Een Jaar aan Kaap Hoorn De Aarde en haar Volken, 1886

Part 2

Chapter 2 3,714 words Public domain Markdown

In 1865 nam de heer Stirling vier jonge Vuurlanders, van dertien tot achttien jaren, mede naar Europa. Zij bleven zestien maanden in Engeland, waar zij zich onderscheidden door hun goed en ordelijk gedrag, door hunne scherpzinnigheid en vlugheid van begrip. Een van hen stierf op de terugreis, den tweeden April 1867, na eene langdurige ziekte: een ander overleed kort daarna den 24_sten_ Juni; een derde eindelijk bezweek in Maart 1874.

In 1868 werd een klein station gevestigd te Liwaya, op het eiland Navarin, op den zuidelijken oever van het Beagle-kanaal, en in Januari van het volgende jaar vestigde de heer Stirling zich geheel alleen te Ooshooia, op den noordelijken oever van het kanaal, tegenover Liwya. Er was daar eene goede ankerplaats, bosch, water in overvloed, en een grond geschikt voor akkerbouw en veeteelt.--In het begin van 1870 vestigde de reverend Th. Bridges. die een groot deel van zijn leven onder de Vuurlanders op Keppel had doorgebracht en die tot superintendent der missie was benoemd, zich te Ooshooia, met twee bekeerlingen, waarvan de een een bekwaam timmerman en de ander landbouwer was. Hoezeer men met de werkzaamheden zoo veel mogelijk spoed maakte, verliepen er toch twee jaren eer het etablissement te Ooshooia gereed was.

Wie tegenwoordig te Ouchouaya komt, ziet daar een soort van dorp, met een zeker aantal huizen in plaats van hutten, eene kerk, eene school en een weeshuis. De heer Bridges heeft eene vuurlandsche grammaire vervaardigd en een zeer uitgebreide woordenlijst saamgesteld. Hij heeft ook het Evangelie van Lucas in de taal der inlanders overgezet; deze vertaling is, in vijfhonderd exemplaren, te Londen gedrukt. Den 13_den_ Augustus 1881 waren daarvan aan de inboorlingen te Ouchouaya twee-en-twintig exemplaren verkocht, tegen een franc vijf-en-twintig centimes per stuk. Ook ontvangen de kweekelingen der missie zooveel mogelijk onderricht in het engelsch.

De Vuurlanders van Ouchouaya hebben geleerd, hunne akkers en tuinen te omheinen, planken te zagen, hutten te bouwen, wegen aan te leggen. Men heeft runderen en geiten in hun land ingevoerd; zij gaan op europeesche wijze gekleed; in het weeshuis ontvangen vijf-en-twintig ouderlooze kinderen verpleging en onderwijs. De zendelingen, die geene andere macht hebben dan hunne zedelijke meerderheid, zijn de eenige wetgevers, en bijna altijd onderwerpen de inboorlingen zich aan hunne uitspraken. Ouchouaya wordt langzamerhand een middelpunt, van waar de invloed der zendelingen zich naar alle kanten uitbreidt; het is reeds voorgekomen, dat inboorlingen, aan de zendelingen persoonlijk geheel onbekend, hulp en bijstand hebben verleend aan schipbreukelingen, geheel in strijd met de voorvaderlijke overleveringen en gebruiken. In 1882 bedroeg het getal Vuurlanders te Ouchouaya omstreeks honderd-vijftig.

Meermalen is de vraag bij mij opgerezen: welke toekomst is voor deze missie weggelegd? Ondanks de onvermoeide en volhardende pogingen der zendelingen gedurende vijftien jaren, heeft nog maar eene zeer kleine minderheid van de inlanders de oude levenswijze laten varen, de godsdienst en de gebruiken der beschaafden, voor zoover het gaat, aangenomen en zich te Ouchouaya gevestigd. De anderen--dat wil zeggen do overgroote meerderheid--komen wel soms enkele dagen te Ouchouaya doorbrengen, maar zij blijven er niet. Zij geven verreweg de voorkeur aan het vrije, ongebonden, zwervende leven, gaande en trekkende naar het hun lust; ondanks de vele ontberingen en den honger, waaraan zij bloot staan, verkiezen zij deze onafhankelijke levenswijze boven het bestaan van hunne stamgenooten te Ouchouaya, die huizen en akkers en tuinen bezitten, veel minder ontberingen kennen en tamelijk wel tegen honger gewaarborgd zijn, maar die daarentegen ook al de zorgen en beslommeringen ondervinden van het beschaafde leven en bovenal dag aan dag geregeld moeten arbeiden. Dit laatste is voor den wilde--en niet enkel voor den Vuurlander--een schier onoverkomelijk bezwaar. Daar de zorg voor den dag van morgen hem vreemd is, kan hij in den arbeid niets anders zien dan eene doellooze, ondragelijke slavernij, waaraan hij zich tot iederen prijs poogt te onttrekken. Het is volstrekt niets ongewoons, dat een inlander, die een of twee jaren te Ouchouaya heeft doorgebracht en door goed gedrag en ijverigen arbeid reeds een eigen woning en een akker verkregen, op een goeden morgen eensklaps verdwijnt, met achterlating van alles, om tot zijne vroegere levenswijze terug te keeren. Zal het gelukken, die diep ingewortelde neiging te overwinnen en de onrustige nomaden aan vaste woonplaatsen en geregelden arbeid te gewennen? Nog meer: zal ook hier de plotselinge, geheel onvoorbereide overgang van den laagsten trap der barbaarschheid tot de vormen en uiterlijke gewoonten en gebruiken eener hoog ontwikkelde beschaving geen verderfelijken invloed uitoefenen op de inlanders zelven, en zal men hen niet, als zoo vele stammen in Noord-Amerika en op de Zuidzee-eilanden, zien wegkwijnen en uitsterven? Reeds nu is de sterfte te Ouchouaya veel grooter dan elders.

III

Met groote spanning werd, ook aan de Oranjebaai, de zesde December tegemoet gezien. Dien dag zou de overgang plaats hebben van de planeet Venus langs de zonneschijf; en om dit verschijnsel goed waar te nemen, waren onder anderen uit Frankrijk, acht speciale missiën naar Amerika vertrokken. Uit een astronomisch oogpunt was de zuidelijke punt van den archipel van Kaap Hoorn zeker de meest geschikte plaats voor waarneming; maar men had dat punt niet durven opnemen onder de aanvankelijk uitgekozen stations, uithoofde van de zeer geringe kans op goed weer in de maand December. Om echter van de gelegenheid, indien zij zich toch mocht aanbieden, gebruik te kunnen maken, was de missie naar Kaap Hoorn voorzien van de noodige instrumenten, voor het gadeslaan van den overgang der planeet.

De zesde December was een regenachtige dag, en reeds des morgens hield men het voor onmogelijk, het verschijnsel van den overgang van Venus waar te nemen. Toch was op het bepaalde uur ieder op zijn post, bereid om de hem aangewezen taak te vervullen; en zie--op het juiste oogenblik helderde de hemel op en vertoonde zich de zon. De operatie gelukte zoo goed mogelijk, en er was dien dag feest in onzen kring.

Wij waren toen in het langst van de dagen, in het midden van den zomer van het zuidelijk halfrond. Maar aan Kaap Hoorn is er eigenlijk geen zomer, of althans geen warm jaargetijde. In December 1882, een der minst koude maanden van het jaar, was de temperatuur gemiddeld +7° 9; in Juni, dat wil zeggen in de koudste maand, daalde de thermometer niet beneden -2° 2. Hieruit blijkt, dat het grootste verschil van temperatuur niet meer dan even vijf graden bedraagt. Voornamelijk hieraan zal wel het mislukken van onze proeven van groenten-kultuur zijn toe te schrijven, waartoe trouwens ook de gesteldheid van den grond niet medewerkte. De bodem bestond toch hoofdzakelijk uit moeras of veen; en waar een dunne laag teelaarde gevonden werd, was de grond zoo doorwoeld met wortels, dat eene ontginning groote bezwaren opleverde: nog daargelaten dat ook deze terreinen zoo vochtig waren, dat wij diepe slooten moesten graven om het water af te voeren. Toch zochten wij in een naburig boschje een terrein van beperkten omvang uit, om daarop eene proef te nemen. Na den grond van wortels te hebben gezuiverd en om het terrein in het vierkant greppels te hebben gegraven, zaaiden wij daarop verschillende groenten: boonen, erwten, kool, salade, radijs, peterselie enz., maar geen van deze groenten bracht het tot rijpheid.

Toch verbouwt de honderd mijlen meer noordelijk gelegen engelsche missie, voor hare eigen behoefte, met vrij goeden uitslag, aardappelen, kool en wortelen, en hebben de inlanders vrij uitgestrekte moestuinen. Maar dit resultaat is niet verkregen dan ten koste van ontzaglijken arbeid voor de ontginning en de drooglegging van het terrein; daarenboven is de grond langs het Beagle-kanaal veel beter voor bebouwing geschikt dan aan de Oranjebaai.

Was de zomer niet gunstig voor onze kweekerij en bracht dit jaargetijde al haast evenveel dagen van regen, sneeuw en hagel als de winter, zoo droeg toch de lengte der dagen, de bloeitijd der planten, de betrekkelijke gemakkelijkheid van tochtjes en uitstapjes er toe bij, om ons de zomermaanden te doen waardeeren. In dezen tijd des jaars, gedurende de langste dagen, kwam de zon ten twee uren na middernacht op, en ging eerst ten tien uren 's avonds onder; en de korte tijd tusschen zons onder- en opgang was veeleer eene lange schemering dan een eigenlijke nacht.

Men kan zich moeilijk voorstellen, met hoeveel bezwaren het maken van uitstapjes en zelfs van eenvoudige wandelingen, in den omtrek van de Oranjebaai gepaard gaat. Nergens is een spoor van een weg of zelfs maar van een pad te ontdekken. Langs het strand is het eene opeenstapeling van rotsblokken en groote steenklompen, waartegen men met behulp van handen en voeten moet opklauteren, of waarlangs men zich moet laten afglijden. In het binnenland moet men zich al kruipend een weg banen door oerwouden in miniatuur, waar men elk oogenblik neerploft in uitgeholde, verrotte boomstammen, die met hun bekleedsel van mos en woekerplanten schijnbaar eene vaste oppervlakte vormen, maar bezwijken zoodra men er den voet op zet. Dan weer moet ge door poelen en moerassen waden of over dicht ineengestrengeld doornig kreupelhout loopen dat als een harnas den bodem bedekt. Geen wonder dan ook, dat wij onze meeste tochtjes te water maakten. Moesten wij echter het binnenland bezoeken of een berg beklimmen, dan schoot er niets anders over dan te voet te gaan, vergezeld van eenige matrozen, die de noodige levensmiddelen droegen, want op de Vuurlanders viel niet te rekenen: in den zomer na onze komst, die het meest geschikte seizoen was voor uitstapjes, waren wij nog niet met de inlanders op genoegzaam vertrouwelijken voet.

Een van onze belangrijkste voetreizen was die naar de Bourchierbaai, op de westkust van het schiereiland Hardy, alzoo aan den zoom van den Stillen-oceaan.

Den 25_sten_ Januari 1883, des morgens omstreeks vijf uren, vertrokken wij met prachtig weer, van de missie: wij waren met ons vijven, waaronder twee dragers, en richtten ons in rechte lijn naar het westen. Na eene korte halt halfweg, te midden van een bekoorlijk berkenboschje, kwamen wij ten elf uren aan de baai Bourchier. Wij hadden slechts tweehonderd el behoeven te stijgen, en de tocht had zich door geen enkel incident gekenmerkt. Toen wij naar het ruime, fraaie strand afdaalden, vonden wij stukken hout, half in het zand begraven en blijkbaar sedert lang aan weer en wind blootgesteld; bij nader bezien, bleken het overblijfselen van een schip, dat op deze onherbergzame kust was vergaan. En deze ontdekking was niet de eenige van dien aard: dikwijls genoeg vonden wij wrakhout langs het strand, als ten spot van den naam, dien de Oceaan hier draagt.

Deze weemoedige tropeeën der verdelging pasten overigens volkomen bij het woeste en toch grootsche voorkomen van dit onherbergzaam strand. Hier zoekt men te vergeefs naar sporen van menschelijke woningen: niets dan eene grillig gevormde kust, omzoomd door steile heuvelen met berken begroeid, die naarmate zij hooger groeiden, door den fellen wind meer naar het westen waren overgebogen; voorts bochtige, smalle kreeken, ingesloten tusschen hooge, loodrechte rotswanden, langs wier voet de golven klotsten en brandden: in een woord een grootsch, aangrijpend, wild landschap.

Wij besteedden den ganschen dag met het onderzoek van het terrein, van de geologische gesteldheid en formatie der rotsen en der vele kleine inhammen, die als het ware eene voortzetting van de baai en voor vaartuigen ontoegankelijk zijn. In een dezer kreeken vonden wij overblijfselen van een schip dat, voor zoo ver wij konden nagaan, eerst voor korten tijd hier schipbreuk had geleden: eene bijna ongeschonden ton, eene groote hoeveelheid rotting; in eene andere ontdekten wij een groot stuk hout, dat met beeld- en snijwerk was versierd, en blijkbaar tot den spiegel van een of ander schip had behoord.

Het was natuurlijk niet mogelijk, bij dezen en bij dergelijke tochten kampementsartikelen mede te nemen, waaraan wij anders wel behoefte hadden, voornamelijk aan eene tent, waarin wij konden overnachten. Wij trachtten nu in een klein boschje, op een der heuvelen langs de baai, eene hut te bouwen op de manier der inlanders. Men behoeft daartoe slechts eenige boomstammen af te kappen, die met het dikste einde in den grond te steken en met de punten naar elkander te buigen, zoodat aan den top van deze soort van loofhut eene kleine opening gelaten wordt. De inlanders zorgen steeds dat het vuur in hunne hutten brandende wordt gehouden; wij hadden ook gaarne vuur aangemaakt, maar wij zouden door den rook zijn gestikt; wij richtten dus naast onze hut een kleinen brandstapel op, die rook in overvloed gaf, maar geen warmte. Wij ondervonden hier op nieuw, hoe onbeholpen de beschaafde mensch is, als hij over geene andere hulpmiddelen kan beschikken dan die de natuur hem aanbiedt; de wilde weet zich daar vrij wat beter van te bedienen en overwint zonder eenige moeite allerlei bezwaren, waarvoor de wetenschappelijk ontwikkelde, fijn beschaafde blanke radeloos blijft staan.

Onze nacht was verre van aangenaam, maar duurde gelukkig kort: om drie uren was het klaar dag en daalden wij naar het strand af, waar wij verder den morgen doorbrachten. Na in eene kleine vallei tusschen de zandduinen te hebben ontbeten, aanvaardden wij omstreeks één uur de terugreis, nog steeds begunstigd door het heerlijkste weder; de warmte hinderde ons zelfs bij het beklimmen der heuvelen.

Het spreekt van zelf dat ik geen verslag kan geven van al onze tochtjes te land en te water in den omtrek van de Oranjebaai; slechts van een enkel watertochtje zal ik nog even spreken, om een denkbeeld te geven van dergelijke uitstapjes.

In den vroegen morgen van zaterdag, den derden Februari 1883, vertrokken twee leden van de missie, met den praeparator van het Museum, vier matrozen en een Vuurlander, Jonathan genaamd, die een weinig engelsch sprak, in eene sloep van de Oranjebaai. Wij zetten koers naar het noorden: ons doel was, zoo nauwkeurig mogelijk de oevers op te nemen van de Packsaddle-baai, de Tekinika-Sound en de Ponsonby-Sound. Wij hadden voor drie à vier dagen levensmiddelen bij ons; onze Vuurlander moest ons de noodige inlichtingen geven en ons als tolk dienen in het zeer waarschijnlijke geval dat wij inlanders zouden ontmoeten, die wij niet kenden.

Het weer was prachtig: er was geen wolkje aan den hemel te zien, en de zee was zoo glad als een spiegel. Omstreeks elf uur hielden wij stil om ons ontbijt te gebruiken op een klein steenachtig strand, in de Packsaddle-baai, tegenover het eiland van denzelfden naam. Even na den middag gingen wij weer aan boord en voeren langs de Tekinika-Sound, waarna wij herhaaldelijk aan land gingen om de rotsen te onderzoeken en fragmenten van den steen mede te nemen. Tegen den avond bereikten wij den ingang van Ponsonby-Sound, waar wij de sloep op den oever haalden en op het strand overnachtten, aan den voet van boschrijke heuvelen.

Den volgenden morgen ten zes uur werd de sloep weer in zee gelaten en voeren wij verder noordwaarts. Kort daarna, langs een eilandje varende, waar wij tusschen de rotsen verscheidene inlanders meenden te bespeuren, ontmoetten wij eene prauw vol Vuurlanders, die aanstonds onze aandacht trokken. Een hunner, een man van omstreeks veertig jaar, had zijn gezicht geheel zwart gemaakt; de anderen hadden ook zwarte strepen op hun gelaat, en allen hadden boven op het hoofd eene soort van tonsuur, waar het haar zeer kort was afgeknipt. Door tusschenkomst van Jonathan vroegen wij inlichting aan den man met het zwarte gezicht; en deze, Oufhtaradeka genoemd, deelde ons mede, dat allen in den rouw waren over zijne vrouw, die weinige dagen geleden gestorven was. Op mijn verzoek verklaarde de weduwnaar zich aanstonds bereid, mij naar het graf zijner vrouw te geleiden. Hij stapte mitsdien over in onze sloep, en bracht ons naar een klein eilandje in de nabijheid.

Het graf bevond zich nabij eene oude, onbewoonde hut, waarachter men tusschen de struiken het spoor van een pad zag. Op een hoogte van omstreeks zes el zag men een soort van kuil, omstreeks twee el lang en breed en twintig duim diep. De bodem bestond hier uit gruis van schelpen; de randen van den kuil waren geheel begroeid. Oufhtaradeka wees ons de plek waar zijne vrouw begraven lag. De bovenste laag schelpen werd weggeruimd; daaronder vonden wij eenige groene berkentakken, en vervolgens een soort van afdak van boomstronken en schors, waaronder het lijk lag, dat geheel gewikkeld was in oude kleeren, vermoedelijk van matrozen afkomstig, en die met een riem van robbevel om het lichaam waren vastgemaakt. De weduwnaar maakte dien riem los, en wij zagen nu het geheel naakte lijk eener jonge vrouw, die met de voeten naar het noorden lag en geen andere versierselen droeg dan een ring van robbevel om de enkels.

Juist toen ik mij gereed maakte eene fotografie van deze plek te nemen, verschenen drie prauwen met Vuurlanders, waaronder zich een zekere Athlinata bevond, van wien Jonathan bij herhaling gesproken had, als van iemand die een zeer grooten invloed uitoefende en die zijn persoonlijke vijand was. Naar Jonathan verzekerde, was Athlinata--een prachtexemplaar van een wilde, die tegenover ons eene bijna uitdagende houding aannam,--ook jegens de missie aan de Oranjebaai zeer vijandig gezind. Wij oordeelden het voorzichtiger van de voorgenomen fotografie af te zien, en scheepten ons weder in.

Tegenwind verhinderde ons verder noordwaarts te stevenen; ook maakten wij ons ongerust over de verhalen van Jonathan, die beweerde dat Athlinata van onze afwezigheid wilde gebruik maken om de missie aan te vallen. Wij besloten daarom terug te keeren, en brachten den nacht door in een der baaien van Ponsonby-Sound, op een verrukkelijk schoon strand, door bosschen omzoomd en bezet met eenige lichte, van boomtakken opgeslagen hutten. Den volgenden morgen voeren wij naar het eiland Packsaddle, waar wij te vergeefs naar robben uitzagen, die, toch zooals Jonathan verzekerde, hier zeer talrijk waren.

Na aan den ingang van de Tekinika-Sound te hebben overnacht, kwamen wij den volgenden morgen omstreeks acht uur aan de missie terug. De praatjes van Jonathan bleken ongegrond: onze achtergelaten landgenooten waren door niemand aangevallen of verontrust geworden.

VI

Ik acht het oogenblik gekomen om mijn lezers meer nauwkeurig bekend te maken met de inlanders, van wie ik tot hiertoe slechts in het voorbijgaan gesproken heb, en omtrent wie wij tot dusver niet dan onvolledige en onnauwkeurige berichten ontvingen. Wij hebben deze menschen zoo nauwkeurig mogelijk en geheel onbevooroordeeld bestudeerd, en ons best gedaan om zoo veel in ons vermogen was, ons te hoeden voor verkeerde oordeelvellingen en vergissingen, waaraan men bij de waarneming der zeden en gewoonten van een geheel wilden volksstam zoo licht blootstaat. Wat wij te zeggen hebben betreft uitsluitend de levenswijze der Vuurlanders: anthropologische en ethnografische kwesties blijven buiten bespreking. Wij zullen ons dus ook niet verdiepen in de vraag, van waar deze eilanders afkomstig zijn, en of zij inderdaad, zoo als men gezegd heeft, zijn te beschouwen als de verbasterde overblijfselen van een amerikaansch volk, dat door overmachtige vijanden verdreven en naar dezen uithoek der wereld terug gedrongen zou zijn.

Onder den naam van Vuurlanders verstaan wij thans alleen de bevolking van den archipel van Kaap Hoorn. Het is duidelijk, dat de twee andere stammen, die de landen in den omtrek van de Straat van Magelhaens bewonen, de Alakalouf op de westkust, en de Ona in het eigenlijke Vuurland, evenzeer aanspraak op den naam van Vuurlanders hebben; maar daar wij met deze stammen niet in aanraking zijn geweest, kunnen wij ook niet van hen spreken.

De Vuurlander van de Oranjebaai en de omstreken van Kaap Hoorn woont van alle ons bekende menschenrassen, het dichtst bij de zuidpool, al is hij daarvan nog door eene wijde zee gescheiden. Hij behoort tot den stam der Tekinika, volgens Fitz-Roy, of der Yaghane, volgens de tegenwoordige engelsche zendelingen. Al wat de eerste reizigers, die hen voor ruim anderhalve eeuw bezochten, van de inlanders verhalen, is nog volkomen waar. Alleen zijn die berichten onvolledig, en verdiepen de schrijvers zich vaak in gissingen, verklaringen en theorieën, waarvan de onhoudbaarheid thans algemeen erkend wordt.

De Vuurlander van Kaap Hoorn heeft niet, als de bewoner der noordelijke streken, weten gebruik te maken van hetgeen zijn land hem kon aanbieden om zijn leven te veraangenamen. Hij heeft noch kleeding, noch huis, noch voorraad. De robbehuid of de mantel van aan elkaar gehechte kleine ottervellen, die hij over de schouders werpt om zich eenigermate tegen de kou te dekken, kan kwalijk den naam van kleedingstuk dragen. De loofhut, die hij binnen een paar uren aan den oever opricht, om daarin naast het vuur neergehurkt, te overnachten, heeft niets gemeens met een huis, hoe eenvoudig ook. Hij leeft weken lang van het vleesch van walvisschen of robben, maar denkt er niet aan om het te bewaren of er een voorraad van te verzamelen. Daar deze levenswijze dubbel vreemd schijnt in een koud land, waar de gemiddelde temperatuur niet hooger is dan 5° (7° 17 in den zomeren 3° 56 in den winter), is eene nadere toelichting niet overbodig.

Kleeding, in den gewonen zin van dat woord, kent, zoo als ik zeide, de Vuurlander niet. De vrouwen alleen dragen iets, dat men een kleedingstuk zou kunnen noemen, namelijk een driekant lapje van ottervel, zoo groot als een hand, dat aan een dunnen riem tusschen de dijen hangt, en dat zij nooit afleggen. Ik moet evenwel hierbij voegen, dat het besef van kuische schaamte hun niet vreemd is, vooral niet aan de vrouwen, zoo als ik meermalen in de gelegenheid was op te merken. De jonge meisjes maken met een soort van wit krijt strepen op haar gelaat: dat is haar eenige koketterie.

De Vuurlanders bewonen nooit dan zeer tijdelijk dezelfde hut: het is dus niet vreemd, dat zij niet veel arbeid besteden aan een verblijf dat zij na weinige dagen, misschien zelfs reeds den volgenden morgen, weer zullen verlaten. Eenige zware takken of boomstammen, zoo in den grond gestoken dat zij elkander van boven raken; enkele handen vol bladeren om de opengebleven gaten zoo goed mogelijk dicht te stoppen: ziedaar de bouwstoffen voor eene vuurlandsche hut. De grond daarbinnen wordt haastig plat getrapt, om daarop het vuur over te brengen en te onderhouden, dat in de prauw brandde: en de woning is gereed. Somwijlen hebben wij grooter en beter tegen den regen gedekte hutten gezien, maar de constructie is altijd dezelfde. Daarentegen zijn er ook familiën, voor wie zelfs zulk eene hut nog te veel is, en die zich eenvoudig aan den voet van eene rots legeren, rondom een vuur, dat de wind en de regen telkens dreigen uit te blusschen. Bedden, in welken vorm ook, zijn ten eenemale onbekend: de Vuurlander slaapt op den blooten grond, hoogstens met wat gras of bladeren bedekt.