Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917
Chapter 5
Den dag daarna, den eersten dag van het Nieuwe Jaar, was een dag waarin slechts tegen den avond eenige opleving kwam, men was mat en voelde zich onder den indruk van den doorwaakten nacht. De huishouding van onzen gastheer was nu zoo in de war, dat eerst 's middags tegen vier uur het eerste ontbijt werd gebruikt, terwijl er den geheelen dag geen warm eten op tafel kwam.
Met de Duitsche boot vertrok Verster den volgenden dag naar Menado op Celebes, om te trachten zijn plannen te volvoeren, terwijl de boot die mij naar Tobelo terug zou brengen, elken dag verwacht mocht worden. Buiten de vele bagage, die nog steeds te Ternate was achtergebleven en die uit 18 kisten en 2 koffers bestond, gingen er verscheiden colli meubelen mee, waaronder de inrichting van het te bouwen huis van den administrateur, benevens een groote prauw, die aan dek van de paketboot zou kunnen worden geheschen; verder 20 balen rijst, 25 kisten petroleum en 2 trekossen, terwijl 7 koelies na veel zoeken te Ternate waren aangeworven, waarmee voorloopig verder gewerkt zou kunnen worden.
Terwijl ik bij het tolkantoor (de boom zegt men in Indië) bezig was alles in orde te brengen voor de verscheping van menschen, dieren en goederen, werd ik door den civiel-gezaghebber van Tidore uitgenoodigd den volgenden dag een bezoek aan zijn eiland te brengen. Daar alles voor het vertrek in gereedheid was gebracht, doch de boot uitbleef, was elk nieuw etmaal, dat zij niet binnenviel, een vrije dag, waarop genoten kon worden van de weelde om zooveel mogelijk de omgeving te leeren kennen.
't Was het mooist denkbare weer toen we den volgenden morgen reeds vroeg met een motorboot Ternate verlieten en op Tidore aanstevenden. De blauwgrijze zee was zoo glad als een spiegel, massa's kleine vliegende visschen schoten voor de boot uit en ook andere visschen sprongen spelenderwijs, of nagejaagd door hun doodsvijanden uit het water. Op stukken drijfhout zaten zeemeeuwen, doch het meest verrassend waren een groot aantal vlinders, die over dezen wijden plas van 't eene eiland naar het andere vlogen en die soms in staat bleken de motorboot in haar vaart bij te houden. Na een goed half uur was de kust van Tidore genaderd, waarlangs we nu een goed uur te stoomen hadden om Soa-Sioe te bereiken, den zetel van het Gouvernement, toen ingenomen door een controleur en een civiel-gezaghebber. Eens was dit de residentie van het Sultanaat Tidore, welks sultan door ons gouvernement werd afgezet. Aan zijn oude rechten op het westelijke deel van Nieuw-Guinea hebben wij het bezit van het grootste deel van dit grootste aller eilanden te danken.
Het gezicht op de kust, waarlangs we voeren, met haar witte strandlijn, waarop prauwtjes schilderachtig lagen en waarop menschen stonden die uit de huisjes kwamen, welke zoo gezellig onder den weelderigen planten- en boomgroei verborgen lagen, met den zwaarbegroeiden berg daarboven, waar hier en daar rook opsteeg van vuurtjes door inlanders gestookt, gaf een vredigen indruk.
Een kleine steiger, die een eind in de zee uitstak, werd in de verte zichtbaar en spoedig was Soa-Sioe bereikt.
Oud-Indië uit de dagen van de Compagnie kwam ons hier nog meer tegemoet dan reeds te Ternate het geval was geweest, ja zelfs vond men hier in den aanleg der plaats overblijfselen van de lang geleden Portugeesche overheersching. Een breede vervallen weg van cement-plaveisel leidde van den steiger het land en het plaatsje in. Telkens wanneer de rijzing van den bodem, die landwaarts-in vrij aanzienlijk was, wat heel steil werd, ging de weg in breede trappen over, zooals men dat in de landen van Zuid-Europa vindt. Links en rechts kwamen op dien weg zijwegen uit, waaraan de huisjes van Soa-Sioe achter witte vervallen muurtjes lagen.
Het eerste huis rechts aan den eersten zijweg was het huis van den civiel-gezaghebber. Toen ik binnentrad kreeg ik een schrik, want hoewel reeds aan veel primitieve woningen en inrichtingen gewend, die echter door reinheid en eenvoud en harmonie met hun omgeving nog dikwijls knus of gezellig waren geweest, kwam me zulk een armoede en verval in dit steenen huisje tegemoet, dat ik den civiel-gezaghebber eens aankeek. "Daar stoppen ze je nu maar in en je moogt nog blij wezen, dat je zoo'n krot vindt," zei hij op verontwaardigden toon. "Is 't een wonder dat mijn vrouw ziek van heimwee en ellende werd en naar Ternate moest?"
Ik keek eens rond onder 't gedrukte voorgalerijtje met zijn blauw gekalkte wanden en zijn kapotte keuken-vloertegels, ik ging eens in de sinistere kamertjes, waar overal dat blauw en die tegeltjes als in een armoedig huisje mij vervolgden. 't Donkere achterhuis deed aan een vervallen boerendeel denken, 't achtererfje aan een totaal verwaarloosd stadstuintje en een vuilnisbelt, de W. C. was een kist en het badkamertje niets dan een wand van gedek. 't Was meer dan droevig en armoedig, en de ellende, die zij hier moesten hebben geleden, kwam me aan alle kanten tegemoet.
Waren de civiel-gezaghebber en zijn vrouw nu een meer ontwikkeld paar menschen geweest, dan--het mag zonderling klinken--hadden zij zich misschien nog beter kunnen voegen en eenige gezelligheid en comfort weten aan te brengen. Maar menschen als deze, die een jaar geleden nog in Amsterdam op vier hoog woonden; die van Indië niet veel meer hadden geweten, dan dat het er heel warm moest wezen, zulke menschen hadden veel te hooge illusies van dit land en van het civiel-gezaghebberschap gehad; terwijl zij buitendien geen weerstand in zichzelven hadden om zich over teleurstellingen heen te zetten en geen tact om het zich gezellig te maken.
Zulke ambtenaren op kleine tractementen te benoemen en zoo te installeeren is een politiek, die haar schaduwkanten moet laten zien.
We gingen verder het plaatsje in en kwamen in de breede hoofdstraat met de trappen den controleur tegen in gezelschap van een prins van Tidore en eenige Arabische grootheden. De prins was eenvoudig maar onberispelijk gekleed, zijn gezicht was fijnbesneden en zijn houding was sympathiek. Zijn glimlach was vriendelijk en zijn handdruk zacht, toen ik aan hem werd voorgesteld. Men zag het den intelligenten Oosterling aan, dat hij zich bewust was zijn afkomst slechts door een waardig gedrag te kunnen toonen. Dubbel griefde het mij derhalve hem, door den civiel-gezaghebber van vier hoog, als mindere te zien behandeld. Met z'n allen wandelden we nu op naar den Kraton of Kedaton, het vroegere paleis van den sultan, dat behoorlijk door zware muren versterkt, op een hoogte lag. Dit paleis, dat erg vervallen was en meer op een deftig landhuis dan op een paleis geleek, was nu gedegradeerd tot inlandsche school. Toen we de hooge trappen waren opgeklommen en de voorgalerij waren doorgegaan, zagen we daar in de binnengalerij de geheele school van bruine kindertjes bijeenzitten onder leiding van een inlandschen onderwijzer.
Het uitzicht van het hooggelegen bordes beheerschte den ganschen omtrek. Men overzag Soa-Sioe, voorts de breede straat tusschen Tidore en Halmaheira en een deel van het eiland Tidore zelve. Een frissche zeewind streek hier even door de voorgalerij, wat een genot was bij de haast ondragelijke hitte. Ik heb me toen afgevraagd, waarom men in Indië de huizen steeds zoo onder en tusschen boomen verstopt, dat er van een uitzicht en van een afkoelenden wind bijna geen sprake kan zijn? Het kan toch niet alleen het voordeel van het schaduwgeven der boomen zijn, waartegenover weer zulke groote nadeelen van vochtigheid, insectenplaag en gebrek aan afkoeling en uitwaseming des nachts en des daags staan. Of zou het zijn, dat ook hier de sleur boven het nadenken gaat en men moeilijk met een oude gewoonte kan breken? De vroegere Vorst van Tidore had echter anders geweten en wel anders gedaan ook.
Bij den controleur, die het eenige voor Europeanen bewoonbare huis bezat, kregen we een frisschen morgendronk, waarop we naar Ternate terugkeerden. De civiel-gezaghebber scheen, na zulk een bezoekje aan zijn chef, zijn taak weer voor eenige dagen volbracht te hebben, althans onder de galerij van het hotel te Ternate kon men hem dag in dag uit met zijn vrouw en kinderen zien zitten, zonder dat hij ooit iets uitvoerde.
Nog zou ik een anderen vorst leeren kennen, een regeerend sultan, althans nog in naam. Met een kennis had ik door bemiddeling van den Gewestelijken Secretaris belet laten vragen bij den Sultan van Ternate, daar ik nieuwsgierig was zoo'n Oostersch potentaatje eens te ontmoeten, terwijl daarmede tevens voldaan werd aan den beleefdheidsvorm, nu ik van plan was mij op zijn grondgebied te vestigen. Het uitblijven van de boot gaf hiertoe nog de gelegenheid en zoo verscheen dien middag, nadat ik van Tidore was teruggekeerd, buigend een afgezant van den Sultan voor het huis van mijn gastheer. Hij was gekleed in een lang wit gewaad, waarover een lange zwarten kaftan hing, terwijl een soort tulband zijn hoofd dekte. In hoffelijke woorden deelde hij mede, dat we den volgenden morgen om tien uur met veel vreugde door zijn Heer ontvangen zouden worden.
Om tien uur reden we den volgenden dag het fort voorbij, de Arabische kampong door, waar de groote moskee of missigit stond, naar den Kedaton, het verblijf van den Vorst. 't Was een vorstelijk verblijf van den zelfden graad als ik op Tidore had gezien, slecht onderhouden en niet meer dan een flink landhuis.
Op het hooge bordes van de voorgalerij stond, toen we door de witte poort reden, die toegang gaf tot zijn erf, de Sultan met den mooien langen naam van As-soltan Tadjal-mahcoel bi' inajat Allah al Nannan Siradjal-Melk Amirad-din Iskan dar Mouauwwar ac-Cadiq Mohamad Hadji Oesman Wahowa min-adilin Sjah. Op de hooge trap zagen we een bediende met den pajong verschijnen, waarna ook de Sultan op de hoogste trede verscheen, toen we die trap opgingen. Daar heette ons de kleine bruine man met zijn korte witte snor en witte baardje op het hartelijkst welkom en verzocht ons binnen te treden.
In de groote binnengalerij, welke ook hier met geglazuurde keukenvloertegels was belegd, waarvan de wanden wit waren en met eenige groote gravures behangen, namen we om een groote ronde tafel plaats in armstoelen met Weener rieten zitting en dito rugleuning, waarvan er een vijftigtal langs de muren van de gansche binnengalerij stonden. De hormat, de eerbewijzen aan den gast bewezen, kon beginnen.
Terwijl de Sultan zich uitputte in beleefdheidsbetuigingen, waarmee wij ook lang niet zuinig waren, brachten twee bedienden in Chineesch-porseleinen kopjes de koffie binnen, terwijl twee anderen met gebak en confituren verschenen, dat op kleine zilveren schaaltjes werd gepresenteerd. De Vorst zei bij het optillen van zijn kopje eenige vriendelijkheden, die met een Slamat eindigden, wat we op gelijke wijze beantwoordden.
Hij zag er in zijn witte broek, zijn mauvekleurig vest met gouden knoopen, waarop de W met een kroontje, zijn zwarte jasje en witte overhemd, waarin een drietal groote knoopen waren, die elk een negental steenen bevatten, vrij dragelijk uit. Doch over zijn heele wezen en zijn kleeding lag het versletene, het vervallene van een verongelukt geslacht.
Nadat we zoo een tijdlang hadden gezeten, verzocht hij ons eens met hem rond te wandelen.
Tot nu toe was er iets vorstelijks geweest in de ontvangst door de Oostersche aangeboren hoffelijkheid, die den Sultan niet verlaten zou tot het laatste oogenblik; maar in hetgeen hij ons nu van zijn bezittingen liet zien was zoo weinig vorstelijks, zelfs weinig burgerlijks, neen eigenlijk iets armoedigs, dat het heel moeilijk werd de vereischte complimenten te maken. Doch we hielden ons taai en bewonderden zooveel we konden.
We waren een donkere achterbinnengalerij doorgegaan, die er uitzag als een boerenstal en stonden nu in een achtergalerij met een pendoppo, waaromheen gewone bamboe kamponghuisjes waren opgetrokken.
Begeleid door een bediende die den pajong boven het hoofd van den Toewan Sultan hield, wiens kruin bedekt was met een zwaren groenen doek, die, als een worst stijf in elkaar gedraaid, zoo op zijn kalen knikker was gelegd, begaven we ons naar buiten. Zijne Hoogheid wilde ons iets van veel belang laten zien, iets wat hij, volgens zijn zeggen, nog nooit aan een Europeaan had laten zien. Het zou de badplaats zijn van de dames van zijn huis.
We gingen over het voetpaadje van een kleine weide en daalden toen een hoogte af, waarop we aan een heel kleinen vijver kwamen, waar aan eene zijde platte steenen aan den oever lagen. Dit heette de badplaats te zijn van de dames van dit hof, waarvan op dat oogenblik geen gebruik werd gemaakt.
In zijn huis teruggekomen liet hij ons, op onze vraag naar zijn kostbaarheden, zijn schatten zien. Zij werden in de groote binnengalerij door zijn zoons en hovelingen binnengebracht en uitgestald. Op lange tafels lag daar al heel spoedig een groote massa zilveren voorwerpen, als helmen, tamboermajoorstokken, soepterrines, koffiekannen, heele serviezen, vingerkommen enz.; daarbij geweren in foudralen met goud gemonteerd en met het Nederlandsche wapen, een krom Turksch zwaard met gevest en scheede van goud, een klok, horloges enz.
Volgens den Sultan was bijna alles "present van het Gouvernement" en naar ik vermoed, ook nog heel veel uit de dagen van de Compagnie. Maar alles wat daar lag, was zoo beduimeld en vuil, dat het zilver op oud zink geleek en het goud geen goudglans meer vertoonde. Trouwens dat heele huis, al die menschen, die heele omgeving was beduimeld en ontbonden geworden door Oostersche indolentie.
En toch trekt deze man nog jaarlijks een bedrag van f 45.000.- uit de Landschapskas, waarop hij en zijn luie omgeving, uit ruim honderd menschen bestaande, voortvegeteert [1].
Toen wij eindelijk afscheid namen en verzochten ons respect over te brengen aan de Toewan Poetri (zijn wettige vrouw), verzocht hij ook zijn respect aan mijn vrouw in Holland, waarbij hij mij zeer op het hart drukte, toch vooral daarbij te vermelden hoe ik het bij hem had gevonden.
Hij stelde zijn rijtuig tot onze beschikking, en na nog veel vriendelijke woorden en plichtplegingen, waarbij de Sultan ons tot het rijtuig uitgeleide deed, waren we ten slotte blijde een einde aan de reeks van hoffelijkheden te kunnen maken.
Zeven dagen over haar tijd kwam na geduldig wachten eindelijk de boot binnen. Dit te laat komen der booten, dat de laatste jaren steeds was toegenomen, lag in hoofdzaak aan de beperkte havenruimte te Makassar, waar de schepen, om te kunnen laden en lossen, soms dagenlang moesten wachten. Doch ook het groot aantal passagiers en de massa's goederen, die met deze lijn naar het steeds meer ontwakende Nieuw Guinea worden vervoerd, was daaraan schuld.
Nieuw Guinea, waarvan we door vroegere rechten van het Sultanaat Tidore het westelijk gedeelte bezaten, was, sedert Duitschers en Engelschen van het oostelijk gedeelte bezit hadden genomen, in concurrentie met deze mogendheden het troetelkind van de Hooge Regeering geworden, waardoor er verschillende belangrijke militaire posten waren gevestigd. Buitendien bloeide er in die dagen de paradijsvogeljacht, die er veel gereed geld in omloop bracht. Zoodoende trokken vele kleine Chineesche en Arabische handelaren, van heele families vergezeld naar dit land, om te trachten daar met de primitieve bevolking voordeelige zaken te doen. Zulk een boot, die naar de Papoea [2] ging, wemelde dan ook, op het derde en vierde klasse dek, van mannen, vrouwen en kinderen, kisten, koffers en huisraad, waartusschen allerlei gedierte, als koeien en geiten, maar vooral kippen en nog eens kippen. Op de beide dekken, van den boeg tot aan de campagne, welke laatste voor de eerste klasse was gereserveerd, was dikwijls geen plaatsje onbezet; daar aten en dronken en sliepen die menschen, want voor de derde en vierde klasse passagiers waren noch kajuiten, noch hutten aan boord, ze werden in dit klimaat eenvoudig aan dek meegenomen, waar ze tegen zon en regen beveiligd overigens geen beschutting behoefden.
Het embarkeeren met de talrijke bagage op die volgepropte boot eischte veel zorgen en tijd, en in 't bijzonder was de onhandige prauw, die ten slotte in stroppen aan dek werd geheschen, een voorwerp van veel moeite en last. De beide trekossen, die door het smijten met kisten en balen, het ratelen van kettingen en het lawaai van menschen wild geworden waren, weigerden hardnekkig over de loopplank naar binnen te stappen. Ook hieraan werd tenslotte door den takel, die de beesten aan boord heesch, een einde gemaakt.
Ruim 24 uur na haar aankomst vertrok in den nacht de "Camphuysen". De lichtjes van Ternate verdwenen, de menschen en de plichten van het leven daar waren vaarwel gezegd en in den verfrisschenden nachtelijken zeebries, alleen op de campagne staande, keek ik naar den stillen sterrenhemel en genoot van het alleenzijn na 't gejacht van een roezigen dag en de herrie van afscheid nemen.
Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, lagen we stil en zag ik door de patrijspoort het strand en de huisjes van Wayaboela op Morotai, waar slechts eens in de twee maanden een boot aanlegt.
We zouden hier den ganschen dag blijven liggen, om te laden en te lossen, om daarna in den avond naar Galela, een plaatsje aan de Oostkust van Halmaheira, te gaan, waarna vervolgens Tobelo zou worden aangedaan.
Met een Chineeschen handelaar van Ternate was ik de eenige passagier 1ste klasse, en deze man, bescheiden als die menschen zijn, kwam geen praatjes maken of mij op andere wijze hinderen. Het land kon me ook niet aanlokken; nog versch lagen me in het geheugen de nachten en de dag die ik hier had doorgebracht, en terwijl ik daar die schamele hutjes zag liggen onder de palmen aan het strand, waaronder ook het posthuis, en terugdacht aan die avonden en mijn gezelschap en de grammophoon en de tingel-tangelliedjes, dankte ik den hemel, niet gedoemd te zijn daar weer op die wijze te verblijven.
Op de campagne gezeten, met een stapel mail-edities van de N. Rott. Crt., kwam er een genoegelijke Zondagmorgenstemming over me; een stemming waarin men gevoelt, dat men eens rusten mag en zich geheel mag overgeven aan 't genot onzer aangeboren menschelijke inertie.
De kost, dien de courant gaf, was in mijn gemakzucht nu juist wat ik verlangde. Van allerlei en van den hak op den tak, berichten uit Holland, correspondenties uit de hoofdsteden van Europa, boek-, muziek- en schilderijencritieken, alles dwarrelde weldra in mijn hoofd dooreen. 't Eene interesseerde me erg, 't andere nauwelijks; er werd van alles even aangeroerd, totdat ik las van menschen die ik kende. Uit vergeten hoekjes kwamen me dingen van vroeger voor den geest en peinzend keek ik over het blad, over de verschansing en zag dan de kronen der palmen in den zachten zeebries wuiven. Ik dacht weer aan Holland, aan Europa, aan alle cultuurgenietingen, aan het superieur menschelijke dat men daar vindt en dat men in Indië op elk gebied moet missen.
Het totaal gemis daarvan geeft aan bijna allen, die hier langen tijd verblijven, dien nuchteren, platten, zinnelijken kijk op de dingen, die den Indischman spoedig eigen wordt. Men wordt in Indië materialist. Als practicus kan men zich in Indië verdienstelijk maken, als man van de daad vindt men er een uitgestrekt arbeidsveld. Macht en geld zijn er in aanzien; het wordt er meer geteld en zwaarder gewogen dan in Europa, waar ook ontwikkeling en gezindheid nog meedoen. Men kent in zulk een jonge maatschappij van realisten, waar allen zich met alle zintuigen op de practijk richten, de hoogere waarden nog niet of wil ze niet kennen--die geestelijk vereenigend en troostend staan boven den dagelijkschen strijd met de werkelijkheid.
Slechts in Europa, dat genieën voortbracht, is iets van dat superieure door alle lagen van de maatschappij gedruppeld; tot in alle lagen is iets van dat hoogere doorgedrongen en dringt er in door en heeft ongemerkt mildere en betere waardebepalingen gegeven. Het streven naar geld en macht gaat in Indië onbeschaamder, de bezitters er van gevoelen zich meer, wijl ze geen hinderpalen ontmoeten en zich absoluut den meester weten. Er is om zoo te zeggen geen middenstof, die matigt. Er zijn in kunst en wetenschap geen intelligenties, die zich meer en hooger voelen dan de rijkaards en de machthebbers; er zijn geen onafhankelijke sceptici die hen glimlachend in de oogen durven kijken, er zijn geen philosophen, die hen koelweg passeeren.
In het Indische landschap ontbreken tusschentinten en overgangen, die het fijn en nobel en gecompliceerd maken, zoo ontbreken in de Indische maatschappij die overgangen ook, waardoor zij grof en plat en primitief is. Komt in die maatschappij nu nog het kleurlingenbloed een hartig woordje meespreken, dan mogen de vormen en de vormelijkheid blijven bestaan, waaraan deze menschen met een zonderling point-d'honneur vaak overdreven hechten, maar aan alle gemoedelijkheid, stemmigheid en mildheid is voor goed een eind gekomen.
Natuurlijk zijn er in Indië velen, die met den geest der massa worstelen, maar zij verliezen nog en zijn de eenzamen, die hongeren naar 't geen hun het dierbaarst is.
Het gaat den Hollander, wat Indië betreft, in dit opzicht niet als met de vreemde landen van het westersche Europa, waarheen hij, door natuur en cultuur van den eersten dag dat hij er een voet zette getroffen, gaarne wederkeert in steeds stijgende verrukking en bewondering en ruimere ontplooiing zijner geestelijke krachten. "In Indië gaat men achteruit," is in het land zelf een algemeen gezegde, dat men telkens hoort en ik voelde het aan alles bewaarheid. Noch de natuur, noch de samenleving schenkt ons het noodige geestelijke voedsel tot verrijking van onzen geest. Alleen de man van de daad vindt er expansie en bevrediging voor zijn streven. Slechts om den waarlijk grootschen en ruimen werkkring, dien de man zich hier op jeugdigen leeftijd reeds kan scheppen, om die vrije ontplooiing van mannelijke krachten, om die behoefte aan den wijden practischen blik, die hier onontgonnen arbeidsvelden vindt op allerlei gebied, zou ik Indië voor den flinken Hollander willen prijzen en hoogelijk willen prijzen; doch slechts voor hem, en ook daarom alleen.
Morgen wachtte me weer de daad, morgen zou ik de wouden weer ingaan en zou ik weer kampen voor het voortbestaan eener cultuuronderneming in haar prilste jeugd. Ik wist, dat hetgeen we deden in verhouding tot andere daden in Indië volbracht gering was, doch ik was overtuigd dat hetgeen we deden voor de toekomst dezer verre streken van de grootste beteekenis zou kunnen zijn. Het was den eersten steen leggen van een cultuuronderneming in dit deel van den Archipel, het was het voorbeeld geven van een kunnen en slagen van het Hollandsch kapitaal op den vruchtbaren, tot nu toe bijna ongerepten bodem van Halmaheira. Het was de uitvoering dezer daad, die me hier boeide, die mijn belangstelling had en waarom ik vrede had met mijn tijdelijk verblijf alhier.