Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917
Chapter 3
Had ik de toestanden en den civiel-gezaghebber te Tobelo toen reeds beter gekend, dan zou er voor mij geen oogenblik van ongerustheid zijn geweest. Voor sawah-aanleg was het land niet geschikt en de dunne primitieve bevolking niet rijp, terwijl de civiel-gezaghebber zich, gelijk meerdere zijner collega's, in de eenzaamheid tot een machthebber had ontwikkeld, met een behoefte aan vertoon van gezag, waarop hij geen aanspraak had.
Uit mijn portefeuille overhandigde ik hem toen een schrijven van zijn chef, den Resident van Ternate, waarin deze ambtenaar hem verzocht ons voor het beoogde doel behulpzaam te zijn bij het uitzetten van een concessie-terrein achter Tobelo.
Dat hielp; de tegenstand sloeg over in dienstijver en dienstvaardigheid. We werden uitgenoodigd het ontbijt te komen gebruiken, wat we met beide handen aannamen. Nog vóór dien waren de plannen voor den dag gemaakt, die daarin bestonden dat we in zijn gezelschap den omtrek eerst eens zouden opnemen, om bij benadering een punt van uitgang te bepalen. Ook hier waren indertijd reeds eenige grenssteenen in het bosch geplaatst voor een concessie, die, om hare uitgestrektheid, waardoor de bevolking der kampong geheel van het achterland zou worden afgesneden, door het gouvernement was geweigerd. We wilden trachten een dezer oude grenssteenen op te sporen.
Aan het ontbijt maakten we kennis met twee Indische dames, de jonge vrouw van den civiel-gezaghebber en hare tante, die haar pleegmoeder was geweest. Welopgevoed en beschaafd en, zooals Indische dames zijn, gemakkelijk in den omgang, was deze kennismaking ons zeer welkom, en gelijk overal de vrouw het verzachtende, gezellige element brengt, dat ons dadelijk thuis doet gevoelen, zoo ging het ook hier; aan de keurig verzorgde en goed voorziene tafel kwam, na de onaangenaamheden der prauwreis, een behagelijk gevoel van huiselijkheid over ons.
Het huisje, in welks achtergalerijtje we daar zaten, was opgetrokken op een vloer van cement, die slechts even hooger lag dan de grond van het erf. Op dien vloer stond, van houten stijlen vervaardigd met dwarsbalken van bamboe en hout, het geraamte van het huis, waarvan de wanden tusschen die verticale en horizontale stijlen waren ingevuld met de gaba-gaba, de lange, ontbladerde hoofdnerf van den arènpalm. In diepe breede kerven, in de horizontale dwarsbalken gesneden, worden deze gemiddeld 5 cM. dikke nerven, die vooraf op de passende lengte zijn gemaakt, op handige wijze met hunne uiteinden geschoven en wel zoo, dat de concave en convexe zijde tegenover elkaar komen, waardoor er, nadat zij goed zijn aangedrukt, een stevige en ondoorzichtige 5 cM. dikke wand ontstaat. Wel is zulk een huis met zijn dunne wanden zeer gehoorig, doch overdag zit men er nooit en tegen wind en regen is dit bouwmateriaal in dit klimaat zeer voldoende. Met een dak van atap en nog een zoldertje van gaba-gaba krijgt men een geriefelijk geheel, waarin men zich in het land van zon en warmte wonderwel thuis voelt.
Het duurde niet lang of de vrouw des huizes informeerde met belangstelling, waar we gedurende de eerste maanden onzen intrek dachten te nemen. Toen zij vernam, dat wij bij een bekenden Chinees alhier, Ong Keng Tjong, wilden trachten een kamer te huren, bood zij aan, wanneer we met weinig tevreden zouden zijn, een klein uitbouwtje als bijkantoortje door haar man gebruikt, aan ons als slaapgelegenheid af te staan, terwijl we ons verder als huisgenoot zouden kunnen beschouwen.
Hier ontmoetten we de oude hooggeroemde Indische hulpvaardigheid, waarvan we dankbaar gebruik maakten. Zoo kort aan land en reeds zooveel hulp en tegemoetkoming, deed het beste verwachten, en welgemoed zag ik dien morgen onze toekomst in.
Na het ontbijt gingen we, begeleid door den civielgezaghebber en den kapala-kampong, die ons den weg in het woud zou wijzen, met eenige Tobeloreezen, gewapend met parangs (lange hakmessen), op stap om de eerste verkenning te doen.
De huisjongen zou intusschen voor de aankomst der bagage en voor de inrichting der slaapgelegenheid zorgen, alwaar juist ruimte genoeg zou zijn voor het opslaan der beide veldbedjes en het plaatsen der koffers.
We gingen den breeden weg van hedenmorgen verder, die door de kampong evenwijdig aan het strand liep. Nette huisjes en miniatuur toko's van hout en gaba-gaba opgetrokken, waarin Ternatanen en Chineezen hun handel dreven, lagen aan weerzijden; we passeerden een pasar, waar veel inlanders, mannen en vrouwen, kochten en verkochten en ons in 't voorbijgaan nieuwsgierig aankeken. Na een brugje over een kali te zijn gepasseerd, zagen we links van den weg een laan van galalaboomen met geelgevlekte groene bladeren, aan welker einde een huis lag dat zeer groot scheen te zijn; het was het huis van den oudsten zendeling. Iets verder passeerden we weer een dergelijke woning, waar de jongste zendeling, de directeur van de kweekschool voor goeroes (inlandsche godsdienstonderwijzers) woonde. Daarna stonden er nog slechts de huisjes der oorspronkelijke bewoners, de Tobeloreezen. Deze menschen waren, ondanks een 16-jarige vestiging der Zending in hunne nabijheid, nog steeds heidenen gebleven, wat aan hun kleeding en ook aan hun huisjes aanstonds was te zien.
De christen-inlander kleedt zich niet meer alleen met den lendengordel, doch draagt steeds een wit of gestreept baadje en een gekleurde katoenen broek, terwijl hij den hoofddoek heeft afgeschaft. Zijn huisje bestaat uit een paar kamertjes met vensters en een kleine voorgalerij over de gansche breedte van het huis, terwijl de heiden hier nog meest in zijn donker achthoekig huisje met hoog dak, dat aan alle zijden uitsteekt, woont. Onder het vooruitstekende dak voor zulk een huisje kan men steeds een of meer bewoners op lange rustbanken zien zitten of languit voor het donkere van het inwendige zien liggen, terwijl zij daar slapen of soezen.
De weg werd smaller en bleek steeds minder begaan; links en rechts wisselden klapperaanplantingen van Chineezen met huisjes en wilden groei van allerlei geboomte.
Steeds waren we de kustlijn gevolgd, een plek zoekende van waar we, zonder veel tuinen der bevolking te snijden, in het binnenland konden dringen. Het lag in mijn bedoeling een gedeelte van het concessieterrein aan de zee te laten grenzen, om zoodoende steeds van een geheel vrijen weg daarheen verzekerd te zijn.
Het punt, dat we zochten, was na een half uur bereikt. Rechts de zee, links opgeschoten hout en glagah. Van hieruit drongen we het binnenland in, voorafgegaan door de mannen met de parangs. Na een dicht warnet van glagah, een plant die zich om alles slingert wat in haar bereik komt, waarbij zij moeilijk doordringbare hagen vormt, bereikten we de djoeramé's (tuinen der inlanders), waar alang-alang, afgewisseld met aanplantingen van rijst en mais, in groote velden manshoog stond. De geheele woudrand bleek hier door een breede strook van tuinen van de kust te zijn gescheiden. Overal staken pisangs, papaja's en nangkaboomen uit, en daartusschen stonden de huisjes der menschen. Uiterst schamele primitieve huisjes, die somtijds uit niets meer bestonden dan uit een dakje van atap op een paar stijlen, waarbij de wanden geheel of gedeeltelijk ontbraken; daaronder een rust- of slaapbank waarop menschen en kinderen in luiheid neerlagen, de laatsten somtijds erg geplaagd door vliegen, die op hun vuile zweren aasden. Opmerkelijk was het verschil tusschen deze menschen en hunne woningen met die welke dichter aan de kust waren gelegen. Ze schenen hier tot de paupers onder hun rasgenooten te behooren. Doch met dezelfde vrijmoedigheid werden we hier door de mannen aangekeken en ontvangen; de vrouwen en meisjes echter zag ik bij onze nadering soms vluchten of wegkruipen en de kinderen toonden hun vrees door angstige huilende gezichten. Gladakkers, de ellendige vermagerde honden in Indië, hongerige scharminkels, die elke menschelijke zorg van hun inlandsche meesters ontbeerden, blaften en jankten benauwd en renden weg of verscholen zich achter hun baas.
Zoo bereikten we de grens van het woud. Eerst hier zou een terrein op groote schaal kunnen worden uitgezet, want de bevolking, gehecht aan haar bezit en wantrouwend tegenover den Europeaan, had nog nooit veel neiging getoond het door haar ontgonnen terrein aan Europeesche liefhebbers tegen betaling af te staan, doch ook hierin zou eenmaal wel verandering komen.
Dank zij den kapala-kampong en de ons begeleidende Tobeloreezen vonden we in het woud een der grenssteenen, die we zochten. Van hieruit begon het interessante werk om het beste stuk uit te zoeken.
Het duurt echter geruimen tijd, alvorens men in zulk een oerwoud, waar dikke en dunne stammen en struikgewas elk overzicht beletten, is georiënteerd. Toen we dien eersten dag laat tegen den middag huiswaarts keerden en in de gloeiende zon over de smalle paadjes tusschen de heete alang-alang liepen, was het me niet duidelijk, hoe hier ooit een overzicht te zullen krijgen. Na maanden echter voelde ik me er even vertrouwd als in het open veld, en leerde ik de rintissen en voetpaadjes en de kronkelingen der kali even goed kennen als de straten van mijn geboortestad.
Elken dag trokken we nu met een colonne werkvolk, die zeer in aantal wisselde en soms tot dertig man aangroeide, soms tot vijf à zes slonk, bij het krieken van den dag door met dauw bevochte alang-alangvelden naar het bosch, waar dan gehakt, gegraven en onderzocht werd. De bodem bleek te bestaan uit verweerde vulkanische stoffen, de tuf. Deze poreuze gronden, door het zware eeuwenoude woud met een dikke laag humus bedekt, waren wel tot de vruchtbaarste en meest geschikte voor de klappercultuur te rekenen. Zoo gingen we hier met ijver verder en zouden in elk opzicht met de bereikte resultaten tevreden zijn geweest, wanneer we niet dag aan dag geplaagd werden door de onzekerheid omtrent het werkvolk, dat steeds met moeite mee te krijgen was. Het bracht Verster soms tot wanhoop, die, gedrukt door de verantwoordelijkheid welke hij in Holland op zich had genomen, liefst een honderdtal tegelijk had zien opkomen. Zonder de hulp van den civiel-gezaghebber, die de menschen herhaaldelijk tot werken aanspoorde, zou het er echter nog droeviger mee gesteld zijn geweest. Voor een geregelde ontginning zou de komst der contract-koelies moeten worden afgewacht.
Een bezoek aan de zendelingen gebracht, had tot resultaat, dat door den invloed van den oudsten de bewoners van de nabijgelegen kampong Pitoe genegen bleken te zijn, tegen ruime betaling een tweetal groote koelieloodsen op een door ons aan te wijzen terrein te bouwen; en hiermede was dan een aanvang gemaakt met de prille jeugd eener cultuur-onderneming.
Het was juist een week na onze aankomst te Tobelo, dat ik me weer op zee bevond en nu in de gouvernementsmotorboot op weg naar het eiland Morotai, dat van Tobelo uit op een afstand van ruim 40 K.M. over de zee was te zien.
De civiel-gezaghebber had mij uitgenoodigd, hem op een driedaagschen inspectietocht daarheen te vergezellen, waarbij mij dan de gelegenheid geboden werd iets van dat eiland van meer nabij te leeren kennen en tevens om een klapperaanplant van 7000 boomen op twee der kleine koraaleilanden, die voor de Westkust van Morotai lagen, in oogenschouw te nemen. Deze beide eilandjes, Dodola-Besar (groot) en Dodola-Ketjil (klein) zouden, als zijnde ons eigendom, te zamen met het nieuw aangevraagde terrein te Tobelo in exploitatie worden genomen.
In mijn dagboek vind ik over deze reis het volgende:
23 November 1912. Half zeven vertrek uit Tobelo. Aan boord de civiel-gezaghebber en mijn persoon, een Madoereesche motorist en tevens stuurman, benevens een gevangene als matroos. De zee is hol, er staat een sterke bries, zoodat de boot geducht schommelt. Er worden vischlijnen uitgegooid, waaraan zware haken met kunstaas, een vischje gesneden uit lichtgekleurden boombast.
Om half negen komt Mitita in 't zicht, een laag eiland, als voortzetting van de zuid-westelijke landpunt van Morotai. Om elf uur liggen we voor die landpunt.
Eindelijk heb ik dan de eenzame plek bereikt, waar ik volgens de plannen uit Holland met een vestiging had moeten beginnen. Deze landpunt is een uitbouw van koraal aan het eiland, waarschijnlijk een opgeheven zeebodem, geheel met zwaar hout bedekt. Morotai daarachter, heuvel na heuvel tot den top der hoogste bergreeks zwaar begroeid. Geen mensch, geen huis, geen prauw is op het vele kilometers lange strand tot aan de onbewoonbare rizophorenkust in het noorden te bekennen. De zee is ook verlaten. Welke plannen hebben er over eene ontginning aan deze verlaten kuststrook gespookt in het hoofd van den man, die gedurende 3 jaren civiel-gezaghebber van Noord-Oost-Halmaheira was?
Er blijft me hier, met de tastbare werkelijkheid voor oogen, niet veel over dan mijn schouders op te halen en eens over mezelf en anderen te glimlachen.
De zee is spiegelglad tusschen Morotai en de kleine koraaleilanden voor de kust. We passeeren Kokoja, dan Dodola-Ketjil en Dodola-Besar. We kunnen de klapperaanplantingen zien. Door het heldere, stille water nemen we op den bodem in allerlei kleurschakeeringen en vormen de bouwwerken der koraaldiertjes waar. 't Zijn de zoogenaamde zeetuinen. Door een hevigen ruk aan een der vischlijnen breekt de verklikker (een dun touwtje, waarmee de lijn een eindje is opgebonden). Ver achter ons zien we telkens opspattend water, veroorzaakt door een spartelenden visch, die in snelle vaart door de motorboot wordt meegetrokken. De beide inlanders palmen dol van vreugde de lijn snel in. Nu de vangst dicht bij de boot is gekomen werpt de inlandsche matroos zijn drietand, waarmee hij den zwaren visch binnenboord tilt. 't Is een tjankalang, slank als een schelvisch. Een oogenblik later breekt er weer een verklikker. Nu is 't een bobara, een korte, dikke visch met een rooden buik. Telkens breekt er nu een verklikker en telkens is er gejuich aan boord, de inlanders gillen van de pret.
Het eene koraaleilandje na het andere, met namen als Ngèle-Ngèle of Galè-Galè, wordt gepasseerd, allen vol klapperboomen. Riffen en ondiepten. Half drie te Wayaboela, de eenige kampong van belang op het 60 K.M. lange en 30 K.M. breede Morotai. Hier zullen we den nacht doorbrengen. De Sangadji, het inlandsche hoofd, door het gouvernement aangesteld, komt ons op de wankele pier tegemoet. We nemen onzen intrek in het posthuis.
Kennismaking met den heer A. van Renesse van Duivenbode. Een der leden van de groote familie van dien naam, waarvan de overgrootvader ruim honderd jaren geleden naar de Molukken kwam. Hij, hoezeer verinlandscht, is toch man van eenige ontwikkeling en met het aangeboren welopgevoede van den kleurling. Zijn woning is het huis van een inlander, gemeubeld met eenige stoelen, een tafel en een paar kasten uit de dagen van de Compagnie. Een Indische rommel. Hij toont me waardevolle schilden van reusachtige schildpadden, en eenige mooie exemplaren van takkenkoraal, een algensoort, die men hier aan den bodem der zee vindt vastgegroeid en achabaché noemt.
's Avonds in het posthuis muziek van de grammophoon van Renesse. Een serie van de meest banale liedjes. Groote toeloop van inlanders.
Op verzoek van den civiel-gezaghebber wordt de tjakalélé gedanst. Een weinig wilde krijgsdans, waarbij wat met speren en schilden (de salawako's) wordt gezwaaid. Men slaat er bij op de tifa, een soort trom, in een eentonige, meer of minder snelle cadans. En tevens wordt hierbij gespeeld het spelletje van het touwtrekken, wela wela genoemd, waarbij aan het eene eind van het touw zich jonge mannen scharen aan het andere eind slechts jonge meisjes. Terwijl zij elkaar nu minder eerbare liedjes toezingen, wiegen zij met hun lichamen heen en weer, om somtijds, na afloop, twee aan twee in de wouden te verdwijnen. Zulke spelen zijn een doorn in het oog van den zendeling. De heidensche Alfoer stoort zich hieraan echter niet.
29 Nov. 1912. 's Morgens met Renesse op de wilde varkensjacht. 't Wild breekt onverwacht en ongezien tusschen ons door. 's Middags vermoeid. Alleen onder het galerijtje van het posthuis. Lezende, teekenende en droomende, gaat de middag voorbij. Gevoelens van verlatenheid in dit onbekende verre uithoekje der wereld. Hoe kom ik hier verdwaald? Verdiept geweest in Vosmaer's "Amazone". Tegenstelling tusschen de uitingen van dien toegespitsten, verfijnden geest en de wereld die mij omringt. Zou ooit dit boek in zulk een omgeving gelezen zijn? Het verre uitzicht over zee is een troost. Bij het avondlicht wordt de motorboot zichtbaar, waarmede de civiel-gezaghebber en Renesse van een tocht naar een der koraaleilandjes terugkomen.
's Avonds weer de tjakalélé, waarvoor ik me interesseeren moet, en weer draait de grammophoon haar tingel-tangelliedjes af. Een kersversche Hollander vindt dat inlandsche gedoe sinister en zoo ver van hem af. Nog meer sinister vindt hij den vulgairen smaak van zijn gezelschap, en hij gevoelt zich nog eenzamer dan tijdens het alleenzijn. In het vuile slaapkamertje van het posthuis, verlicht door een petroleumlampje, is mij dan eindelijk de rust op mijn veldbedje recht welkom.
25 Nov. 1912. Vertrek om 6 uur 's morgens van Wayaboela. Renesse gaat mee naar Tobelo. Een kist eetbare vogelnestjes aan boord, door inlanders in grotten aan de kust bijeenverzameld voor de soepjes van Chineesche lekkerbekken.
Bezoek aan de Dodola's. Landing zeer moeilijk door de vele riffen. Mooie klapperaanplanting, oorspronkelijk door Renesse geplant. Men is hier met vijf man onder een mandoer bezig de tuinen van onkruid en jongen opslag te bevrijden. Zacht glooiende strandjes en landpunten van wit koraalzand rondom de eilanden. De beide eilandjes zijn bij laag water door een droogloopende bank van dat zand, helwit in het felle zonlicht, verbonden. Schilderachtige inhammen en baaien. Veel muskieten en een ondragelijke hitte. Het moet op deze kleine eilandjes veel heeter zijn dan op de grootere eilanden, waar de bergen voor afkoelende luchtstroomingen en grooteren regenval zorgen. Na bezichtiging en instructies aan den mandoer terugreis over een zee zoo spiegelglad, dat ik den indruk krijg over een ijsvlakte te varen.
Terugkomst in Tobelo. Verster klaagt over de slechte opkomst van werkvolk tijdens de afwezigheid van den civiel-gezaghebber. Als reden, dat ze niet meer werken wilden, hadden ze opgegeven dat ze zoo moe waren van de vorige dagen.
De tobberijen met het werkvolk bleven aanhouden en alle maatregelen en alle moeite om eene eenigszins geregelde opkomst te verzekeren, waren vruchteloos. Daarbij kwam nog, dat de Paketvaartboot van Java, die eens per maand Tobelo aandeed en die ons berichten en goederen uit de beschaafde wereld zou brengen, 6 dagen over haar tijd binnenviel en de vele bagage, die we op Ternate hadden achtergelaten, aldaar had laten staan. Zoo bleven we, tenminste weer voor een maand zonder boekhouding, zonder bijlen en parangs enz., i. e. w. zonder het allernoodzakelijkste om te regelen en op te schieten.
Aan boord raakte ik met eenige heeren in gesprek, die jarenlang in deze streken, en niet zonder succes, handel dreven en die belangen hadden bij de cultures. Hun conclusies na veel ervaringen waren (volgens aanteekening in mijn dagboek): "Men komt hier verder met pessimisme dan met optimisme. Ik heb dat zelf ondervonden. Vroeger was ik namelijk ook optimist", en de ander, die met vreemd werkvolk bezig was een klapperaanplant aan te leggen: "Men kan niet met de menschen uit deze streken werken. Werken ze twee dagen dan luieren ze er zeven."
Hoe anders en hoeveel nuchterder en dichter bij de werkelijkheid klonk dit dan de adviezen in Holland van onzen raadsman ontvangen. Echter zou later, tot niet gering voordeel, blijken, dat werkvolk, geworven in andere naburige residenties, z.g.n. contract-koelies of contractanten, hier belangrijk goedkooper te krijgen was dan overal elders in den Archipel.
Hoezeer de Hollanders in Indië, met hun energie uit de gematigde luchtstreek meegebracht, ook het geheele maatschappelijke raderwerk in gang zetten en door hun stuwkracht in gang houden, zoodat alles wat heele of halve bruine broeder is wordt meegesleept, toch gevoelde ik dat deze energie op de inerte massa dezer bevolking voorloopig nog, ook met de grootste krachtsinspanning, vergeefsch zou zijn.
Zoo vind ik nog in mijn dagboek: "Reeds vijf dagen zoekt Mainaky, inwoner van de kampong Tobelo en handelaar, een prauw en drie mannen om hem naar Morotai te brengen. Ieder weigert uit luiheid." En nog dit curieuze staaltje, als bewijs van de goedmoedigheid die hier nog heerschte: "Een pradjoerit, inlandsche politieagent, die de kunst van haarknippen verstaat en als zoodanig door ons wordt ontboden, laat melden, dat hij momenteel te dronken is van het sagoweergebruik om dit te kunnen doen. Morgenochtend zal hij geen sagoweer drinken en is dan bereid ons van dienst te zijn. De man is notabene tevens cipier van de gevangenis. Hij zit gewoonlijk als beste maatjes met zijn gevangenen op een bank voor het huisje dat de gevangenis moet verbeelden."
Ondanks den aard der bevolking slaagden we er in, de grenzen van een mooi terrein van 1000 bouws nauwkeurig af te zetten en in kaart te brengen. Het lag geheel in het oerbosch, waarvan een breede weg over vlak terrein tot het strand werd gemaakt. Bij de duizenden bouws vruchtbare gronden, die hier nog onaangetast lagen, bleek het niet noodig voorloopig de hand op meer te leggen. Nu we zoo ver waren gekomen, werd het noodig, dat ik mij naar Ternate begaf ter regeling van verschillende zaken met het Residentiekantoor en voor verdere belangen. Juist een maand na onze aankomst te Tobelo, bood zich een welkome gelegenheid aan, om mij daarheen te begeven. De kleine gouvernementsstoomer "Nora" had, op de reede van Tobelo, het anker laten vallen met bestemming naar Ternate.
Het is in streken met slechte verkeersmiddelen als deze, aan particulieren, na verkregen verlof van de autoriteiten, geoorloofd van de regeeringsvaartuigen gebruik te maken. Zoo greep ik deze gelegenheid dankbaar aan, daar de Paketboot, op haar reis naar Nieuw-Guinea, eerst na 14 dagen zou terugkeeren en naar Ternate stoomen.
Verster zou tijdens mijn afwezigheid te Tobelo blijven en intusschen trachten, zooveel mogelijk met het werk op te schieten. Nog aan boord van de Nora deelde hij mij zeer ontmoedigd mede, dat zich dien morgen, ondanks al zijn moeite, slechts vier man op het werk hadden gemeld.
HOOFDSTUK IV.
TERUG NAAR TERNATE.
Het vooruitzicht om als eenig Europeaan een kalme 24 uren aan boord van het bootje te zullen doorbrengen, was me niet onaangenaam. Op een gemakkelijke bank op de brug gezeten, waar de inlandsche kapitein naast den roerganger aan het stuurrad stond, tuurde ik over de zee en langs de lange kust, die zich aan bakboord naar het Noorden uitstrekte. De overgang van het dagelijksch verblijf in het schemerlicht en het beperkte uitzicht van het oerwoud, van 't meten en roepen en draven door versch geslagen rintissen, waar men telkens strompelde over boomstronken en wortels, in gezelschap van halfnaakte kerels, naar het volle licht aan boord, met het verre uitzicht en de frissche zeelucht, gevoegd bij de comfortable netheid der inrichting van het scheepje, was zoo allerkostelijkst, dat ik me eerst eens onverdeeld aan die indrukken overgaf.
We zouden om de noordpunt van Halmaheira varen en den nacht in een beschutte baai van de Loloda-eilanden voor anker gaan, om den dageraad van den volgenden dag af te wachten, daar strenge orders den kapitein verboden zich 's nachts met het kleine vaartuig op zee te wagen.