Een Jaar aan Kaap Hoorn De Aarde en haar Volken, 1886

Part 1

Chapter 1 3,629 words Public domain Markdown

Produced by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team

EEN JAAR AAN KAAP HOORN.

Door Doctor Hijades.

Op verschillende internationale bijeenkomsten, die het eerst in 1879 te Hamburg, vervolgens te Bern en te Sint-Petersburg werden gehouden, werd een programma besproken en vastgesteld voor eene reeks van waarnemingen en onderzoekingen, die te gelijker tijd, op daartoe aangewezen punten van de poolstreken zouden geschieden, met het doel om gedurende een geheel jaar de magnetische en meteorologische verschijnselen te bestudeeren. Nadat de meeste regeeringen hare goedkeuring aan dat programma hadden gehecht, werden veertien stations aangewezen, waarvan twaalf rondom de Noordpool en de IJszee, en slechts twee zoo dicht mogelijk bij de Zuidpool; en wel een in Nieuw-Zuid-Georgië, dat van wege Duitschland zou worden bezet, en een aan Kaap Hoorn, dat aan Frankrijk werd toegewezen.

De waarnemingen moesten een geheel jaar duren, van 1 September 1882 tot 1 September 1883. Al deze verschillende missiën hebben de haar aangewezen taak volbracht; en hoe treurig ook de afloop mocht zijn van de amerikaansche expeditie onder luitenant Greely, die haar standplaats had op het fort Conger aan de Lady-Franklinbaai, en die van de vijf-en-twintig personen er achttien door den dood verloor,--toch werden alle dokumenten door deze ongelukkigen opgesteld en bijeengebracht, behouden en ter beschikking gesteld van de amerikaansche regeering.

Behalve de speciale studie van de meteorologie en van het aardmagnetisme, was ook aan iedere missie een zeer uitgebreid programma voorgeschreven van sterrekundige waarnemingen en van onderzoekingen op het gebied der natuurlijke historie: zoölogie, botanie, geologie. De vijf leden van de fransche missie wijdden verscheidene maanden aan voorbereidende studiën , om zich geheel op de hoogte te stellen van de taak, die aan ieder meer bijzonder was toevertrouwd. Er moest ook voor woningen worden gezorgd, en men besloot, te Parijs houten hutten of barakken te laten maken, volgens een bepaald plan gebouwd, en die zonder moeite uit elkander genomen en weder opgezet konden worden.

Een rijksvaartuig, de _Romanche_ onder bevel van den kapitein ter zee Martial, die tevens met de opperste leiding der expeditie was belast, moest het personeel en het materieel der missie overbrengen. Gedurende het jaar, dat de missie aan Kaap Hoorn heeft doorgebracht, hebben de officieren van de _Romanche_, die voor dezen tocht bepaaldelijk waren uitgekozen, zich onledig gehouden met het doen van hydrografische waarnemingen en het in kaart brengen van de eilandengroepen ten zuiden van Vuurland; bovendien heeft de _Romanche_ van alle door haar bezochte streken belangrijke collectiën op het gebied der natuurlijke historie medegebracht, en op haar terugkeer peilingen gedaan.

Het belang der wetenschap stond bij deze geheele expeditie natuurlijk op den voorgrond: de romantische en pittoreske zijde der reis moest noodwendig op den achtergrond treden. Het ligt dan ook niet in mijn plan, de expeditie bij de vervulling harer taak dag voor dag te volgen. Maar afgescheiden van zuiver wetenschappelijke kwesties, waarvan de behandeling niet te dezer plaatse behoort, kwam het mij voor, dat een beknopt verhaal van de lotgevallen der missie, sedert haar vertrek uit Frankrijk tot haar terugkomst, ook voor niet wetenschappelijk gevormde lezers eenig belang kon hebben. Ik zal mij daarbij hoofdzakelijk bepalen tot ons verblijf onder de Vuurlanders.

De _Romanche_ vertrok van Cherbourg den zeventienden Juli 1882; den vijfden September daaraanvolgende, des namiddags ten half vijf, voer zij de straat van Lemaire binnen; in den namiddag van den volgenden dag wierp zij het anker uit in de Oranjebaai, aan de oostkust van het schiereiland Hardy, deel uitmakende van het eiland Hoste, ten zuiden van Vuurland, op 55° 31' zuiderbreedte en 70° 25' oosterlengte.

I

De Oranjebaai, die in April 1830 door Robert Fitz-Roy, en in Februari 1839 door den Amerikaan Wilkes was bezocht en beschreven, scheen eene geschikte gelegenheid aan te bieden voor de vestiging van onze missie, en was dan ook als zoodanig aangewezen, tenzij onvoorziene omstandigheden onze installatie daar ter plaatse onmogelijk mochten maken: in dat geval moesten wij een geschikter plek opzoeken op het in de nabijheid gelegen eiland Hermitte.

Zoodra de _Romanche_ het anker had uitgeworpen, was dan ook ons eerste werk aan land te gaan, om eene geschikte plaats voor onze nederzetting op te zoeken. Wij behoefden onze eischen niet hoog te stellen: een vlak terrein, waarop wij onze barakken konden opslaan; voorts de nabijheid van eene rivier of althans van drinkbaar water; eindelijk eene geschikte aanlegplaats voor de sloepen die ons materieel aan wal moesten brengen en later, bij den terugkeer van de _Romanche_, onze gemeenschap met het schip moesten verzekeren. De eerste van deze drie voorwaarden bleek niet voor vervulling vatbaar. Overal waar zich een vlak terrein bevond, was de grond zoo drassig, dat het zeer moeilijk viel daarop te loopen; wij moesten dus een hooger terrein kiezen, waar wij de hutten boven elkander zouden kunnen plaatsen, hetzij op natuurlijke terrassen, hetzij op kunstmatige platformen van boomstammen. Wij aarzelden aanvankelijk in de keus tusschen een landpunt, later Pointe Lephay genoemd, en een kleinen heuvel een weinig ten noorden van die landpunt. Ten slotte kozen wij dit laatste punt, vooral van wege de onmiddellijke nabijheid van eene rivier; en in den vroegen morgen van den achtsten September begonnen de werklieden der missie, bijgestaan door eene talrijke afdeeling matrozen van de _Romanche_ het terrein te ontginnen: welke arbeid de volgende dagen ijverig werd voortgezet.

Den zes-en-twintigsten September 1882 werden de eerste waarnemingen gedaan, die gedurende een geheel jaar onafgebroken moesten worden voortgezet. Eigenlijk hadden zij reeds op den eersten September moeten beginnen; maar wij waren eerst op den zesden aangekomen, en de sedert verloopen twintig dagen waren volstrekt noodig geweest voor onze installatie. Het met dicht kreupelhout en struikgewas begroeide terrein moest worden gezuiverd en geëffend, waarbij op sommige plaatsen de rots moest worden afgehakt. Nadat de barakken waren opgeslagen, moesten de wanden en de zoldering van binnen met een laag vilt, en de vloer met linoleum worden bekleed, om zoo veel mogelijk de koude en de vocht af te weren.

Met de onderzoekingen betreffende de natuurlijke historie was aanstonds een aanvang gemaakt; evenzoo hadden wij al dadelijk kennis kunnen maken met de inboorlingen. Reeds den volgenden dag na onze aankomst in de Oranjebaai waren verschillende prauwen van boomschors naar het schip gekomen; de inboorlingen vroegen om levensmiddelen en voornamelijk scheepsbeschuit, en boden in ruil daarvoor eenige produkten hunner kinderlijke nijverheid aan, zoo als halskettingen van beenderen of schelpen, beenen punten van harpoenen en dergelijken. Deze Vuurlanders schenen in het minst niet ongerust of verbaasd over onze verschijning: veel meer trachtten zij zoo veel beschuit, brood of andere spijzen te krijgen als maar mogelijk was. Zij vroegen noch om brandewijn, noch om tabak, waarmede zij waarschijnlijk geheel onbekend waren; oude kleeren namen zij ook gewillig aan, maar toch was het hun hoofdzakelijk om eetwaren te doen.

Het is niet gemakkelijk, met juistheid den eersten indruk weer te geven, dien de verschijning van deze inboorlingen op ons maakte. Naar het scheen zonder eenig wantrouwen of vrees te koesteren, kwamen zij ons bezoeken of liever om voedsel vragen, in hunne kano's van boomschors, allen, mannen en vrouwen, ouden en jongen, geheel naakt of hoogstens bekleed met een stuk otter- of zeehondenvel, dat over hunne schouders was geworpen. Gedurende onzen overtocht hadden wij alles gelezen wat vroegere zeevaarders, zoo als Weddell, Fitz-Roy, Darwin, Wilkes, over de bewoners van Vuurland geschreven hadden; wij wisten dus dat zij, naar de eenstemmige verklaring van al deze schrijvers, ongeveer op den allerlaagsten trap van menschelijke ontwikkeling staan. Zoodra wij de Vuurlanders zagen, meenden wij hen dan ook te kennen, en zochten wij reeds naar de voornaamste karaktertrekken, door de vroegere onderzoekers aangewezen. Onze verrassing was dus minder groot dan zij anders geweest zou zijn; vooral verwonderde het ons dat wij geen woord van hunne taal verstonden, hoewel wij ijverig de woordenlijst van Fitz-Roy en de taalkundige mededeelingen van andere schrijvers hadden bestudeerd. Het eenige woord dat wij verstonden was het woord _beschuit_, dat zij _biskit_ of _biskir_ uitspraken en dat als in hun mond bestorven lag. Pogingen om uit te maken met welken stam wij eigenlijk te doen hadden, waren aanvankelijk ten eenemale vruchteloos.

Eerst den volgenden dag, nadat wij de inboorlingen bij herhaling in hunne hutten hadden bezocht en nauwkeurig gelet op een zeker aantal woorden, die zij telkens gebruikten, kwamen wij tot de zekerheid dat de aan de Oranjebaai gevestigde stam dezelfde was, waaraan Fitz-Roy den naam van Tekinika geeft. Onze eerste gesprekken met deze inboorlingen werden grootelijks vergemakkelijkt omdat een hunner eenige woorden engelsch verstond en sprak. Hij zeide Jack te heeten, had eene vrouw en twee kinderen bij zich en had in zooverre iets voor boven zijne stamgenooten, dat hij een mondvol engelsch verstond; voor het overige verkeerde hij in even ellendigen toestand als alle anderen. Hij ontving ons in zijne hut met de grootst mogelijke koelheid; hij antwoordde vrij vlug op de eerste vragen die wij tot hem richtten, maar bleef weldra hardnekkig zwijgen, hetzij uit vermoeidheid, hetzij uit wantrouwen, of om welke reden ook. Over het algemeen was er een merkwaardig verschil tusschen de manier van doen van deze Vuurlanders, als zij in hunne prauwen langs de _Romanche_ dobberden, en als wij hen aan land in hunne hutten bezochten. Op het water schenen zij in hun element; zij waren dan vroolijk en opgewekt, praatziek en familiaar tot lastig wordens toe; aan land daarentegen was hunne houding wel niet vijandig, maar toch teruggetrokken, wantrouwend, gedwongen, als van lieden wien het hindert door vreemden bespied te worden. Verschillende redenen kunnen ter verklaring van deze handelwijze der Vuurlanders worden aangewend. Op zee gevoelen zij zich veiliger; kwam er eene botsing, dan konden zij zich dadelijk met hunne prauwen uit de voeten maken; bovendien was bij hunne bezoeken aan de _Romanche_ hun eigenbelang in het spel en deden zij zich zoo gunstig mogelijk voor, om spijzen te krijgen, waarnaar zij zoo vurig verlangden. Toen zij zagen dat wij ons aan land kwamen vestigen, zonder dat zij vermoeden konden wat ons doel was, was het vrij natuurlijk dat zij zich over onze verschijning op hun eigen grondgebied ongerust maakten en van onze tegenwoordigheid niets dan overlast vreesden. Dit zijn echter slechts onderstellingen: zij hebben hunne gevoelens nooit uitgesproken, en zij bezitten in hooge mate het vermogen om hunne gewaarwordingen te verbergen en daarvan niets op hun onbewegelijk gelaat te laten blijken.

Op Zondag, 1 October 1882, omstreeks vier uren in den namiddag, liep een amerikaansche schoener de Oranjebaai binnen, en wierp het anker uit tegenover de missie, naast de _Romanche_. Dit schip, dat jaarlijks deze zeeën bezoekt om robben te vangen, verschijnt dan in den regel in de Oranjebaai, om water in te nemen en zich van brandhout te voorzien. De gezagvoerder had te Punta Arénas, in de straat van Magelhaens, hooren spreken van de voorgenomen vestiging eener fransche missie aan de Oranjebaai, en kwam nu de hulp van onzen geneesheer inroepen voor een zijner matrozen, die ernstig ziek was.

De schoener heette de _Thomas Hunt_; in vijf dagen had de bemanning, bij de Diego-Ramirez-eilanden en vooral op het eiland Ildefonso, ongeveer driehonderd robben gedood; het hoogste cijfer der op een dag gedoode dieren was ditmaal zeventig geweest. Een paar jaren geleden, had men op een dag vijfhonderd robben gevangen. De robben worden, als zij aan land zijn, omsingeld en dan doodgeschoten, somwijlen ook doodgeslagen; de zeer jonge dieren blijven gespaard, maar alle anderen, mannetjes en wijfjes zonder onderscheid, gedood. De bemanning van de _Thomas Hunt_ bestond uit acht-en-twintig koppen, en er waren zeven geweren aan boord. Men doodt de robben enkel om hun vel; zoodra zij aan boord zijn gebracht, wordt hun het vel afgestroopt, waarna de lichamen in zee worden geworpen. De huid wordt, na ingezouten te zijn, naar Engeland verzonden om daar bewerkt te worden; zij levert eene bekende en zeer gezochte soort van bont op.

De gezagvoerder van de _Thomas Hunt_ was nu reeds gedurende zeven jaren ter robbenvangst gevaren. Hij verklaarde dat die vangst steeds minder voordeelen opleverde en dat het getal dezer robben snel afnam: hetgeen inderdaad niet te verwonderen is bij de ruwe, moorddadige wijze waarop de jagers te werk gaan! Er behoort in waarheid eene groote mate van avontuurlijken zin en liefhebberij voor het vak toe, om het beroep van robbenjager te kiezen, dat tegenwoordig maar eene zeer geringe winst oplevert. Het leven toch dezer robbenvangers is alles behalve gemakkelijk of aangenaam. Hun voedsel bestaat, voor het grootste gedeelte, uit het vleesch der pingouins, die zij dooden of levend vangen; de kapitein van de _Thomas Hunt_, die zich ook daarmede tevreden moest stellen, verklaarde mij echter dat dit vleesch zeer goed smaakte. De robbenjagers brengen echter niet hun geheelen tijd aan boord door. Op hun schip zijn zij aan tallooze gevaren blootgesteld; maar nog veel erger is hun toestand, wanneer zij, in het belang van de jacht, op een of ander onbewoond eilandje moeten achterblijven en daar gedurende weken of maanden op de terugkomst van hun schip wachten. Blijft dan het schip langer weg dan waarop gerekend was, dan zijn de achtergeblevenen aan de grootste ellende ter prooi. De kapitein van de _Thomas Hunt_ had, voor zijne aankomst in de Oranjebaai, op het eiland Diego-Ramirez acht mannen gevonden, die door eene amerikaansche goëlet daar waren achtergelaten om robben te vangen en van levensmiddelen voor drie maanden voorzien, maar die nu reeds sedert vier maanden op de terugkomst van hun schip wachtten. Hun voorraad was geheel opgeteerd: zij hadden geen ander voedsel dan de vogels, die het hun van tijd tot tijd gelukte te vangen. De _Thomas Hunt_ had deze ongelukkigen opgenomen en hen naar het Beagle-kanaal, naar Ooshooia, gebracht, waar zij aan de verzorging van de protestantsche zendelingen waren overgelaten.

Weldra zouden wij zelven met deze zendelingen in aanraking komen: tot onze groote verwondering zouden wij in dit wilde, onherbergzame land, aan den uitersten uithoek der wereld, beschaafde mannen vinden, sedert lange jaren hier gevestigd.

II

In den morgen van den elfden November 1882 wierp eene goëlet, die de engelsche vlag voerde, het anker uit tegenover onze hutten. Onze eerste gedachte was, dat wij ook nu weder te doen hadden met een robbenjager, die hetzij uit nieuwsgierigheid, hetzij om onze hulp in te roepen, ons een bezoek kwam brengen. Deze onderstelling bleek evenwel onjuist: eene van het schip afgezonden sloep naderde snel onze kleine aanlegplaats: zij bevatte twee passagiers, waarvan de een de gezagvoerder van het schip moest zijn, terwijl de ander geheel het voorkomen had van een engelsch geestelijke. Eenige minuten later zetten die heeren voet aan wal, en stelden zich zelven voor: de een was kapitein Willis, gezagvoerder van de goëlet _Allan Gardiner_, in dienst van den protestantschen zendingspost in Vuurland; de ander was de directeur (superintendent) van dien post, de reverend Thomas Bridges.

Voor ons vertrek uit Frankrijk droegen wij kennis van het bestaan dezer missie: de post is aangewezen op de kaarten van het zuidelijk deel van Vuurland; wij wisten dat wij in geval van nood daar hulp konden gaan vragen, en dat de zetel der missie te Ooshooia of Ouchouaya was, ongeveer honderd kilometers ten noorden van de Oranjebaai. Daartoe bepaalde zich onze kennis van dezen zendingspost.

De heer Bridges deelde ons dadelijk het doel van zijne komst mede. Van den kapitein van de _Thomas Hunt_ vernomen hebbende, dat zich aan de Oranjebaai eene fransche wetenschappelijke missie bevond, waaraan ook een geneesheer verbonden was, kwam hij ons verzoeken, te Ouchouaya een onderzoek in te stellen naar eene hevige epidemische ziekte, die sedert het begin van het jaar onder de protestantsche missie woedde. Een aantal Vuurlanders waren door die moorddadige epidemie aangetast, en al de aangetasten waren na verloop van hoogstens vijf of zes weken bezweken; de inlanders waren als door een panischen schrik bevangen, en het engelsche personeel van de missie begon evenzeer te vreezen voor de besmetting eener ziekte, waartegen geen geneesmiddelen iets hadden gebaat. Men moet evenwel niet vergeten, dat eigenlijke geneeskundige hulp te Ouchouaya niet kon worden verleend, want in de omstreeks vijftien jaren dat de kleine engelsche kolonie daar gevestigd was, had zij nog nooit een dokter gezien.

Het spreekt van zelf dat het verzoek van den heer Bridges onmiddellijk werd ingewilligd; bij gemis van nauwkeurige inlichtingen omtrent den aard en den gang der epidemische ziekte die onder de Vuurlanders in zijne omgeving woedde, was het volstrekt noodig, de patiënten zelven te zien; bovendien waren er onder de gezinnen der zendelingen velen lijdende, die zeer gaarne een geneesheer zouden raadplegen. Dien eigen avond vertrok ik met den heer Bridges aan boord van de _Allan Gardiner_. Het was een heerlijk schoone avond, toen wij koers zetten naar het noorden; den volgenden dag was het weer niet minder mooi, maar daar de wind in den namiddag geheel ging liggen, moest de goëlet overnachten in een kleinen inham, nabij het Beagle-kanaal, niet ver van den engelschen zendingspost. Den dertienden November verlieten wij des morgens ten negen uren onze ankerplaats, en kwamen twee uren later te Ouchouaya.

Op het eerste gezicht maken zij een treurigen, weemoedigen indruk, die weinige engelsche huizen, waarvan al de materialen uit Europa zijn aangevoerd, daar als neergeworpen in die doodsche sombere wildernis, aan dien verloren uithoek der wereld; die eenvoudige huizen, ten verblijve strekkende aan de gezinnen der zendelingen, waarvan velen kleine kinderen hebben, die nooit een ander vaderland hebben gekend. En die indruk wordt er niet beter op als men aan land gaat en de inboorlingen ziet, natuurlijk minder wild dan in de omstreken van Kaap Hoorn, behoorlijk gekleed, eigenaars van betrekkelijk goed ingerichte hutten, somtijds zelfs van netjes onderhouden tuinen; maar desniettemin volstrekt niet gelukkiger dan de naakt loopende Vuurlanders, die in volle vrijheid met hunne prauwen op de zee rondzwerven om hun dagelijksch brood op te sporen. Men zou hier inderdaad belangrijke vergelijkende studiën kunnen maken over de gevolgen van deze proeven van beschaving op volksstammen in volkomen staat van wildheid levende. Is zulk een overgang inderdaad voor hen eene weldaad? De vraag mag worden gedaan, zonder iets af te dingen op den lof en de bewondering, die het streven verdient van de engelsche missie, wier geschiedenis ik hier kortelijk zal mededeelen.

In 1850 besloot Allan Gardiner, kapitein bij de koninklijke engelsche marine, naar Vuurland te gaan om te onderzoeken wat er geworden was van de inlanders, die in 1832 door Fitz-Roy naar Engeland waren overgebracht en twee jaar later weer naar hun vaderland teruggevoerd. Gardiner meende, dat het onvergefelijk zou zijn, zich verder niet met deze wilden te bemoeien, en de kiemen van beschaving en christelijk geloof, door de Vuurlanders van Fitz-Roy onder hunne stamgenoten overgebracht, te laten versterven. In 1850 vertrok hij uit Engeland, met den heer Williams, geneesheer-zendeling, den heer Maidment, architekt, en vier visschers van Cornwallis. In Vuurland aangekomen, verlieten zij hun schip, en gingen over in kano's, waarmede zij naar eene baai op het eiland Navarin wilden varen, waar zij onderstelden dat een der Vuurlanders van Fitz-Roy, die dus engelsch verstond, woonde. Op dien tocht landden zij aan eene vlakte, waar de inlanders hen zoo vijandig ontvingen en eene zoo dreigende houding aannamen, dat zij genoodzaakt waren, zich spoedig weder in te schepen. Een hevige storm veroorzaakte daarop groote schade aan hunne kano's, waarvan een zelfs geheel verloren ging. Van hunne vaartuigen beroofd, namen zij nu de wijk in een verlaten kreek, ten zuiden van Vuurland, waar zij, blootgesteld aan de hevige koude en met een geringen voorraad van mondbehoeften, van week tot week uitzagen of niet een voorbijvarend schip hen redden zou. Naarmate de voorraad slonk, werden zij ziek en stierven allen, een voor een, den verschrikkelijksten hongerdood. Eenigen tijd daarna vond men hun dagboek, waarin men het eenvoudig, hartroerend verhaal van hun lang martelaarschap kon lezen tot op den laatsten levensdag van den laatst overgeblevene, kapitein Gardiner.

In 1854 werd de _Allan Gardiner,_ in Engeland voor rekening van het Genootschap voor de zending in Zuid-Amerika gebouwd, naar Vuurland gezonden. Men koos een van de Falklandseilanden, het eiland Keppel, om daar een post te vestigen, waarheen men de Vuurlanders, die geneigd schenen het Christendom aan te nemen, zou overbrengen om verder hunne opvoeding te voltooien. In 1858 werden, onder leiding van den heer Pakenham Despard, de eerste Vuurlanders naar die missie gebracht: het waren Jemmy Button, een van de Vuurlanders van Fitz-Roy, met zijne familie; voorts drie volwassen paren en twee jonge knapen.

Meenende nu het vertrouwen van de Vuurlanders gewonnen te hebben, achtten de zendelingen in 1859 het oogenblik gekomen om zich in het land zelf dier wilden te gaan vestigen. Onder leiding van den heer Philips en van kapitein Fell van de _Allan Gardiner,_ begaven zij zich dus naar Woollya, op de kust van het eiland Navarin, waar zij aanvankelijk goed werden ontvangen. Maar eenige dagen later, op Zondag, 6 November 1859, terwijl zij godsdienstoefening hielden in eene tot kapel ingerichte hut, werden zij door de inlanders overvallen en allen vermoord. Deze ramp verdoofde evenwel den moed niet van de zendelingen, die op het eiland Keppel waren achtergebleven. Een vaartuig, uitgezonden om te ontdekken wat er van hunne ongelukkige broeders geworden was, keerde terug met den jongen Vuurlander Okokko, die geen deel aan den moord had genomen, maar ook niet bij machte was geweest om dien te verhinderen. Hij was vergezeld van zijne vrouw, en van hem leerden de overgebleven zendelingen de vuurlandsche taal, waarin met name de heer Bridges, de tegenwoordige directeur der missie, die zich in 1802 op het eiland Keppel bevond, snelle vorderingen maakte.

In 1863 keerde de _Allan Gardiner_, die naar Engeland was geweest om gekalefaterd te worden, naar het eiland Keppel terug met den reverend Stirling; aanstonds werden nu op nieuw betrekkingen aangeknoopt met de bewoners van Vuurland zelf. Deze wilden waren ten hoogste verbaasd toen zij bespeurden dat de blanken er niet aan dachten, wraak te nemen over den voor weinige jaren gepleegden moord aan de zendelingen, wier lijken werden teruggevonden en den 11_den_ Maart 1864, met groote plechtigheid te Woollya begraven. Sedert dien tijd bracht men naar de Falklandseilanden een vijftigtal Vuurlanders, bij groepen van acht of tien te gelijk; zij ontvingen daar eenig onderricht, waarna zij naar hun land terugkeerden en hunne oude zwervende levenswijze hervatten.