Een Heldin

Part 7

Chapter 7 4,040 words Public domain Markdown

Toen Miss Ellis haar arm aanraakte, vermande zij zich echter terstond. En in haar hart vormde zich het besluit om zich goed te houden, flink te zijn en te trachten iets te wezen, zooveel als zij maar kon te wezen voor die arme, arme kinderen.... God zou haar helpen ook _hier_; dat _wist_ zij immers!

De huishoudster stelde haar aan de onderwijzeressen voor, maar de meesten toonden zich vrij onverschillig omtrent haar komst; zij schenen met een zekere dofheid geslagen te zijn en zagen er vermoeid en slecht uit. Er waren er ook met een haast terugstootend uiterlijk en Hedwig hoorde later dat dezen, evenals verscheidene der arme weezen, eenvoudig naar Hill House waren gezonden om een onderkomen te hebben. Of zij ook goede en bekwame onderwijzeressen waren, daarop werd niet gelet; werk was er immers op Hill House toch altijd voor ieder te vinden! Miss Wells, die zelf weinig anders deed dan brieven en rekeningen schrijven--vooral het laatste was haar een zeer geliefde bezigheid, die zij nooit aan anderen overliet--had er zeer goed den slag van, al hare onderhoorigen hard te laten arbeiden en zeer weinig rust te gunnen. Er was in het groote, holle huis met zijne talrijke kamers en bewoonsters veel te doen, al was het er alles behalve weelderig ingericht en Miss Wells had waarheid gesproken, dienstmeisjes of knechten waren er in 't geheel niet; alles moest door de overwerkte huishoudster, de onderwijzeressen en de leerlingen worden verricht.

Twee onderwijzeressen waren er, die op Hedwig door de groote tegenstelling in haar uiterlijk, een bizonderen indruk maakten. Beiden bevonden zich in de tweede schoolkamer, die er al even doodsch en triest uitzag als de eerste, met geen enkele versiering aan den muur dan een groote landkaart en een stuk of vier andere kaarten, waarop met reusachtige letters stond gedrukt dat er in de schooluren nooit gebabbeld en gelachen mocht worden.

De eene onderwijzeres, Miss May geheeten, was met de jongste kinderen bezig en had op 't eerste gezicht een tamelijk onbeduidend voorkomen. Maar toen Hedwig haar aanzag, las zij in de blauwe oogen een uitdrukking van stillen moed, die bizonder weldadig aandeed en te meer trof, omdat het gezicht zelf er zeer afgemat uitzag.

Zij bleek meer belang te stellen in Hedwig's komst dan de anderen en sprak haar even vriendelijk toe en Hedwig vond het een verkwikking naar de welluidende stem te luisteren.

De andere onderwijzeres, Miss Rench, begroette haar slechts met een koele hoofdbuiging; Hedwig voelde echter, meer nog dan zij het zag, dat de kleine, doordringende oogen haar scherp onderzoekend opnamen. Er lag iets vijandigs en sluws in dien snellen blik, dat haar een oogenblik angstig maakte, haar haar zelfbeheersching benam en de oogen deed neerslaan, maar even later glimlachte zij om haar vreemde zenuwachtigheid. Het verbaasde haar echter niet, toen zij te weten kwam dat Miss Rench in 't geheim "de spion" werd genoemd en dat er zeer, zeer weinig op de school voorviel, dat haar aandacht ontsnapte en niet door haar aan de directrice werd medegedeeld.

"Zou ik nu even naar mijn slaapkamer mogen gaan?" vroeg Hedwig eindelijk aan Miss Ellis.

"Och, dat kan straks wel. Ik zou nu maar hier blijven, als ik u was; uw mantel en hoed kunnen wel zoo lang op die leege bank neergelegd worden." En Miss Ellis verdween.

Hedwig had echter volstrekt geen behoefte haar mantel uit te trekken; zij had het al koud genoeg! Zij zou niets liever gedaan hebben dan eerst het smeulende vuur in den haard eens ter dege van brandstof voorzien en dan, als het flink brandde, de ramen openzetten om de vunzige lucht te verdrijven, die in de school hing en aan rottende kool deed denken,--maar zij was hier geen meesteres en moest stil afwachten wat er over haar zou worden beschikt. Zij deed haar best geduldig te wezen en keek nog eens met aandacht naar de kinderen, toen zij plotseling een bel hoorde luiden en spoedig daarop een paar der oudere meisjes rond zag gaan met bladen, waarop stapels sneden ongesmeerd brood lagen om een kruik met water en een paar leege tinnen kroezen heen.

"Dat zal zeker reeds een voorproefje van het avondeten zijn," dacht Hedwig blij en zij nam gretig een stuk brood, toen het haar werd aangeboden en schonk zich een kroes water in.

Zij at met graagte evenals de anderen, hoewel het brood heel oud en hard en droog was en een zwakke poging der huishoudster om het te roosteren, nagenoeg was mislukt. Als er ook maar een ziertje boter op geweest was, zou het veel lekkerder gesmaakt hebben, meende Hedwig en even moest zij denken aan het smakelijke maal, waarbij Tieka nu alleen zou aanzitten. Tieka zou eerst half Januari naar haar kostschool gaan; als zij _deze_ school eens had kunnen zien, wat zou zij dan wel voor oogen opgezet hebben?

Toen het droge brood verorberd was, begonnen de kinderen hunne schriften weg te bergen. Nu was het dan zeker heel gauw tijd voor het avondeten, dacht Hedwig.

Daar zag zij Miss Rench waarlijk al weer met half toegeknepen oogen naar haar kijken. Wat beteekende dat toch? Zij zou haar maar eens gaan aanspreken, de lessen waren nu toch afgeloopen. Misschien ging haar gezicht ook wel wat vriendelijker staan, als zij eens even een praatje met haar maakte. Beleefd ging zij naar haar toe en vroeg:

"Kunt u mij ook zeggen hoe laat hier het avondeten gebruikt wordt?"

"Het avondeten?" herhaalde Miss Rench schamper, terwijl een spottend lachje om haar mond kwam, "maar dat hebt u net precies op!"

"Zoo, was dat stuk brood...." stamelde Hedwig ontsteld.

"Dat was uw souper, ja. Ik hoop dat het u goed gesmaakt heeft?"

Hedwig antwoordde niet. Dus dàt was het avondeten geweest! Had ze toch nog maar wat meer gekocht bij dien bakker of aan het station! Ze begon nu te begrijpen waarom de bakkersbediende haar zoo vreemd had aangezien, toen zij zeide dat ze naar Hill House moest en maar al te zeer zag zij thans de waarheid in van zijne voorspelling: "Daar zult u niet veel warme pasteitjes proeven!"

Maar zij vergat hoe hongerig ze zelf was bij het zien van al die slecht gevoede kinderen om zich heen en zij voegde zich bij een troepje, knikte er een paar eens toe, wreef een der jongsten de koude handjes warm en trok een klein, mager meisje even aan haar vlecht. Het kind zag haar verbaasd aan met hare weemoedige, grijze oogen. Hedwig ging bij haar in de bank zitten. "Hoe heet je?" vroeg ze. "Mary Wren," zei het kind heel ernstig. "En kun je _heelemaal_ niet lachen?" Nu kwam er even een flauw lachje op het bleeke gezicht. "Neen, neen, nog een beetje meer," drong Hedwig aan. Maar het kind kon niet; ze begon te hoesten, een akelige, droge kuch en Hedwig sloeg den arm om haar heen. "Stil maar, stil maar, praat maar niet."

"Sst.... _No more talking.... Prayers!_" riep een stem en Hedwig zag Miss Wells binnen komen voor de avondgodsdienstoefening. Met een eentonige, zeurderige stem las zij de gebeden. Hedwig luisterde verontwaardigd toe, geschokt door de wijze, waarop de indrukwekkende woorden van den Engelschen avonddienst werden opgedreund en daardoor alle kracht verloren. Toch knielde zij neer als de kinderen en zij vouwde de handen en bad, bad vurig en innig tot God om kracht.

Eindelijk ging het de uitgesleten, vuilgrijze trappen op naar de armoedige slaapvertrekken, waarvan Hedwig schrikte toen zij ze zag. Ook hier hing voor geen enkel raam iets, dat ook maar in de verte naar een gordijn geleek; alles was kaal en guur en onbedekt.

Toen men Hedwig gewezen had waar zij slapen moest, vroeg zij zich voor de zooveelste maal af, waar zij toch aangeland was en of zij hier _werkelijk_ zou kunnen blijven; het was haast geen leven in zoo'n ongezonde, schamele omgeving! Zou zij niet wijs doen met morgen aan den dag te beginnen met iets anders te zoeken? Wel was het heel moeielijk iets te vinden....

Juist op dat oogenblik werd even, heel voorzichtig,--nauwelijks kon het een aanraking genoemd worden--een bevende, kleine hand in de hare gelegd en zij zag Mary Wren naast zich staan en schuchter tot haar opzien. Haar hart werd warm. Hoe kon zij nog aan weggaan denken? Natuurlijk bleef zij immers!

Er stonden op iedere slaapkamer twaalf smalle, ijzeren ledikanten en ook Hedwig had dus, evenals de andere onderwijzeressen, het opzicht over elf leerlingen; zij moest bij het uitkleeden tegenwoordig zijn, had men haar gezegd en daarna mocht zij zelf te bed gaan. Op hare prettige, opgewekte wijze hielp zij de kinderen om vlug voort te maken, telkens weer de koude handen wrijvend en een aardigheidje zeggend, als er een het schreien nader stond dan het lachen. Dan kwam er een blijde glinstering in de droevige kinderoogen en eens zelfs lachte Mary Wren hardop. Hedwig knikte haar toe. "Goed zoo!" zei ze.

Maar toen al de elf leerlingen te bed lagen en zij haar één voor één eens warmpjes in wilde stoppen en de kussens wat opschudden, maakte zich een hevige verontwaardiging van haar meester. Want nu ontdekte zij dat de slappe, platte kussens met snippers papier waren opgevuld of opgevuld heetten en dat de zoogenaamde dekens bestonden uit een zeer goedkoop soort wollen lappen, waartusschen groote stukken papier waren vastgenaaid. Geen wonder dat de arme meisjes bijna allen hoestten en half ziek waren van de koude.

Zoo goed mogelijk dekte zij haar elftal toe; toen ging zij even heen om te vragen of de een of andere onderwijzeres haar ook een nachtpon zou willen leenen. Meer dan ooit betreurde zij thans het gemis van haar koffer en van den warmen wollen doek, dien zij ingepakt had en dien Anna Schaub haar nog mee had gegeven, toen zij naar Engeland ging. Wat was dat al lang geleden!

Zij liep op een drafje het donkere portaal over, slaagde er na veel moeite in, een zeer dun nachtgewaad ter leen te krijgen en snelde toen naar de slaapkamer terug, om zich al rillend te ontkleeden, terwijl de aanhoudende vorst de ruiten met een steeds dichtere laag ijs bedekte en de koude tocht door de slecht sluitende vensters naar binnen drong.

Het was of de eenzame gaspit ook bevriezen ging, zoo flauw was de vlam; zij hield er even hare handen bij, maar zij voelde er hoegenaamd geen warmte van uitstralen en toen zij in het voor haar bestemde ledikantje lag, kon ze van koude en honger eerst niet in slaap komen. Zij verbaasde er zich over dat de kinderen wèl sliepen; zij hoorde het aan de geregelde ademhaling, hoewel Mary Wren telkens nog in haar slaap kuchte en zich soms onrustig bewoog.

Toen zij eindelijk zelf ook ingesluimerd was, werd zij vrij spoedig weer uit den slaap opgeschrikt door een heftige windvlaag, die het oude vensterkozijn letterlijk stuk dreigde te schudden. Aan verder slapen was nu voorloopig niet meer te denken, want de wind werd hoe langer hoe heviger, deed de ruiten kletteren en loeide om het huis heen met een gierend geluid, dat Hedwig als een sombere klaagtoon in de ooren klonk. Een tijdlang lag zij in bijna zwarte duisternis; alleen kon zij door een der ruiten, waarvan een hoekje door de vorst vrij gelaten was, een stukje van de donkere lucht onderscheiden. Langzamerhand zag zij enkele sneeuwvlokken vallen, toen meer, meer, al maar meer en steeds dichter, tot het een dwarrelende massa werd, waarnaar zij niet meer kijken kon, zoo duizelde het haar voor de oogen. Eindelijk ging de wind liggen, het werd stiller en doodelijk vermoeid sloot zij de oogen en sliep nog even in, nadat zij zich bibberend het dunne dek over het hoofd had getrokken.

Het was nog geheel donker, toen zij wakker werd door het luiden van een bel. Terstond zat zij overeind in bed.

"We moeten opstaan, dadelijk opstaan, dat beteekent die bel," riep een der kinderen haar toe en Hedwig sprong moedig het bed uit en stak het licht aan. Het bleek juist vier uur te zijn!

"Maar dat moet een vergissing wezen," riep zij uit. "Neen, neen, het is geen vergissing, wij staan altijd om vier uur op," zei Mary Wren al kuchend. "Miss Ellis zelf is er altijd al om half vier uit om ons wakker te kunnen bellen...."

Hedwig zuchtte; ze was nog zóó weinig uitgerust! En wat een tooneel zag zij voor zich! Bibberend, half schreiend van de koude, stonden daar de arme kinderen zich aan te kleeden of te wachten, tot haar beurt zou komen om zich te wasschen. Want midden in de kamer bevond zich een ruwhouten tafel met vier waschkommen en een reusachtige kan met water; hier konden er zich vier te gelijk wasschen, wie er niet gauw genoeg bij was, moest wachten tot er weer een kom open kwam.

Vandaag ging het wasschen met nog meer moeielijkheden gepaard dan anders, omdat de dikke stukken ijs in het water dreven en het dooien daarvan boven het gas--wat Hedwig beproefde--al heel langzaam ging. Zij moest aan Tieka denken, die zulk "echt winterweer" altijd zoo mooi en zoo heerlijk vond. Als zij deze slecht verzorgde kinderen eens had kunnen zien, hoe zouden hare donkere oogen dan gekeken hebben?

De scherpe noordoosten wind drong door tot in het vertrek en op de vensterbanken binnenin de kamer lag een dikke, ruige laag sneeuw; ook op den houten vloer was sneeuw gevallen. Was zij wel ooit in haar leven zóó koud geweest?

Daar luidde alweer een bel en nu moesten allen zich haasten om langs de donkere trappen naar beneden te gaan en in de groote, kille schoolkamer bij de ochtendgebeden tegenwoordig te zijn, die door Miss May werden gelezen; de directrice vertoonde zich eerst later op den dag. Voor de zuinigheid brandde er nu slechts één gaspit, wat alweer Hedwig's innige verontwaardiging opwekte. Daarbij kon ze van vermoeidheid en van honger haast niet op hare beenen blijven staan.

Wat schandelijke toestanden waren dat hier toch! Zij nam zich voor zoo gauw als ze maar kon aan de barones von Zercläre te schrijven en haar eens goed op de hoogte te brengen van alles wat zij hier zag en ondervond; zij zou zoo iets toch zeker ook beneden alles vinden en haar helpen willen om er verandering in te brengen.

O, wat leek het haar heerlijk toe, al was het maar één oogenblikje, bij Tieka te wezen en in de aardige kinderkamer van het mooie, Edinburgsche huis! Het scheen haar nu toe, terwijl zij hier in de kale, onbehagelijke schoolkamer stond in die bedompte atmosfeer, haast in halfduister en te midden van zooveel treurige kindergezichten, alsof het al veel langer dan één dag was geleden dat zij van Tieka afscheid had genomen....

Men vertelde haar dat het ontbijt op half zeven was vastgesteld. En nù was het pas vijf uur! Hoe hield men dat uit? Ze zou maar hard met de anderen meewerken--wat trouwens ook zeer beslist van haar verwacht werd--dan vergat zij haar honger wellicht! Er moesten nu schoenen gepoetst worden, brandstoffen gehaald, trappen, portalen en kamers worden aangeveegd, bedden opgemaakt, kannen met water gevuld en allerlei andere werkzaamheden worden verricht, waarvan ieder, ook de allerjongste leerling, haar deel moest vervullen.

Mary Wren bleef zooveel mogelijk in Hedwig's nabijheid; blijkbaar had zij reeds nu genegenheid voor haar opgevat. Telkens hoorde Hedwig het korte, droge kuchje en waar ze maar kon, hielp zij het zwakke kind en gaf haar een vriendelijk woord.

Eindelijk klonk de ontbijtbel door het huis en nu konden de ijverige werksters zich te goed doen aan bizonder slappe thee--"gootwater" hoorde Hedwig fluisteren--zonder suiker en _zeer_ oudbakken brood, want het was op Hill House een wet dat de bakker er slechts eens in de veertien dagen versch brood mocht brengen. Op de sneden brood was, in plaats van boter, een dun laagje moes van gestoofde appelen gesmeerd.

Een heel lekker ontbijt was het niet, toch at Hedwig het hare gretig op. Zij miste de boter al minder dan den avond te voren en dat was maar goed ook, want boter was op Hill House een ongekende weelde en _als_ er al soms op de dikke sneden zoogenaamd geroosterd brood, die als "avondeten" werden rondgediend, iets glinsterde, dat heel in de verte aan boter deed denken, dan was dit slechts een soort van _dripping_, afgedruppeld vleeschvet, dat onmogelijk lekker smaken kon, omdat voor Hill House nooit wezenlijk goed vleesch werd gekocht.

En ook appelmoes, al is het nog zoo smakelijk toebereid--wat van dat op Hill House niet verklaard kan worden--verveelt op den duur. Hedwig had gelegenheid dit te ondervinden, toen het haar dag in, dag uit, werd voorgezet: bij het ontbijt, aan de thee en bij het stuk avondbrood. De boeren in den omtrek verkochten hunne gedroogde appelen tegen zeer lagen prijs aan Miss Wells en deze vond dat zij niet beter en zuiniger doen kon dan er het geheele jaar door haar groot gezin mee te voeden!

Met het les geven had Hedwig geen moeite. De kinderen waren stil en gewillig, ja gedroegen zich naar haar zin haast al te gehoorzaam; zoo graag zou zij hen wat levendiger gezien hebben! Nù waren zij, onder den indruk van het onnatuurlijke, ongezonde leven dat zij leidden, bijna onkinderlijk bedaard.

Het middagmaal, dat om twaalf uur plaats had, was al even karig als de andere maaltijden en bestond heden uit niets anders dan slecht vleesch en droge aardappelen, waaraan een grondige bijsmaak was. Op de dagen dat er geen vleesch gegeten werd, kreeg men daarvoor in de plaats kwalijk riekende visch en in ruil voor de aardappelen waterige rijst; een groot verschil maakte de verandering niet, vond Hedwig.

Na den eten moesten de kinderen met de onderwijzeressen drie kwartier gaan wandelen, hoewel de sneeuw zeer hoog lag en het door den plotseling invallenden dooi op verschillende plaatsen heel vuil en drabbig begon te worden. Het sneeuwde niet meer, maar er hing een donkere, dreigende lucht en toen zij een eind den weg op waren, niet naar de stad toe, volgens uitdrukkelijk bevel der directrice, die zelf thuis gebleven was,--begon er een fijne motregen te vallen, die langzaam maar zeker de dunne kleeding der kinderen doorweekte. "Ik ga met mijn troepje terug, zóó kan het niet langer," besloot Hedwig, maar Mary Wren, die naast haar liep, vertelde haar dat er van nu reeds naar huis gaan geen sprake kon wezen; dan zou Miss Wells haar toch verhinderen binnen te komen. Eerst moest de bepaalde tijd om zijn. "Dat vind ik heel verkeerd," liet Hedwig zich driftig ontvallen. Miss Rench, de "spion", hoorde het haar zeggen en deelde het ook, zoo spoedig zij maar kon, aan Miss Wells mede. Deze liet toen Hedwig bij zich komen en nam haar zoo geducht onder handen, dat Hedwig het het verstandigst vond er maar het zwijgen toe te doen. Alleen nam zij de gelegenheid waar om te vragen of zij nu--het was na de schooluren--haar koffer mocht gaan halen.

Tot haar verwondering werd haar dit toegestaan en even later reed zij met de onderwijzeres, die in het bizonder met het toezicht over den pony was belast en zeer zwijgzaam van aard was, in het krakende wagentje, door den mageren Peter getrokken, naar het station. De sneeuwmodder spatte om de wielen van het voertuig en maakte de straten op plaatsen, waar niet geveegd was, haast onbegaanbaar, maar de zon scheen weer en de oude stad zag er schilderachtig uit. "Wij kunnen zeker eerst wel even een boodschap doen?" vroeg Hedwig, die wat brood koopen wilde, maar haar gezellin was hier zóó beslist tegen en toonde zich zoo verschrikt bij het denkbeeld dat zij langer van Hill House weg zouden blijven dan strikt noodzakelijk was, dat Hedwig maar toegaf en dadelijk doorreed naar het station.

Zij was heel blij, toen zij den grooten koffer weer veilig in haar bezit had, al werd hij, naar den regel van het huis, niet naar haar slaapkamer gebracht, maar in een bedompte soort kelderkamer neergezet.

Bij het licht van een stukje kaars mocht Hedwig er hier uitnemen wat zij noodig had. Veel kon het niet zijn, want een kastje om een en ander in te bergen was haar slaapkamer niet rijk. Zij greep echter gretig naar Anna Schaub's wollen doek, die bovenop lag; die moest in ieder geval mee naar boven!

Zij was geheel alleen in het sombere vertrek, dat door het kaarsje slechts flauw verlicht werd. Een smalle streep van het licht viel in den koffer en, toen zij er den doek had uitgenomen, op een pakje in wit papier gewikkeld, dat zij zich niet herinnerde erin gelegd te hebben. Zij nam het in de handen en deed er het bovenste papier af. "_To my dearest ... dearest Fräulein_," las ze.

"Lieve, lieve Tieka," fluisterde zij en het pakje verder openend, vond zij een mooi portret van Tieka, dat haar een gevoel gaf alsof het kind opeens weer dichter bij haar was. Toen hield zij een paar plakken chocolade in de hand. "Natuurlijk chocolade, die geeft ze mij altijd," fluisterde zij. "Nu, die zal hier goed te pas komen!"

Zij deed den koffer op slot, rolde de chocolade in haar doek en sloop er mee naar boven naar haar slaapkamer. Het was er donker, toch kon zij op den tast af gemakkelijk de elf ledikantjes van hare leerlingen vinden. Voorzichtig legde zij onder ieder kussen een stukje chocolade, sloeg den doek om de schouders en keerde naar de schoolkamers terug.

HOOFDSTUK VII.

"Flinkie."

Toen zij zich later weer met hare leerlingen op de slaapkamer bevond, liet zij allen zich eerst vlug ontkleeden en te bed gaan, voordat zij iets zeide over de verrassing, die haar wachtte. Toen de kinderen klaar waren, ging zij evenals den vorigen avond, de ijzeren ledikantjes langs om het schamele dek wat steviger in te stoppen en eerst toen fluisterde zij ieder meisje een paar woorden toe. Zij deed het zóó zacht dat geen der anderen er iets van verstaan kon en allen waren te verbaasd om wat terug te kunnen zeggen, maar de plotselinge kleur op de ingevallen wangen en de blijde glinstering in de oogen, waren Hedwig welsprekend genoeg. Later, toen alles donker was en zij zelf ook te bed lag, hoorde zij telkens een zacht, zuigend geluid en met een glimlach om den mond viel zij in slaap. Een paar dagen later echter zou zij inzien dat zelfs het weggeven van een onschuldig stukje chocolade ernstige gevolgen na zich kan sleepen.

Zij ontdekte namelijk op zekeren ochtend dat Mary Wren den moed had gehad, iets van haar deel voor Taffy te bewaren en zij had er Mary te liever om, wèl wetend hoe moeielijk het haar gevallen moest zijn, niet het geheele stukje zelf op te eten. Daarbij kwam dat Taff of Taffy min of meer de verschoppeling was op school, bij de meeste onderwijzeressen ten minste, omdat zij volstrekt niet gemakkelijk leerde en traag van begrip was. Intusschen werd zij den geheelen dag door voor alle mogelijke werkjes in huis en daar buiten gebruikt. "Taff, doe jij dat eens even," "dat kan Taffy wel doen!" "Waar is Taffy toch?" "Taffy moet dat opredderen." "Taffy, haal dit of dat eens gauw van boven," klonk het herhaaldelijk, vooral uit den mond van Miss Rench en de arme Taffy, die een zachtaardigen, gewilligen aard had en heel wel wist dat zij geen geleerde was, meende voor haar onwetendheid niet beter te kunnen boeten dan door met grooten ijver alles te verrichten, waartoe zij wèl in staat was!

Toen Hedwig dan bemerkte dat Mary Wren erin geslaagd was een paar dagen lang een stukje chocolade voor Taffy te bewaren, knikte zij tevreden. Taffy zat niet bij Mary in de klasse en sliep ook in een geheel ander gedeelte van het huis, zoodat het Mary tot nog toe niet gelukt was haar een oogenblikje voor zich alleen te krijgen. Op den bewusten ochtend echter toen zij, op weg naar een der schoolkamers, met Hedwig door de gang liep, kwamen zij Taff tegen, een zwaren bak met kolen torsend, die naar de kamer van Miss Wells moest worden gebracht. Nu zag Mary haar kans schoon. Snel had zij de chocolade uit haar zak gehaald en tusschen Taffy's lippen gestoken en Taffy, die zeker zelden of nooit zoo iets geproefd had, slikte van pure verrukking het kostbare stukje ineens door!