Een Heldin

Part 8

Chapter 8 4,064 words Public domain Markdown

Toch ging dit alles niet zoo gauw of Miss Rench, de "spion", was er achter gekomen. Hoe zij het te weten kwam en dat nog wel zoo spoedig, terwijl zij, naar Hedwig stellig meende, niet in de gang was, bleef altijd een raadsel, maar een feit is het dat Taffy nog maar juist met hare kolen de kamer van de directrice binnen gegaan was, toen deze reeds, gevolgd door Miss Rench, naar buiten kwam stuiven op Mary Wren af, haar onzacht bij den arm greep en zoo meesleurde naar de schoolkamer, waar deze stoornis algemeene ontsteltenis te weeg bracht.

"Ondeugend nest! Ik zal jou leeren te snoepen, ergerlijk te snoepen en anderen te bederven door haar eten in den mond te stoppen. Wat heb jij Taffy gegeven, zeg?"

Maar Mary Wren zag doodsbleek van schrik en kon niet antwoorden.

"Nu, voor den dag ermee als 't je blieft en dadelijk."

Nu bracht Mary Wren het er haperend uit.

"Wat?" gilde Miss Wells driftig en met de hand aan haar oor. "Ik versta je niet." Toen tot Miss Rench, die met een hatelijken glimlach op haar gezicht stond toe te luisteren: "Wat zegt ze?"

"Zij had chocolade in haar zak," riep Miss Rench schamper.

"Wat! Chocolade! Hoe komt ze daaraan? Er mag hier op school niet gesnoept worden, dat weet zij heel goed. De kinderen krijgen meer dan genoeg te eten...."

Hedwig's oogen schoten vonken; toch hield zij zich bedaard.

"_Ik_ heb Mary de chocolade gegeven," zei ze luid en op kalmen toon. "Ik had die in mijn koffer en gekregen van een vroegere leerling...."

"O zoo," viel Miss Wells uit de hoogte in. "Heb dan de goedheid er voortaan aan te denken dat het tegen de wetten van het huis is de meisjes snoepgoed te voeren. En wat Mary Wren betreft, die weet opperbest dat zij iets gedaan heeft, dat streng verboden is en dat zij straf verdiend heeft. Och Miss Rench, wees zoo goed dit meisje eens gehoorzaamheid te leeren; de gewone straf als 't je blieft."

Miss Rench trad met zekere gretigheid naderbij, nam op hare beurt Mary bij den arm, trok haar mee naar een der leege schoolbanken en dwong haar, in een zeer ongemakkelijke, sterk gebogene houding, onder die bank te gaan zitten. Toen liep zij naar een kast, haalde er een stapel oude cahiers uit en gebood Mary deze tot kleine snippers te verscheuren.

Zonder een enkel woord van tegenwerping, deed Mary wat van haar verlangd werd en met een hart vol bitterheid zag Hedwig toe hoe zij, steeds meer kuchend in hare lastige houding, het eene schrift na het andere tot snippers scheurde en deze op stapeltjes legde. Later hoorde zij van Miss May dat het zulke snippers waren, door menige, menige leerling in "straftijd" vermeerderd, die tot vulling der bedkussens dienen moesten.

Zij begreep dat het haar niets baten zou, al verzette zij zich nog zoo sterk tegen deze wijze van strafgeven en hare machteloosheid drukte haar als een ondragelijke last. Als bij ingeving voelde zij ook dat slechts enkele onderwijzeressen, waaronder Miss May, haar verontwaardiging deelden en wat konden zóó weinigen tegenover zoo velen?

Het mocht echter niet langer zoo blijven, besloot ze vast bij zichzelf; er _moest_ verandering komen en zeer spoedig ook. Zij zou, zoodra ze maar kon, een brief aan de barones von Zercläre schrijven en haar om raad en hulp vragen.

Zoodra ze maar kon ... de gelegenheid tot schrijven deed zich echter niet eerder voor dan den tweeden daarop volgenden Zondag, toen haar eindelijk als een gunst werd toegestaan, een uurtje voor zichzelf te gebruiken. Evenals den vorigen Zondag, had zij 's ochtends een troepje kinderen vergezeld naar de kerk. Heden hadden zij den dienst bijgewoond in de prachtige kathedraal en met hare geheele ziel had zij geluisterd naar een bemoedigende preek over: "_Weest in geen ding bezorgd_"[5] en naar het schoone koorgezang, dat haar onuitsprekelijk verkwikt had.

In een werkelijk opgewekte stemming kon zij--voor 't eerst na haar komst te Chester,--een brief naar huis schrijven. Tot hiertoe had zij slechts een paar briefkaarten kunnen zenden en een lange brief werd het ook thans niet, omdat haar tijd kostbaar was en zij volstrekt ook nog aan de barones schrijven wilde; toch vertelde zij allerlei over Chester en over de liefde der kinderen, die nu reeds--evenals vroeger Tieka!--een naampje voor haar hadden bedacht en haar "Flinkie" noemden;--over de inrichting der school en de armoede en koude, die er geleden werden, zweeg zij. Waarom zou zij haar moeder en Clärchen met een beschrijving daarvan verontrusten? Er zou toch zeker spoedig verandering in de toestanden op Hill House komen, als de barones von Zercläre maar eerst goed op de hoogte was gebracht en dàn zou het tijd genoeg zijn, haar moeder eens te vertellen, hoe het er hier vroeger had uitgezien.

Zij toonde zich den naam "Flinkie" waardig, terwijl zij den gewichtigen brief aan de barones schreef, want in flinke, veelzeggende taal vertelde zij het voornaamste en vroeg om raad. Toen ze den brief verzonden had, voelde zij zich verlicht; het was heerlijk dat zij nu eindelijk eens iets _gedaan_ had! Ze zou nu moedig het antwoord der barones afwachten en dan ... ja, wat er dan precies gebeuren moest, was haar nog niet recht duidelijk, maar al mocht de barones zich soms koud en onverschillig toonen, _dit_ zou toch indruk op haar maken, hier zou zij wenschen te helpen, daarvan was Hedwig bepaald overtuigd.

Doch het antwoord bleef uit. Er gingen acht, veertien dagen voorbij en nog was er geen brief. Het kostte haar moeite geduldig te blijven. Toch deed zij iederen dag weer haar uiterste best om althans eenige vroolijkheid te brengen in het leven der arme, half-zieke kinderen, die zij onderwijzen moest, zich niet te storen aan de scherpe uitvallen van Miss Rench en hare satellieten en de loomheid te overwinnen, die haar telkens plaagde en een gevolg was van het slechte en weinige voedsel, waarmee zij zich tevreden moest stellen.

Lang voordat het zijn tijd was om te komen, spande zij zich in om het geluid op te vangen, waarmede de post zijn komst aankondigde: het tweemaal herhaald getik, veroorzaakt door het vallen van den zwaren klopper op de voordeur; en _als_ hij dan eindelijk gekomen was en toch weer niet den brief gebracht had, waarnaar zij zoo vurig verlangde, kon zij zich plotseling zoo verlaten voelen, zoo "alleen op de wereld" dat zij zich geweld aan moest doen om hare teleurstelling dapper te dragen. Dan vroeg zij zich soms met bitterheid af, of men haar dan bij de familie von Zercläre geheel vergeten was of niets meer met haar te doen wilde hebben,--want ook van Tieka hoorde zij niets, geen enkel woord.

Eindelijk, bijna drie weken nadat zij haar brief verzonden had, kwam er antwoord in den vorm van een kort, koel briefje der barones. "_Het doet mij leed_," schreef zij, "_dat het u in uw tegenwoordigen werkkring minder goed bevalt en de inrichting der school, volgens uwe meening, te wenschen overlaat. Het komt mij echter voor dat zulk een proeftijd u geen kwaad kan doen, maar integendeel zeer heilzaam voor u kan wezen. Ik zou u dus willen raden, den moed niet te gauw op te geven, maar te blijven waar gij zijt en volharding te toonen. Gaarne zend ik u mijne beste wenschen._"

En in een noot onder aan den brief stond nog in haastig schrift: "_Tieka heeft mij, vóór haar vertrek, verzocht u te groeten. Zij is reeds geheel gewend op de school, waar het haar uitstekend bevalt. Zij had u nog eens een briefje willen schrijven, maar de dagen voordat zij wegging, waren zóó bezet dat ik het beter voor haar oordeelde, zich niet meer in te spannen dan noodig was. Op haar school is het haar alleen geoorloofd brieven naar huis te schrijven en vandaar te ontvangen._"

Dat was alles. Hedwig frommelde het papier ineen en stak het in haar zak, toornig en gegriefd tevens. Toen hief zij het hoofd weer op. Zij moest dus geheel alleen haar weg vinden, zonder hulp? Op die der barones behoefde zij in geen enkel opzicht te rekenen? Tieka mocht haar zelfs niet meer schrijven? Het was hard, maar zij zou zich niet terneer laten slaan, ze _zou_ haar weg vinden....

En het hoofd buigend, voelde zij dat toch één hulp haar altijd bleef, de hulp van Hem, zonder Wiens hulp de sterkste zwak is en op Zijn hulp bleef zij vertrouwen, met Hem zou ze sterk wezen.

Zoo hield zij moed en volhardde, den raad der barones volgend op een wijze, die deze, haars ondanks, zou getroffen hebben, indien zij er getuige van had kunnen zijn. Gemakkelijk was het niet. Maar toen de dagen tot weken werden en de weken tot maanden, toen de felste koude voorbij was en het er zelfs in den armoedigen tuin van Hill House lenteachtig ging uitzien, begon haar taak haar toch minder zwaar te vallen, al had zij het, zooals allen op Hill House, overdruk.

Hare brieven naar huis bleven kort en haastig. Haar moeder was niet gerust en vroeg haar telkens of het haar werkelijk goed ging en of zij hare krachten niet overschatte; dan schreef zij terug dat alles op Hill House niet even prettig was, maar dat zij het goed had met de kinderen en hield van haar werk en ... dat zij stellig hoopte later nog weer eens iets beters te vinden en meer geld naar huis te kunnen sturen. Voorloopig bleef zij echter hier; ze had zich zoo aan de kinderen gehecht!

Op zekeren dag vond zij in een vergeten hoekje van haar koffer een tijdschriftje, waaruit zij eens met Tieka versjes had zitten lezen en haar oog viel op een rijmelarijtje, waarbij ze toen lachend een kruisje had gezet.

"Oh, don't the days seem lank and long, When all goes right and nothing goes wrong? And isn't your life extremely flat With nothing whatever to grumble at?"[6]

Nù was er zeker genoeg in haar leven _to grumble at_; toch morde zij niet en deed dapper haar plicht, altijd weer haar eigen leed vergetend om anderen te kunnen troosten en helpen.

In het late voorjaar kwamen er nog een paar heel gure dagen; de zwakke kinderen leden er onder en in een snerpend kouden nacht werd zij wakker door het gekreun van Mary Wren, die hevige kiespijn had.

"O, het spijt me zoo dat ik u wakker heb gemaakt, maar ik kòn mij niet meer inhouden; ik heb zoo'n pijn, zoo'n pijn en ik ben zoo koud!" kermde het arme kind, toen Hedwig bij haar bed kwam. "Maar blijft u toch niet op, dan wordt u zelf ziek; het is zóó koud!"

"Neen, neen," zei Hedwig. "Kijk, ik heb mijn wollen doek al om, ik ben niets koud." Zij haalde de deken van haar bed en wat kleeren en dekte er Mary mee toe. "Dat helpt zeker wel, he? Zoo, laat mij nu die wang eens even wrijven. Neen, ik zal je geen pijn doen; het gaat heel zacht, voel maar. Leg nu je beide handen maar in mijn linkerhand, dan worden zij wat warmer."

En ze streek met de vingertoppen van haar rechterhand voorzichtig over de zieke plek en streelde met haar linker Mary's ijskoude, bevende handen, tot het kind langzamerhand rustiger werd. Eindelijk vielen de oogleden weer toe, de vingers bewogen niet meer en gleden uit Hedwig's handdruk weg en de pijnlijke trek op het bleeke gezichtje verdween. Hedwig bleef nog even naast het ledikant zitten om toen weer te bed te gaan. Zij had nu geen ander dek dan haar wollen doek en een laken en warm was ze dus niet; toch sliep zij nog even in.

Den volgenden ochtend werd ze heesch wakker, maar Mary Wren was beter en zóó dankbaar dat zij zich ruimschoots voor haar moeite beloond achtte.

Het lesgeven ging echter lastig omdat zij telkens haar stem kwijt was en ze was heel blij toen zij zwijgen mocht. Miss May had haar een paar malen deelnemend gevraagd of zij haar werk zou overnemen, maar zij had het hoofd geschud,--Miss May had waarlijk al genoeg te doen.

Toen Taffy haar 's avonds kwam zeggen dat Miss Wells haar wenschte te spreken, zuchtte zij even. De directrice zou haar nu zeker onder handen nemen omdat zij dien dag slecht les had gegeven; alsof zij anders gekund had!

Met het voornemen om de berisping geduldig aan te hooren, ging zij naar haar toe. Tot haar verwondering kwam er echter geen vermaning, maar een verzoek of liever een bevel, dat haar een gewaarwording gaf als ging er opeens weer meer licht komen in haar leven door het uitzicht op een zekere vrijheid, die haar zeer, zeer welkom was. Tot nu toe was het haar namelijk niet geoorloofd geweest, Hill House ooit te verlaten dan op de dagelijksche wandelingen met de leerlingen en Zondags naar de kerk; van alleen uitgaan mocht nooit sprake wezen. Doch nu _gebood_ Miss Wells haar, voortaan iederen Zaterdag een uur privaatles te gaan geven aan een zekere Mrs. Rowley, die in Chester woonde en onderricht in het Duitsch wenschte te ontvangen. Hedwig kon eerst hare ooren niet gelooven. En dat zou zij mogen doen, zij, die alles behalve een gunstelinge van Miss Wells was en steeds door Miss Rench met Argusoogen werd bespied! Zij zou iederen Zaterdag geheel alleen een wandeling mogen maken naar de stad en daar privaatles gaan geven! Zij vond het heerlijk en liet hare blijdschap duidelijk op haar gezicht lezen.

Miss Wells was echter totaal ongevoelig voor die blijdschap en vervolgde met hare scherpe stem:

"Dat zal dus iederen Zaterdag moeten gebeuren en wel geregeld om drie uur in den middag. Reeds aanstaanden Zaterdag zal met de lessen moeten worden begonnen. Natuurlijk eisch ik van u de stellige belofte dat nooit door u aan Mrs. Rowley iets, ook maar _iets_, herhaal ik, zal worden meegedeeld van wat op Hill House voorvalt. Indien ik daarop geen staat kan maken...."

Zoo goed als haar heeschheid het toeliet, viel Hedwig roepend in:

"Ik zal nooit over het minste of geringste, dat op Hill House betrekking heeft, spreken." Zij had groote neiging eraan toe te voegen: "Zoo'n aangenaam onderwerp is het niet," maar zij hield die woorden wijselijk in.

Zij stond op om heen te gaan, doch er brandde haar nog een vraag op de lippen en snel vroeg ze:

"En wat zal ik met die lessen verdienen?"

Miss Wells zag haar dom aan.

"Ik versta u niet," zei ze knorrig. "Spreek toch duidelijker. Het is of ik een poes hoor miauwen, als u spreekt."

Zich sterk inspannend om hare stem krachtiger te maken, herhaalde Hedwig roepend haar vraag.

"Ermee verdienen?" riep de directrice van Hill House driftig uit. "_U?_ Maar hoe komt u aan zulken onzin? Natuurlijk komt het geld van die lessen _mij_ toe! Ik heb recht op al uw tijd."

Hedwig hield de lippen stijf op elkaar geklemd om niets terug te zeggen. Tot geen prijs wilde zij zich de wekelijksche afwisseling in haar somber, eentonig leven ontnomen zien en daarom zweeg zij, hoewel zij zich zeer verongelijkt voelde. Zij knikte even, ten bewijze dat zij zich ook aan deze voorwaarde onderwerpen wilde, toen ging zij heen.

Tot haar groote vreugde werd het weer een paar dagen later zachter en scheen Zaterdags de zon. Zij had haar stem bijna weer terug en verheugde zich als een kind op haar uitgang. Met zenuwachtige haast kleedde zij zich, toen het tijd werd om te gaan en toen de deur van Hill House achter haar dichtviel, was het haar haast alsof zij een vrijgelaten gevangene was!

Ze moest heel flink aanstappen, want Miss Wells had haar precies een half uur gegund om naar het huis van Mrs. Rowley toe te loopen; toch genoot zij hare wandeling, die door een mooi, interessant gedeelte van het oude Chester liep. Een oogenblik bleef zij staan voor een bizonder fraai gebouwd huis met paneelen vol keurig beeldhouwwerk in hout. In den gevel stond gebeiteld: "_God's Providence is mine Inheritance._"[7] Ze herhaalde de woorden zacht bij zichzelf, zich afvragend wat zij zouden moeten beteekenen en zij keek bewonderend op naar het in 't oog vallend schilderachtige huis, toen zij een hand op haar schouder voelde en, zich omkeerend, het vriendelijke gezicht zag van een dame met grijzend haar en levendige, bruine oogen, die haar onderzoekend aankeken.

"Neem mij niet kwalijk, maar u _moet_ Fräulein Eiche zijn!"

"Ja," zei Hedwig, wat onthutst door de onverwachte ontmoeting.

"Ik dacht het wel! Ik kon terstond aan uw gezicht zien dat gij geen Engelsche waart en ik had er een voorgevoel van dat gij Fräulein Eiche wezen moest. Ik ben Mrs. Rowley, uwe aanstaande leerling. Zullen wij samen naar mijn huis wandelen?"

"Heel graag," zei Hedwig opgewekt. Mrs. Rowley maakte een aangenamen indruk op haar.

"Aardig dat ik u juist verdiept vond in de aanschouwing van ons _Providence house_," zei Mrs. Rowley, terwijl zij verder gingen, "het is een van de allermooiste huizen in Chester uit de zeventiende eeuw. Men heeft zich verdiept in gissingen wat met het opschrift precies bedoeld kon zijn; waarschijnlijk is het de vrome uiting van een Puriteinsch hart en ik voor mij neem gaarne aan dat deze Puritein, naar verteld wordt, de spreuk op zijn gevel liet zetten om God te danken dat hij bevrijd bleef van de pest.--Eigenlijk moest ik u nu al deze bizonderheden in het Duitsch vertellen, maar ... dan zou ik er wel heel lang werk mee hebben. Ik wil echter graag een ijverige leerling zijn, dat beloof ik u; ik verlang ernaar om goed Duitsch te leeren spreken, want ik heb niets meer op de wereld dan twee Duitsche neefjes, die soms bij mij komen logeeren. Mijn man is dood en kinderen heb ik helaas nooit gehad, maar ... hier zijn wij bij mijn huis--ik houd mij aan den tekst, die in den gevel staat; geheel verlaten voelt men zich dan nooit. Dat gelooft gij toch ook?"

Hedwig keek op naar het aardige zwart-en-witte huis met het opschrift: _The Fear of the Lord is a Fountain of Life._[8] Zij knikte. O ja, dat geloofde zij ook.

Toen zij Mrs. Rowley naar binnen gevolgd was en weldra in een vroolijke kamer stond met een boograam met uitzicht in den tuin, waar de voorjaarsviooltjes weelderig bloeiden en een gemakkelijke, rieten stoel voor haar aan de tafel werd geschoven naast het helder brandend vuur, scheen het haar toe, dat zij in een paleis was gekomen! Was werkelijk de wereld buiten Hill House altijd zóó mooi en zoo heerlijk en zoo liefelijk geweest? Zij keek om zich heen in de prettige kamer, terwijl Mrs. Rowley haar goed afdeed en zij moest eens even diep adem halen. Wat zag alles er hier netjes en echt _comfortable_ uit!

Hoe goed gekozen waren de fijne etsen aan den muur en hoe aardig stonden op de kleine schrijftafel bij het boogvenster de vele kinderportretjes, die haar aan Tieka's verzameling deden denken en o, wat was het heerlijk weer eens op een _stoel_ te zitten! Zij moest er zelf om lachen dat zij dit zoo'n genot vond.

Toen Mrs. Rowley weer binnenkwam met boeken voor de Duitsche les, werd zij gevolgd door het keurige dienstmeisje, ook door Hedwig met bewondering aanschouwd,--dat allerlei benoodigdheden binnenbracht voor de _afternoon-tea._ Hedwig moest zich geweld aandoen om niet al te gretig te kijken naar de geurige thee, de smakelijke _cake_, de marmelade en de sneedjes brood _met boter_, die zoo maar, alsof het zoo niets was, voor haar neer werden gezet. Mrs. Rowley moest eens weten hoe zij verlangde om maar dadelijk aan het eten en drinken te gaan!

Ze wendde haar gezicht naar het vuur toe--ze kòn haast niet langer naar al die heerlijkheden kijken, zonder er iets van te nemen; ze had zóó'n trek en dat mocht Mrs. Rowley toch niet bemerken!

Maar hoewel haar gastvrouw niets zeide en niets vroeg, scheen zij toch wel te begrijpen dat Hedwig lust moest hebben iets te gebruiken.

"We zullen ons eerst maar eens verkwikken, voordat wij aan 't werk gaan, vindt u niet?" zei ze, de thee inschenkend. "Ik heb trek na mijn wandeling. U moet er u dus maar niet over verbazen als ik veel eet en ik hoop dat u mijn voorbeeld zult volgen."

Hedwig wilde niets liever. Had zij ooit zulke lekkere thee geproefd en werd er wel ergens in de wereld zulke verrukkelijke boter gebruikt? Als zij Mary Wren eens naast zich had gehad en Taffy, wat zouden die gesmuld hebben!

Het lesgeven ging later als van een leien dakje. Mrs. Rowley wist veel meer van het Duitsch af dan Hedwig had vermoed en zij lazen en praatten en lachten zoo genoegelijk dat de tijd om was voordat zij het wisten.

"Dat is echt prettig geweest," zei Mrs. Rowley vriendelijk, toen Hedwig zich gereed maakte om weer heen te gaan. "Ik geloof dat ik veel van u leeren zal."

"Ik vind het heerlijk om de volgende week terug te mogen komen," zei Hedwig en met een vroolijk knikje nam zij afscheid.

Haast op een drafje liep zij terug, want ze wist dat zij weinig tijd had. Toch ging ze nog even een kruidenierswinkel in. Veel geld had ze niet, maar ze slaagde er toch in voor ieder der elf leerlingetjes, die bij haar op de kamer sliepen, een groote _biscuit_ te koopen en met stralende oogen nam zij den zak aan en ging verder. Als het haar nu van avond maar gelukte zonder dat het ontdekt werd, een _biscuit_ onder ieder kussen te leggen!

Maar het _moest_ gelukken. Zij was na het uurtje bij Mrs. Rowley in een overmoedige stemming geraakt en heel vlug liep zij verder, uitermate blij gestemd in het vooruitzicht van de verrassing, die zij "haar kinderen" zou bereiden. Hoe graag zou zij _al_ de arme stakkertjes op Hill House eens flink getrakteerd hebben,--als het maar in haar macht gelegen had!

Mrs. Rowley had haar een korteren weg terug aangeduid en zij kwam nu door een gedeelte van Chester, dat haar nog geheel nieuw was. In haar vaart nauwelijks oplettend waar ze ging, liep zij pardoes tegen een stoeren politieagent aan. Hij kwam juist een steenen trap af, die naar de muren van Chester leidde. "_Beg pardon_," riep ze verschrikt en de man glimlachte en zei, naar de trap wijzend: "Moet ge hier uw geluk niet eens beproeven, jonge dame?"

"Mijn geluk?" vroeg Hedwig verbaasd. "Waarom?"

"Waarom? Wel, het is u toch zeker bekend dat dit de _Wishing steps_ zijn? Wie tweemaal deze steenen treden op en af loopt zonder adem te scheppen, mag een wensch doen, die stellig in vervulling komt."

"O!" Hedwig had wat ongeduldig geluisterd in het besef dat zij zich haasten moest om op tijd thuis te komen, maar gauw even die trap op en neer loopen, nam zoo'n tijd niet! Zij wou het voor de aardigheid probeeren en dan een wensch doen, die heusch vervuld zou worden?! Wacht, dan zou ze innig verlangen dat de kinderen haar _biscuits_ ongestoord zouden mogen genieten, zonder eenige kans op ontdekking van de zijde van Miss Rench of wie dan ook.

De agent was doorgeloopen. Snel, zoo gauw als zij maar kon, liep zij de steenen treden tweemaal op en af en deed haar wensch met een lachend gezicht.

En ... de wensch werd zoowaar vervuld ook! Met groote handigheid wist zij 's avonds onder elk der elf kussens een _biscuit_ te verstoppen en niet alleen dien avond, maar geregeld iederen Zaterdag, als ze bij Mrs. Rowley geweest was en bij een of anderen kruidenier haar inkoop had gedaan. In den bakkerswinkel, vrij dicht bij Hill House, waar zij den eersten dag van haar komst te Chester was geweest, kwam zij niet weer, uit vrees voor ontdekking en ook uit een zeker soort schaamte, waarvan zij zich geen rekenschap zou hebben kunnen geven.

De dankbaarheid der kinderen, die er merkwaardig gauw van op de hoogte waren--zij hadden de chocolade nog niet vergeten!--dat er iets onder haar kussen verborgen lag, toonde zich op eigenaardige, stille wijze. Niemand durfde ooit ook maar iets over de _biscuits_ zeggen, die geregeld den volgenden ochtend verdwenen waren, maar soms keek er eens een Hedwig met een geheimzinnig lachje aan, terwijl allen haar met nog grooter geestdrift en wanneer zij maar durfden, "Flinkie" bleven noemen. Nooit echter werd over de gewichtige _biscuits_-zaak één woord gerept en ook nooit werd zij, tot Hedwig's zeer groote vreugde, ontdekt. Als Zaterdagsavonds alles donker was op de slaapkamer en zij soms een heel zacht geknabbel hoorde, klonk haar dit als muziek in de ooren!