Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917

Chapter 11

Chapter 113,962 wordsPublic domain

De groote gouvernementsstoomer was naar Menado vertrokken, om meerdere assistentie te halen en zou, teruggekeerd over Batjan, de passagiers van het vastgeraakte schip meenemen. Eenige dagen verliepen zonder dat er iets vernomen werd; toen verscheen tegen den avond de gouvernementsstoomer, de Zwaluw, weer op de reede, krioelend van passagiers van het veel grootere schip, die allen op dien stoomer waren overgegaan. Onder hen waren ook de enkele eerste klasse passagiers, waaronder mijn administrateur met zijn huisgezin. De verhalen van het ongeval waren zeer eensluidend. Het schip had in den vroegen morgen Batjan verlaten en was onder bevel van zijn gezagvoerder een route gevolgd, die alleen door dezen kapitein werd genomen en wel door de zeestraten tusschen Halmaheira en de daarvoor liggende eilanden, terwijl de andere kapiteins steeds buiten de eilanden om de open zee namen.

Het was ongeveer dezelfde route geweest, die de Adrienne had gevolgd en die wel voor kleine, doch niet voor groote schepen aangewezen was. Bij een bocht tusschen de eilanden, die door dezen gezagvoerder reeds herhaaldelijk was genomen, was het schip zonder schokken op een rif geschoven en zat daar nu zoo vast, dat het waarschijnlijk geheel ontladen moest worden, om dan bij hoog water met behulp van eenige andere schepen te worden vlot gemaakt.

Voor allen die aan boord waren was het een schrik geweest te bemerken, dat het schip eensklaps stil en scheef was gaan liggen. Het administrateursvrouwtje had een oogenblik het ergste gevreesd en vertelde nu nog opgewonden welk een angst zij met haar kind had doorgemaakt. De dagen aan boord van het scheef- en stilliggende schip waren daarop in een steeds toenemende verveling gesleten, totdat tenslotte de Zwaluw uitkomst had gebracht door hen allen over te nemen. Doch wegens de vele passagiers aan boord hadden zij slechts verlof kunnen krijgen de allernoodzakelijkste bagage mee te nemen, zoodat het huisgezin nu te Ternate, van het noodigste verstoken, zat.

Dagen verliepen, waarin ik met mijn administrateur toch eenig werk in besprekingen en allerlei regelingen had gevonden, en steeds kwamen van de boot betere berichten binnen. Eerst, dat zij met vereende krachten van twee assisteerende schepen vlot was geraakt; toen, dat zij waarschijnlijk weinig averij had bekomen en dat men bezig was de lading stukgoederen, die op de naburige eilanden was gelost weer in te laden. Tenslotte kwam ook de boot zelve, en nu kon binnen een dag de reis naar Tobelo worden voortgezet.

Het was in den morgen van den 4den Augustus, nadat we 's nachts de noordpunt van Halmaheira waren omgestoomd, dat ik den administrateur van het dek der boot op een zware rookpluim wees, die, een eind landwaarts in van de Oostkust van Halmaheira, zich statig in het luchtruim verhief. Daar moest het terrein der jonge onderneming liggen, waar men nu in den drogen tijd met het branden der boomstammen en houtresten van het reeds omgehakte gedeelte van het oerwoud bezig was. De schoorsteen rookte dus nog; een goed voorteeken.

De boot naderde de kust en de reede. Men had haar van het strand reeds ontdekt, zooals bleek uit prauwtjes en prauwen, die vlot werden gemaakt om de langverwachte, die zooveel over haar tijd was, te ontvangen. Welk een spanning moest er nu steeds meer op al die plaatsen van Ternate af langs de kust van Halmaheira en Nieuw-Guinea tot het uiterste station aan de Humboldtbaai zijn ontstaan door het wekenlange uitblijven dezer boot, waarvan men de reden niet gissen kon en, wegens het ontbreken van elk ander verkeersmiddel, ook van telegraaf en telefoon, niets gewaar kon worden. Alleen reeds doordat de aanvoer van rijst, waarop men met den voorraad rekende, uitbleef, moest hier en daar reeds ernstige zorg zijn ontstaan, terwijl zij die familieleden wachtten in de grootste ongerustheid moesten verkeeren.

De administrateur en zijn vrouw keken met spanning naar de dichtbegroeide kust, die aan onze blikken voorbijgleed, doch waaraan voor een nadere kennismaking met hun toekomstige verblijfplaats nog niets bijzonders te bespeuren viel.

Als altijd gaf de landing hier een drukte van belang. Menschen en goederen moesten in prauwen en sloepen en motorbooten aan land worden gebracht, terwijl de boot buiten de koraalriffen eenige kilometers uit de kust bleef liggen. Aan land was het de oudste zendeling met zijn vrouw, die ik het eerst ontmoette en die als altijd bereid waren hulp te verleenen, en ons, die daar aan den wal werden gezet, terwijl niemand voor onze ontvangst toebereidselen had kunnen maken, aan de middagtafel noodigden. Dat was een uitkomst, want zooals ik daar een oogenblik te voren het jonge vrouwtje met een wanhopig gezicht tusschen bagage en rommel voor een vervallen goedang en tusschen inlanders van allerlei rassen, met haar kind op den arm in de felle zon had zien staan, vreesde ik voor een eersten slechten indruk, dien zij daar moest ontvangen. Doch zij kende Indië en in 't bijzonder de toestanden der buitenposten reeds voldoende, om weer spoedig op haar verhaal te komen en dien indruk onder de koele galerij van het huis van den zendeling te vergeten.

Dien middag wandelden we, de kinderwagen door de baboe geschoven voorop, den rechten weg af naar het emplacement. Hoe groot leek daar reeds het terrein tijdens mijn afwezigheid in het oerwoud opengelegd en hoe prachtig waren die duizenden bibits op de kweekbedden aan weerszijden van het emplacement opgekomen.

Eindelijk had ik hier dan den man gebracht, onder wiens leiding de zaak tot bloei zou kunnen komen, en op wien ik meende tenslotte in alle opzichten te kunnen vertrouwen. Zijn belangstelling en zijn plannen getuigden van de grootste ambitie, zijn vooruitzichten zouden geheel met de ontwikkeling hier samenvallen, zijn toekomst zou geheel van het welslagen hier afhangen.

Het huis met de bijgebouwen en den grooten kippenloop te midden van de ontginning in de ruimte gelegen, stond hem wel aan. De eerste dagen van het nieuwe leven daar liet zich goed aanzien, en toen ik 's avonds alleen huiswaarts keerde, naar het huis van den oudsten zendeling, wiens gast ik nu was, was er een groote tevredenheid en rust over me gekomen; want het was zeker dat het doel mijner groote reis was bereikt, nu aan alle factoren om te kunnen slagen was voldaan. Daarmede begon tevens mijn taak hier af te loopen.

HOOFDSTUK VII.

EEN TAAK DIE AFLOOPT.

Opwekkend was het met mijn nieuwen man, die zooveel belangstelling toonde en zijn eigen inzichten had en opmerkingen maakte, het terrein met de ontginningen, de kweekbedden en de onontgonnen wouden af te loopen en plannen te maken voor het werk in de toekomst.

Waar gehakt en gebrand was, was het een chaos van stammen en kruinen en stronken en stapels verbrand hout, waardoor het verdergaan daar zeer werd bemoeilijkt, doch we klommen en klauterden er over en wrongen ons er door, waar het noodig was. We liepen in het nog ongerepte woud alle eindeloos lijkende rintissen af, die door de koelies, onder leiding van mandoers met behulp van de equerre, met den parang lijnrecht naar alle zijden van het terrein waren geslagen. Soms geleken die rintissen, daar waar het onderhout dicht opeen en waar de onontwarbare glagah stond, op lage tunnels, waar men in gebogen houding moest trachten door te komen. Soms, tusschen de bamboe, was het onder onze voeten een geknap en gekraak van belang en steeds moest daar op de lange bamboekokers, die na elken doortocht opnieuw den weg versperden, de parang weer worden gebruikt.

Springend van steen op steen, volgden we de kali in haar ganschen kronkelenden loop over het terrein. Daarbij werden we getroffen door de natuur van het woud, zooals zich het van den bedding dier kali aan onze blikken voordeed. Aan de beide oevers, die soms laag, soms een vijftal meters hoog waren, daar waar het riviertje zich een diepen weg door den bodem had uitgeschuurd, rezen de reuzenstammen met hun bladerendos omhoog. Elke bocht bracht een nieuwen kijk op dien dichten groei van allerlei hout, waarvan de bebladerde takken soms tot het midden van de kali reikten, zoodat een natuurlijke schaduwrijke berceau ontstond. En waar zij breeder was geworden, weken die takken terug en we zagen de strakke blauwe lucht boven ons en de zon door het groen schijnen op de ronde lichtgrijze steenen, waarover we onzen weg vervolgden.

Een enkele Tobelorees, ook vrouwen, die de bedding dezer kali als een natuurlijken weg door het bosch gebruikten, ontmoetten we hier. Een dezer Tobeloreezen, van honden vergezeld, was op wilde varkens op de jacht geweest en knielde nu bij zijn buit neer, die door honden opgejaagd en achtervolgd in de speer van den listigen jager was gerend.

Zoo de geheele concessie doorkruisend, kreeg de nieuwe meester hier in korten tijd een overzicht der terreinverhoudingen en leerde het werk kennen, dat voor hem lag.--Nieuwe heeren, nieuwe wetten--en zoo stelde hij spoedig allerlei veranderingen en regelingen voor, die ik hem gaarne zag invoeren.

"We kunnen wel zien, dat u een administrateur hebt", zeide op een morgen de zendeling tot mij, toen hij mij met een boek onder de galerij van zijn huis vond zitten.

"Och ja, hij moet het nu weten en wil het ook weten, en dat is maar goed ook. Ik laat hem nu zoo veel mogelijk alleen scharrelen"--was mijn antwoord. Inderdaad liet ik hem steeds meer zijn gang gaan, zag toe en hielp waar hulp gewenscht was; doch na eenigen tijd had hij, zooals noodig was, alle draden in handen en daarmede liep mijn verblijf op Halmaheira ten einde.

Gedurende den tijd, welken ik nog op Tobelo vertoefde, logeerde bij den jongsten zendeling de zendeling van Morotai met zijn huisgezin, vrouw en vier kleine jongens van 1/2 tot 6 jaar oud. Zij hadden zich op een goeden dag op een stoombootje, dat toevallig de door hen bewoonde kampong had aangedaan, ingescheept, om uit een benarden toestand van ziekte en teleurstelling te geraken en hulp in meer bewoonde en bewoonbaarder oorden te zoeken.

Deze menschen hadden zoo afgelegen van alle beschaving en verkeer geleefd, dat de kinderen de eenvoudigste zaken nog dikwijls niet kenden. Zoo zagen de beide oudsten den eersten dag van hun komst de ossenkar vol verbazing voorbijrijden en juichten en riepen, dat zij nog nooit zulke groote bokken hadden gezien, terwijl ook de kar het eerste voertuig was dat zij onder de oogen kregen, en een fiets voor hen een wonderding was uit een onbekende wereld.

In de kleine samenleving, waarin we daar verkeerden, ontmoette ik dezen zendeling en zijn familie herhaaldelijk. Dan kwam steeds de vraag in mij op, hoe men iemand als hem, tot hulp en steun en tot bekeering van anderen naar zulk een uithoek van de wereld had kunnen zenden. Deze man, in een achterhoek van Holland geboren, was na zijn opleiding voor zendeling te hebben genoten, met zijn vrouw naar de Oostkust van Morotai vertrokken, om er het evangelie te prediken. Door zijn leven in eenzame streken was hij een zwijgend en gedrukt mensch geworden, die weinig of geen menschenkennis bezat en zeker allerminst geschikt was om in afgelegen streken het evangelie te brengen en den stoot tot een nieuw en opgewekt leven te geven.

Wat dien man bewogen had zulk een taak op zich te nemen, had wel zijn oorzaak in een verkeerd begrepen steunen op de hulp van God. In het gevoel van dien steun had hij zich geworpen in een leven dat hij niet beheerschen kon en waarbij hij vastraakte. Nu moest God helpen, nu werd in den angst naar uitredding en zelfbehoud God om alles gevraagd, om alles gebeden.

Deze man, die als een stug boertje op de hei zijn bestaan had moeten vinden, had hier niets anders bereikt, dan dat hij en zijn vrouw lichamelijk en geestelijk gebroken waren, vier kinderen hadden gekregen, terwijl geen blijvend resultaat van eenig belang door zijn werken als zendeling was bereikt.

Zijn vrouw wilde nu met hem en het verdere gezin, op advies van den dokter te Ternate, daar hij ook aan malaria leed, naar Holland terug. Zeker zou dit het verstandigst zijn geweest, doch schuw voor de wereld, bleef hij weigeren. Koppig is die man blijven weigeren en het einde was, dat man en vrouw uiteengingen, hij naar Morotai terug, naar Boesoe-Boesoe op de Oostkust, waar nooit een blanke kwam, waar harde winden vaak alle verkeer over zee onmogelijk maakten, en zij met haar vier kinderen naar Holland. Daar zit nu de man alleen, in vrijwillige ballingschap. [3]

Nog in die laatste weken zou mijn verblijf vergald worden door den civiel-gezaghebber, die van den eersten dag mijner komst alhier tot nu, langs allerlei wegen en door allerlei middelen, getracht had mij de aanmatiging van zijn veel te groot machtsbegrip te doen gevoelen. Het was reeds in het eerste uur van mijn komst te Tobelo begonnen. Steeds had hij sinds dien tijd tegenover mij, zooals ook tegenover de zendelingen en de bevolking, zijn lastige natuur bot gevierd. Hulpvaardigheid en opgedrongen diensten, waardoor hij de menschen aan zich trachtte te verplichten, afwisselend met willekeurige domme maatregelen en ingrijpende veranderingen, waarvoor ieder buigen moest en waardoor de goedaardige bevolking dikwijls te lijden had, speelde hij met de bewoners zijner afdeeling als de kat met de muis. Even liet hij hen in 't geloof braaf en goed voor hen te zullen zijn en hun vrijheden en rechten te eerbiedigen, om hen later te kwellen en te onderdrukken, al naar zijn luim het hem ingaf.

Zijn entrée te Tobelo had zich indertijd gekenmerkt door een speech tot de verzamelde bevolking, waarbij hij waarschijnlijk Multatuli's bekende toespraak tot voorbeeld had gehad. Twee dagen later was hij aan zijn stoel gebonden geweest, daar hij op diezelfde bevolking zijn knie uit het lid had geschopt.

Mijn samenleven met hem te Tobelo eindigde met een onverkwikkelijke correspondentie en met een dwaze aanklacht zijnerzijds bij den resident en de rechtbank te Makasser.

De officier van justitie had op gevraagd advies van den resident naar aanleiding van de op mijn verzoek inbeslaggenomen gelden, de zaak niet voldoende kennende, ambtshalve moeten adviseeren deze gelden voorloopig niet weer af te geven. Echter dit geld was intusschen weer in mijn bezit gekomen en nu wenschte ik dit, om een proces te vermijden niet weer aan hem af te geven. Hij echter eischte òf het bedrag in geld terug òf een cheque ter waarde van dat bedrag. Gaarne wilde ik hem en had hem reeds een schriftelijke verklaring gegeven, waarbij ik mij aansprakelijk stelde voor alle schade, welke hij door de teruggave van dit geld ooit zou kunnen lijden. Van deze regeling, waarbij in gemoede een einde kwam aan een anders zeker sleepend wordende zaak, wilde hij echter niets weten. Hij wilde en zou het geld nu eenmaal terug hebben en zou dit op de meest krachtdadige wijze trachten door te zetten.

De eene brief na den anderen volgde en steeds in boozeren toon, totdat hij mij schreef bij den resident en de rechtbank te Makassar een aanklacht wegens misbruik van vertrouwen te zullen doen, waardoor ik volgens hem met den strafrechter zou kennismaken.

Daar was nu wel om te lachen en dit gebeurde ook, maar toch voorzag ik op mijn terugreis naar Holland te Ternate en te Makasser bij de door hem ingelichte ambtenaren een lange uiteenzetting van een onverkwikkelijke zaak. Door hem en met behulp van zijn vrouw werden althans reeds ellenlange brieven en stukken voor deze ambtenaren in gereedheid gebracht. Met zijn Indische inzichten scheen hem mijn houding in deze zaak een misdaad, en bleek hij de hoop te koesteren, dat ik, zoo al niet te Ternate dan toch zeker te Makasser in hechtenis genomen zou worden. Had de vrees voor zijn meerderen hem niet weerhouden dan zeker zou hij mij reeds te Tobelo door een paar pradjoerits achter slot en grendel hebben gezet.

Kwam ik hem nu in de kampong of elders tegen dan keek de machtige ernstig voor zich, zijn vrouw draaide me, wanneer ik haar beleefdheidshalve groette den rug toe en ik zelf kon niet helpen dat er een spotlachje op mijn gezicht kwam over de ongemoedelijke beleedigde Indische majesteit. En nu had ik die majesteit nog wel altijd in mijn brieven in de volledigste titulatuur en met de mooiste phrasen aangesproken; iets waarop een Indisch opgevoed mensch verbazend gesteld is en waaraan men alleen reeds al zijn wel en wee tegenover hem te danken kan hebben.

Intusschen naderde de dag van mijn vertrek. Op de onderneming was nu onder de nieuwe leiding, die met lust en ijver was opgevat, het werk in vollen gang. Er werd gehakt en gebrand en geplant; het huis werd steeds bewoonbaarder gemaakt, terwijl de plannen voor een groot nieuw administrateursgebouw klaar lagen.

Zoo, terwijl ik bij een der kweekbedden stond en zag hoe rij aan rij van nieuw aangekomen zaadnoten door het werkvolk werden uitgelegd, hoe dichtbij en in de verte de boomen krakend en knappend vielen en hoe aan alle zijden de rook van het brandende hout over de opengelegde terreinen trok, klonk eensklaps luid en schel de fluit van de binnenkomende boot, die me naar Java terug zou brengen.

Het zwerven was ik moe, en Indië en zijn ellende ook, alleen niet dit werk, dat ik nu goddank in vertrouwde handen achterliet. Het werkvolk zag me gaan; den opzichter en de mandoers drukte ik de hand. Voor het laatst liep ik den rechten weg door het open veld naar de kampong en vond in het huis van mijn gastheer de koffers door den jongen gepakt en klaar gezet, om door de ossekar naar de aanlegplaats te worden gebracht.

Daar lag op de reede de boot, waarop ook de zendelingen en de administrateur zich begaven, om een laatste afscheid te nemen. Ook keek nog eenige malen de civiel-gezaghebber, die zich met zijn vrouw aan boord had begeven, mij gewichtig-somber voorbij en beet zich van spijt op de lippen, dat hij den vogel niet hier reeds in zijn netten kon vangen. Nog eenmaal keerden zij met staatsie den vertrekkende den rug toe, en nog eenmaal moest ik een spotlachje onderdrukken over het abnormale machtsbegrip en het gebrek aan gemoedelijkheid bij deze menschen met hun zonderling "point d'honneur".

Toen het donker werd gingen de zendelingen en de administrateur van boord. Wuivende met zakdoeken en hoeden, terwijl ze in de motorboot stonden van het schip, die hen naar land terugbracht, verdwenen zij uit het gezicht. Daarmede was de verbinding voor langen tijd afgesneden. Eerst na maanden en in Holland teruggekeerd zou ik opnieuw weer iets van hen kunnen vernemen.

Er was een episode in mijn leven afgesloten, waarop ik met tevredenheid terugzag en waarvan eens de vruchten in de toekomst te plukken zouden zijn.

Voor mij lag de lange reis over Ternate, Ambon, Banda en Makassar naar Soerabaja; vandaar met den trein over Java, met een bezoek aan de Preanger, om te Batavia scheep te gaan naar Genua, alwaar ik mijn vrouw hoopte terug te zien. Dan zou een reis langs de Italiaansche meren en door het Zwitsersche bergland de belooning wezen voor een tijd van veel ontberen.

Europa met zijn rijke cultuur en zijn wonderen lokte; daar zou de afgestompte geest zich weer kunnen verfrisschen aan al datgene, wat men in dit verre land ontbeert en wat ons tenslotte hunkeren doet naar beschaving en cultuur.

Nog lag Tobelo daar verborgen onder het zware groen, doch in den geest was ik reeds met zevenmijlslaarzen vooruit gesneld, nu geen zorgen en moeiten zijn vlucht meer remden.

Een lange zeereis lag voor me met al haar genoegens en lasten.

Reeds stonden de sterren eenige uren aan den hemel, toen de boot het anker lichtte en door het gevaarlijke vaarwater van klippen en eilandjes in het duister langzaam haar weg zocht naar de open zee.

Vaarwel Tobelo! Eens hoop ik terug te keeren om de vruchten te zien van het werk hier verricht.

HOOFDSTUK VIII.

TERUG NAAR HUIS.

Wie, die lange bootreizen heeft ondernomen, heeft niet ondervonden dat het gemakkelijke luie leventje van passagier in 't geheel niet strookt met de eischen onzer bedrijvige menschelijke natuur. De eerste dagen en vooral wanneer men uit een drukken werkkring komt en behoefte heeft aan rust en ontspanning werkt het passagiersleventje bij mooi weer weldadig kalmeerend. Men leeft dan aan boord van een modernen stoomer in een roes van bedaarde feestvreugde, van 's morgens dat men op dek verschijnt tot 's avonds dat men zijn hut opzoekt.

De goede bediening, het overvloedige eten, steeds stipt op tijd, het gezelschap van medereizigers, het zekere weten dat men van buitenaf niet gestoord zal worden en dat elke nieuwe dag aan boord slechts daar is om voor zijn genoegen te leven, brengt den eersten tijd de ontspanning, welke tot die feestelijke stemming leidt. Doch na eenige dagen kan reeds bij velen een bedenkelijke inzinking dier opgewektheid waargenomen worden. De behoefte aan bezigheid doet zich gevoelen, het onafscheidelijk gezelschap begint na de eerste week te vermoeien en te vervelen, de belangstelling voor de meegebrachte boeken is tot het nulpunt gedaald, en reikhalzend gaat men uitzien naar het einde der reis. De zekerheid echter, dat men nog eenige weken op dezelfde wijze zal moeten blijven leven, doet iedereen zich in zijn lot schikken en de gelatenheid is op aller gezicht te lezen en in aller wezen te herkennen, en nog slechts somtijds breekt hier en daar de ware vreugde door. Velen liggen urenlang op een dekstoel in een doffe lethargie, anderen leunen in gezelschap in een slepend gesprek urenlang tegen de reeling en turen over de zee, of ijsberen twee aan twee als dagelijksche gezondheidskuur op het dek heen en weer. Men speelt kaart en domino, wat men thuis misschien nooit deed, drinkt meer dan zijn gewoonte is en is vatbaar voor grappen en grapjes, waaraan men op 't land niet denken zou. De dag moet doorgebracht, hoe ook.

Aan boord van de paketvaartbooten, die steeds weer voeling krijgen met het land, die onderweg passagiers afzetten en nieuwe opnemen, komt de stemming niet tot die uitersten van vreugde en verveling. Men gevoelt zich niet zoo slachtoffer van het onvermijdelijke, daar men in alle plaatsen die men aandoet, telkens van boord kan om zich eens vrij te bewegen; men wordt niet een wekenlang afgesloten gezelschap, waar nooit een nieuw gezicht tusschen te verwachten is.

De eerste drie weken mijner reis tot Batavia beloofden dan ook, met het bezoek aan de Preanger, niet zonder opwekkende afwisseling te zijn, altijd voor zoover Indië zulk een afwisseling kan geven.

Van Ternate over Ambon en Makasser naar Soerabaja gaande, moge er in de opeenvolging dier plaatsen in grootte en fraaiheid van aanleg een sterke climax te vinden zijn, de witte huizen onder het zware geboomte mogen steeds grooter en comfortabeler worden; de sociëteiten mogen wat inrichting betreft of als bouwwerk, van een ongezellig wit gebouwtje met keukenvloertegels en eenige wrakke tafels met wat wrakke schommelstoelen tot een monumentaal gebouw met moderne inrichting wisselen, de hotels mogen op dezelfde pijlsnelle manier van oud-Indisch tot modern-geriefelijk naar boven schieten, een waarachtig interesse, iets wat ons oog treft als een werk van kunst, levert die reis ons niet op.

Eer treft ons, verwende Europeanen, het oude Indië het meest, zooals we dat nog onvervalscht op Ambon en Ternate vinden, waar we door den primitieven bouw der huizen, die met witte muurtjes zijn omgeven en door de ouderwetsche forten met hooge bastions en diepe grachten aan den ouden tijd der Compagnie herinnerd worden. Eer worden we op Banda getroffen, waar de herinnering aan den rijken tijd der perkeniers, de eigenaars der eertijds schatten opbrengende notemuskaattuinen, uit de talrijke groote, geheel verlaten en bouwvallig geworden huizen ons tegemoet treedt. Eer treffen ons die telkens weer opdoemende talrijke eilanden met hun eindelooze dichtbegroeide groene kusten, eer staan we verstomd over al hetgeen in deze dun bevolkte eilanden nog door menschenhand eens tot stand kan worden gebracht en droomen we, als echte westerlingen, van een florissante, maar nog verre toekomst dier vruchtbare streken.