Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917
Chapter 2
Hoe nu in die duisternis al onze bagage in de prauwtjes werd gestuwd, is me een raadsel gebleven, doch na eenigen tijd zat ik goed en wel op de geldkist in het midden van een dier vaartuigjes te schommelen op de onstuimige golven van de baai. Het weer was omgeslagen, een sterke lauwe wind was opgestoken, de sterren begonnen te verdwijnen en een zware bui dreigde. Het zeewater lichtte, elke pagaaislag gaf een kolk van vuur te zien, elke klets van een der vlerken, die door het schommelen beurt om beurt uit en in het water gingen, werd tot een vurige streep. De tweede prauw hielden we door het licht, dat ook zij op die wijze in de duisternis uitstraalde, steeds in het oog. Weldra schommelden we als bezetenen te midden van die vurige strepen en kolken en toen de golven steeds hooger rezen, hadden ook zij lichtende kruinen, die op ons afkwamen als draken met vurige bekken. De branding bruiste met veel geweld tegen de kust en straalde eveneens licht uit. De lucht werd steeds zwarter, buien pakten zich samen en het werd de vraag of we nog droog het huis van den zendeling zouden bereiken. Het antwoord op die vraag duurde slechts kort, de regen begon te stroomen en maakte ons in korten tijd tot op de huid toe nat, doch het kon onze lachende stemmen niet dooven, opgewekt als we waren door het dolle spektakel der elementen in dien heksenketel rondom ons.
Eindelijk naderden we het punt waar geland moest worden, waar hooger op de kust een lichtje zichtbaar was, dat spetterde uit het huis van den zendeling.
De landing in de duisternis en in de geweldige branding, die de zwaarbeladen prauwen op het strand dreigde stuk te slaan, was uiterst lastig. Er bleef ons slechts over, uit het vaartuigje in zee te springen en tot aan de borst door het woelende water naar het land te waden. Mijn horloge, portefeuille en lucifers, hoewel reeds kletsnat, deed ik in mijn zonnehoed, die toen zoo vast mogelijk op het hoofd werd gedrukt. Mijn reisgenoot zorgde voor de papieren, in een city-bag geborgen, en ik zelf nam de geldkist voor mijn rekening. In het lauwe water, waarin een aanrollende golf mij bijna van de been had gegooid, bleef ik staan, dank zij die zware kist op mijn schouder. Op den tast waadden we in het diepe duister verder, tot het droge was bereikt.
We lieten onze koelies verder met de bagage scharrelen en gingen, door den zendeling geleid over het onbekende pad, het welkome huis tegemoet. De kletsnatte bagage volgde.
Na een verkwikkenden slaap deed ik 's morgens de deuren van mijn slaapkamer open en zag daar het mooiste panorama voor mij liggen, dat ik tot dusver in Indië had gezien. Werkelijk in dit landschap was op dit uur iets liefelijks en stemmingsvols, zooals het in het rijzende licht van den jongen dag voor mij lag.
Van den heuvel, die den omtrek beheerschte en waarop het huis stond, zag men de oevers van de Kaubaai zich evenwijdig naar het Noord-Oosten uitstrekken, tot zij in de verte in den teêren morgennevel verdwenen. Heuvelachtig, dichtbegroeid land, dat zich tot lagere bergen ontwikkelde, rees aan den horizon op, waartusschen een wijde waterspiegel blikkerde en glom. Over dit landschap welfde zich een transparante atmosfeer van fijngekleurde morgentinten.
Kort is in Indië het weldoende oogenblik van den morgen, als de zonnestralen over de aarde scheren. Snel rijst de zon en brengt ons den zomerdag met zijn hitte en steeds weer den zomer en steeds weer de hitte.
Deze natuur staat onder een eentoniger licht dan die der noordelijke landen, ook is zij zelve veel eentoniger. Van Padang tot Halmaheira doorreisde ik in eenige maanden den Archipel over een afstand van 3600 K.M., gelijk aan dien van de Noordkaap tot Athene, en over dien afstand had ik het karakter van het land zich niet merkbaar zien wijzigen, terwijl in elken tijd van het jaar het landschap hetzelfde voorkomen heeft.
Overal had het donkere zinnobergroen overheerscht; overal hadden de klapperboomen met hun wuivende kruinen, de pisangs met hun gladde stille bladeren dezelfde karakteristiek bij de nederzettingen der menschen aan het landschap gegeven; overal had dezelfde bergvorm, die van de lange oprijzende lijnen der vulkanen, gedomineerd; nooit hadden de wisselende grootsche vormen van een rotsgebergte mijn oog bekoord, overal was hetzelfde vlakke strand, soms van wit soms van donker zand, langs de kusten te zien geweest, en over dat alles had steeds, wanneer niet een regenwolk het licht onderschepte, een zon geschenen, die hoog uit de lucht haar stralen pardoes naar de aarde zond.
Zelden was de natuur liefelijk geweest, zelden grootsch, doch altijd ontzagwekkend, soms angstwekkend door haar macht, die nog de macht der menschen overheerschte. Deze natuur maakt ons klein, doch stemt niet bescheiden, gelukkig, noch wijst ten hemel en verheft. Het natuurgenot, zooals wij dat kennen, 't welk ontstaat door de afwisselende pracht der jaargetijden en door de sterkere contrasten van kleuren, door fijne en wazige overgangstinten, ontbreekt. Deze altijd gelijke natuurtafereelen brengen ons in een droom, in den droom die ligt op de gezichten der inlanders, voor wie een eentonig droomleven gelukzaligheid beteekent, van hen, die nooit wisten van den opwekkenden prikkel der noordelijke landen. En zoo ontberen we hier, totdat we tenslotte de ontbering niet meer gevoelen, den weldoenden invloed van ontroeringen, die de natuur der gematigde luchtstreek ons zoo dikwijls schenkt.
In de galerij van zijn huis verscheen de zendeling in het gemakkelijke morgentoilet en noodigde ons aan het ontbijt. Hij was alleen, zijn vrouw en kinderen waren om gezondheidsredenen te Ternate achtergebleven, hoe gaarne zij ook naar Pasir Poeti waren teruggekeerd, waar zij zich in de eenzaamheid in eigen huis gelukkiger gevoelden, dan in het bedenkelijk slechte hotel, dat wij gisteren met vreugde hadden vaarwel gezegd.
Aan tafel gezeten, volgden we naar het gebruik van het huis eerst de morgenwijding, die met bijbellezen begon en eindigde met gebed. Tijdens den maaltijd bespraken we onze plannen voor de verdere reis. De hulpvaardige zendeling was genegen ons zijn groote prauw met roeiers af te staan, waarin tevens alle bagage kon worden meegenomen.
De duur van de reis, die nu voor ons lag, zou geheel van een meer of minder gunstigen wind afhangen. De afstand tot Tobelo bedroeg nog ruim 100 K.M., die door hem eens bij gunstigen wind in ruim 12 uren was afgelegd, doch waarvoor men meermalen met zulk een groote prauw 3 dagen en meer had noodig gehad.
Terwijl alles voor ons vertrek werd gereed gemaakt, bezagen we de geheele nederzetting, zooals die hier uit de wildernis door den zendeling was te voorschijn geroepen.
Een kerk, een school, een timmerwerkplaats en nette huisjes, waarin christen-inlanders woonden, stonden op een uitgezocht plekje bijeen als een kostelijk brandpunt van beschaving in de wildernis van de somber stemmende wouden, waarmede het achterland was begroeid, en te midden van de lugubere samenleving der primitieve heidensche bevolking. Noode nam ik afscheid van de veilige haven, die me zoo kort had geherbergd en van den man, die in zelfverloochenende plichtsbetrachting hier zijn nuttig leven sleet.
De prauw lag gereed, de bagage was onder het beschuttende dakje gestuwd, waar tevens een veldbed en een matras was gespreid, waarop we de eerstvolgende dagen voor een groot gedeelte zouden doorbrengen. Vier roeiers zaten voor en vier achter in de prauw. Onder hen was een albino, een man met witte haren, een licht rose huid en lichtschuwe roode oogen. Hij stak onsmakelijk af tegen zijn bruine broeders. Met hun gebronsde huid, gaven dezen in hunne naaktheid niet den minsten aanstoot, men went daaraan ook als totok spoedig; doch van den anderen met zijn berimpelde lichte huid, die vol wratten zat, zouden we gaan schuwen als van een melaatsche.
Met hartelijken handdruk namen we afscheid van onzen gastheer; toen dreven we, kalm voortgeroeid in onze hulk, de wijde Kaubaai in. De felle zon dwong ons weldra onder het beschuttende afdakje plaats te nemen, waar ik op mijn veldbed onder het zachte deinen der boot gelegenheid en rust vond om mij aan correspondentie en lectuur te wijden.
Verdiept in een boek, dat me in klein burgerlijke toestanden naar Duitschland verplaatste, was het een vreemde gewaarwording eensklaps tot de werkelijkheid om mij heen te worden teruggeroepen en door de groote openingen van de wanden van het afdakje, de lichamen der naakte pagaaiende inlanders, het van zonlicht glinsterende water en nog na drie uren Pasir Poeti in de nabijheid te zien. Langzaam, heel langzaam gingen we verder, de hitte en de eentonigheid brachten ons dien dag in een dommel, en tijdens den koeleren nacht kwam het niet tot een verkwikkenden slaap.
Vier en twintig uren hadden we zoo in de prauw doorgebracht, soms eens even naar buiten kijkend, soms ook de roeiers aanmoedigend, die tijdens de uren van den nacht, toen de noordenwind dreigde ons weer terug te drijven, het liefst hadden gerust. Dan bliezen deze christenen op een groote schelp; een doffe doordringende toon klonk over het water, waarmede zij hoopten de geesten, die den tegenwind brachten, gunstiger te stemmen.
We voelden ons lusteloos, zwaar in het hoofd en slap, toen we na dat eerste etmaal in Kau aan land stapten en door dik, mul zand in een verschrikkelijke hitte tusschen kamponghuisjes naar een kleinen toko gingen om eenige inkoopen te doen. De eigenaar, Rompies genaamd, half Chinees half Ternataan, ontving ons met een natuurlijke wellevendheid en een zekere bescheidenheid, die al deze menschen eigen is. Ver boven den inlander staande, vormen zij den nuttigen middenstand van kleine tokohouders in deze afgelegen streken. Zijn vrouw bracht ons een kop thee, dat kostelijk verkwikte. Zoo verkwikte ons ook een bad, waarvoor hij ons de gelegenheid in zijn mandiekamertje aanbood, dat van bamboestijlen en wanden van gedek (platgeslagen bamboe) gemaakt, wel zeer primitief, doch voldoende was.
Van den eigenaardigen primitieven smaak dezer menschen getuigden de kleurige gladde prenten van vorstelijke personen in uniformen met veel rood en veel ordeteekenen, die in het voorgalerijtje hingen en die we later bij deze soort menschen als de gewone wand versiering zouden leeren kennen. Zoo hingen hier de keizer van Duitschland, de koningen van Engeland en van Roemenië in schitterende uniformen en ook onze Koningin, omgeven door een apothéose van vlaggen, waarin het felle rood domineerde.
Tegen den namiddag kwamen we in Gamlaha, waar we met een tweeden zendeling, den heer Ellen, zouden kennismaken. Het was twee uur, het uur van de middagrust, toen we zijn huis naderden, dat aan alle zijden gesloten was. Op een vloer van cement stond, aan vier zijden door een breede galerij omgeven, een flink vierkant gebouw voor ons, met vier ramen en een deur aan de frontzijde. Het was van ijzerhout en gaba-gaba (de nerf van het blad van den arènpalm) wanden gemaakt, en vertoonde zich in zijn bruine kleur in goede harmonie met zijn omgeving van donkergroen; stemmiger dan de Europeesche huizen in de grootere plaatsen, die met hun practische witte kleur vaak al te erg vloeken met het donkere bruin en groen, te midden waarvan zij zijn geplaatst.
Na eenigen tijd drentelen in de voorgalerij kwam een bleeke blonde man uit een der zijgalerijen naar ons toe. Hoewel het bezoek van Europeanen hier iets zeer bijzonders moest wezen (later vernamen we dat dit in een vol jaar niet had plaats gehad), scheen hij niet in het minst verrast. Hij verzocht ons plaats te nemen en het gesprek begon. Van onze plannen had hij reeds het een en ander vernomen, en hij wees ons met voldoening op eenige jonge klapperboomen voor zijn huis, door hemzelven geplant, die met zware stammen als ballen uit den grond kwamen. In de nabijheid had hij een klapperaanplant gemaakt, waarvan hij de beste verwachtingen koesterde.
Terwijl wij praatten en informeerden verscheen zijn vrouw met een blond slank meisje van een jaar of zes aan de hand; een zacht, teer kind buiten rumoer en sterke contrasten in de eenzaamheid geboren en opgevoed. Het was een kasplant, die een sterke tegenstelling vormde met de wildernis, welke zoo dicht om het huis lag, en toen we later met z'n beidjes alleen aan het strand liepen, alsof we elkaar jaren hadden gekend en mooie schelpen opraapten voor een jongetje ver in Holland, was het mij zonderling te moede, hier in deze omgeving dat helblonde babbelende kind naast me te zien.
Na de thee wilden we verder, doch de noordenwind stak zoo hard op, dat we eer achter dan vooruit zouden zijn gekomen, zoodat we besloten tot den avond te wachten, wanneer de wind zou zijn gaan liggen. We brachten den verderen tijd in het huisgezin door en gebruikten er den avondmaaltijd, om tegen tien uur de prauw op te zoeken, die langzaam de baai invoer, terwijl wij ter kooi gingen.
Toen ik wakker werd was het nog donker en lagen we stil voor Pediwang, een kampong in welker nabijheid een groot vlak terrein lag, waarop een concessie was aangevraagd voor de cultuur van klappers. Over de uitvoerbaarheid der ontginning van dit terrein hadden we ons oordeel naar Holland te berichten.
Pediwang zelf was een oud berucht rooversnest. Het gouvernement had echter een eind gemaakt aan het bedrijf dier kampongbewoners, die nu in vreedzame luiheid voortvegeteerden. Het concessieterrein, dat in de nabijheid lag, was 3000 bouws groot en moest geheel met oerbosch zijn bezet.
Toen het lichter werd, gingen we aan land en verrasten de inwoners bij het krieken van den dag in hun schamele huisjes. Vrouwen waren reeds met eenig huiswerk bezig, doch de mannen stapten, met een doek om hun naakte lijf geslagen, welke hen tegen de morgen koelte moest beschutten en met een sigaret in den mond, in trotsche houding als pauwen voor hun huisjes op en neer, en keken ons onbeschroomd en glimlachend met een aristocratisch nietsdoeners-air aan.
Geheel anders dan van den Javaan is de houding van den bewoner dezer streken tegenover den Hollander. Van onderdanigheid tegenover hem zag ik nooit een spoor, wel van vrees, vooral bij vrouwen en kinderen, die dikwijls, wanneer ze me later in de alang-alang zagen aankomen, ijlings de vlucht zouden nemen.
We verlangden den kapala kampong te spreken. Hierop verscheen een inlander met een langen grijzen baard, die zich als zoodanig bekend maakte, en wien wij de reden van onze komst mededeelden. We wenschten van hem een geleider, die ons bij de zuidelijke grenssteenen van het concessieterrein zou brengen. Het heerschap was, zooals we later vernamen, in zijn jeugd een bekend zeeroover geweest, doch nu door het gouvernement op verzoek der bevolking als haar hoofd aangesteld.
Het duurde geruimen tijd voor dat iemand verscheen, die genegen was met ons het bosch in te gaan en die de grenssteenen wist aan te wijzen. Het werd een lange marsch over een smal paadje het oerwoud in. Het terrein bleek vlak en overal met zwaar hout begroeid. Het was er vochtig en koel en het rook er naar vermolmd hout onder het zware bladerendak dier reuzenboomen, waardoor nooit een zonnestraaltje tot den bodem kan doordringen. Varens en laag hout stonden aan den voet van dunne en dikke, soms metersdikke stammen, waaronder er waren die, naar schatting 40 M. en hooger moesten zijn. Lianen hingen als koorden van de hoogste kruinen dier boomen tot den grond en vormden daar, verder slingerend, een net, waarin de voeten telkens verward raakten. Ook waren er lianen dik als menschenarmen, die dichter aan den stam naar boven kropen en zich als slangen om zware takken kronkelden.
Toen de eerste grenssteen was bereikt, een dikke vierkante, met cement bestreken steenen paal, waren we overtuigd een uitmuntend terrein voor de klappercultuur voor ons te hebben. De bodem was vlak, de gronde bleek na uitgraving uit poreuze tuf te bestaan en was met een dikke humuslaag bedekt, terwijl de regenval tegen de daarachter liggende bergen aanzienlijk moest zijn en twee altijd watergevende kali's, volgens onze kaart en ook volgens onzen gids, het terrein doorsneden. Alle gunstige factoren voor het welslagen der cultuur, wat het terrein betreft, waren hier bijeen.
We gingen nog dieper het woud in, op weg naar een volgenden steen. Het werd een eindelooze, eentonige marsch over steeds denzelfden vlakken vruchtbaren grond, onder steeds dezelfde hooge boomkruinen, terwijl een hopelooze strijd met lianen was ontstaan, die zich om onze beenen kronkelden of ons, als touwen voor de borst gespannen, tegenhielden totdat we besloten terug te keeren.
We hadden echter de overtuiging gekregen, dat deze voor de klappercultuur zoo geschikte gronden door hun afgelegen ligging nog jarenlang een zwaar oerwoud zouden dragen.
Nu kwam voor onze roeiers het zwaarste werk. We waren de Kaubaai uit, maar nog niet onder de beschutting van de meer noordwaarts liggende eilanden, zoodat de volle zeedeining nu te trotseeren zou zijn.
In de schommelende prauw vervielen we in een loome, lustelooze stemming, nu we daar in de hitte van den dag uitgestrekt lagen; als eenig geluid hoorden we het eentonig plassen der pagaaien en het aanmoedigende geroep der roeiers. Tegen den avond bereikte ons het heugelijk bericht, dat we nog dezen nacht voor Tobelo zouden aankomen. De beschuttende eilanden waren bereikt, waarna het nog een kwestie van 6 uren roeien zou zijn.
Ik zette me op het stevige dak der prauw, terwijl rondom ons de avond viel en we dicht langs de kust der eilanden voeren. Inlanders, slechts met den lendengordel om de heupen, stonden op de witte strandjes der koraaleilanden en keken ons nieuwsgierig na. Het iets hoogere land achter die strandjes was dichtbegroeid met struikgewas en enkele hooge boomen, en cocospalmen wuifden met hun pluimen, waaronder zware vruchtentrossen zichtbaar waren, in den zeewind. Hier en daar lag een huisje van atap en bamboe tusschen al dat groen verscholen, en prauwtjes lagen teekenachtig op het strand, terwijl in de hooge boomen krijschende witte kakatoes en kleurrijke papegaaien rondvlogen. Tusschen de eilanden en ver de zee in waren de lange krullende golven der branding te zien, die op langgestrekte ondiepe koraalbanken braken. In de breede straat door het groote vulkanische moeder-eiland (Hale-ma-heira) en de kleine koraaleilanden en banken gevormd, dreven we omringd door een wijd panorama. Naar het Oosten de blauwe zee in het avondlicht, met de lange witte rollers, waartegen de eilanden met scherpe contouren afstaken. Naar het Westen het groote eiland, als een vastland met zwaar oerwoud begroeid, met steeds hooger oploopenden bodem, die in den kam der bergen (300 à 400 M.) in het Westen culmineerde. Achter de scherpe lijn van dien bergkam verdween de ondergaande zon, die zware blauwachtige wolken met helroode randen verlichtte. Het was een fantastisch, schouwspel, dat boeide als een suggestieve Böcklin-fantasie, als een theater-decoratie uit een Wagnerdrama.
In het Noord-oosten werd, wanneer geen der eilanden het uitzicht daarheen belemmerde, het eiland Morotai als een berg, die in wazige verte was te zien, voor het eerst zichtbaar. Daar lag dan eindelijk in de tastbare werkelijkheid, dat eiland voor ons, welks beeld mij de laatste maanden, door het vooruitzicht op zijn grond een eenzaam verblijf van een à twee jaar in de rimboe te moeten doormaken, steeds had achtervolgd.
Nog zat ik op het dakje, toen het reeds geheel nacht was geworden en ik hier, onder den evenaar, den noordelijken en zuidelijken sterrenhemel met nieuwe en van oudsbekende beelden in volle glorie boven mij zag. Orion, klein, maar des te schitterender, hoog in de lucht; de "drie knoopen" noemen de inlanders de drie heldere middensterren van de wapenrusting, Cassiopeia, Perseus, de Pleiaden, naar welk laatste beeld de Tobeloreezen hun plant- en oogsttijd regelen; ook stonden de Tweelingen hier als een groet van huis. Daar, in 't Zuiden, de slingerende Schorpioen en weer de leuke Kraanvogel, de Zuiderkroon en 't wonderbaarlijke Zuiderkruis, en dwars door al die beelden heen de Melkweg, zoo egaal geplaveid, als ik hem nog slechts in de ijle lucht van 't hooge Zwitsersche bergland had gezien.
't Was twaalf uur 's nachts toen ik op mijn veldbedje uit een lichten sluimer ontwaakte, doordat een ongewoon gedruisch tot mijn bewustzijn doordrong. De roeiers roeiden niet meer, zij bewogen zich dooreen en ik hoorde het ploffen van een anker in het water. We lagen stil voor Tobelo.
Het land lag zwart onder den zachten schijn van het sterrenlicht, waarvan de gladde waterspiegel glom; de beelden in den vroegen avond gezien, waren verdwenen of naar het Westen gezonken en door een nieuw heirleger uit het Oosten vervangen. Doodstil was het in den nacht. Van het land drong geen geruisch tot ons door en aan boord van de prauw sliepen de roeiers, na het langdurige werk, aanstonds in de onmogelijkste en ongemakkelijkste houdingen op de kleinst denkbare plekjes, zooals alleen inlanders dat kunnen. De huisjongen zat, met gekruiste beenen, naast zijn korfje met de vies geworden katjes, op hetzelfde plekje te slapen, waarop hij nu reeds drie dagen had zitten te soezen. Wijzelven verlangden naar ruimte en beweging en naar een grondige reiniging. Voor het laatst kroop ik onder het afdakje, om nog gedurende vijf uren allerlei gedachten en beelden door mijn hoofd te laten spoken.
HOOFDSTUK III.
AANKOMST TE TOBELO. EERSTE WERKZAAMHEDEN.
16 November 1912 was voor het kleine Tobelo een historische dag van den eersten rang, wat in den vroegen morgen van dien dag zeker nog door niemand aldaar werd beseft; doch misschien zal eens deze datum hier als het begin van een nieuw tijdperk worden herdacht.
Nauwelijks was het licht in de lucht of we maakten ons gereed naar den wal te gaan.
Van het plaatsje was niets te zien, maar een kleine dam van koraalbrokken, die van het land een eind in de zee was uitgebouwd, eenige goedangs (loodsen) van de Paketvaart en de Moluksche Handels-Vennootschap duidden er toch reeds op, dat hier een geregeld verkeer moest plaats hebben. Zelfs stond er een lantaarnpaal, waarop een lantaarn, die dezen nacht evenwel niet had gebrand; doch wie had in Tobelo kunnen vermoeden, dat het feit van een brandende lantaarn aldaar dezen nacht als een teeken van beschaving verbijsterend op een Hollander zou hebben gewerkt.
Aan een weg, evenwijdig met het strand, lagen links en rechts de huisjes der kampong. Voor een dier huisjes, door een heg van den weg gescheiden, stond een vlaggestok. Juist toen we passeerden verscheen in het kleine voorgalerijtje een Europeaan in slaapbroek en kabaai. Het was de civiel-gezaghebber, die belast was met het bestuur over de Oostkust der onderafdeeling Noord-Halmaheira en van de daarbij behoorende eilanden.
Verster, die reeds op zijn eersten tocht naar hier kennis met hem had gemaakt, stelde mij aan hem voor, en zoo zaten we reeds spoedig in het kleine voorgalerijtje op schommelstoelen bijeen.
Na de eerste plichtplegingen kwam reeds spoedig het gesprek op het doel onzer reis en de reden onzer komst te Tobelo. Toen hij vernam, dat wij van zins waren van het achterliggende land voorloopig een stuk van 1000 bouws uit te zetten, om in concessie aan te vragen, was zijn antwoord: "Onmogelijk!"
Dit was het pijnlijkste oogenblik, dat ik op mijn reis doormaakte; want zouden we hier niet kunnen slagen, dan zag ik het doel mijner zending in rook vervliegen. Doch slechts een oogenblik bleef ik onder den indruk van zijn afwijzend antwoord.
Op mijn vraag, waarom zulk een aanvrage hier onmogelijk was, kreeg ik ten antwoord, dat hij deze gronden voor de bevolking wenschte gereserveerd te houden voor den aanleg van sawah's voor de rijstcultuur, die hier nog zeer primitief gedreven werd.