Een jaar in de Molukken De Aarde en haar Volken, 1917
Chapter 10
Het was eenige dagen later, dat ik aan boord van de Nora, welk scheepje tijdelijk hier lag, in gezelschap van den civiel-gezaghebber, die een inspectiereis naar de naburige eilanden ging doen, opnieuw op weg was naar het paar aan 't einde van de baai. Met den chef van den assistent was het tijdstip bepaald, waarop deze laatste zijn ontslag uit zijn oude betrekking zou kunnen krijgen. Met de noodige papieren bij mij trok ik er nu weer op af.
Toen de Nora de landpunt naderde, verscheen tusschen de ranke klapperstammen weer dezelfde gestalte van eenige dagen geleden. Hij had zeker met verlangen mijn komst tegemoet gezien en zou in ongeduldige afwachting moeten zijn over den loop der dingen. De Nora stopte. Na afscheid te hebben genomen, ging ik van boord en liet me naar den wal roeien, en na eenig wenken en wuiven verdween het witte scheepje over de donkerblauwe golven om den hoek, op zijn inspectietocht naar verdere eilanden.
Met den assistent wandelde ik naar zijn huis en daar zaten we weer onder het galerijtje en sloten de overeenkomst af. Hij zou met de eerstvolgende boot, die binnen twee weken verwacht werd, naar Tobelo komen, om daar de administratie der onderneming op zich te nemen. Het was voor den jongen man een promotie, die in een streek als deze alleen nog mogelijk was. Met mijn nieuwen jongen administrateur, die al zijn verwachtingen nog op de toekomst bouwde, was ik zeer ingenomen, en hoogst gelukkig was ik gestemd, nu ik inzag van de toekomst alles goeds te mogen verwachten.
Op uitnoodiging van de vrouw des huizes zou ik dien middag daar blijven rijsttafelen. Daarvoor had zij getracht van Batjan het een en ander te laten komen, doch bij mijn komst was nog niets gearriveerd en zoo overkwam daar een gastvrouw het ergste wat haar overkomen kon, een genooden gast niet eens een behoorlijk maal te kunnen voorzetten. 't Was het soberste wat Indië schaft--rijst met kip. En daar zij geen kokkie had en als Hollandsche de geheimen der rijsttafel nog lang niet machtig was, werd het ook niet anders dan rijst met ongevarieerde kip.
't Zal voor de gastvrouw onpleizierig zijn geweest, en de excuses en de verklaringen bleven niet uit. Voor mij, die zag hoe weinig zij hier gewend waren, hoe zij zich hadden leeren schikken, was dit een bewijs te meer voor hun geschiktheid voor 't nieuwe ambt. Vroolijk en wel aten we in een klein achtergalerijtje taaie kip en droge rijst en een pisang na, alle drie overtuigd, dat het spoedig voor ieder onzer beter zou worden. Zij vertelden mij toen, hoe sober hun leven was en hoe moeilijk het was geweest daarin de kleinste afwisseling te brengen en zich van het eenvoudigste te voorzien.
Hun eten bestond altijd uit rijst en kip, doch wilden zij voor de afwisseling zich eens op visch tracteeren, dan moest de baboe naar het strand gaan en daar wachten, soms urenlang, tot er een prauwtje met een visscherman voorbij schoot, die genegen was van zijn vangst iets te verkoopen.
Voldaan over mijn ondervindingen en met de beste verwachting nam ik dien middag afscheid, in de hoop hen binnen eenige weken met de eerstvolgende boot te Ternate te zien arriveeren, waar ik hun komst zou afwachten om gezamenlijk naar Tobelo door te reizen. Hoe ik vóór dien tijd van Batjan naar Ternate zou komen, was me nog niet duidelijk, doch allicht zou er zich de een of andere gelegenheid voordoen.
Voorloopig zat ik nu goed en wel te Batjan ingekwartierd, maakte er kennis met den sultan, die een graadje flinker bleek dan zijn Ternataanschen collega en schreef en las, en las en schreef. Met Shackleton zat ik in sneeuw en ijs, met Stanley in de Afrikaansche oerwouden, en door de eenzijdige doch ware oogen van Bas Veth bekeek ik Indië.
Na zoo eenige dagen te hebben doorgebracht, vernam ik dat een klein stoombootje van de Batjan-maatschappij naar Ternate zou vertrekken, waarmede ook passagiers vervoerd konden worden.
Het was op zekeren middag tegen 2 uur, dat ik me aan boord van de Adrienne begaf, in gezelschap van allerlei oosterlingen, waaronder ook eenige hadji's. Ik installeerde me daar zoo behagelijk mogelijk voor een reis van een etmaal tusschen de westkust van het zuidelijk gedeelte van Halmaheira en de eilanden die er voor lagen, totdat Ternate bereikt zou zijn.
Voor voldoend eten en drinken had mijn jongen gezorgd, en zoo op een vouwstoel half zittend, half liggend, naast een miniatuur kajuitje, op een plaatsje waar ik me nauwelijks verroeren kon, liet ik het panorama van het landschap langs me heengaan. Zwaarbegroeid waren de bergen op het groote eiland rechts, eveneens waren de eilandjes links dicht met oerwoud bezet, soms met klapperboomen daar tusschen; somtijds lag er een huisje aan het strand en een prauwtje op het stille water tusschen de beschuttende eilanden.
Nu eens spiegelde een groote watervlakte als een meer voor ons oog, dan voeren we door een nauwe geul en leek het vaarwater als afgesloten, doch op het laatste oogenblik werd een doorgang gevonden. Door een wisseling van vergezichten over het water en op het landschap, voeren we verder en zoo werd bij mij de indruk wakker of we stoomden in de Noorsche wateren, tusschen het vastland rechts en de scheren links, daar, waar ook het landschap voor den boeg bij het varen door engten en wijdten, in eenzelfde eentonigheid toch telkens wisselt.
Hoe dwaas het schijne Noorwegen te vergelijken met deze omgeving, toch moet hier ook lang voor mij reeds iemand getroffen zijn geworden door de toevallige overeenkomst van die ver uiteenliggende landen. Waarom anders zou aan dat eiland tusschen Ternate en Tidore, aan dien ronden kop, overblijfsel van een scherpen vulkaankegel, de Maleische naam van Noorwegen, van Maitara, gegeven zijn?
Paarlvisschers, als Noorsche kust- en fjordenbewoners met hun scheepjes op de spiegelende watervlakten, waren hier met hun witte schoenertjes op zoek naar de kostbaarheden op den bodem der zee. Een bedrijf, dat steeds moeilijker en riskanter was geworden, daar men steeds dieper naar die schatten moest zoeken, wijl de gunstigst gelegen en ondiepste banken reeds lang waren leeggehaald. Maar tot nu toe waren in deze verre residentie met haar exotische wonderen, als parelen, koralen, amber, schildpad en paradijsvogelhuiden, nog niet veel Europeanen rijk geworden met het zoeken naar die schatten. Bedrog en slechte organisatie en moeilijk te houden toezicht, en somtijds een onverwacht en ongehoord fluctueeren der prijzen, bleken nog steeds onoverkomelijke bezwaren voor een rustig, winstgevend bedrijf.--
Toen het tegen den avond was geworden spreidden eenige hadji's naast me hun kleedjes uit en met hun gezichten naar Mekka, hier naar het Westen gekeerd, begonnen ze, zonder zich in 't minst aan hun omgeving te storen hun eindelooze gebeden en wierpen zich met het voorhoofd ootmoedig tegen den grond. De wijze waarop ze aanbaadden was oostersch extatisch; hun vervoering (gekunsteld of niet) maakte indruk door hun levendige gebaren van wijduitgespreide armen tot gevouwen handen, door de expressie dier scherpe gezichten, die onder den witten tulband met gesloten oogen naar den hemel wezen of zich ter aarde bogen in diepste verootmoediging. Dat Allah voor hen groot was, heel groot, oneindig, onbegrijpelijk groot, hoog boven de menschelijke sfeer en ons weten, zeiden ze zoo duidelijk in hun gebarentaal en door den klank hunner stemmen, dat men de taal zelve niet behoefde te verstaan.
In het midden hunner voorhoofden waren twee eeltplekken, ontstaan door de geregelde soms vrij onzachte aanraking met den grond. Ook bij den Sultan van Batjan had ik die eeltplekken daar als twee wratten opgemerkt. Of bij velen dat eelt als bewijs hunner vroomheid alleen door die vrome handelingen is gegroeid en niet door een of andere kunstbewerking, blijft voor den twijfelaar altijd nog een vraag.
Toen de avond viel, werden de lichten aan boord opgestoken en zocht ieder een zoo gemakkelijk mogelijk plaatsje. Overal aan dek lagen de menschen languit op matrassen en matjes, zoodat men zich niet verplaatsen kon zonder over lichamen heen te moeten stappen. Op mijn vouwstoeltje ging ik, als al de anderen, onder den blooten hemel den nacht in, dommelend en droomend onder het eentonig gestamp der machine. Den ganschen nacht stampte zij door, den ganschen nacht lag ik daar, soms wakend en naar de heldere sterren kijkend en naar de zwarte silhouetten der bergen tegen de lichtere lucht, soms droomend van huis en van Europa, in het zalige visioen van een spoedigen terugkeer.
Toen het morgen werd en de zon achter de bergen van Halmaheira verrees, bleek het dat we nog steeds tusschen eilanden stoomden, doch nu met de piek van Tidore in groote verte reeds op den achtergrond. Geheel er door bedekt, moest daarachter de vulkaan van Ternate liggen, die, na Tidore gepasseerd te zijn, van dichtbij hoog boven het zeevlak zou verrijzen.
Het duurde nog uren alvorens we het hoofdplaatsje Soa-Sioe aan den oostelijken voet van Tidore's vulkaan voorbij voeren. In schroeiende tropische hitte lag het daar, onbeschut tegen de hoogstaande zon, op de morgenzijde van die helling te blakeren, en ik herinnerde mij weer de vreeselijke hitte, die ik hier bij mijn vroeger bezoek reeds vóór den middag had meegemaakt.
De zon zou weldra in het zenith komen, toen we, Tidore voorbij, Ternate met den vulkaan voor ons zagen en een bries uit het Westen over de wijde watervlakte tusschen Halmaheira en dien kegel eenige afkoeling bracht, na de hitte in de nauwere doorgangen tusschen de eilanden geleden.
Nu had ik Ternate weer voor me, waar op de eerstkomende boot zou moeten gewacht worden en waar ik nog steeds vóór mijn terugkeer naar Holland met het langzaam werkende residentiekantoor allerlei te regelen had.
Het scheepje deed tegen één uur zijn stoomfluit hooren en weer wist iedereen te Ternate terstond, dat het de Adrienne van Batjan was, die haar anker op de reede had uitgeworpen. Landende aan den residentssteiger, een kleine pier met een seinlicht, die de vorige resident hier had laten bouwen, kwam ik weldra mijn vroegeren gastheer te gemoet, die me aan land had zien gaan en me nu weer op de vriendelijkste wijze uitnoodigde bij hem te komen logeeren, daar er in het hotel geen plaats meer te krijgen was. En zoo zaten we spoedig weer onder zijn voorgalerij, nu in gezelschap van een der officieren van het kleine garnizoen, die den laatsten tijd bij hem inwoonde. Weer kon ik gaan tennissen en kegelen en 's avonds op bezoek gaan of, om den tijd te verdrijven, gaan kaartspelen; weer was het bij mijn gastheer het breedopgevatte jonggezellenleven, en weer was het afwachten tot de boot kwam, die mij naar Tobelo terug zou brengen.
Intusschen was het met mijn oude liefde tot bergbestijgen reeds lang mijn plan geweest, indien de omstandigheden het mij toelieten, de piek van Ternate (1579 M.) te beklimmen. Die omstandigheden waren nu gekomen.
Na informatie was het me gebleken, dat een bestijging van dien top bij groote uitzondering werd ondernomen. De sultan leverde dan gidsen en dragers, de eersten om den langen weg door het oerbosch te wijzen en ten slotte een pad te kappen door het hoogste, geheel onbegane gedeelte, de tweeden om een vrij belangrijke bagage te dragen, waaronder eenige flinke plaids, daar steeds een bivak aan den tocht verbonden is en het daar boven koud is in den nacht. Ook moet er water worden meegenomen daar dit op den ganschen berg niet is te vinden, wijl het losse vulkanische gesteente den gevallen regen te spoedig doorlaat.
Aan elkeen, dien ik te Ternate leerde kennen en die eenige geschiktheid voor zulk een tocht in dit klimaat bezat, stelde ik voor dien goenoeng-api (vuurberg) te bestijgen. Maar Europeanen in Indië en bergbestijgen zijn twee, en geen wonder, waar groote inspanning in dit klimaat bij velen als uit den booze wordt beschouwd en waar de bergsport zeker zonder de eigenaardige groote bekoring is, die haar in Europa nog steeds populairder doet worden.
Eindelijk leerde ik iemand kennen, die deze bestijging tweemaal had ondernomen, maar die mij verzekerde dat na de laatste uitbarsting, in 1907, deze tocht de moeite niet meer loonde, daar een groote wal van losse steenen, die toen om den krater was gevormd en die van Ternate uit achter den hoogsten met alang-alang begroeiden top was te zien, elke poging om in den kratermond te zien, verijdelde. Buitendien werd het uitzicht onder het stijgen en dalen door zwaar hout geheel belemmerd, terwijl het wanneer men boven was gekomen zeer tegenviel.
Dit zette den domper op mijn plan om desnoods alleen te gaan, te meer daar de terugkomst in de daghitte een toenemende kwelling zou moeten zijn en een nachtelijke afdaling door het donkere, slecht begaanbare bosch niet doenlijk was.
Doch tusschen de piek van Tidore en die van Ternate rees die ronde kop, dien men Maitara had gedoopt, omhoog. Slechts 360 M. hoog, tot boven met eenige klapperboomen begroeid, zou ik voor dat tochtje toch allicht gezelschap kunnen vinden.
Het was op een morgen tegen achten, dat ik aan het strand zocht naar een vlerkprauwtje met eenige roeiers om mijn metgezel en mij, want ik had er een gevonden, naar dat eilandje te brengen. Maar met dat luie volk duurde het een goed uur alvorens we eindelijk met de beenen onder ons gevouwen, meer op dan in het prauwtje zaten, terwijl een roeier voor en achter het lichte ding door het water deed schieten. Toch duurde het anderhalf uur, eer we den voet zetten aan het witte strand van Maitara, waar vredig een kleine kampong onder palmen lag verscholen en waar prauwtjes schilderachtig lagen op het zand.
Het was elf uur geworden, alvorens we het paadje insloegen, dat naar den top leidde. De hitte was reeds groot, maar zou nog toenemen en zeker heel erg zijn, toen we, onder de palmen vandaan gekomen een schaduwlooze helling met alang-alang begroeid voor ons zagen liggen. Mijn kennis ging voorop met haastigen pas, zooals ieder doet, die nog nooit een helling voor zich zag. 't Paadje, door de bloote voeten van inlanders gemaakt, was glad en ging niet in zigzag naar boven; we hadden linnen schoenen aan met gladde zolen, zeer ongeschikt voor die helling.
Zeker is er moeilijk een warmere positie denkbaar dan tegen den middag te klimmen op een berghelling onder de tropen, terwijl de zon bijna loodrecht boven ons hoofd staat en daarbij de weg door het manshooge alang-alang leidt, dat elk zuchtje wind tegenhoudt. Mijn kennis gaf reeds spoedig verdachte teekenen erg aan dien hitte-invloed onderhevig te zijn; hij keek reeds met eerbied en telkens naar boven, bleef soms even staan, keek dan nog eerbiediger naar boven onder het fronsen van zijn voorhoofd, zette zijn zonnehoed achter op het hoofd en greep naar zijn zakdoek, die in zijn hand bleef en lachte, half verlegen, zijn figuur verliezend door die plotselinge onverwachte nederlaag.
Nu kon ik de hitte verdragen als een inlander, maar toch ook begonnen zich op mijn lichtbruine kakipak reeds donkerbruine natte plekken te vertoonen. Mijn kennis, die echter eenmaal een haastigen pas had aangegeven en dien ondanks de kleine rustpauzen steeds weer aannam, had mij aan dien pas gewend, dien men dan dikwijls volhoudt tot men het op moet geven.
Zoo nam ik weldra de leiding. Lang kon het immers niet duren, maar toch in die smoorhitte tijdens het zware werk, waardoor ook het hart meesprak, scheen het een werk van uren; totdat ik boven was en op mijn horloge ziende zag, dat het 40 minuten had geëischt. Mijn tochtgenoot zat halverwege onder de weinige schaduw van een papajaboompje met de handen onder het gebogen hoofd en met den hoed in den nek naar de zee te turen, waarschijnlijk peinzend over den vreeselijken onzin om op bergen te klimmen, waar toch immers niets te halen viel.
Toch viel er iets te halen daarboven en wel een uitzicht over den grooten waterplas door het bergland van Halmaheira, Ternate en Tidore begrensd, terwijl westelijk het uitzicht vrij was op de Moluksche Zee, waar lucht en water in het onafzienbare wegdeinden. Ook was het uitzicht vrij over de breede met zwaar woud begroeide voeten dier kegels, terwijl een lichtgroene band onder water om het gansche strand van Maitara, zuiver en rein als de kleur van het gletscherijs, wees op banken van koraal, dat zich hier om de eilanden had vastgezet.
Al rondkijkende in het wijde panorama kwam ik langzamerhand bij en bemerkte toen, hoe een hevige dorst door het groote vochtverlies mij kwelde, maar water zou hier nergens te vinden zijn, doch eenige klapperboomen, hoe schaarsch ook, stonden op den top en even daaronder op de berghelling. Aan deze laatste hingen een paar jonge klappers, die met een zakmes gemakkelijk konden worden geopend om het dorstlesschende klapperwater er uit te kunnen drinken. Maar hoe ze te krijgen? Wel waren de boomen nog jong en was de kroon niet meer dan acht meter boven de helling, doch juist dit laatste maakte het plukken bezwaarlijk, daar de noten met versnelde beweging naar beneden zouden huppelen, indien ze na losgemaakt te zijn naar beneden werden geworpen. Het zou dus zaak zijn de noot na den pluk bij het neerglijden langs den stam in den arm te houden.
De opdracht was moeilijk, maar het vooruitzicht den dorst te kunnen lesschen in een tropische hitte verleidelijk en zoo begon ik in den rechten stam te klimmen. Waarlijk de kroon werd bereikt; nu de beenen krampachtig vastgeklemd om den stam en door den rechterarm met alle kracht omhelsd. De linker was nu vrij en kon een der gladde dikke noten bereiken, die door draaien van links naar rechts eindelijk losliet en in de holte van den gekromden elleboog terechtkwam. Zonder op mijn kleeren te letten, die men in Indië bij het dozijn telt, liet ik me, langs den ruwen stam schurend, naar beneden glijden. Daar stond ik, wel opnieuw oververhit, maar nu triomfeerend met mijn schat; nu nog het zakmes gekregen, maar o! schrik! bij die beweging viel de onhandige noot op de helling, waarop ik nog stond.... ik stortte me voorover, nog eens weer voorover de helling af, nog eens weer en... greep voor de derde maal mis. Met steeds grootere sprongen verdween mijn schat in de diepte.
Daar stond ik te braden, kletsnat, met de tong aan het gehemelte gekleefd, met hevig bonzend hart en kloppende slapen.
Wat nu? doch dit kwam slechts een moment bij me boven. Een bergbestijger geeft den moed niet op, en waren het nu al geen duizelingwekkende afgronden en duistere gletscherspleten die dreigden, het dreigement dat nu gekomen was, was niet minder erg en de overwinning zou misschien kostelijker zijn.
Weer ging het in den stam naar een tweede noot die iets verder hing, ook deze raakte los, maar de inspanning van het laatste uur had me niet handiger gemaakt, zij viel.... en bleef liggen. De goden hadden schijnbaar medelijden gekregen met dien worstelaar diep onder hen.
Onder de noot zette ik mij neer en voorzichtig, alsof het een goudklomp was, vatte ik haar aan en dronk haar voor viervijfde leeg. De rest bracht ik uit naastenliefde aan mijn tochtgenoot, die nog iets hooger was gestegen, maar die het eindpunt niet bereikte. Hoe gretig ging ook bij hem dat eene slokje naar binnen.
Het neerdalen langs het gladde steile paadje op het heetst van den dag terwijl de hitte naar beneden gaand steeds toenam, was een kortstondige marteling en was ons daar beneden niet een inlander tegemoet gekomen, die als een kat tegen een 20 M. hoogen palmboom opwandelde, waaruit hij ons een zestal noten toewierp, dan waren er allicht nog ongelukken gebeurd.
Mijn tochtgenoot klaagde 3 dagen later nog over pijn in zijn beenspieren door de krampachtige wijze van dalen langs het gladde paadje, waarop de gladde schoenen zoo weinig vat hadden gehad.
Ik zeide niets, maar leed in stilte. Ik, die de piek van Ternate (1579 M.) had willen bestijgen.
De tijd kroop voorbij, ondanks het zoeken naar ontspanning in dagelijksche wandelingen langs het strand van het eiland en ondanks de verstrooiing die de Europeesche samenleving bracht. Eindelijk brak de dag aan, waarop de boot van Batjan met den jongen administrateur en zijn huisgezin aan boord, verwacht mocht worden. De dag verstreek zonder dat er iets gebeurde, de volgende dag eveneens, de dag daarop weer; alleen bracht de middag toen even de emotie, dat een boot op de reede aankwam, doch het bleek de Chineesche te zijn, die eens in de zes weken Ternate met een bezoek vereerde.
De dagen die wachtende heengingen waren reeds tot een week geklommen, toen zich eensklaps het gerucht verbreidde, dat de verwachte boot tusschen Batjan en Ternate, even na het verlaten van het eerstgenoemde plaatsje, op een blinde klip was geloopen en daar vastzat en assistentie van andere booten noodig had.
Daar zat ik nu weer. Mijn administrateur met zijn heele hebben en houden aan boord van een gestrande boot en het vertrek van Ternate naar Tobelo voorloopig op losse schroeven gezet. Afwachten, geduld oefenen, dagen en weken misschien was het parool! Mogelijk zouden we eerst, wanneer deze niet vlot kwam of ernstig beschadigd bleek te zijn, met de volgende boot, die een maand later kwam, naar Tobelo kunnen gaan.
Wie hier niet gelaten, in betrekkelijk nietsdoen, wachten kon, terwijl toch ernstige bezigheden elders riepen, bereikte hier niets, dan dat hij op verkeerde wijze zich leerde verstrooien en zijn zenuwen in de war bracht. Dus bleef ik den toestand leuk opnemen, zooals mij de omstandigheden in het afgeloopen jaar wel hadden geleerd. Tot mijn geluk heerschte er in die dagen onder de Hollandsche families een aangename geest en ook bij mijn gastheer was het leven en de huishouding geregelder dan het vroeger was geweest. De bij hem inwonende officier was daarvan de goede genius en ook hijzelf bevond zich bij die regelmaat in eigen huis niet slecht. Daarbij kwam, dat zijn illusieloos bestaan den laatsten tijd verhelderd werd door een verwachting in de toekomst. Hij maakte zich namelijk een illusie over de voordeelen der exploitatie van guano-concessies, die hij op eilanden ten noorden van Nieuw-Guinea wilde aanvragen. Deze kostbare vogelmest moest daar sinds eeuwen in holen en spelonken voor het opgraven liggen. Op zijn reizen per paket-vaartboot langs de noordkust van Nieuw-Guinea was hem door een zendeling op dien buit gewezen en nu verkneuterde hij zich in de rijkdommen, die daar voor hem lagen opgestapeld. Dit vooruitzicht--een droom, een Indische droom en zooals zooveel Indische droomen niet voor verwezenlijking vatbaar, althans niet voor zijn verslapte energie--gaf hem toch een zekere flinkheid terug, door de hoop, in de toekomst, Indië nog eens als nabob vaarwel te kunnen zeggen en dan, in Holland teruggekeerd, de menschen daar als richard te kunnen imponeeren. Dit stokpaardje, door mijn gastheer bij voorkeur in de avonduren bereden, gaf door tegenwerpingen onzerzijds en door het opwerpen van de moeilijkheden en bezwaren, die hem op dezen langen weg nog tegemoet zouden komen, aanleiding tot heel wat hilariteit, maar met zijn fantasie overwon hij die moeilijkheden gemakkelijk, en het eind was steeds, dat hij zichzelven als een bewierookt rijkaard in de aangename weelde van de grootste hotels door de hoofdsteden van Europa zag zwerven. De ironie van het leven had er voor gezorgd, dat de opgestapelde vogelmest het 'm dan zou moeten doen.