Part 5
"Ja," zei Hedwig zacht met de eigenaardige gewaarwording dat zij zou hebben kunnen lachen en schreien tegelijk.
Daar hoorde zij Tieka's stem roepen:
"Waar is _my dear_?"
De barones stond op. "Ik geloof dat wij elkaar nu goed begrepen hebben," zei ze. "Als ik straks met Tieka ga rijden, kunt u de stad in gaan om uwe boodschappen te doen. Ik heb nu niets meer te zeggen."
Hedwig had echter nog wel degelijk wat te zeggen en hoewel het haar moeite kostte, bracht zij er toch moedig uit:
"Ik vrees dat ik niet rijk genoeg ben om een japon en een hoed te koopen."
De schatrijke barones von Zercläre trok verwonderd de wenkbrauwen op; zij vroeg echter niets. "Dan zal ik u uw salaris eenige maanden vooruit betalen," zei ze.
Weer boog Hedwig en luider en dichterbij klonk Tieka's ongeduldig geroep:
"Waar is _my dear_ toch?"
Hedwig kwam haar op de trap tegen. "Ga je klaar maken, Tieka," zei ze. "Je gaat met je moeder rijden. Heerlijk dat het zulk mooi weer is, he?"
Tieka zag haar met groote oogen aan. Hedwig's stem klonk zóó vreemd!
"Alleen met mama?" vroeg zij teleurgesteld.
"Ja."
Later hoorde Hedwig haar aan de barones vragen: "Waarom mag _my dear_ niet mee?" en het antwoord der barones: "Ik weet niet wie je met die dwaze benaming bedoelt. Je moest je die kinderachtigheden afwennen, Tieka, daar wordt je nu te oud voor."
Met looden schoenen ging Hedwig naar haar kamer om zich gereed te maken voor hare "boodschappen."
Nu zou ze dus geen geld naar huis kunnen sturen en haar moeder had het zóó noodig! En zeker nog in geen maanden zou ze weer wat kunnen zenden, want eer die nieuwe japon en hoed betaald waren....
"En ik trek het me toch niet erg aan en ik schrei er ook niet om, want dat helpt niemand ook maar een ziertje, moeder ook niet," zei ze, met tranen in de oogen! Ze dronk snel een glas water leeg en knikte zichzelf even toe in den spiegel, terwijl zij haar hoed opzette. "Moed houden, hoor oudje!" Toen met een lachje en een zucht: "Och heden, was ik maar wat meer een oudje, dan verdiende ik zeker ook meer. Nu, daarom niet getreurd, dat wordt met den dag beter!"
Even later liep zij met een opgewekt gezicht door de straten van Edinburg. Zij schrikte echter, toen ze voor den bewusten winkel stond; de uitstalling achter de ramen zag er zoo voornaam en zoo duur uit!
Niet erg op haar gemak ging ze naar binnen en liet zich door een onberispelijk gekleeden bediende den weg wijzen naar een salonnetje, waar gemaakte dameskleeding kon worden gepast. "_Miss_ Fichte...." zei de man, een jong meisje roepend, dat stalen stond te sorteeren en Hedwig keek verrast op. _Fichte_, dat moest een Duitsche naam zijn!
Het meisje kwam beleefd naar haar toe. Zij zag er nog heel jong uit en had een aardig, rond gezicht en vriendelijke, lichtblauwe oogen. "_You wish to see...._" vroeg ze.
Hedwig hoorde terstond dat zij geen Engelsche was. "Ik ben een Duitsche, u ook?" vroeg zij snel.
"Ja, ja," riep het meisje uit en onmiddellijk waren zij druk aan het Duitsch praten. _Miss_ Fichte vertelde waar zij vandaan was en dat zij over een paar dagen weer naar Duitschland terug zou gaan in een nieuwe betrekking en Hedwig benijdde haar een beetje; maar zij zeide toch dadelijk dat zij het ook heel goed getroffen had.
Toen werden er allerlei zwarte japonnetjes gepast, die Hedwig wel vrij goed zaten, maar haar precies stonden alsof zij zich--zooals Miss Fichte lachend beweerde--"als grootmoeder had verkleed." Ook vond Hedwig de prijzen schrikbarend hoog!
Het aardige Duitsche juffertje zocht echter ijverig verder en vond eindelijk iets, dat beter aan het doel beantwoordde. Het was een eenvoudig kleedje van een zachte, wollige stof, hier en daar met een weinig git gegarneerd. Hedwig legde even haar vinger op het git.
"Zou dit wel stemmig genoeg zijn?" vroeg ze weifelend.
"Maar natuurlijk," klonk het vroolijk terug. "En deze japon kunt u nogal heel wat goedkooper krijgen, omdat zij van den vorigen winter is."
"Hoe heerlijk!" en uitgelaten blij sloeg Hedwig hare armen om haar landgenoote heen.
Miss Fichte lachte opgewekt. "Dat doet mij goed," zei ze, "weer eens met echt Duitsche manieren in aanraking te komen."
"Had ik nu ook nog maar een hoed!" zei Hedwig, opeens weer ernstig.
"Er is hier ook een hoeden-afdeeling. Als u dat wilt, kan ik wel even een paar hoeden voor u halen."
"Dolgraag."
"Gewoon rond model zeker? Met een breeden rand?"
"Neen, neen, geen rond model," viel Hedwig haastig in. "'t Moet een soort kapotje zijn."
"Och neen, dat meent u toch niet?"
"Ik meen het heusch. Kijk maar eens of er niet iets geschikts voor mij bij is."
Het meisje ging hoofdschuddend heen. Een kapotje voor zoo'n jong deerntje; het was al te dwaas! Zij kwam echter na eenigen tijd terug met allerlei soorten hoeden en hoedjes en na veel gebabbel en veel overleg, slaagde Hedwig er werkelijk in iets te kiezen, dat er "heusch nogal erg kapotachtig" uitzag.
"Wat spijt het me dat wij niet alle twee in Edinburg blijven!" riep zij uit, toen zij het adres had opgegeven, waarheen alles moest gezonden worden. "Ik zou het zóó prettig vinden, als ik hier een Duitsche vriendin had!"
"Mij spijt het ook. Wij zouden zeker veel aan elkaar kunnen hebben."
"Stellig. Nu, goede reis naar Duitschland terug. _Deutschland über alles!_"
Zij wuifde met haar handschoen en: "_Auf Wiedersehn!_" klonk het hartelijk.
Vlug liep Hedwig langs _Princes-street_ weer naar huis, onderweg even staan blijvend bij het standbeeld van Scott. Zij keek op naar het nobele gezicht met den fijn humoristischen trek om den mond en dacht: "Die heeft nog vrij wat meer doorgemaakt dan ik. Ik begin ook eigenlijk pas!" En met opgeheven hoofd liep zij verder.
De barones en Tieka waren nog niet terug, toen zij thuis kwam. Zij kon dus juist nog even iets nakijken voor de geschiedenisles, die zij straks aan Tieka zou moeten geven. Van avond zou zij dan een briefje aan haar moeder schrijven; ze was weer vol moed.
Verwonderd keek zij op, toen zij op haar kamer een brief van huis vond liggen. "Al zóó gauw weer, moeder heeft net geschreven," mompelde ze. "Clärchen zal toch niet erger zijn!"
Neen, Clärchen begon gelukkig goed aan te sterken, schreef haar moeder. Maar zij had Hedwig iets heel treurigs te vertellen, waarover deze zelf zeker ook erg bedroefd zou wezen. Anna Schaub was dood! Zij hadden dien ochtend bericht gekregen....
Hedwig liet den brief uit haar hand glijden. "Ach Anna! Anna!"
Ze voelde zich opeens zoo verlaten, zóó alleen! "Waarom moest zij heengaan, die goede, trouwe Anna, moeders eenigste vriendin haast! Zij kon haar immers volstrekt niet missen! O, waarom krijgen wij toch ook zoovéél leed te dragen, waarom _wij_ juist? En alles komt ook te gelijk nu...."
Zij nam den brief weer op en las met brandende oogen verder. Anna was plotseling gestorven, men had haar dood gevonden in haar slaapkamer, blijkbaar was zij zachtjes ingeslapen.
Die laatste regels stemden Hedwig wat kalmer. Het was of zij het vriendelijke gezicht van Anna Schaub duidelijk voor zich zag met een uitdrukking van heiligen vrede erop, "_den vrede, die alle verstand te boven gaat_."[2]
"God zal ons troosten, ook in dit leed," schreef haar moeder. "O, mijn lief oudste dochtertje, wat zou ik je nù graag even bij me hebben! Schrijf mij maar heel gauw weer...."
Toen Tieka thuiskwam, vertelde Hedwig haar waarom zij zoo bedroefd was en den geheelen dag door deed het kind haar best, allerlei kleine vriendelijkheden voor haar te bedenken. 's Avonds vond Hedwig op haar kussen een groot stuk chocolade.
Zooveel zij maar kon, vergat zij zichzelf, toen zij haar briefje naar huis schreef; ze dacht er alleen aan, hoe het haar moeder en Clärchen thans te moede moest zijn. Zij wilde ook geen wanhopig bedroefden brief schrijven en begon met te vertellen van Tieka's deelneming en de chocolade; het schrijven ging verder gemakkelijker dan zij zich voorgesteld had. In een paar regels besprak zij de toilet- en geldkwestie en trachtte die zoo luchtig mogelijk te behandelen, hoewel hare vingers beefden, toen zij de woorden neerschreef.
Ze kreeg spoedig antwoord van haar moeder terug. Clärchen ging werkelijk vooruit en zij zelf verdiende flink met naaien--Hedwig moest zich toch vooral niet ongerust maken.
En ons vijftienjarig gouvernantetje werkte dapper voort, al werd het verlangen naar huis, vooral toen Kerstmis naderde, soms pijnlijk groot. 's Nachts kon zij plotseling wakker worden met een gewaarwording van snakkend verlangen om even, even de gezichten van haar moeder en Clärchen te zien, ook maar één oogenblik haar stemgeluid te hooren;--dan sprong zij het bed uit, dompelde haar hoofd in het koude water en berispte zichzelf om haar "lafheid."
Om Kersttijd was het huis vol gasten, iedere kamer was bezet. In de gangen en op de portalen zag men hulstversieringen en groote bakken met melkwitte kerstrozen. Tieka werd herhaaldelijk beneden geroepen. Soms moest Hedwig meekomen en trouw verscheen zij dan in haar stemmig, zwart japonnetje, waarover de barones, evenals over den nieuwen hoed, haar hooge goedkeuring had betuigd. Zij had Hedwig ook eens toegevoegd dat zij "meer tevreden" was over haar gedrag; Hedwig was "rustiger" dan vroeger. En Hedwig had toen weemoedig geglimlacht, het viel haar in die dagen van droefheid over den dood van Anna Schaub niet moeielijk "rustig" te wezen!
Haar Kerstfeest was heel stil. Zij ging 's ochtends naar de Duitsche kerk en kwam verkwikt en gesterkt terug; het oude, blijde Kerstevangelie had krachtiger dan ooit tot haar hart gesproken.
Toen zij op haar kamer kwam, vond zij daar vele kleine verrassingen van Tieka. De pakjes lagen in een kring op de tafel met hulsttakjes eromheen. Tieka zelf stond er met een vroolijk gezicht bij en klapte in de handen om Hedwig's verbazing over een pennenhouder, dien zij voor haar had gewerkt door er in verschillende kleuren zijde omheen te winden en daarin de woorden "_my dear_" te weven.
Van de barones kreeg Hedwig een paar handschoenen en tot haar groote blijdschap was er ook een pakje van thuis: zes keurige zakdoekjes, door haar moeder genaaid en door Clärchen met een ietwat wonderlijke _H_ versierd.
Zij was dankbaar voor de goede gaven en 's avonds, toen men Tieka beneden had gehouden om een poosje met de gasten feest te vieren--toen deed zij terdege haar best het "heel gewoon" te vinden, dat zij alleen op haar kamer zat, terwijl in een ander gedeelte van het huis in schitterend verlichte zalen, zooveel meisjes, ook van haar leeftijd, zongen en vroolijk waren en haar jeugd genoten. Heel stil zat zij in het halfduister naar buiten te kijken, zich koesterend in de warmte en den gloed van het haardvuur en even vroeg zij zich af, of geen enkel van al die blijde, lachende menschen beneden, zich erover verwonderen zou dat zij niet aanwezig was. Men wist toch dat zij bestond, kwam haar telkens tegen op trap of portaal en gunde haar nu en dan een beleefden groet. Zou men verder nooit aan haar denken?
Zij wilde er zich niet in verdiepen en dwong zich tot andere gedachten.
Heel spoedig nadat Tieka boven was gekomen om naar bed te gaan, "heelemaal zonder een greintje zin om te gaan slapen," ging zij zelf ook ter ruste, na eerst de portretten van haar moeder en van Clärchen hartelijker dan ooit te hebben toegeknikt en in de stilte van haar kamer het oude, algemeen bekende Duitsche kerstlied "_die heilige Nacht_" te hebben opgezegd.
Stille Nacht! heilige Nacht! Alles schläft, einsam wacht nur das traute hoch-heilige Paar. Holder Knabe im lokkigen Haar, Schlaf' in himmlischer Ruh!
Stille Nacht! heilige Nacht! Hirten erst kund gemacht; durch der Engel Halleluja tönt es laut von fern und nah: Christ der Retter ist da!
Stille Nacht, heilige Nacht! Gottes Sohn, o wie lacht Lieb' aus deinem göttlichen Mund, da uns schlägt die rettende Stund', Christ in deiner Geburt.[3] ...
Na de laatste dagen van het jaar met al hunne drukte en afwisseling, volgden nu weken en maanden van veel werken en veel thuiszitten, want het weer bleef stormachtig en ongeschikt voor Tieka.
Doch eindelijk bracht het late voorjaar betere dagen. Een teere lentezon bescheen de grijze, Edinburgsche gebouwen en bracht lichte tinten in het jonge groen en Tieka was uitgelaten van blijdschap, toen de dokter uitdrukkelijk gebood dat zij nu zooveel mogelijk in de lucht moest zijn. Tot haar niet geringe teleurstelling echter namen hare ouders haar thans telkens lange middagen met zich mee in het rijtuig om bezoeken in den omtrek af te leggen. "Hè, ik moest me van middag weer zóó _ladylike_ gedragen en ik wou _veel_ liever geen _lady_ wezen, ten minste nog làng niet," zuchtte zij dikwijls na zulk een tocht. Het was teekenend voor haar karakter dat zij zich tegenover haar moeder nooit beklaagde, maar altijd stipt deed wat deze van haar verlangde.
Haar gehoorzaamheid bleef niet zonder uitwerking op hare ouders en nooit nog had Hedwig hare oogen zóó zien stralen als aan den avond van een prachtigen Juni-dag, toen zij bij haar kwam binnenstormen met de woorden:
"Wij gaan naar Melrose. Als het morgen mooi weer is, gaan wij _samen_ uit, samen naar Melrose! Alleen uit met _my dear_! Meer dan dol! En we mogen gewoon in den trein er heen reizen en dan nemen wij ons lunch mee. Ik heb er zóó om gesmeekt en eindelijk mocht het!"
"Maar als ik er nu eens heelemaal geen lust in heb," zei Hedwig langzaam om haar te plagen.
Even keek Tieka ernstig. Toen lachte zij weer en babbelde opgewonden verder.
"En Melrose is zóó mooi! Wij gaan Abbotsford zien, het huis van Scott, en we gaan een groote veldbouquet plukken en op het gras zitten, als wij ons lunch willen opeten en we gaan alles doen, waar we maar zin in hebben. Hè, ik wou dat die vervelende nacht maar om was!"
"Het zou me niet verwonderen, als er morgen regen kwam," zei Hedwig, naar het raam toeloopend. "Er zijn al wolkjes aan de lucht."
"Niets van aan, niets van aan, heelemaal niets van aan," zong Tieka, door de kamer dansend.
Zij kon later haast niet in slaap komen en den volgenden ochtend stond zij reeds heel vroeg klaar wakker naast Hedwig's bed.
Hedwig was nog vast in slaap, maar werd wakker door de zachte aanraking van twee warme lipjes op haar voorhoofd. Zij glimlachte, toen ze Tieka gewaar werd in haar lange witte nachtpon, waarbij het donkere krulkopje zoo grappig afstak.
"Het prachtigste weer van de wereld, hoor!" zei ze.
"Hoe laat is het?"
"Over half vijf. Zal ik me maar aankleeden?"
"Wel neen," zei Hedwig en zij ging recht overeind in bed zitten. "Ga maar gauw nog een beetje slapen."
"Mag ik dan mijn kussen halen en hier voor het ledikant een beetje op den grond gaan liggen? Anders verslapen wij ons misschien," zei Tieka, blijkbaar nu reeds in een stemming om "alles te doen, waarin ze maar lust had."
"Wel neen," herhaalde Hedwig, zóó beslist dat Tieka onmiddellijk verdween.
Het was werkelijk dien dag "het prachtigste weer van de wereld" en beiden waren in de vroolijkste stemming, toen zij de korte reis naar Melrose hadden volbracht en, met het mandje met etenswaren gewapend, uit den trein stapten. Zij hadden gereisd met drie zeer spraakzame Amerikaansche dames, die ook Melrose en Abbotsford gingen "doen", en Hedwig moest lachen om de bizonder voelbare wijze, waarop Tieka haar in den arm kneep, toen het drietal Hedwig vootstelde samen een rijtuig te huren om zich naar Abbotsford te laten rijden. "Niet doen, niet doen," fluisterde Tieka nog ter verduidelijking van haar gebaar en de Amerikaansche dames moesten het aanzien dat er een paar ledige plaatsen in het ruime rijtuig over bleven.
In een, volgens Tieka, "alleraardigsten winkel", kochten zij een goede hoeveelheid kersen en Tieka vond het een genot telkens uit den zak te mogen presenteeren en al wandelende menige kers te verorberen. "Het smaakt oneindig lekkerder dan dat je ze van een bordje eet," zei ze, niet zonder overdrijving.
Wat was het een mooie, lieflijke wandeling naar Abbotsford en hoe genoten zij! Langs heuvelen vol golvend graan liepen zij en Tieka lachte, omdat het net was of het koren haar buigend groette. Dan weer kwamen zij langs velden met groote, witte margrieten en graspluimen, waarvan zij een "prachtruiker" maakten en eindelijk, even voordat zij Abbotsford hadden bereikt, gingen zij tegen een grasheuvel aan liggen en gebruikten haar lunch. "Ik heb toch zoo'n honger vandaag," zei Tieka, "nu ga ik weer eens probeeren hoe dat smaakt," en dan legde zij een kers op een stukje brood en verzekerde dat het "verrukkelijk" was! En toen zij eindelijk klaar waren met haar maaltijd, zei ze: "Als wij nu alweer naar huis moesten, zou ik toch al verbazend veel plezier gehad hebben. Maar we gaan nog lang niet naar huis. We zijn eigenlijk net begonnen, he? Is 't niet lieve, kleine _my dear_?"
"Stil een beetje, wat meer eerbied als 't je blieft."
"Ik heb juist heel veel eerbied," zei Tieka ondeugend. "Maar ik geloof toch wel dat _my dear_ nog heel jong is."
Hedwig zei niets terug.
"Is het niet zoo?"
"Dat blijft geheim, dat weet je wel."
"Maar ik mag toch zeker wel eens raden?" begon Tieka weer.
"Neen, neen, volstrekt niet."
Het trof gelukkig voor Hedwig dat zij juist op dit oogenblik den ingang van Abbotsford naderden en er van rustig praten nauwelijks meer sprake kon zijn. Want bij het hekje, waarbij de concierge toegangskaartjes stond uit te deelen aan de verschillende bezoekers, was het stampvol. "Hoe jammer, ik dacht dat wij er bijna alleen zouden zijn," fluisterde Tieka, toen zij zich achter de Amerikaansche dames plaatsten, die al een poosje geduldig hadden staan wachten. Als een troep schapen werden allen nu door den oppasser naar de vertrekken gedreven, die het publiek van Abbotsford te zien krijgt. Hedwig en Tieka bleven spoedig een weinig achter en bekeken op haar gemak wat haar het meest aantrok, zeer onder den indruk van het feit dat zij liepen door de kamers, waar de schrijver van Ivanhoe "met het bruine haar en de lichtgrijze dichteroogen", zooveel gedacht en gewerkt en genoten had.
Terwijl de groote menigte reeds door de tusschendeur de bibliotheek was ingegaan, bleven zij samen nog een oogenblik staan in de studeerkamer, bij den stoel van Scott en zagen eerbiedig op naar den schat van boeken, waarmee de muren van onder tot boven waren bedekt. En in de fraaie bibliotheek, die Tieka "een heerlijke leerkamer" noemde, genoten zij in de nis van het groote venster staande, het bekoorlijke uitzicht op Scott's geliefde rivier de Tweed en de zacht glooiende, groene heuvels.
In de _drawingroom_ vond Tieka, niettegenstaande de vele schatten daar verzameld, het zeer eigenaardige behangsel, een voorstelling gevend van in kleurige kleedij getooide Chineezen en Japanneezen, verreweg het aantrekkelijkst; zij was er haast niet vandaan te krijgen! Haar stemming veranderde echter, toen zij de eetzaal bezochten met de kunstig uitgesneden zoldering van donker eikenhout en dachten aan het uur, waarop Walter Scott hier den laatsten adem uitblies, na alles, wat hij doorgemaakt had, toch nog stervend op zijn innig geliefd Abbotsford, waarvan hij eens schreef: "_My heart clings to the place I have created, scarce a tree of which does not owe its being to me._"[4]
En geen wonder dat zijn hart "hing" aan Abbotsford! Kende hij er niet nagenoeg iederen steen, iedere bloem en iedere boomsoort? En had hij niet van de onaanzienlijke hoeve en het land, die hij in 1811 kocht, een waren lusthof gemaakt? En werd hij er zelf ook niet met warme aanhankelijkheid gediend door al zijne onderhoorigen, tot den bekenden schaapherder Thomas Purdie en den koetsier Peter Mathieson toe?
"Ik wou dat Walter Scott nog leefde en dat ik dan eens bij hem te logeeren gevraagd werd op Abbotsford, met _my dear_," zei Tieka, toen zij het kasteel verlieten en zich haasten moesten om de beroemde ruïne van de Melrose abdij nog te gaan zien.
De tijd was omgevlogen en zij mochten natuurlijk niet te laat aan het station komen. "_Als_ wij eens te laat kwamen en pas van nacht weer thuis konden zijn, zou ik het toch wel een beetje prettig vinden," merkte Tieka op, maar Hedwig scheen dit volstrekt niet ook maar "een beetje" plezierig toe en zij begon onwillekeurig nòg vlugger te loopen.
Ten slotte viel de tijd haar toch nog mee, toen zij bij de indrukwekkend mooie ruïne van Melrose Abbey stonden en hier nog eenige oogenblikken konden vertoeven om een dankbare gedachte te wijden aan de begaafde Benediktijner monniken, die eeuwen geleden in zandsteen de sierlijkste lijnen wisten te beitelen en al hunne talenten gaven aan de verfraaiing van het kerkgebouw, dat zelfs als ruïne nog zoo onuitsprekelijk veel schoons heeft.
"Laten wij nog even blijven, even maar," smeekte Tieka, toen Hedwig zeide dat het tijd werd om te vertrekken. Hedwig was echter onverbiddelijk en het was goed dat zij niet langer gewacht hadden, want toen zij aan het station kwamen, stond niet alleen de trein er reeds, maar waren de coupés zóó vol dat zij slechts met zeer groote moeite één plaats konden machtig worden in een derdeklasse wagen. Tieka moest bij Hedwig op den schoot zitten en vond dit ook al weer "dol prettig." Haar vroolijkheid werkte aanstekelijk op de medereizigers, waaronder zich een troepje kleine meisjes bevond, die schaterden van het lachen om Tieka's grappen en zelf ook allerlei te vertellen hadden. Zij hadden ook op het gras gezeten om te lunchen, dicht bij een boerderij en terwijl haar vader bezig was, haar allerlei over het leven van Scott mee te deelen en daarbij zijn boterham in de hand hield, was opeens een kip op zijn been gevlogen en had hem de boterham pardoes uit de hand weggepikt. O, zij moesten nog zóó lachen, als zij er aan dachten hoe vader toen gekeken had!
Nu, Tieka en Hedwig lachten ook en toen de trein te Edinburg stilstond en de kinderen afscheid moesten nemen, zei Tieka levendig:
"Hè, ik hoop hartelijk dat wij elkaar nog eens weerzien!"
HOOFDSTUK V.
Chester.
Twee volle jaren bleef Hedwig bij de familie von Zercläre, zonder dat er van eenige verandering sprake was. Zij was nu bijna achttien jaar. "Over een paar jaar, als ik twintig word, dàn zal de barones mijn salaris toch wel verhoogen," dacht ze soms. Zij wist dat de ouders van Tieka tevreden waren over hare vorderingen, maar zij wist ook zeer goed dat Tieka's moeder haar bizonder weinig genegen was en er waren dagen dat zij werkelijk leed onder de scherpe, hatelijke woorden der barones, waaraan het maar al te zeer merkbaar was dat zij door jaloezie waren ingegeven.
Toch werkte zij vroolijk en moedig voort en bleef zij steeds hopen dat de houding der barones nog wel eens veranderen zou. Zij was het vorige jaar met Kerstmis thuis geweest en had van haar moeder ook den raad gekregen, maar trouw haar best te blijven doen en zij hadden toen beiden gelachen om Clärchen's verontwaardigden uitroep:
"Nu, _ik_ zou me dan zoo engelachtig niet houden!"
Hedwig moest weer aan die woorden denken, toen zij zich op een stillen, helderen herfstdag gereed maakte voor haar ochtendwandeling met Tieka. De barones was den vorigen dag de leerkamer ingekomen op een oogenblik dat Tieka het juist weer heel druk had met haar "_my dear_" en zij had toen zeer beslist gezegd dat het nu "voor goed uit moest zijn met die dwaasheid." Tieka had erg verschrikt gekeken, toen ze haar moeders oogen zoo toornig zag flikkeren en zij was dadelijk begonnen zich stipt aan het verbod te houden, zooals haar gewoonte was. Hedwig had den volgenden ochtend het hartelijke "_my dear_" gemist; zij zuchtte er nu eens even over en glimlachte flauwtjes om haar "sentimentaliteit."
Wat bleef Tieka toch lang weg! De barones had haar zooeven bij zich laten roepen. Het kind had toch niets gedaan, waarvoor zij een berisping verdiende?