Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917

Chapter 13

Chapter 131,259 wordsPublic domain

De volbloed Inlander is een sympathiek menschentype uit een ras bestemd voor de heete luchtstreek, zooals wij het zijn voor de gematigde. Het is niet anders, doch wat in Indië het leelijkste is onder de menschen komt van den Hollander, die wel tegen veel inlandsche misbruiken streed en veel goeds bracht, doch die daarbij tevens zooveel leelijks verwekte, dat men er versteld van staat.

Ons leven in Indië is tegen onze natuur, is gedwongen en zal eeuwig zoo blijven, en zoo min als de Inlander in Holland zou aarden, zoo min aardt ooit de Hollander en zijn nageslacht in Indië, tenzij dit laatste verinlandscht en daaraan ontkomt dit nageslacht dan op den duur ook niet. En toch in Holland teruggekeerd verlangt hij, die Indië leerde kennen, soms onbestemd naar dit land terug. 't Is het vrijere, zorgeloozere en ook grootschere leven daar, dat hem dat verlangen influistert en dan "all times when old are good"; en 't waren immers ook zijn beste levensjaren, die hij hier doorbracht.

De golven vervolgden het schip niet meer met de woede van den vorigen dag, het was onder de beschutting van eilanden en eilandjes gekomen en Madoera's kust lag in de verte reeds aan stuurboord en Java's kust zou spoedig aan bakboord zichtbaar worden. Doch we ijlden snel door een steeds smaller wordende vaargeul tusschen ondiepten aan weerszijden. We hadden een loods aan boord gekregen. Steeds meer schepen werden gepasseerd en eindelijk tegen den middag van dien dag zagen we voor ons veel schepen op de reede liggen en boven Java's lage kust, die reeds geruimen tijd was te zien, staken masten en seinpalen uit en omtrekken van daken waren tegen de lucht zichtbaar.

We hadden Soerabaja bereikt.

De ontscheping alhier, waar de groote booten op de reede moeten blijven liggen, duurde langen tijd, en aan den wal gekomen gaf de bagage door gebrek aan koelies weer een langdurig oponthoud, alvorens de troostelooze Oedjong, de benedenstad van Soerabaja, een hel van stof en zon om leelijke pakhuizen, oude huisjes en vunzige kantoren, waartusschen schreeuwende koelies, ratelende sado's en toeterende auto's, verlaten werd en ik goed en wel in het Simpanghotel onder mijn galerijtje zat.

Daar was ik nu weer in het volle leven terug, het leven van jagen en haasten naar geld in deze drukke handelsstad. 's Morgens reeds tijdig begonnen de auto's met employé's en chefs over de gladde breede wegen te vliegen, allen één kant uit het hotel voorbij; van de bovenstad naar de benedenstad, waar de handelskantoren zijn. Tegen den avond keerden diezelfde auto's weer vol terug naar de woonstad met weer dezelfde menschen van den morgen.

Na inkoopen en bestellingen te hebben gedaan, na met vrienden uit mijn kinderjaren te hebben gedineerd en onder de hooge boomen voor de societeit te hebben nagepraat, verliet ik Soerabaja om vóór het vertrek van Batavia nog iets van den Preanger te zien, waarvan men mij zooveel had verteld.

De Hollanders zijn nu eenmaal geen bergvolk en dus op dit punt over 't algemeen niet verwend, wie onzer echter de zegen is deelachtig geworden de Zwitsersche dalen met hun schilderachtige dorpjes, de meren met hun bekoorlijke oevers en diep kleurig water, de alpenweiden met haar bloemenschat, de heldere stroomen en vele watervallen, de steile rotswanden en diepe afgronden, de gletschers en de eeuwige sneeuwtoppen goed te leeren kennen zal in een vulkanisch bergland, zooals het gebergte op Java uitsluitend is, veel van dit schoons geheel missen. Slechts een hooggebergte, dat uit het massale oergesteente door plooiingen van den aardkorst is opgebouwd, zal dit overweldigend grootsche en schoone kunnen geven.

In onzen Archipel zal men alleen op Nieuw-Guinea in het Sneeuwgebergte bij de Wilhelmina- en de Carstens-toppen naar een werkelijk grootsch bergland te zoeken hebben. Reeds hebben ons de eerste berichten bereikt over de pracht van dat binnenland daar onder den aequator en reeds zijn er plannen gemaakt voor een herstellings- en ontspanningsoord in deze koele hooge streken op de wijze als Darjeeling aan den voet van den Himalaya. Dan zal men inderdaad vernemen van een bergnatuur zoo schoon en grootsch, dat ook de verwende toerist en de alpinist hier hun hart vol bewondering voor een indrukwekkend hooggebergte zullen voelen kloppen.

Eenige uitstapjes in de Preanger, die ik van Garoet uit maakte naar de heete bronnen van den Kawa-Kamodjan, naar het meer van Bagendit, een avondwandeling over den weg naar Tjikoeray leerden mij een liefelijk berglandschap kennen, waarin de helgroene sawah's en de begroeide berghellingen afwisselden met de vulkanen, die aan alle zijden uit dat land oprezen. De morgen- en avondkoelte door de hoogere ligging (710 M.) deden, na de eeuwige warmte, heerlijk aan en verkwikten geest en lichaam als een bad. Het goede hotel van Horck met zijn gezellige paviljoentjes deed het overige om het verblijf er aangenaam te maken. Het vele volk uit de omliggende dessa's, dat 's morgens de landwegen opvroolijkte op weg naar de markt te Garoet, de menschen in kleurige dracht in troepen aan 't werk in de sawah's bij 't snijden der padi, gaf een levendig, vroolijk en vredig beeld.

Doch wat ik ook op Java en in het verdere Indië aan natuurtafereelen zag, het kon me slechts bij uitzondering brengen tot het groote geluk van het natuurgenot, dat ik zoo dikwijls in Europa had gevonden.

En nu, nu de wegen steeds gebaander zouden worden, die ik te volgen had, eindig ik mijn verhaal als zwerver, moe en verreisd, verlangend naar het vaderland.

In Europa kwam ik terug anders dan ik was gegaan, loomer, doch rijker aan ervaringen, aan bittere ervaringen soms, die harder waren geweest dan hier mochten blijken. Doch ondanks dat gevoelde ik mij dankbaar nu mijn zending was geslaagd.

Het was de klank van een vrouwenstem, die een juichlied zong bij 't wederzien in Europa, het waren de over-bekoorlijke oevers der Middellandsche Zee en der Italiaansche meren onder een serene najaarslucht, het was de kleurrijke herfstgetinte groei tegen de bergwanden van de Val Bregaglia, het waren de sneeuwtoppen van het Engadin, de cultuurschatten der steden, het waren als grootste zegen en laatste verlangen de hooge stemmen van twee kindertjes bij de aankomst in Holland, die de Indische moeheid van me af deden vallen en het geluk eener ontroering weergaven, die ik zoolang had ontbeerd.

_Naschrift_. En nu, nadat er meer dan drie jaren sedert mijn vertrek van Tobelo zijn verloopen, ligt daar ten noorden en achter die kampong reeds een groot open terrein, waarop in eindelooze rijen de jonge klapperboomen bij duizenden staan. Dag in dag uit wordt er ontgonnen en uitgebreid, geplant en verbeterd en steeds steviger en sterker is de grondslag geworden, waarop wordt voortgebouwd, om met geduld eens het doel te bereiken, dat werd gesteld.

Doch van allen, die ik eens daar heb leeren kennen, is er reeds nu niet één meer op de plaats, waar hij toentertijd stond.

Allen zijn ze gegaan, de een na den ander, niemand heeft zich gehandhaafd of zich kunnen handhaven. Er hebben daar in dat maatschappijtje stormen gewoed die zelfs de stevigststaanden omverwierpen; tot zelfs de zendelingen, die ik te Tobelo leerde kennen, zijn verdwenen.

Zoo is nu eenmaal voor den Europeaan het leven in de afgelegen deelen der Buitenbezittingen, waar de menschen nog vaak als stukgoederen worden heen en weer geworpen.

AANTEEKENINGEN

[1] Intusschen is deze Sultan, om zijn handelwijze tegenover het Gouvernement, afgezet en naar elders overgebracht.

[2] Nieuw Guinea wordt in deze streken steeds »de Papoe" genoemd.

[3] Ten slotte is ook hij teruggekeerd, ziek en verslagen naar lichaam en geest.

End of Project Gutenberg's Een jaar in de Molukken, by H. R. Roelfsema