# Een Heldin

## Part 4

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-heldin-11285/index.md

Nooit zal ik vergeten hoe zacht en teeder de zon scheen op de oude kapel van _Holyrood_, toen wij aan kwamen rijden. Ik zal dat altijd het mooist vinden van het geheele, oude paleis, dat stuk ruïne, dat overgebleven is van de abdij en er zoo plechtig stil uitziet, indrukwekkend nog in zijn verminkte grootheid, met het grijze steen half door groen mos bedekt.

Door de vensters, waaruit het glas lang verdwenen is, komt het licht vol en rijk naar binnen, grillige schaduwen tooverend op het grijze steen. Zoo rustig, zoo geheimzinnig hoorbaar is de stilte daar dat ook Tieka er door getroffen werd en bedaard, zonder iets te zeggen, haar hand in de mijne legde.

Ik sprak zooeven van de abdij, maar ik had eerst moeten vertellen--wat ik er ook den vorigen dag voor Tieka over had nagelezen--dat het slot _Holyrood_ heet naar het nabijgelegen klooster van dien naam, (_Holy rood_ = Heilig Kruis) dat in de twaalfde eeuw door den Schotschen koning David I werd gesticht en rijk met landerijen begiftigd. Gedurende een paar eeuwen werd het klooster herhaaldelijk door Schotsche vorsten bewoond, maar het eigenlijke paleis of slot werd eerst in 1528 door Jacobus V gebouwd en bleef, nadat het klooster in 1544 totop het schip der kerk door de Engelschen verbrand was, de verblijfplaats van Maria Stuart en van haar zoon Jacobus VI, tot deze in 1603 als Jacobus I den Engelschen troon besteeg en Engeland en Schotland onder één vorst werden vereenigd.

Onder Cromwell werden paleis en klooster grootendeels verwoest en eerst gedurende de regeering van Karel II in 1671, werd het paleis weer opgebouwd, waarbij het Noordwestelijk gedeelte uit den tijd van Jacobus V, dat gespaard was gebleven, zijn oorspronkelijken vorm behield. In dit oude gedeelte kan men nog de vertrekken zien, eens door Maria Stuart bewoond.

Ik voelde mij als een ander mensch, toen wij door die nu zoo doodstille, hooge kamers liepen. Men wees ons ook de deur en de smalle trap, waarlangs de moordenaars van Rizzio zich indertijd toegang hebben weten te verschaffen tot de vertrekken der koningin. Ook door de eetzaal liepen wij, waar zij Rizzio gegrepen hebben, om hem daarna door de slaapkamer en de audientiezaal heen te sleepen en eindelijk bij de hoofdtrap dood te steken....

Zijn bloed liet sporen achter op den vloer der audientiezaal en men zegt dat Maria die vlekken nooit heeft willen laten uitwisschen "omdat zij er haar aan moesten herinneren dat zij het doel van haar wraak geen oogenblik uit het oog mocht verliezen." Vreeselijk, niet waar?

Men wees ons later ook nog een eigenaardig oud huis, dicht bij _Holyrood_ gelegen, dat _Queen Mary's Bath_ wordt genoemd, omdat Maria Stuart--zoo gaat het verhaal, maar u en mij zou het zeker wel een beetje duur uit komen!--hier geregeld iederen dag een bad van wijn kwam nemen ter verhooging van hare schoonheid.

Door dit huis wisten ook de moordenaars van Rizzio te ontsnappen en in het laatst der 18^e eeuw, toen het dak hersteld moest worden, vond men tusschen de planken nog een fraai gedreven dolk, die hoogstwaarschijnlijk aan een der samenzweerders had toebehoord.

Al deze dingen moest ik aan Tieka vertellen, terwijl haar moeder zeer aandachtig toeluisterde (wel wat griezelig!) en mij op de vingers tikte, als ik wat onnauwkeurig was in mijne uitleggingen. Ik vond Tieka nog zoo klein voor al die akeligheid, maar de barones was dit blijkbaar niet met mij eens en Tieka zelf was gelukkig niet zoo heel erg onder den indruk! Zij zag telkens iets, dat haar aandacht afleidde en deed ontelbare vragen en ... toen we weer buiten waren en nog even rond wandelden, liep zij opeens op een drafje van ons weg naar een heel eenvoudige, Schotsche vrouw met een alleraardigst, klein, dik jongetje van een paar jaar aan de hand. Het kereltje had groote, lichtblauwe oogen en zulke bizonder dikke, ronde wangen dat Tieka den lust niet kon weerstaan er even in te knijpen. Met een bizonder ernstig gezichtje keek hij tot haar op, toen zij deze vrijheid nam en de moeder zei lachend, met een sterk Schotsch accent: "Geef de jongejuffrouw gauw een handje, Bob." Maar Bob kon daar maar niet zoo dadelijk toe besluiten. Wèl deed hij zijn mond wijd open om Tieka te laten zien dat hij een pepermuntje op de tong had, maar na deze heldendaad verschool hij zich achter zijn moeder. "Tieka, kom terstond hier," gebood de barones, "wat zijn dat nu weer voor manieren!" En Tieka gehoorzaamde dadelijk, echter niet zonder de vrouw te hebben toegeroepen: "Stuur mij zijn portretje, stuur mij als 't je blieft zijn portretje!"

Eerst toen het te laat was, bedacht zij dat de vrouw haar adres niet wist!

Nu heb ik mijn brief toch nog weer een paar dagen moeten laten liggen; juist toen ik zoo langzamerhand eens wilde gaan eindigen, kwam de familie thuis en Tieka had mij toen zooveel verhalen te doen, dat ik geen lettertje meer kon schrijven.

En nu ... ligt mijn aardig leerlingetje te bed. Zij schijnt koude gevat te hebben op haar reisje en moet er op raad van den dokter, een dag of vier stilletjes in blijven en zich niet vermoeien. Ik zit bij haar en ze slaapt nu gelukkig; dat zal haar goed doen. De dokter denkt dat zij wel gauw weer zal opknappen, maar zij ziet er nu erg bleek en smal uit! Zij is echter opgewekt en eet flink. "Als _my dear_ maar aldoor bij me mag blijven, vind ik het niets erg," zei ze tegen den dokter, die natuurlijk heel verbaasd keek, niet wetende wie "_my dear_" was! Hij lachte, toen ik het hem uitlegde en zei toen, tot Tieka's groote vreugde, dat ik niet van haar bed mocht wijken. Toen vroeg hij mij--o schrik!--of ik hier logeerde en een ouder vriendinnetje van Tieka was en ik keek opeens heel streng (al beefde ik inwendig!) en zei niet anders dan: "_Her governess, sir!_" waarop hij bedaard hernam: "_Oh indeed! Yes, of course_".

Het is toch vervelend dat ik er niet uit zie alsof ik ... tachtig was! De baron kan mij ook zoo lastig onderzoekend aankijken en laatst zei de barones: "U bent nog wel _heel_ jong, Fräulein, u moet trachten wat bezadigder te zijn." Ik boog, zielsblij dat zij mij niet vroeg hoe oud ik toch eigenlijk was--maar och heden, den middag daarop gebeurde er juist iets, waardoor ik een alles behalve "bezadigden" indruk maakte!

Ik doe heusch mijn best met alles, moeder, en hoe zou ik ook niet? Ik heb het zóó goed getroffen en vind mijn werk voor en met Tieka zoo prettig, maar 't is net of ik soms _vergeet_ mijn best te doen om oud te wezen! Het is werkelijk ook niet zoo heel gemakkelijk dat te zijn, als men het eigenlijk niet is. Dat klinkt als een raadsel, vindt je niet Clärchen?

Maar nu is het toch mijn plicht u nog even te vertellen wat er dien bewusten middag gebeurd is. Het was op een Zaterdag. Tieka behoeft dan alleen maar 's ochtends te leeren, de overige uren van den dag mogen wij spelen, wat wij beiden heerlijk vinden! "Ik laat haar zooveel mogelijk _met u_ spelen," zei de barones, toen ik hier kwam, "omdat wij wenschen dat zij ook dat verstandig doen zal. U moet dus ook dàn onderwijzend optreden."

Ik begreep toen niet recht wat de barones hiermee bedoelde, maar dacht en zeide alweer dat ik mijn best zou doen. Een paar malen, als Tieka en ik met hare poppen bezig waren, kwam de barones eens kijken en eens toen Tieka--naar mijne meening heel netjes--poppekleertjes gewasschen en met mijne hulp gestreken had, moest zij alles weer over doen omdat, volgens haar moeder, de kleertjes niet schoon waren.

Eerlijk gezegd, kan Tieka het haar moeder slechts zeer zelden naar den zin maken. Als zij voor de poppenfamilie kookt of bakt en de barones laat proeven, vindt deze ook nooit iets lekker. Tieka zegt dan altijd maar weer vroolijk met haar heldere stem: "Een volgend keertje beter opgepast!" Zij heeft gelukkig een onbezorgde natuur en lacht en zingt van den ochtend tot den avond.

Dien bewusten Zaterdagmiddag waren wij beiden in een bizonder fleurige stemming en ... vergat ik, vrees ik, voortdurend "onderwijzend op te treden".

Tieka houdt dolveel van lezen en is tegenwoordig zeer vervuld van Robinson Crusoe. "Dat vind ik het mooiste boek dat ik ken," zegt ze dan, zooals telkens na ieder boek, dat ze juist uit heeft! Wij wilden dien middag een voorstelling geven van Crusoe en Vrijdag bezig met het bouwen van hun tent en wij hadden het dus, zooals van zelf spreekt, bizonder druk!

Tieka wou graag Robinson Crusoe wezen en had zich daarvoor zeer potsierlijk uitgedost. Zij had haar jurk uitgetrokken, een wit schapenvacht (het haardkleed) omgeslagen, daarover een lederen ceintuur gegespt, haar _slippers_ als sandalen met een rood lint onder de bloote voeten gebonden en hare krullen zoo verward mogelijk over haar voorhoofd laten vallen. Daarbij had ze, heel achter aan het hoofd, hoe weet ik niet, een van hare roode kousjes bevestigd, "omdat zij er dan veel meer wildeman-achtig en voor een onbewoond eiland uitzag."

Wij hadden ons ieder op onze eigene slaapkamer verkleed om later elkaar, als bij verrassing, in de kinderkamer--Crusoe's eiland--te ontmoeten en Tieka juichte van pret, toen zij mij als Vrijdag zag. Ik had mijn gezicht en armen bruin gemaakt en mijn haar los laten hangen langs mijne slapen, het daarna in verschillende strengen verdeeld en toen onderaan de punten zwarte bandjes gestrikt; het zag er anders zoo erg blond uit! Verder droeg ik een zeer fantastisch kostuum in den vorm van een schilderachtig om mij heen geslagen, geruiten reisdeken, om het middel met een gordel van dik touw vast gemaakt, dat verder in trossen van zware knoopen naar beneden hing. Ik weet niet of Vrijdag ooit zoo getoiletteerd is geweest, maar Tieka vond alles prachtig, vooral mijn bruin gezicht en het ongemeene kapsel. Ik had mijn japonlijfje uitgetrokken, maar voelde me onder den plaid toch heel warm natuurlijk, _te_ warm om behagelijk te zijn. En Tieka vond Vrijdag erg lui, toen deze opeens midden in het bouwen van een tent van blokken, kistjes, planken, voetebankjes, enz. op den grond ging zitten en uitriep: "Ik kan niet meer!" Crusoe trok den ontrouwen knecht aan een van zijne lokken en riep bevelend: "Gauw meehelpen! Anders komen wij voor den nacht niet klaar!" toen ... de deur open ging en de barones von Zercläre in ruischende zijde haar voet op het onbewoonde eiland zette!

Even bleef zij zwijgend staan, daarop zei ze op een toon van de diepste afkeuring: "Maar Fräulein!" en Vrijdag, die terstond opgesprongen was, kreeg een kleur onder zijn bruine huid. Tieka riep: "Moeder, moeder, we spelen Robinson Crusoe!" maar deze verklaring stemde de barones volstrekt niet gunstiger. Zij nam Tieka bij de hand en bracht haar naar haar slaapkamer. "Kleed je terstond weer behoorlijk aan en redder daarna dien prulleboel geheel op!" hoorde ik haar toornig zeggen en Tieka zei alleen uit den grond van haar hart: "Hè, wat jammer!" maar deed toen onmiddellijk wat haar bevolen was.

Juist wou ik ook zoo vlug mogelijk naar mijn kamer gaan om me te verkleeden, toen de barones weer voor mij stond. Nooit zal ik vergeten, hoe ongelukkig ik mij toen als Vrijdag voelde en hoe vurig ik verlangde, weer heel gewoon Hedwig Eiche te wezen!

Tieka's moeder vond dat ik mij hoogst onbetamelijk had gedragen. En ik _had_ zeker ook wel een ander spelletje kunnen kiezen, maar wij vonden dit beiden zoo erg prettig!

Ik ontstelde, toen de barones zeide:

"U gedraagt u werkelijk soms geheel alsof u zelf ook nog een kind waart! Dat moet beslist veranderen, anders zou ik Tieka niet onder uwe leiding kunnen laten." Ze zweeg even, toen vervolgde zij met een vreemden blik in hare oogen:

"En dan moet ik u bovendien verzoeken u wat minder te beijveren om Tieka's liefde te winnen. Als zij u gehoorzaamt en ook verder haar plicht tegenover u doet, is dat volkomen voldoende. Liefde behoort zij voor hare ouders te voelen, overigens...."

Zij bracht den zin niet ten einde, maar zweeg weer even om mij toen--alsof dit nog noodig was!--onder het oog te brengen dat "dergelijke circus-achtige voorstellingen" nooit meer mochten plaats hebben. Toen ging zij heen.

Vindt u het erg kinderachtig dat niet alleen het water van mijn waschtafel het bruin van mijn gezicht wegwiesch?!

Maar u moet dit voorval toch vooral niet te tragisch opvatten, hoor! Het is nu alles al weer voorbij en vergeten en Tieka en ik hebben toch nog heel wat pret samen, al wagen wij ons slechts zelden meer aan verkleedpartijtjes en tooneelvoorstellingen!

En wat zegt u nu toch wel van zoo'n brief? Stuur dit pakje ook, als het kan, aan Anna Schaub ter lezing, of geef het haar te genieten, als zij wellicht gauw weer eens bij u komt. Ik heb ook haar nog maar een paar korte episteltjes gestuurd en zij schrijft zelf zoo trouw en zoo hartelijk.

Ik ben zoo blij dat het u beiden goed gaat en dat Clärchen het nu weer zoo prettig vindt op school en ook gouvernante wil worden.

Hoezee! Hoezee! Morgen zend ik u mijn eerstverdiende geld of liever mijn eerstverdiende gouvernantegeld. 't Is een beetje raar uitgedrukt; toch duidelijk genoeg voor u zeker? Neen moeder, ik heb er heusch zelf niets van noodig; ik heb nog wel een paar _shillings_ en _pennies_ in mijn beurs en dat is meer dan genoeg. Mijne kleeren zien er keurig netjes uit; alles wat ik met Anna in Hamburg gekocht heb, is haast nog nieuw. En eten of drinken behoef ik toch waarlijk niet te koopen! Dat krijg ik hier zoo overvloedig; ik word bepaald al wat dikker en mijn wangen zien er haast even rood uit als die van dien kleinen jongen bij _Holyrood!_

U ontvangt dus een aangeteekenden brief uit Schotland. Gewichtig, he? Ik ga het geld zelf naar het postkantoor brengen. Dat moet u nu niet _allemaal_ aan nuttige dingen besteden, moeder; eet eens een extralekkere _kuchen_ bij de koffie op mijn gezondheid. Ook doen!

En nu houd ik werkelijk eens op. Natuurlijk krijgt u nu voorloopig alleen maar briefjes in telegramstijl. Duizend groeten, ook van Tieka aan Clärchen....

HEDWIG.

Zooeven is de dokter er weer geweest. Hij was heel tevreden en vond dat Tieka goed vooruitging. Als het weer zoo zacht blijft, mag zij morgen eens opzitten en misschien overmorgen een poosje met mij in den tuin wandelen. Er is hier een prachtige tuin, een park eigenlijk, voor en achter het huis, o zoo mooi!

HOOFDSTUK IV.

Op de Proef gesteld.

Tieka herstelde echter niet zoo spoedig als men verwacht had. Zij bleef hoesten en toen de winter naderde en stroomen "echten Schotschen regen" meebracht, moest zij zich bepaald in acht nemen. "Er is volstrekt geen reden om bezorgd te wezen," zei de dokter herhaaldelijk tot de barones, "als uw dochtertje maar eenmaal gewend is aan onze Schotsche lucht, wordt ze stellig weer even flink als zij geweest is. Met droog, zonnig weer mag zij uitgaan; in den regen wandelen is nu echter beslist verkeerd voor haar."

Het was een heele teleurstelling voor Tieka en voor Hedwig ook. Tieka vond het juist zoo "_jolly_" om 's ochtends in een gietbui met haar lossen regenmantel om en haar Schotsch mutsje op, vergezeld door haar vroolijke gouvernante, naar _Princes' street_ en het standbeeld van Scott te wandelen of, even voor de _afternoon-tea_, vijf minuten in den regen door de paden van den grooten tuin te draven, met haar neusje in de lucht en dan Hedwig te laten raden, hoeveel druppels zij op de punt van dat neusje had voelen spatten--en nu moest al dat genot den geheelen winter worden ontbeerd!

Zij hield zich echter dapper. "Dan mag ... neen, dan moet ik den volgenden winter zeker dubbel vaak uit, niet waar, dokter?" vroeg zij en de dokter knikte lachend.

"Natuurlijk."

"O _my dear_, wat ben ik nu toch dubbel blij dat ik _my dear_ heb!" zei ze telkens tot Hedwig, als ochtend aan ochtend de regen tegen de ruiten kletterde om met hatelijke volharding den ganschen dag te blijven aanhouden. Dan lachte Hedwig en kneep haar in de kin of danste eens met haar de kamer door, maar op zekeren dag, toen Hedwig, na ontvangst van een brief van huis, stiller was dan anders, vroeg Tieka opeens aarzelend:

"_My dear_, wat gebeurt er in de Kerstvacantie?"

"Wat meen je?"

"Of dan niet ... zou ik dan niet ... ik meen maar ... omdat...."

"_Heel_ duidelijk ben je niet, maar ik geloof toch dat ik wel weet wat je vragen wilt!"

"O," zei Tieka, die anders niet gewend was zoo weinig woorden te gebruiken.

"Je zoudt graag eens willen weten of ik met de Kerstvacantie ook naar huis ga; is het niet zoo?"

"Ja, ja, ik hoop maar...."

"Ik zal je eens wat zeggen Tieka, ik ga niet naar huis met Kerstmis en nog lang niet, denk ik."

"Wat heerlijk, wat heerlijk!" Zij sprong op en liet haar breikous op den grond vallen, zoodat een der naalden uit het werk gleed en een heele rij steken weer opgenomen moest worden.

"Kindje, kijk nu toch eens!" zei Hedwig en Tieka moest zelf trachten het onheil te herstellen.

Heel vlug ging dat niet, zij vond het erg lastig al de steken weer op de breinaald te krijgen en met haar donker hoofdje diep over het werk gebogen, zat zij heel stil. Hedwig hoorde haar een paar malen zuchten.

"Gaat het niet?"

"Het gaat wel, maar o, ik vind breien zóó vervelend!"

"Dat zul je niet vinden, als je het maar eenmaal goed hebt geleerd."

"Mijn neus gaat er altijd zoo van jeuken," klaagde Tieka, "en mijn ooren ook!"

Toch legde zij het werk niet neer, voordat al de steken opgenomen waren; toen riep ze vroolijk: "Al weer klaar! En nu is het voor vandaag genoeg zeker?"

"Ja. Ga nu je Duitsche versje maar overschrijven."

"Maar eerst...." en zij sloeg de armen om Hedwig's hals en fluisterde vlak bij haar oor:

"Eerst nog eens even zeggen, hoe heerlijk ik het vind dat _my dear_ hier blijft met Kerstmis."

Hedwig gaf haar een kus. "Lieveling," zei ze zacht en Tieka hoorde terstond aan haar stem dat zij bedroefd was.

"_My dear_, wat is er?"

Hedwig schudde het hoofd.

"Is het een geheim?" fluisterde Tieka. "Dan, ja, dan màg ik het niet weten!"

"Het is geen geheim," zei Hedwig. "Mijn zusje is ziek geweest, heel ziek...."

"Ook al ziek geweest, net als ik en is ze nu weer beter?"

"Ja."

"Heelemaal?"

"Bijna heelemaal."

"Maar dan is het immers al weer over!"

"Ja, gelukkig wel."

Tieka begreep niet recht, waarom Hedwig dan niet blijder was.

"Verlangt zij zoo naar u?"

"Wel wat, denk ik."

"Maar dan moet u met Kerstmis wèl naar huis gaan," zei Tieka, een overwinning op zichzelf behalend.

"Neen, neen."

Tieka voelde dat Hedwig er verder liever niet over spreken wilde en ging stil aan haar werk. _My dear_ was anders altijd zoo vroolijk! Zij was nu zeker wat bedroefd omdat Clärchen zoo ziek was geweest, maar het was toch _geweest_; dat was een groot lichtpunt, vond Tieka.

Ja, dat was zeker een groot lichtpunt en in dien geest had Hedwig's moeder ook geschreven. Clärchen's ziekte had echter veel geld gekost en zij hadden angstige dagen gehad; nu moest zij versterkende middelen hebben, ook had ze nog veel oppassing noodig en--haar moeder was zóó arm! Zij schreef zoo opgewekt als ze kon; zij hielden goeden moed; dat deed Hedwig toch zeker ook? Maar dat behoefde haar moeder eigenlijk niet eens te vragen, van haar waren zij het niet anders gewend.

Neen, zij zou den moed niet verliezen, maar ach, wat zou het heerlijk zijn geweest, als zij met Kerstmis één enkelen dag thuis had kunnen zijn! Er kon daarvan nù natuurlijk heelemaal geen sprake wezen ... en haar moeder en Clärchen weer zóó arm en zoo vol zorgen....

Doch zij stond op om over Tieka's schouder heen naar haar werk te kijken en schudde de gedrukte stemming van zich af.

Zij wilde niet bij de pakken neerzitten, maar flink haar weg blijven gaan, wetend dat God helpt die zichzelven helpen en zoodra zij haar salaris kreeg, zou ze haar moeder weer al het geld sturen, dat zou verlichting geven; hoe gelukkig dat de maand bijna om was en dat zij zelf niets noodig had!

"Ziezoo, _my dear_ is weer vroolijk," zei Tieka, toen zij 's middags honderd uit bij Hedwig had gezongen aan de piano, terwijl de regendruppels buiten de maat tikten tegen de ruiten. Ja, Hedwig had haar gewone blijmoedigheid herkregen en 's avonds schreef zij een paar opgewekte woorden naar huis, die haar moeder en Clärchen een gevoel gaven, alsof zij een oogenblikje bij haar had zitten praten.

Enkele dagen later hunkerde zij al naar het uur, waarop zij haar salaris weer zou ontvangen. Gewoonlijk vond zij het in een couvert op haar kamer liggen en ook nu was dit het geval. Tot haar verbazing was er thans echter een briefje bij, waarin de barones haar verzocht dadelijk een oogenblikje bij haar te komen in haar _boudoir_.--Misschien zou het zijn om over een rijtoertje te spreken, bedacht Hedwig; het was bij uitzondering heden mooi weer. Terstond ging zij heen.

Zij had het _boudoir_, dat door een zwaar gordijn van een der zitkamers was afgescheiden, nog nooit anders dan uit de verte gezien en zij was echt meisjesachtig nieuwsgierig, hoe zij het er vinden zou. Alweer moest zij een paar bedienden langs, eer het gordijn achter haar dicht viel. Zij had slechts even den tijd om onder den indruk te komen van de zacht-lila tinten van behang en meubileering en van den viooltjesgeur, die in het vertrek hing, want heel spoedig hoorde zij in hare nabijheid de stem der barones tot den knecht zeggen:

"Zorg dat ik niet gestoord word."

Toen zij naderde, ontstelde Hedwig van de koude, hooghartige uitdrukking van haar gelaat. Wat zou er gebeurd zijn? Had zij iets misdaan? Zij herinnerde zich niet in eenig opzicht tegen de wenschen der barones gehandeld te hebben....

"Ik moet eens ernstig met u spreken, Fräulein," klonk het zeer uit de hoogte. "Allereerst moet ik er u nog eens met nadruk op wijzen, dat het uw plicht is ervoor te zorgen, dat Tieka zich niet te veel aan u gaat hechten. Zij ... kortom, zij behoort haar genegenheid te geven aan menschen uit haar eigen stand, niet aan onderhoorigen. Natuurlijk is het mijn wensch dat gij in aangename verhouding tot elkaar staat, maar de afstand moet bewaard blijven."

Hedwig boog het hoofd. Zij zeide niet dat Tieka allerminst een kind was, dat van "afstand bewaren" hield, maar zij dacht het wel en haar hart werd warm.

"Dan heb ik u nog iets te zeggen. Het zou mij zeer aangenaam wezen u wat stemmiger, wat minder jeugdig en ook wat eleganter gekleed te zien. Voor zoover ik weet, heb ik u nog nooit zwart zien dragen. Mag ik vragen hoe dat komt?"

Hedwig antwoordde dat zij geen enkele zwarte japon bezat.

"Dan zult u er u een dienen aan te schaffen; uw toilet is te weinig, zooals ik dat van de gouvernante mijner dochter mag verwachten. Heel stemmig moet het wezen en toch smaakvol. Ik zal u een adres opgeven van een winkel hier in Edinburg, dan kunt u daar van middag een japon koopen, terwijl ik met Tieka uit rijden ben."

"Ik...." Hedwig dacht aan het geld, dat zij den volgenden dag aan haar moeder had willen sturen en er kwam haar een brok voor de keel.

"Hadt u nog iets te vragen?"

"Ik dacht ... zoo'n zwarte japon ... is die niet erg duur?" bracht zij er hakkelend uit.

"Men zal u gaarne verschillende soorten van stof laten zien," zei de barones koel. "Maar ik herhaal dat ik bizonder gesteld ben op zwart. Het hindert me dat men u over 't algemeen een te jonge gouvernante voor Tieka vindt. Als u wat minder jeugdig gekleed gingt en minder levendig waart, zou dat natuurlijk niet het geval zijn, want ... hoe oud bent u eigenlijk?"

"Vijftien jaar ... bijna zestien," zei Hedwig, zoo zacht dat de barones haar onmogelijk verstaan kon.

"_Hoe_ oud?" vroeg zij scherp.

Met de kalmte der wanhoop herhaalde Hedwig nu luid:

"Vijftien jaar."

"Wat?" De oogen der barones flikkerden toornig. "Waarom is mij dat niet eerder gezegd?" zeide zij driftig. Toen zich herstellend, met voorgewende kalmte: "Maar het doet er ook eigenlijk minder toe, hoewel ... u weet immers _zeker_ dat u niet ouder bent?"

Onwillekeurig moest Hedwig nu toch even glimlachen. "Heel zeker," zei ze.

"Dan zult u dubbel uw best moeten doen ouder te _schijnen_. Het zal mij ook genoegen doen, u een ander soort hoeden te zien dragen, niet altijd dat ronde, meisjesachtige model, meer een kapothoedje of iets, dat daarop lijkt, ten minste."

