaat, Hereend, vereend weer met de mijnen.

En eenzaam liep ik langs het heete, zwarte strand, turende over den glimmenden waterplas naar de koraaleilanden voor de kust en over de wijde toegangen daar tusschendoor naar de heel verre flauwe streep aan den gezichteinder, of niet een rookwolk de komst van de boot zou verraden. Of wel ik zocht langs de kusten dier eilanden, of niet de uitgezonden prauw te ontdekken was, welker terugkomst althans eenig werk zou verschaffen en eenigen voortgang zou brengen in de dagen, die nu doelloos voorbij gingen. Doch verlaten, troosteloos verlaten bleef de zee.

Eenzaam liep ik er, zooals er voor mij duizenden in dit land geloopen zullen hebben, zooals er na mij duizenden loopen zullen, in machtelooze afwachting, in werkeloosheid door een groot verlangen overvallen, dat tijdelijk alle belangstelling doofde. Ik voelde me onder dit volk en te midden van deze natuur als een vreemdeling, als een indringer, als een rustverstoorder en in mijn sentimenteele stemming zong ik, als een dreun die me niet verlaten wou:

Nach der Heimat kehr' ich wieder Nach dem treuen Vaterland.

Het was Indische maannacht geworden. Donkere silhouetten van cocospalmen, van pisangs en manggaboomen en van de atappen dakjes der inlandsche huisjes staken af tegen de lichte lucht, waarin de sterren verbleekten. Zoo slenterde ik op een avond terug naar huis. Zwarte, geheimzinnige schaduwen zag ik overal en uit de verte klonk uit de heidensche kampong het sombere geluid der doffe slagen op de tifa, waarop de inlanders ter aanvuring van nachtelijke bacchanaliën in eentonigen cadans hun primitieve muziek uitvoerden.

Gedrukt zette ik mij neer onder het galerijtje van het huis van mijn gastheer en liet me vertellen van de bevolking en haar vrees voor den blanke.

Deze heidensche inlanders, met hun animistisch geloof (het geloof in de macht van de geesten der afgestorvenen hier op deze aarde), hadden een groot ontzag voor den Hollander. Hoewel zij hem onverschrokken aanzagen, zouden zij hem toch niet spoedig aanvallen, daar hun geloof hun leerde, dat zij, die in de kracht van het leven door een ongeluk omkwamen of die in den krijg sneuvelden, hiernamaals een veel grootere macht over de levenden bezaten dan zij, die door ouderdom of op het ziekbed waren gestorven. Nu stond het bij hen vast, dat de Kompanie een verbazend groot aantal van zulke geesten bezat, die in oorlogen gesneuveld, nu onder de levenden de Kompanie en hare leden in geval van een aanval zouden bijstaan.