Een Jaar aan Kaap Hoorn De Aarde en haar Volken, 1886

Part 3

Chapter 3 3,080 words Public domain Markdown

Niet minder onbekend is hem de zorg voor de naaste toekomst. Hij leeft letterlijk van den eenen dag op den anderen, van hetgeen de jacht of de vischvangst hem oplevert. Hij heeft ook geene andere bezigheid dan deze: als hij niet jaagt of vischt, zijne prauw timmert of herstelt, of hout hakt voor zijn vuur, dan slaapt hij. Natuurlijk zal men vragen, hoe zij het dan aanleggen, als zij, hetzij van wege het jaargetijde, hetzij door ziekte, niet kunnen jagen of visschen, en ook geen schelpen opzoeken, en zij niet het voorrecht hebben gehad, om langs het strand een dooden rob of een gestranden walvisch te vinden? En het is niet tegen te spreken, dat in den winter, wanneer het soms dagen lang achtereen blijft sneeuwen, zich zulke gevallen kunnen voordoen. De ongelukkige Vuurlanders blijven dan in hunne hutten, die zij niet verlaten dan om in het naaste bosch brandhout te hakken: roerloos hurken zij om het vuur en trachten in den slaap hun honger te vergeten. Nijpt de honger te fel, dan trachten zij dien te stillen door de wortels te eten van de _Armeria magellanica_, die zij langs het strand opgraven, maar die hoegenaamd geen voedsel bevatten. Echter duren zulke ongelukkige omstandigheden nooit langer dan drie of vier dagen: de inlanders behoeven dus niet te bezwijken, al hebben zij het hard te verantwoorden en al vermageren zij snel, vooral wanneer die vastendagen met korte tusschenpoozen terugkeeren. Maar ten eenemale onwaar is het, wat door oudere en nieuwere schrijvers verhaald wordt, dat de Vuurlanders menscheneters zouden zijn, en dat zij met name hunne oude vrouwen zouden doen stikken, om ze dan in tijd van gebrek te eten. Hoe veel zij ook van den honger mogen te lijden hebben, nooit verslinden zij elkander. Zij zijn zoo weinig kannibalen, dat zij zelfs hun verslagen vijanden niet eten: het gebeurde met de protestantsche zendelingen te Woollya, waarvan wij boven gesproken hebben, is daarvan een bewijs: men vond de lijken van die zendelingen geheel ongeschonden.

Opmerkelijk is de invloed, dien de grijsaards in het gezin uitoefenen en de soort van vereering, die men voor hen koestert. Dit is een eigenaardig verschijnsel, niet gemakkelijk met juiste woorden te omschrijven. Uit de feiten die wij hebben kunnen waarnemen, blijkt de volkomen onafhankelijkheid van de bejaarde hoofden der gezinnen, zoo mannen als vrouwen:--deze laatsten natuurlijk alleen ingeval de man overleden is. Zij doen geheel wat zij goed vinden en niemand maakt daar eenige aanmerking op. Zij hebben altijd eenige kinderen of kleinkinderen bij zich, die hun zeer onderdanig zijn en al hunne bevelen uitvoeren. Toch kan men niet zeggen, dat zij, als bij de patriarchale organisatie der familie, met het oppergezag zijn bekleed. De zoon, die niet met zijn vader overweg kan, scheidt zich af, en trekt met eenige vrienden naar elders, waar hij door de tegenwoordigheid van zijne ouders in zijne bewegingen niet belemmerd wordt. De meest kenmerkende karaktertrek van dit zonderlinge volk is hun hartstochtelijke liefde voor wat zij vrijheid noemen en hun afkeer van elken dwang. Dit dierlijke, echt barbaarsche instinkt wordt alleen beperkt door de banden der familie, die sterk genoeg zijn om alle leden van dezelfde familie, ook al leven zij van elkander verwijderd, elkander te hulp te doen komen, en zelfs bij deze wilden het besef te wekken van solidariteit en een hoogere wet boven de individueele willekeur. Ook hier blijkt op nieuw, dat de familie de bakermat der maatschappij en de grondslag van alle geordende menschelijke samenleving is.

De arbeid is zeer nauwkeurig tusschen de beide geslachten verdeeld. Alle arbeid, die spierkracht en lichamelijke inspanning vordert, komt ten laste van de mannen: zij hakken en vervoeren het brandhout; zij bouwen de hutten en maken de prauwen, waarmede zij ter robbenvangst gaan; zij vervaardigen de harpoenen, waarmede zij de robben dooden, de slingers, die zij ook gebruiken op de otterjacht: bij welke laatste zij ook door hunne honden geholpen worden, die in de holen en gaten doordringen, waarin de otter zich verschuilt.

De vrouwen verrichten wat wij de huiselijke bezigheden zouden kunnen noemen: bij de eb gaan zij langs het strand mosselen en andere schelpdieren zoeken; zij bereiden en koken de spijzen; zij maken het vuur aan; zij zorgen voor den noodigen voorraad van drinkwater; zij vlechten korven van riet en touwen voor het vastmaken der prauwen; zij vervaardigen de halskettingen van doorboorde schelpen of fragmenten van vogelbeenderen. Ook gaan zij uit visschen in hare prauw, waarbij zij zich bedienen van een hengel, waaraan een mossel of een stuk visch bevestigd is: zoodra de visch die prooi inslikt, halen zij hem ijlings naar boven. Ook visschen zij, met behulp van een soort van lange houten vorken, verschillende schelpen, zelfs op vrij aanmerkelijke diepte. Tot de taak der vrouwen behoort ook het roeien of liever het pagaaien der prauwen: dit is volstrekt geen zwaar werk, want de van boomschors vervaardigde prauwen zijn zeer licht, even als de riemen zelven. Bij al deze verschillende werkzaamheden leggen de vrouwen eene groote mate van bekwaamheid aan den dag.

De prauw, bijna voor den Vuurlander het eenige voorwerp dat hij niet missen kan, is zeer licht en volkomen zeewaardig, maar heeft het groote gebrek dat zij maar zeer kort duurt. Eene goede prauw houdt het gemiddeld niet langer dan zes maanden uit. De mannen vervaardigen de ranke boot, maar de vrouwen zorgen voor het onderhoud, voor het herstellen van gebreken, het dichten van gaten en wat daar verder toe behoort. De zorg voor de prauw rust overigens op alle leden des gezins, op de mannen zoowel als op de vrouwen. Het lot van eene vuurlandsche familie, die op zee haar kano verloren heeft, is al zeer treurig: de ongelukkigen zouden dan vaak op eene of andere kale rots, den hongerdood moeten sterven, wanneer hunne buren of bekenden, ongerust over hunne lange afwezigheid, hen niet gingen opzoeken en redden.

De vrouwen alleen kunnen zwemmen, hetgeen zeker zeer zonderling is voor eene bevolking, die een groot deel van haar leven op zee doorbrengt. Men begrijpt ter nauwernood, hoe de Vuurlanders, zonder te kunnen zwemmen, aan de vele gevaren ontsnappen, waaraan zij telkens zijn blootgesteld, vooral bij tochten die verscheidene dagen duren en waarop zij lichtelijk door storm kunnen worden overvallen of met onstuimige zeeën hebben te kampen. Zij moeten wel een groot vertrouwen stellen in hunne prauwen; bovendien mag men als zeker aannemen, dat velen hunner op zee verongelukken: gedurende ons verblijf hoorde ik althans herhaaldelijk spreken van menschen, die hun dood in de golven hadden gevonden.

Hoewel zij zeer goed kunnen zwemmen, gaan de vrouwen echter zelden voor haar genoegen te water: doorgaans bestaat daartoe eene bepaalde aanleiding, bij voorbeeld, als zij een vogel moeten gaan halen, dien zij van den oever met een steenworp gedood hebben. Meermalen echter, als het weer betrekkelijk zacht was, heb ik de vuurlandsche vrouwen een bad zien nemen en naar hartelust in het water rondspartelen. Het is echter niet waar, wat sommige schrijvers beweren, dat zij veroordeeld zijn om te duiken, ten einde zeeëgels te vangen: daartoe bedienen zij zich van een eenvoudiger middel, en wel van de bovengenoemde houten vorken, aan een langen stok bevestigd.

Ook de kinderen hebben in het gezin de hun aangewezen taak te vervullen. De kleine jongens nemen al spoedig deel aan de werkzaamheden van hun vader, terwijl de meisjes haar moeder behulpzaam zijn. Het heeft zeer mijne aandacht getrokken, dat de kinderen nooit mishandeld worden; veeleer worden zij bedorven door hunne ouders, die zeer veel van hen houden, al is het niet de gewoonte hen te liefkoozen, zoo als men dat vaak in Europa ziet.

Voor zoover ik heb kunnen nagaan, hebben de Vuurlanders geenerlei soort van eeredienst; zelfs is er, naar men zegt, in hunne taal geen woord om daarmede eene godheid, welke ook, aan te duiden. Toch vertoonen zij sporen van eene soort van doodendienst: hoogst ongaarne spreken zij van hun dooden, en die weerzin gaat, althans tegenover vreemden, zoo ver, dat men niet dan met de grootste moeite de namen van hun overleden bloedverwanten, zelfs van hun vader en hunne moeder, vernemen kan. Misschien is het ook daaraan toe te schrijven, dat zij zoo lang wachten, eer zij hun kinderen een naam geven. Zij weten wel dat het kind naar de plaats zijner geboorte genoemd zal worden, maar zij kennen het dien naam eerst toe omstreeks het tweede jaar, als het kind begint te loopen. Komt het nu voor dien tijd te sterven, dan zal het hooren van zijn naam hen niet aan het geleden verlies herinneren. Ook onder elkander spreken zij, naar men zegt, nooit over hunne dooden, hoewel zij tamelijk langen tijd rouw dragen over hunne naaste betrekkingen: ten teeken van rouw maken zij zich het gelaat zwart en scheren zich de kruin van het hoofd kaal. Ook beginnen de vrouwen somwijlen, schijnbaar zonder eenige uitwendige aanleiding, over hare afgestorvenen te weenen en te jammeren. Hangt dit een en ander samen met eene zekere onbestemde, duistere vereering der dooden? Men zou het haast meenen, want de dood op zich zelven boezemt hun geene vrees in. Ik heb zoowel mannen als vrouwen, kinderen zoowel als grijsaards, zonder eenige huivering of aandoening, opgedolven schedels en beenderen van menschen zien behandelen; en ik heb reden om te gelooven--wat de engelsche zendelingen mij trouwens uitdrukkelijk bevestigd hebben--dat zij hun kranken, als het uiterste oogenblik gekomen is, de keel toeknijpen, om aldus spoediger een einde aan hun lijden te maken.

Zij gelooven aan het bestaan van geheimzinnige wezens, die allerlei verschrikkelijke gedaanten kunnen aannemen, en het geluid nabootsen van een zeerob of van eenig ander dier. Wanneer zij 's nachts de stem van zulk een wezen meenen gehoord te hebben, worden zij door doodelijke vrees bevangen; zij verschansen zich op de onmogelijkste manier in hunne hutten, rapen alles bijeen wat zij aan wapenen bezitten, en wachten, bevend en sidderend, tot het gevaar geweken en de dag aangebroken is. Na zulk een nacht te hebben doorgebracht, kan niets hen bewegen, langer op die plek te blijven. Zoo spoedig mogelijk verwijderen zij zich en gaan liefst naar een ander eiland, om aan het geduchte spooksel te ontkomen. Deze geheimzinnige wezens, die hunne slachtoffers vele nachten achtereen vervolgen en plagen, noemen de Vuurlanders _oualapatou:_ zij hebben, veel overeenkomst met de ook bij ons niet onbekende weerwolven. In ieder geval blijkt uit dit bijgeloof, dat ook bij deze wilden het besef van het bovennatuurlijke, hoe ruw en onontwikkeld ook, niet ontbreekt.

Fitz-Roy heeft uitvoerig gesproken van hunne tooverdokters. In werkelijkheid kennen de Vuurlanders zulke personen niet; maar er heerscht bij hen eene gewoonte, waardoor het verhaal van den engelschen reiziger zijne verklaring vindt.

Wanneer een Vuurlander krank is, ondergaat hij geene andere behandeling--uitgenomen de verworging, als het uitgemaakt is dat hij gaat sterven,--dan eene soort van massage, die hetzij op het hoofd, hetzij op de borst, hetzij op eenig ander lichaamsdeel wordt toegepast, waar men onderstelt dat de ziekte schuilt. De personen, die bepaaldelijk met deze behandeling zijn belast, worden _yakamouches_ genoemd, en die titel gaat van vader op zoon over. Als de yakamouche bij een zieke geroepen wordt, hurkt hij bij den patiënt neder, begint een woest, onzamenhangend gezang, met allerlei gelaatsvertrekkingen gepaard, en gaat dan tot de behandeling, uit wrijven en knijpen bestaande, over, steeds schreeuwende en afschuwelijke gezichten trekkende. Van tijd tot tijd houdt de yakamouche even op, om op den patiënt en dan op zijne eigene handen te blazen, die hij vervolgens boven het vuur heen en weer schudt; eindelijk snijdt hij met een schelp of eenig ander scherp werktuig, een haarlok van den patiënt af, en werpt dien in het vuur. Na die operatie is de zieke ongetwijfeld zeer vermoeid, maar toch verklaart hij doorgaans, zich beter te gevoelen.

Ik kan mij zeer goed verklaren dat de reisgenooten van Fitz-Roy, en ook Fitz-Roy zelf, als zij bij toeval getuigen waren van zulk een kuur, daarin eene werkelijke bezwering of betoovering hebben gemeend te zien, door een soort van toovenaar of duivelbanner in praktijk gebracht. Toch kent men aan de yakamouches--waarvan er overigens in genoegzaam elke familie een gevonden wordt,--hoegenaamd geen bovennatuurlijk vermogen toe.

De yakamouches zijn voor het meerendeel bejaard; toch hebben wij er enkelen gezien, die niet ouder konden zijn dan vijf-en-dertig à veertig jaar; voor zoo ver ik heb kunnen nagaan, is er dus geen leeftijd bepaald voor het verkrijgen van deze waardigheid, evenmin als daarvoor eene voorbereiding of inwijding gevorderd wordt. Daar Fitz-Roy hen altijd aan de spits der Vuurlanders vond, wanneer dezen hem een of anderen poets bakten, heeft hij daaruit opgemaakt dat zij zeker gezag over hunne volksgenooten uitoefenden. Maar ik voor mij geloof dat dit niet het geval is, en dat zij geen ander gezag bezitten dan wat hun toekomt als hoofd van een gezin, hetgeen zij altijd zijn, daar de waardigheid of het ambt, zoo als men het noemen wil, eerst na den dood des vaders op den oudsten zoon overgaat. Ook worden zij voor hunne diensten nooit betaald, hetgeen hen zeer stellig van de toovenaars, die wij elders aantreffen, onderscheidt. Evenals alle anderen, leven zij van hetgeen de jacht en de visscherij hun opleveren of van hetgeen zij op andere wijze kunnen machtig worden.

Ziedaar, in een beknopt overzicht, de kenmerkende trekken van de zeden en gewoonten der Vuurlanders, voor zoover zij in wilden staat leven, buiten de engelsche missie aan het Beagle-kanaal.

Ik moot ook met een enkel woord gewagen van hun uiterlijk voorkomen. Zij zijn klein van gestalte: de mannen zijn gemiddeld niet grooter dan één meter acht-en-vijftig, de vrouwen één meter acht-en-veertig. De kleur van hunne huid is licht geel; hunne gelaatstrekken zijn zeer grof en ruw; maar daarentegen hebben zij zeer mooie bruine oogen, vol uitdrukking. Borst en dijen zijn breed; de vrouwen zijn over het algemeen zwaarlijvig. De mannen dragen noch baard, noch knevels; met uitzondering van hun hoofdhair, trekken zij alle hairen uit.

Zoo als ik reeds zeide, namen de inboorlingen in den beginne, tegenover ons, eene zeer groote mate van terughouding in acht. Langzamerhand openbaarde zich meer toenadering en vertrouwen, zonder dat de inlanders daarom eenige verandering brachten in hunne gewone levenswijze. Wel hadden zij de gewoonte aangenomen om, als wij aan tafel zaten, voor onze hutten te komen staan, om de overgeschoten brokken te ontvangen, die zij op staanden voet opaten of anders medenamen in de door ons weggeworpen ledige blikjes, die zij met dat doel hadden opgezameld; maar daarom hadden zij niet afgezien van de vischvangst of van het opzoeken van schelpdieren bij lage zee. Hadden zij op die wijze een paar weken aan de Oranjebaai doorgebracht, dan kwam de oude trek tot zwerven weer boven: zij verdwenen eensklaps, en wij zagen hen in geen maanden terug. Zoo wisselden onze buren telkens af, hetgeen ook al niet bevorderlijk was aan het aanknoopen van nadere betrekkingen.

Eerst vele maanden na onze vestiging, en nadat wij ons een groot aantal woorden van hunne dagelijksche spreektaal hadden eigen gemaakt, veranderde hunne houding tegenover ons en werden zij meer familiaar. Het getal onzer buren bedroeg in den regel dertig of veertig, op een totaal van tusschen de drie- en vierhonderd eilanders, die ons afwisselend kwamen bezoeken. Daaronder waren er nu ten slotte enkelen op wie wij rekenen konden voor het verrichten van een of ander werk: en dan nog moest dat niet te dikwijls voorkomen en vooral niet te lang duren. Nooit maakten zij bedenking tegen het loon, dat bijna altijd uit eenige scheepsbeschuiten of stukken brood bestond. Slechts een of twee hunner hebben wij ettelijke weken achtereen geregeld in onze dienst kunnen houden. Als maatregel van voorzichtigheid, lieten wij nooit een inlander bij ons overnachten; zij moesten altijd des avonds naar hunne hutten terugkeeren, die trouwens op korten afstand van onze barakken waren gelegen.

Het is inderdaad zonderling, dat ook de inlanders die dagelijks met ons verkeerden, er niet in slaagden ook maar een weinig fransch te leeren: dikwijls genoeg was ik er getuige van, hoeveel moeite zij zich gaven om eenige woorden van onze taal te onthouden: zij zeiden de woorden zeer goed na, maar eenige oogenblikken later, waren zij ze weer vergeten. Zij vroegen ons alle dagen om brood, maar gebruikten daarbij altijd het engelsche woord _bread_. Ik geloof dat zij nooit meer dan twee fransche woorden hebben kunnen onthouden: _oui_ en _chemise._ Hun voorraad engelsch is ook bijster gering, en bepaalt zich doorgaans tot vijftien of twintig woorden, die zij meer of minder goed uitspreken.

Bij voorkeur richtten onze Vuurlanders hunne schreden naar ons laboratorium van natuurlijke historie; zij wisten dat men daar op hun persoon allerlei waarnemingen deed, waartoe zij zich volgaarne leenden, in het vooruitzicht op eene belooning, wat beschuit of andere spijze. Zij werden gemeten en betast; alle physiologische bijzonderheden in bouw en constructie werden nauwkeurig onderzocht en opgeteekend; van de verschillende doelen van hun lichaam werden afdrukken in gips genomen. Ik heb zelfs een Vuurlander, en wel den geduchten Athlinata, bijkans vier uren achtereen onbewegelijk zien stilstaan om een afdruk te kunnen nemen van zijn geheelen persoon ten voeten uit. Dat de proef mislukte, was niet zijne schuld, maar alleen te wijten aan de slechte kwaliteit der gips, die bedorven was.

Eerst den twintigsten December 1882 kon het laboratorium in gebruik worden gesteld. Bij gemis van de noodige materialen had men het grootendeels van planken van pakkisten moeten opslaan. Het stond op eenigen afstand van de andere barakken: daarom konden wij den Vuurlanders, den geheelen dag door, vrijen toegang verleenen, zonder dat de goede orde in de missie daardoor leed. Zij waren daar dus bijna geheel te huis, en kwamen en gingen bijkans naar dat het hun goeddacht. Hoewel zij er nooit alleen werden gelaten, was hun aantal dikwijls zoo groot, dat werkelijk toezicht onmogelijk was: toch hebben zij nimmer iets ontvreemd, ondanks hunne reputatie van dieven, die zij aan vroegere zeevaarders te danken hebben.

In den morgen van den eersten September 1883 werden de magnetische en meteorologische waarnemingen van de missie aan Kaap Hoorn officieel geëindigd verklaard. Sedert de laatste dagen had men zich reeds onledig gehouden met het overbrengen van de kisten en doozen, die onze collectiën bevatten, aan boord van de _Romanche_. Den derden verlieten wij aan boord van dat schip de Oranjebaai, waar wij een jaar hadden doorgebracht. Vier dagen later kwamen wij te Punta Arénas in de straat van Magelhaens, van waar wij den twaalfden vertrokken, om zonder verder oponthoud onze reis naar Frankrijk voort te zetten. Den elfden November wierp de _Romanche_ het anker uit op de reede van Cherbourg,

End of Project Gutenberg's Een Jaar aan Kaap Hoorn, by Door Doctor Hijades