Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917
Chapter 4
Nog in ander opzicht was het me niet onwelkom, de sfeer van Tobelo voor korten tijd vaarwel te kunnen zeggen. Zooals op zoovele buitenposten, waar weinig Europeanen te zamen zijn, heerschte ook hier een atmosfeer van spanning tusschen de families der blanken, die op den duur onhoudbaar moest worden. Tusschen het huis van den civiel-gezaghebber en dat van den oudste der zendelingen was een wrijving ontstaan, die zich uitte in wederzijdsche tegenwerking en een drukke, onverkwikkelijke correspondentie, die den onstuimigen bestuursambtenaar tot het uiterste prikkelden en hem meer dan eens den uitroep ontlokte: "Hij of ik! maar een van ons beiden moet hier weg!"
Het kostte den onpartijdigen toeschouwer, die uit den aard der zaak met beide families veel verkeerde en die met geen van beiden in onmin wenschte te leven, heel wat zelfbeheersching om tusschen dien strijd van inzichten, belangen en beuzelingen door te zeilen.
Waar de voorwaarden voor een wrijving tusschen twee uiteenloopende en zoo dicht bijeen wonende families, in die mate aanwezig waren als hier, daar had het uitbreken van den strijd slechts op de onbeduidendste aanleiding gewacht. Het uitblijven van een tegenbezoek, dat de dames van den civiel-gezaghebber van de vrouw van den zendeling verwachtten, was indertijd voldoende geweest om een klove te doen ontstaan, die nu niet meer te overbruggen was.
Hoe dan ook, de conversatie te Tobelo had er dikwijls een minder aangenaam karakter door gekregen, en zoo was ik dubbel verheugd voor korten tijd de menschen en hun eindeloos gekibbel vaarwel te kunnen zeggen en mij ongestoord aan de natuur te kunnen overgeven. Een lang ontbeerde rust kwam over me, toen ik daar op de brug, naast de twee rustige inlanders, langzaam voorbij den oever gleed, waar de huisjes van Tobelo onder het zware groen nauwelijks te ontdekken waren. Verder varende, zwierf mijn blik over de eindelooze zee, langs de dichtbegroeide kust en over het onherbergzame, bergachtige binnenland van Halmaheira.
Morotai had met zijn bergen schemerachtig in de verte gelegen, doch werd steeds duidelijker, nu we de zeeëngte naderden en de geheel open zee voor den boeg lag, die met een geweldige branding op de sombere noordpunt van Halmaheira beukte. De kust werd hier kaler en was steil en zonder strand. De boomen, die er stonden, waren verwaaid met afgeknotte kruinen, en beroofd van takken door de felle noordenwinden, die zoo dikwijls op deze kust stonden.
Het is een bekend feit, dat de kracht der winden en hun richting in den geheelen Archipel zeer onderhevig zijn aan den invloed van de verdeeling van land en water. In de zeegaten kan het hard tochten en op de binnenzeeën kan een volle bries staan, terwijl aan land nauwelijks wind te bespeuren valt. Zoo ook hier. De Nora, eerst zoo kalm, begon nu in het ruime sop op en neer te dansen dat het een aard had. Bij zulk een bries kan men op de Indische wateren toch nacht en dag, desnoods alleen in pyjama gekleed, aan dek blijven zitten zonder een oogenblik bevreesd te zijn voor te groote afkoeling. De kostelijke verfrissching, die men dan in de gelegenheid is op te doen, staalt opnieuw de door de hitte slap geworden zenuwen en spieren, en door de dunne kleeren neemt het geheele lichaam aan het opwekkende luchtbad deel.
Het was reeds tegen den avond toen we de beschuttende baai van een der Loloda-eilanden invoeren en in doodstil water voor anker gingen liggen, om bij het krieken van den dag de reis voort te kunnen zetten. Toen het donker werd schitterden lichtjes tusschen de boomen op het strand. Zij kwamen van een kampement van houthakkers, Sangireezen en Talauters, die hier met hun korte zware bijlen de dikke harde ebbenhoutboomen omhakten en kloofden, en gereedmaakten ter verzending naar Europa.
De nachtzang van insecten, die uit de wouden rondom de baai tot ons doordrong, zong me in slaap en duurde den ganschen nacht door, ja was nog niet geheel verstomd, toen ik, op mijn kooi in het geriefelijke dek-kajuitje, reeds werd gewekt door het lawaai der voorbereidende maatregelen voor ons vertrek.
Reeds, toen het nog volop nacht was, was ik weer aan dek. Nog lagen de oevers van het eiland in het pikdonker en glom de zee en schitterden de sterren en straalden de lichten aan boord hun bundels de duisternis in, doch elk oogenblik kon de dag worden verwacht. 't Vooruitzicht het zonlicht te zien rijzen op dezen morgen van alleenzijn, zonder 't praten en 't willen van menschen om mij heen, deed me in stijgende blijdschap de dingen die komen zouden afwachten en meeleven.
Een nauw verbleeken van den donkeren wand aan de oosterkim--en de ankerkettingen ratelden reeds en de schroef sloeg het stille water bruisend onder de achterplecht weg. Het schip kwam in beweging, draaide zijn kop naar den uitgang der baai, den kant naar de zee op.
Daar zag ik het krieken van den morgenstond uit Vondel's Palamedes voor me; de sterren vluchtten en de Titaan rees.
Het dun gezaeit gestarnt verschiet Zijn' glans, en gloeit zoo vierigh niet. De schaduwe is aen 't overleenen. De morgenstar drijft voor zich heenen De benden van het hemelsch heir. De voerman van den grooten Beir, Op dat hij zijne beurt verwissel', Vlught heen met omghekeerden dissel. De gouden Titan rijst alree Met blaeuwe paerden uit der zee.
Helios, de zonnegod, rees, vierigher dan Vondel hem ooit had mogen zien rijzen en sneller ook. De kleuren en kleurschakeeringen, van violet tot goud-geel, in het wazige van de onderlucht en aan de randen van wolken en wolkjes, wisselden onophoudelijk tot dat één licht alles overstraalde. Toen losten de nevels, die over het land en hier en daar over de zee hingen, zich op en rafelden uiteen, en spoedig schitterde en tintelde en blonk alles zoo van licht, dat men beschutting moest zoeken tegen den al te fellen gloed.
Aan de steile, hier bijna onbewoonde kust van Halmaheira, die we steeds aan bakboord hielden, terwijl wij nu naar het Zuiden koersten, was een zendingspost gevestigd. Na lang zoeken werd het dak van het eenzame huis gevonden, dat aan een kleine baai gelegen, soms maandenlang geheel van de buitenwereld was afgesloten. De branding door de aanhoudende noordenwinden veroorzaakt, stond dan zoo hevig op de kust, dat geen prauw het waagde haar te naderen, terwijl van de landzijde de communicatie met het binnenland zoo goed als onmogelijk was. Voor een zendingspost leek deze plek, die men Doroemé had gedoopt, wel zeer slecht uitgekozen, doch de zendeling zelf scheen er anders over te denken.
Na de koffie en het ontbijt zocht ik mijn plaats weer op naast den kalmen kapitein op de brug. Hij wees me op een groote zeekaart eenige interessante punten en moeilijke passages, doch van een geregeld gesprek kon niet veel komen, daar ik het Maleisch, het Volapuk van den Archipel, nog niet voldoende machtig was.
Goed beveiligd tegen de stralen der zon, nam ik mijn boek en was spoedig verdiept in Haagsche toestanden en las van menschen, die aan nevrose leden, die met hun vezel-fijne zenuwen voorbeschikt waren aan levenssmart en levensweemoed te gronde te gaan. Opziende zag ik dan de woeste kust van het eiland en voelde me als vaneengereten door de uitersten die op mij afkwamen, en ik vroeg mij af, of ik wel goed deed onder deze omstandigheden boeken onzer overbeschaving te lezen, waarbij ik Holland weer zoo duidelijk voor me zag, en waarbij verlangens wakker werden, die den geest te zwak maakten tegenover de woeste natuur en de menschen, die mij omringden.
Zag ik het fijne, wisselende mooi van 't Hollandsche landschap in gedachten voor me en dan opziende deze omgeving, dan ging er een siddering van verlangen door mij heen, en weemoed en heimwee overvielen me. Dacht ik aan den strijd met menschen, die mij in mijn kwetsbare positie te wachten stond en dien ik voelde komen, dan had ik wel de neiging om, zoo niet het brute naar buiten te keeren, dan toch in elk geval het fijnere gevoelsleven niet te zeer te laten spreken. Doch een neiging tot humor overstemde die vrees, en met een glimlach, die onwilkeurig opkwam, herstelde ik mijn zelfvertrouwen en durf, om met die grootere gevoeligheid, te zamen met den breederen kijk, menschen en dingen onbevreesd tegemoet te gaan.
"Die Menschen fürchtet nur, wer sie nicht kennt". Welaan, kende ik ze niet en zag ik ze niet aan hun ondeugden en hartstochten, als harlekijnen aan de touwtjes dansen, gevaarloos zoolang men ze herkende? Bemerkte ik hun zwakte en hun zwakheden niet?
Tegen den middag naderden wij de vulkanen, die we reeds eenigen tijd in de verte hadden gezien en passeerden de zuidelijke Loloda-eilanden. Op een dezer eilanden, met den tongbrekenden naam Kahatollolamo, was, terwijl we passeerden, een klapperaanplanting te zien, die er weinig florissant uitzag. De stammen der boomen waren schraal, de kronen dun en de vruchten ontbraken totaal. De oorzaak was niet ver te zoeken. Op een rotsachtigen ondergrond, waarop zich slechts een dunne aardlaag had gevormd, waren deze boomen geplant, de wortels hadden daardoor geen vat en konden niet voldoende voedsel vinden. Toch was men nog met ontginnen bezig en waren er op verscheidene plaatsen nog jonge boompjes te zien. Armoedige inlanders, voor ellendige hutjes staande, keken de Nora na. Een zeldzaam schouwspel voor hen, daar het vaarwater hier tusschen de eilanden nooit door groote booten werd bezocht.
Van hier tot bij den vulkaan van Ternate, die in de verte reeds was te zien, bestond het land uit een opeenvolging van uitgedoofde vulkanen, waartusschen soms kleine vlakten lagen, die met klapperboomen waren begroeid.
Om vier uur liet de Nora op de reede van Ternate haar stoomfluit hooren, waarvan het geluid door de wanden van den vulkaan werd weerkaatst en aan het gansche plaatsje verkondigde, dat zij van haar reis was weergekeerd. Ieder wist ook aanstonds, dat het de Nora was en geen ander schip, want wie hier een korten tijd had gewoond, had geleerd de verschillende tonen der fluiten van de geregeld binnenvallende stoomschepen van elkander te onderscheiden.
Mijn plan was weer mijn intrek in het hotel te nemen, waar een eerwaardige dame, in de wandeling Tante Carolien genoemd, haar scepter zwaaide en haar gasten tegen goede betaling op een vuile inrichting en slecht eten onthaalde. Van klachten nam zij niet de minste notitie, overtuigd als zij was, dat zij uitstekend voor haar gasten zorgde. Klaagde men herhaaldelijk over vuilheid, onzindelijkheid enz. dan werd men verzocht het hotel te verlaten en elders een goed heenkomen te zoeken. Daar het in deze dagen het eenige hotel te Ternate was, was men wel genoodzaakt alles maar voor lief te nemen. Een der heeren gasten, die er langen tijd verblijf had moeten houden, had, om zich te beschermen tegen de aanraking van het altijd vieze voorwerp in de eenige W.C., die in een onbeschrijfelijken toestand verkeerde, een grooten houten bril laten maken, die door zijn jongen voor het dagelijksch bezoek van mijnheer werd vooruitgedragen. Na afloop zag men den jongen weer, met den bril onder den arm, naar de kamer van mijnheer stappen, waar deze uitvinding zorgvuldig werd opgeborgen. Steeds nam een der nieuwe heeren gasten dezen bril dankbaar als geschenk over, en misschien zal hij er nog zijn nuttig werk verrichten.
Met het prettige vooruitzicht voor tenminste een veertiental dagen de gast van Tante Carolien te moeten wezen, reed ik in een der horribele sadotjes langs den strandweg naar het hotel, toen ik een mij bekend Hollander in de voorgalerij van zijn huis zag staan, die mij in het voorbijgaan toeriep: "Kom hier logeeren!"
Het aanbod van den jonggezel-zakenman was, in het vooruitzicht van slechte kost en onzindelijkheid, te verlokkend om het af te slaan, en zoo liet ik mijn bagage hier brengen en zat spoedig met mijn gastheer en nog een Hollander, die tijdelijk bij hem inwoonde, onder de voorgalerij op gemakkelijke rieten stoelen rondom een dito tafeltje met marmeren blad.
Daarmee was ik aan het Indische jongeluis-leven van de Buitenbezittingen overgeleverd, dat zich toentertijd in Ternate voor een groot deel onder die voorgalerij rondom dat tafeltje met het marmeren blad concentreerde, waarop de sherry met de pait (jenever) en de whisky-soda, het praten met de kaarten en met de boeken van de leestrommel afwisselde.
Onze gastheer, die reeds 16 jaren aaneen in Indië verblijf hield, was wat men noemt verindischt, en voelde zich daarbij bon-vivant grand-seigneur, en leefde als zoodanig. Zijn levensopvattingen waren zoo breed geworden, dat alle beperking hem vreemd en hinderlijk was. Hij leefde naar zijn lusten en geheel zooals het hem inviel. Het kon zijn, dat hij 's avonds om half tien reeds naar bed ging, doch het kon ook gebeuren, dat hij tot het opgaan der zon onder zijn voorgalerij zat. Het middageten, dat om 1 uur heette te beginnen werd soms, wanneer mijnheer gezellig zijn paitjes dronk en van alles en nog wat te vertellen had, tot 4 uur uitgesteld. Den eenen dag at hij bergen rijsttafel, wat hij met veel bier naar binnen spoelde, of legde over een sneedje brood een halve worst, of wierp er een halven pot jam over uit, en den volgenden dag at hij bijna niets en walgde van alles wat eten en drinken was. 't Kon zijn dat hij een of twee, soms drie dagen niets dronk, maar daarna kon die matigheid tot de meest toomelooze onmatigheid overslaan, waarbij in gezelschap van bezoekers, kapiteins en passagiers van binnenvallende stoombooten, karaffen jenever, flesschen sherry en whisky het moesten ontgelden. Goedmoedig, en royaal voor zichzelf en anderen, bleef hij dit ook wanneer hij veel gedronken had.
Daar Ternate, toen nog zonder telegraaf, tusschen de komst der verschillende booten soms dagenlang van alle berichten van de buitenwereld verstoken was, had hij, daar hij zakenman was, soms ook dagenlang niets te doen, of maakte hij het in elk geval zich dan niet druk. In een paar uurtjes, van 9 tot 12 des morgens, was zijn werk afgeloopen; de overige uren konden besteed worden aan praten, lezen, eten, en aan drinken en kaartspelen.
Nu was ik wel het slechte eten en de onzindelijkheid bij Tante Carolien ontloopen, maar daarvoor werd nu voor een groot gedeelte beslag op mijn vrijheid gelegd. Des morgens, na het opstaan, in de binnengalerij aan de schrijftafel van mijn gastheer gezeten om hoog noodige correspondentie af te doen, duurde het vaak niet lang of hij en zijn huisgenoot kwamen in bont gekleurde pyjama's uit hun slaapkamers te voorschijn en drentelden begeerig naar conversatie, al praatjes makend tot het ontbijt onder 't genot van de morgenkoffie in de binnengalerij op en neer.
Om twaalf uur thuis komend, was mijn gastheer geen man om zijn gasten aan het werk te zien, hij vond dit belachelijk, terwijl het niet strookte met zijn breede opvattingen en met zijn behoefte aan gezelschap.
In mijn werk gehinderd, in een dagelijksche sfeer van gezellige vervelendheid en van herhaalde braspartijen, zou het me niet onaangenaam zijn geweest mijn tijd hier te hebben kunnen bekorten en naar Tobelo terug te keeren. Doch tijdbesparen en zaken afdoen was iets, waarvan men in dezen uithoek, ook onder heele en halve Europeanen, nog niet veel weten wilde. Het leven te Ternate was overigens in dien tijd niet ongezellig. De soos werd wel, wegens veeten uit vroegere jaren, door ambtenaren en officieren geboycot, doch daar stond tegenover dat men de gezelligheid elders zocht. In den namiddag was er steeds een samenkomst op het tennisveld in het oude groote fort, waar men de families kon ontmoeten, die door vriendelijke uitnoodigingen nogal eens afwisseling brachten in de reeks avonden onder de voorgalerij bij mijn gastheer.
Menige goede herinnering is mij bijgebleven aan avonden daar bij beschaafde menschen "en famille" doorgebracht, waarbij ik dan eens weer den weldoenden invloed van een geregelde Hollandsche huishouding ondervond.
Zoo werd er Kerstfeest gevierd bij den dokter op het fort, waar een Kerstboompje stond, dat kunstig nagemaakt, heel goed den indruk van zoo'n sparreboompje weergaf. Er zongen kinderen Kerstliedjes en er werden geschenken rondgedeeld. Wel was het heel anders dan het stemmige Kerstfeest, dat ik een jaar te voren in eigen kring tusschen de Zwitsersche bergen had gevierd. Doch het "Stille Nacht, Heilige Nacht" en het besneeuwde boompje deden, ondanks de warmte van den tropischen avond en der geheel tropische omgeving, niet zonder weemoed de herinnering aan dien tijd weer levendig worden.
Zoo gaf ook de komende Oudejaarsavond aanleiding tot een feest, dat echter onder leiding van mijn gastheer in geheel andere stemming gevierd zou worden. Deze, die den laatsten tijd veel vriendelijkheden van de Europeesche kolonie had ondervonden, wenschte die te beantwoorden en daarvoor koos hij dien avond uit. Hij wenschte een feest te geven naar zijn smaak en op zijn breede wijze, dat wil zeggen, dat er gegeten en gedronken zou worden in hoeveelheden zoo groot als voor menschelijke magen en vooral voor dorstige kelen maar mogelijk was.
Het feest zou beginnen met een reusachtigen bowl, daarna champagne, en voor de liefhebbers whisky, bier en cognac na. Hij zag als in een droom zijn voorgalerij in een slagveld van menschen en flesschen herschapen, hij droomde zich een Nero-genoegen, een bacchanaal en zijn persoon als held te midden daarvan.
Nooit had ik hem nog zoo in de weer gezien als in de dagen die aan dit feest voorafgingen. De krossi-malas (luie stoel), een zeer gemakkelijke dekstoel, waarop hij anders heele dagen met zijn corpulente lichaam lag, was nu herhaaldelijk onbezet. Hij draafde van den een naar den ander, zette allerlei menschen, leveranciers, kennissen en bedienden in beweging voor het groote feest, dat komen zou. Ook de dames moesten meehelpen om voor eenige groote schotels te zorgen, waarvoor hij de ingrediënten leverde. Zijn stemming was monter en opgewekt in het vooruitzicht van de geweldige fuif, over welker arrangement hij, terwijl hij zich van louter verrukking op zijn dikke dijen sloeg, maar niet uitgepraat was.
De bowl, waarmede dit feest beginnen zou, zou in groote tumblers geschonken worden, zoodat deze koele drank de meeste gasten als 't ware als een verkwikking zou overrompelen, opdat de stemming spoedig bij allen de hoogte zou hebben bereikt, waarop hij zelven zoo graag verkeerde. De glazen mochten geen oogenblik leeg wezen en hij zou zijn gasten zoo animeeren, dat er al spoedig geen nuchtere gast meer over was. De champagne zou bij stroomen vloeien; slechts maakte hij zich bezorgd, dat er op het kleine Ternate niet voldoende van dezen drank voor zijn grootsche plannen aanwezig was. De morgen na de fuif zou dan de zon het geheele gezelschap nog onder zijn voorgalerij bijeen vinden. De dames hadden hem ook toegezegd zijn jonggezellenwoning te zullen bezoeken, waarbij hij ook van haar verwachtte, dat zij zich niet onbetuigd zouden laten.
Terwijl we daar op een namiddag zoo luisterden naar de plannen van onzen gastheer, hoorden we de fluit van een stoomboot en zagen we de boot, die van Nieuw Guinea terugkwam (de zgn. Papoeboot), en die dus gisteren Tobelo had aangedaan, over het spiegelgladde water de reede van Ternate binnenglijden.
Even daarna, terwijl de boot nauwelijks aan den steiger was gemeerd, zag ik, tot mijn niet geringe verwondering, Verster met driftigen pas over den strandweg naderbij komen. Mij ziende, stoof hij de galerij binnen, om opgewonden te vertellen, dat hij het in Tobelo niet langer had kunnen uithouden, daar er geen man meer op het werk kwam, waardoor hij tot stilzitten was gedoemd. Hij wilde nu zelf naar Menado om koelies te halen, daar hij den koeliewerver, dien we daarheen hadden gezonden, ook niet meer vertrouwde. Zijn voortvarendheid was in alle opzichten te billijken, maar deze zou op Ternate weer terstond worden gestuit, daar hij eerst een bootgelegenheid voor Menado diende af te wachten. Zoo vermeerderde hij dan het gezelschap voor het nabije Oudejaarsavondfeest, daar zich voor dien tijd wel niet meer een gelegenheid voor vertrek zou opdoen. Van den nood een deugd makend, vergat hij spoedig de stilte van Tobelo en gaf zich geheel over aan de geneugten van het Indische leven op zoo'n klein plaatsje.
De Oudejaarsavond kwam. Reeds den dag te voren was er door eenige heeren uit louter voorpret meer genoten dan goed was geweest, en zoo was ook bij onzen gastheer op den dag zelven het allerergste vuur reeds gebluscht. Dit verhinderde toch niet, dat er den ganschen dag hard werd gewerkt aan den bowl en aan 't klaarmaken van schotels, aan 't verkrijgen van voldoende glaswerk, borden, messen, vorken enz. en dat het een gedraaf van belang werd, om op tijd met de geheele voorbereiding van het groote feest klaar te komen.
Maar het was dan 's avonds eindelijk zoover. In de voorgalerij stonden twee lange rijen stoelen, in het midden waarvan tafeltjes waren geplaatst, waarop sigaren en sigaretten, aschbakjes en lucifersdoosjes waren neergezet. In de binnengalerij hadden de bedienden schotels en glazen klaar gezet, terwijl in het midden de groote bowl, die herhaaldelijk zou kunnen worden aangevuld en die met ijs koel werd gehouden, was geplaatst. In de achtergalerij stond een lange tafel gedekt voor het souper; daar had de champagne in de ijskist een plaatsje gevonden en zwoegde het buffet onder massaas glazen en stapels borden; ook brandden daar voor dezen avond twee groote petroleumlampen, wat vóór dien nog nooit het geval was geweest.
Met ongeduld werden nu de gasten gewacht, alles was gereed om hen te ontvangen.
Weldra zagen we in het donker de eerste witte gedaanten verschijnen, waartusschen eenige lichte japonnen, en toen eenmaal de eerste gasten er waren, was weldra het gansche gezelschap compleet. De resident had zich wijselijk laten verontschuldigen, zoo ook eenige andere genoodigden, maar de gastheer kon toch tot zijn vreugde vaststellen, nooit zooveel Europeanen te Ternate bijeen te hebben gezien. Een boot van de Nord Deutsche Lloyd, die op den Oudejaarsdag was binnengevallen, vermeerderde met den kapitein van het schip het aantal gasten nog met een, en hij bleek een gast te zijn aan wien dergelijke feesten zeer besteed waren.
De presenteerbladen met volle tumblers gingen rond en ieder verwonderde zich over zulke groote bowlglazen, die in normale gevallen voor bier werden gebruikt, maar onze gastheer zeide, dat het een zeer onschuldig en verfrisschend drankje was, en als bewijs daarvan dronk hij zijn eersten tumbler in één teug leeg. De kapitein volgde zijn voorbeeld, en zei dat hij het heel lekker; maar toch wat een kinderachtig en flauw drankje, vond. Een tweede glas werd weldra door een ongeteld aantal gevolgd. De stemming rees, de gastheer dronk zijn gasten herhaaldelijk een prosit en ad fundum toe, waarvan hij zelf de gevolgen steeds meer ondervond. Na eenige uren zat hij reeds verslagen op zijn stoel, nu telkens aangewakkerd door den kapitein, voor wien zulk een bowl werkelijk een onschuldig drankje bleek te zijn. Als Duitscher verloochende hij den bekenden dorst van zijn ras niet en toonde zijn meerderheid in het drinken tegenover de aanwezige Hollanders op verbazingwekkende wijs.
Toen het souper begon en het middernachtelijk uur sloeg, was de feestvreugde ten top gestegen. Doch weldra gaven eenige verhitte breinen aanleiding tot een hevig dispuut, dat elk ander gesprek overstemde en dat zich eenige uren rekte, zooals dat in zulk een verhit gezelschap meer pleegt voor te komen. Het feest ging nu als een nachtkaars uit; de dames wilden vertrekken en troonden hun echtgenooten mee, de gastheer was niet meer in staat tegen dat weggaan te protesteeren, noch in staat bedankjes in ontvangst te nemen. Onder de voorgalerij, bij volle tafels en leege stoelen, zat hij na 't verloopen van het feest met den kapitein en eenige plakkers wat men noemt na te praten. Dit napraten duurde tot het zonlicht de laatste gasten verjoeg. Reeds was het volop dag, toen de laatsten naar bed strompelden.