Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917
Chapter 12
Doch laat ik niet vooruitloopen op mijn reis, maar eens afwachten wat ik bij het aandoen van die havens te vertellen heb en welke ontmoetingen ik er nog zou hebben.
Met mijn vroegeren gastheer van Ternate, die met deze boot weer een lange reis langs de noordkust van Nieuw-Guinea had gemaakt en teleurgesteld over zijn guano-concessie terugkeerde, deelde ik dien eersten nacht, terwijl wij om de noordpunt van Halmaheira voeren, de hut, die door hem reeds meer dan drie weken was gebruikt en in dien tijd in den toestand van een uitdragerswinkel was geraakt. De kooi, waarin ik slapen moest, was ingenomen door schoenen, scheer- en kapgerei, papieren, sigaren, sigaretten enz., de kapstokken hingen vol met kleeren, in de kleine ruimte op den grond stonden halfuitgepakte koffers, vuile wasch slingerde overal rond; het was er een janboel, zooals alleen een heer en dan een verindischte celibatair kan maken.
Dien eersten nacht aan boord was verre van aangenaam, en toen ook de wind zich verhief en de boot haar bekende beweging op de lange deining der hooge golven aannam, verwenschte ik zeereizen en al haar gevolgen, en voelde ik mij ziek en ellendig toen we den volgenden dag onder de beschutting van den vulkaan van Ternate in kalmer water aankwamen.
In Ternate aan wal gestapt, wandelde ik nog eens langs den strandboulevard onder de oude tamarindeboomen, door de Chineesche wijk, langs het fort met zijn lange en hooge blauwgrijze muren en zijn typische Hollandsche poort, door de Arabische kampong tot bij den kedaton van den sultan. In lange rijen, soms twee, soms drie, soms vier achter elkaar, waartusschen straten en straatjes, liggen de huisjes en de grootere gebouwen langs de zeekust aan den oostelijken voet van den dichtbegroeiden vulkaan met zijn kaal uitstekenden grauwen top, waarover zich een rookwolk kronkelt.
Nog één nacht sliep ik aan den wal en bracht den avond door in een kring van bekenden, die mij benijdden nu ik terugging naar Holland, naar het prikkelender leven der noordelijke stranden. En toch daar teruggekeerd, wacht den meesten een groote teleurstelling. Zij voelen zich daar in bekrompener enger omgeving ook niet aanstonds op hun plaats en eerst na langen tijd schikken zij zich geleidelijk weer in het leven in het vaderland, dat zij dikwijls geheel ontgroeid waren.
Na een langdurig onderhoud met den resident, met wien ik nu tot mijn spijt over den strijd met zijn civiel-gezaghebber voor het eerst een onaangename woordenwisseling had, waarbij hij werd ondersteund door zijn nieuwen gewestelijken secretaris, die niet binnen de parlementaire perken wist te blijven, nam ik voor goed afscheid van Ternate en van de achterblijvenden, die op de vertrekkende boot nog een kijkje kwamen nemen. Voor het laatst zag ik, terwijl we de Moluksche Zee instoomden, de vulkanen van Ternate en Tidore in al hun grootheid rechts en links en daartusschen het eilandje Maitara met zijn klapperboomen tot den top. We gingen de beschaving tegemoet.
Een hut alleen en deze gezellig inrichten, rustig zitten op het achterdek en turen over de blauwe Indische wateren en over het groene Indische land, over de onmetelijke rimboe, die ik voor goed achter me liet, was een genot dat vergezeld ging met de droomen over de toekomst, die voor me lag. Zoo tusschen de open zee en eilandjes en 't groote eiland doorvarend kwamen we te Batjan. Naar nadere kennismaking verlangde ik niet, ondanks het goede dat ik er gevonden had. Bij 't uitstoomen der wijde baai passeerden we dicht den oever, waar 't eenzame witte huisje, waar ik mijn administrateur had gevonden, nu onbewoond, tusschen de palmen lag. Adieu ook hier!
Namlea en Kajeli op het eiland Boeroe, waar prauwen vol flesschen kajapoetiholie, netjes verpakt in gaba-gaba kistjes, werden ingeladen.
Toen naar Ambon met zijn door zendelingen en dominee's gevleide en over 't paard getilde bevolking, die, wijl zij christelijk is, zich ver boven den gewonen inlander verheven acht en in haar vereering en liefde voor het Vorstenhuis en de Regeering, waarin zij den besten Hollander overtreft, een steunpilaar is voor ons gezag in den Oost. Een volbloed Ambonees van de hoofdplaats is een verschijning, die door zijn verkeerd geplaatst gevoel van eigenwaarde in den beginne eenigszins op de lachspieren werkt. Wanneer men des Zondags of op feestdagen deze menschen in stroomen naar de kerk ziet gaan, de vrouwen in witte kabaja's het zwarte haar glad over het hoofd van achteren in een stijven wrong, de kondé, door spelden vastgehouden, op mooie gestikte muiltjes, de tjenilla's, met naar boven gebogen punten, dan maken deze vrouwen een waardig gedeelte uit van dien stoet; alleen haar al te groote voorliefde voor zwarte kleeren, zeker wijl deze kleur deftig is zooals ook het kerkgaan onder deze menschen deftig is, behoort niet in dit heete zonneland; de mannen echter in zwarte broeken, zwarte jassen, liefst diplomaten, zwarte hoeden en schoenen, met een boordje om den hals en manchetten over de zwarte handen maken door die kleeren en door de wijze waarop zij om hun figuur hangen een allerkomieksten indruk. Men ziet het hen aan, dat zij zich in die zwarte kleeren met het witte vest, waarop liefst een dikke horlogeketting bungelt, trots gevoelen en meenen er uit te zien als een Engelschman, die naar de Derby of de Ascot gaat, terwijl in werkelijkheid die hoeden en jassen en broeken van slechten snit een staalkaart geven van lang vergeten modes.
Een Ambonees gevoelt zich een heer, die liefst zijn tijd aan grootdoen besteedt, graag goeroe is, of in 't leger dient, maar die van gewoon aanpakken niet veel weten wil. Een zwaren koffer dragen weigert hij beslist en staat raar te kijken, wanneer men zich als blanke niet geneert, na zijn weigering, dit zelf te doen.
Ambon met zijn rechte straten en nette huisjes en zijn ligging aan een diep-ingesneden baai door bergen omringd, maakt een vriendelijk en prettigen indruk en een wandeling de bergen op over veel beloopen paadjes naar Sojadiatas met een uitzicht over het plaatsje en de wijde baai en met een korte kennismaking met het achterland, dat heuvel op, heuvel af gaat met diep inliggende valleien daartusschen, is zeer aan te bevelen. Op mijn heenreis had ik er van genoten.
Nu zou een uitnoodiging van een Chinees Tjia Ke Beng om zijn klapperaanplant in oogenschouw te nemen een welkome aanleiding geven om den morgen van den dag, dien we in Ambon stillagen aan land te gaan en beweging te nemen. We gingen met zijn vieren, de Chinees, twee medepassagiers en ik, 's morgens reeds vroeg op stap. Eerst Ambon door, door de hoofdstraat met toko's en cafétjes aan weerszijden, dan langs het fort, het plaatsje uit, de kust volgend met een ruim uitzicht over de baai tot de bergen aan de overzij. Langs den weg dien we wandelden kwamen we reeds spoedig onder de klapperboomen, die landwaarts in op het heuvelachtig terrein overal te zien waren. Op den harden koraalbodem waarop somtijds maar weinig aarde en humus lag, groeiden die boomen toch, met hun wortels in de vele spleten en gaten der karang vastgehecht, welig. Het was in den aanplant gekomen een lastig terrein, hoog en laag met weinig vlakke stukken, waardoor we na eenige uren te hebben rondgeloopen en rondgekeken blij waren toen de Chinees ons bij een huis in het midden van dien aanplant bracht, waar tot onze verrassing onder een ruime pendoppe met een wonderlijk mooi en vrij uitzicht over de gansche baai van Ambon een uitstekend ontbijt klaar stond. Vriendelijker en beter gastheer dan dezen Chinees heb ik nog niet leeren kennen. Zelf nauwelijks iets gebruikende zorgde hij dat zijn gasten van alles volop uit blikken en blikjes tot zich namen, totdat de huisjongen met gefrappeerde champagne verscheen en we daar in den morgen reeds den roes van dien kostelijken koelen drank over ons lieten komen. Onder de vrijgelegen pendoppe, waar het minste zuchtje wind doorstreek, bleef het koel. Door de wellevendheid van onzen uitmuntenden gastheer, rekte dat ontbijt zich ongemerkt en ging over tot eenige uren van vroolijk samenzijn terwijl we van het zeldzame uitzicht op de Indische natuur genoten.
Toen ik dien middag voor het gewone middagslaapje mijn benauwde hut in de stilliggende boot opzocht sliep ik in alsof het voor den nacht was geweest.
's Avonds werden we aan boord getracteerd op den in Ambon veel voorkomenden mangistan, een vrucht met een dikken blauwrooden bast, waarbinnen, om de pitten, een smakelijk zuurachtig wit vruchtvleesch zit. Deze vrucht, met den geurigen mangga, wordt van het eerste oogenblik, dat men Indische vruchten leert eten, door een ieder lekker gevonden.
Van Ambon koerste de boot Zuid-Oost naar de eens zoo rijke Banda-groep, de specerij-eilanden bij uitnemendheid, die als overblijfselen van een reusachtigen, onder de zee gezonken vulkaankegel waarop weer nieuwe kegels zich vormden als een vijftal eilandjes midden in de Bandazee liggen. Vroeg in den morgen stoomden we den nauwen ingang tusschen den Goenoeng Api en Banda Neira binnen, zwenkten in het nauwe maar diepe Zonnegat tusschen die eilandjes en meerden vlak aan den oever voor het plaatsje Banda. Een uitgestorven doode plaats, waar van de vele groote huizen nog slechts een enkele was bewoond, de rest was verlaten en zag er vervuild en verwaarloosd uit; zelfs daar waar eens de rijkdom dezer eilanden zich op een uitgezochte plek had saamgetrokken, waar van een grootschen aanleg aan een wijde binnenbaai tusschen Banda Neira en Groot Banda, een heerlijk uitzicht op dit laatste eiland was te zien, zelfs daar waren de huizen verlaten en bouwvallig geworden. Toch waren van daar, ver aan den overkant tusschen het groen der notenperken, die tegen het gebergte waren aangelegd, nog witte landhuizen der perkeniers te ontdekken.
Tijdens een bezoekje aan de soos, waar we de nieuwste dagbladen vonden, kwam ik op de kegelbaan, waar de namen der kegelaars van den vorigen avond nog op het zwarte bord stonden vermeld, tot de ontdekking dat Verster zich op het eiland moest bevinden, want tusschen die namen stond de zijne met de mij bekende voorletters. Op een weerzien was ik niet gesteld, maar op dit kleine plekje grond zouden we elkaar moeilijk kunnen ontwijken en inderdaad toen we het hotel passeerden zat daar in de binnengalerij Verster in pyjama alleen, naar buiten te staren. Ik zag bij hem den reflex der emotie van het onverwachte weerzien en was me bewust, hoe hij tot 't laatste oogenblik het voorbijwandelende groepje nakeek.
Hoe zou het hem te moede zijn, nu hij, zooals ik vernam, op weg naar de Key-eilanden was, waar hij een ondergeschikt baantje bij de Paketvaart had gekregen.
Nauwelijks waren we aan boord terug en in afwachting van vertrek, of op zijn mooist uitgedost verscheen Verster op het dek in gezelschap van den controleur en wandelde mij brutaliseerend op de campagne rakelings voorbij om zich met den bestuurs-ambtenaar in mijn nabijheid neer te zetten. Hij had dezen heer schijnbaar ingelicht en was nog bezig hem in te lichten, want ik werd van het hoofd tot de voeten bekeken alsof het signalement van een misdadiger moest worden opgenomen. Prettig was de situatie niet, doch er zat voor mij niets anders op dan me dat zoo leuk mogelijk te laten welgevallen en te doen alsof ik zeer geinteresseerd was bij het boek, dat ik in mijn handen had. Elk oogenblik moest ik echter verwachten door den zeer nerveuzen Verster op minder aangename wijze te zullen worden aangesproken, doch het bleef bij een zwijgende manifestatie en toen na een pijnlijk uurtje de laatste fluit voor 't vertrok weerklonk, gingen de heeren van boord, zooals zij gekomen waren. Op den steiger zag ik hem nog staan, toen we tusschen den Goenoeng Api en Banda Neira het Zonnegat verlieten en door den nauwen uitgang het ruime sop instoomden.
Als hij geweten had hoe de gevolgen zijner booze intenties mij nog steeds niet hadden losgelaten, en er straks te Makassar nog rekenschap van me zou worden gevraagd, dan kon hij zich over het gelukken dier gevolgen zijner kwaadwilligheid vrij tevreden in de handen wrijven.
Doch nu we het land weer vaarwel hadden gezegd, waren we voor het oogenblik weer gevrijwaard voor de wereld en haar ontelbare misverstanden, want onder het kleine clubje passagiers aan boord heerschte die vriendelijke rustige stemming van menschen, die voor hun genoegen den korten tijd dat zij samen zijn willen doorbrengen. En daarbuiten om het ijlende schip sprak alles van een harmonisch wereldgebeuren; daar spoelden bedachtzaam in lange rijen de blauwe golven van de Banda Zee, waarboven nu de overlichte heete middaghemel der tropen stond. De verblindende zon zond hare stralen loodrecht op dat watervlak waar het duizelde van licht, de vliegende visschen sprongen bij scholen uit het water, de lijnrechte zoglijn gaf de eenige teekening over die vlakte tot waar lucht en water elkaar schijnbaar raakten en een onafzienbaar lange pluim van rook scheen in die kalme atmosfeer in hare afmetingen naar de eindeloosheid van zee en lucht te willen dingen.
Naar Tifoe, waar aan de Zuidkust van Boeroe een eenzame zendingspost was gevestigd, stoomden we nu en hoopten daar morgenmiddag aan te komen. Toen we den volgenden dag Boeroe in 't zicht kregen, en langs de kust voeren om eindelijk op een afstand te stoppen voor den nauwen ingang van de baai van Tifoe, bleek het, dat het met de zee, die hier op de kust stond niet geraden was onder deze omstandigheden dit gevaarlijke vaarwater binnen te varen. De kapitein liet de stoomfluit met volle kracht haar doffe doordringende stooten naar het land zenden, zoodat het van de bergen weerkaatste. Na eenigen tijd verscheen daarop een prauwtje aan den ingang der baai doch dit kon blijkbaar ondanks alle moeite die de roeiers aanwendden niet tegen den wind en de golven inkomen. Wij zagen hen worstelen en terugkeeren en telkens opnieuw een poging wagen, doch het scheen niet doenlijk. Nog een half uur bleef onze boot wachten, toen bleek het dat geen communicatie met den wal mogelijk was en post en goederen voor den zendeling en anderen bleef aan boord en ging mee naar Makasser.
Twee onafgebroken zeedagen lagen voor ons, alvorens we die haven zouden bereiken. De eilanden Wangi-Wangi, Boeton en de Saleier kwamen in die dagen als schemerachtige landen in de verte het eentonige gezicht op den waterplas verbreken. De dagen aan boord gingen heen met lezen en schaken en domineeren en met een wandeling over het dek der gansche boot, die, nu terugkeerend, slechts weinig passagiers der derde en vierde klasse aldaar herbergde. Maar die weinige, die aan boord waren, hadden allen hun papagaaien en kakatoe's uit de Papoe meegenomen, zoodat het er een geslinger en gekrijsch was van belang. Den tweeden dag kwam de kust van Celebes aan stuurboord boven den horizont en de vele booten, die we passeerden en die we in de verte zagen, gaven te kennen, dat we in een drukker vaarwater waren gekomen en een belangrijke haven naderden. Tenslotte verrieden in den vroegen morgen van den volgenden dag bakens en oorlogsschepen en paketvaartbooten, die voor anker lagen, dat Makasser, de groote doorvoerhaven der Molukken, was bereikt. Nauwelijks was de boot binnen of een vriend uit mijn jongensjaren van mijn komst verwittigd, stapte me tegemoet en noodigde me voor de dagen, die ik hier verblijven zou te gast.
In zijn auto ging het langs de ruime pleinen, waaromheen de woningen der Europeanen stonden tot we op het erf van zijn geriefelijke woning uitstapten. Eindelijk voelde ik me meer thuis en veiliger dan ooit, onder menschen die ik langer en beter kende dan allen, die ik tot nu in Indië had ontmoet. De indruk in de beschaafde wereld terug te komen was hier, waar, door het Indische droomleven, de polsslag klopte van een zich snel ontwikkelde havenstad, zeer sterk.
Dien avond aan een gezellig souper, waar gastheer en gastvrouw nog meerdere gasten samenbrachten, ontbrak een der genoodigden en wel hij die als ambtenaar, met de post door dezelfde boot aangebracht, welke ook mij tot Makasser had vervoerd, een schrijven van den civiel-gezaghebber van Tobelo had ontvangen, waarin deze een klacht tegen mij had ingediend. Om praatjes te vermijden meende deze ambtenaar alvorens mij te hebben gehoord, elke particuliere samenkomst met den aangeklaagde te moeten vermijden. Reeds spoedig vernam ik ook dat een der advocaten te Makasser door den civiel-gezaghebber verzocht was hem in deze zaak in rechten bij te staan. Er werden dien avond onder vroolijk gelach talrijke glossen over het gedwongen bezoek aan het parket gemaakt en mijn hupsche gastvrouw beloofde mij den volgenden morgen te zullen vergezellen om met vrouwelijke welbespraaktheid een goed woordje voor me te doen.
Onder den behagelijken invloed van teruggevonden comfort werd nog lang onder den blooten hemel op het erf, terwijl de zwoele Indische nacht om ons henen lag en het onophoudelijk gesjirp en gezang der insectenwereld zich overal uit het geboomte deed hooren, genoten van de stemming der nachtelijke uren.
Den volgenden morgen meldde ik mij aan het parket om een eind te maken aan de vervolging van den ambtenaar te Tobelo. Ik was, om eerlijk te zijn, toen ik daar binnentrad in een zeer kwaadaardig humeur over de wijze, waarop men ook hier naar ik meende, een zaak van weinig beteekenis opvatte. Na een korte uiteenzetting der feiten, waarbij ik door mijn geprikkelde stemming niet altijd even vriendelijk bleef, nam de advocaat van mijn tegenpartij, die ook bij dit onderhoud aanwezig was, tot mijn groote voldoening terstond genoegen met de mondelinge verzekering, die ik den civiel-gezaghebber reeds lang schriftelijk had gegeven, terwijl de betrokken ambtenaar geen aanleiding vond tot een verder onderzoek over te gaan. Zoo wist ik den betrekkelijk rechtloozen Staat verlaten te hebben, die daar achter Makasser lag en was binnen een half uur bevrijd van een vervolging, die daarginds reeds maanden had geduurd.
Toen ik nu in vriendschappelijk gesprek met den advocaat dankbaar en gelukkig door de teruggevonden redelijkheid het parket verliet, vertelde deze mij, dat Verster zich indertijd na zijn terugkomst uit Ternate om rechtskundige hulp tot hem had gewend, doch dat hij na door hem ingelicht te zijn en de bedoeling begrepen te hebben, voor de eer daarvan had bedankt.
Reeds op mijn heenreis had ik te Makasser geprofiteerd van de gelegenheid, die hier geboden werd om met een auto een tochtje het binnenland in te maken over Maros naar den waterval van Bantimoeroe, waar het gebergte van het binnenland begint en waar steil het conglomeraat gesteente uit de vlakte rijst. Daar bij dien waterval, bij een pasangrahan had ik voor het eerst een weldadige ontroering voor de natuur van dit land ondervonden. De steile muur van begroeide rotsen waarvan het water neerstortte was als een machtigen onbeklimbaren bergwand geweest, en, daar boven dien val waar het riviertje kalm door het hooger gelegen woud gleed en waar talrijke kleurige groote vlinders over het water zweefden, was voor het eerst iets geweest, dat mij met het Indische landschap met zijn zware groen en te overmachtige natuur had verzoend.
Geen heerlijker vervoermiddel door dit land en in dit klimaat dan de snelle auto. Haar snelheid wekt op en doet het eentonige van het landschap niet zoo sterk gevoelen, terwijl zij een verkoelenden luchtstroom brengt in de warme stille atmosfeer.
Naast mijn gastheer deed ik nu een toertje in den donkeren avondstond over de goede wegen achter Makasser, langs bosschen en velden, door kampongs en langs eenzame huisjes, waar de inlanders bij lichtjes zaten. Het voortsnellende schijnsel der hel-brandende lantaarns in het duister vooruit over den weg en tegen de boomen en het bladerendak daarboven, het gesnor en gebrom van den motor, het getoeter bijwijlen, wanneer er menschen in den lichtbundel waren te zien, verbrak op de meest schreeuwende wijze 't geheimzinnige van den donkeren Indischen nacht en gaf een gewaarwording of we brutale heiligschenners waren, die het ontzag voor de demonische macht der aloude geesten trotseerden.
Toen ik den volgenden dag naar de haven wandelde, waar de beschikbare kaderuimte geheel door lossende en ladende schepen werd ingenomen terwijl daar buiten op de reede nog de paketboot, die me tot hier had gebracht, wachtende was op een plaatsje om ook tot lossen en laden over te kunnen gaan, begreep ik hier nog ettelijke dagen te kunnen blijven. Echter een kleine paketboot, die een wekelijkschen en directen dienst met Soerabaja onderhield zou morgen vertrekken en zoo besloot ik daarmede naar Java over te steken en zeide Makasser en haar ruime pleinen, haar drukke handelswijk, waar statige kantoorgebouwen verrezen, haar bedrijvige haven, die door haar gunstige ligging een groote toekomst tegemoet ging, vaarwel. Weer hoorde ik de golven ruischen om het schip dat met den sterken bries mee, klein als het was danste op de lange deining van de rumoerige Java Zee. Het was propvol aan boord en benauwd in het smalle warme eetsalon, waarvan aan beide zijde de kleine hutten der passagiers waren. Men at, die benauwenis ontvluchtend, aan dek waar het slingerende schip in zijn hevigste slingeringen de borden en de glazen van de tafel deed glijden tot groote consternatie van de slap neerliggende zeezieke menschen. 'k Gevoelde me als een held nu ik na al dat zeevaren bemerkte onverschillig te zijn geworden voor die gevreesde ziekte en aan de goede tafel mee-at met hen, die ik vroeger, als lijder onder die omstandigheden, altijd in stilte had benijd. Nu werkten die hooge zeeën, die het galopeerend schip in zijn snelle vaart voor wind en golven naijlden als een vreugdevolle opwekking, als een ontspanning, om in het nietsdoen op het volle dek uren naar te zitten kijken.
Elke naijlende zware zee, waaraan we ontsnapten bracht dichter bij het doel, bij Java eerst en dan... Europa! O, hoe nam het verlangen toe, nu het zoo snel voorwaarts ging, terug naar het mooiste deel der wereld, waar wij Hollanders van nature, van geboorte en van aanleg hooren. Italië, Zwitserland, Duitschland, mijn vaderland! Spoedig zou ik terugzien de landen, waarvan ik zoo innig hield, van welk weerzien men in den Indischen angst altijd als van een lenteontwaken droomt. Dan zou ik van me af kunnen schudden de Indische sfeer van matheid en loomheid en illusieloos leven die me te pakken kreeg en weer wakker kunnen worden voor het hoogere, het betere, van Europa's leven en natuur, 'k Zou van Indië weer langzaam kunnen herstellen, van dat land welks rijk bezit we betalen met zoo veel ziele- en geesteslijden van duizenden onzer.
Zeker, 't is onze eigen schuld, een schuld die we vrijwillig betalen, niet de schuld van het land, dat voor de geaardheid van den Inlander en niet voor de onze is, welke niet kan zonder de tinteling van kou en de prikkeling van afwisselend leven. Wel is de Inlander behept met al onze gebreken en deugden, welke hij dan ook zeer spoedig bij ons herkent en te onderscheiden weet, zooals de leerling zijn meester voor de klas in korten tijd doorschouwt, doch hij is weer niet als wij, in zooverre hij nog kinderlijker en droomiger is en met een veel geringere mate van energie, vooral van geestelijke energie, is toegerust. Ja, zelfs de Alfoer, de nog half wilde, staat veel minder ver van ons af dan veel Europeanen in hun waanwijsheid wel willen aannemen, ook hij doorziet ons in een oogenblik, met den kijk der aangeboren slimheid van het natuurvolk. De Minahasser is zelfs, althans wat zijn uiterlijk aangaat, meer Hollander dan menige Indo, en de Javaan?.... ik leerde er weinigen kennen, doch wanneer men de brieven van Kartini leest, wordt het ons duidelijk dat de volbloed Javaansche, die zelfs nooit van haar eiland kwam, kan voelen en denken als het ontwikkeldste edelste Hollandsche meisje. Hare uitingen zijn als zoovele openbaringen over het eenmaal mogelijke geestes- en zieleleven van haar volk.