# Een Heldin

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-heldin-11285/index.md

"O juist...." zei de barones langzaam. "Ja, dan moet u natuurlijk ook met een klein salaris beginnen; maar daarover kunnen we straks nog spreken. Ik had u wel eerder mogen vragen of het voor u geen bezwaar zou zijn Duitschland te verlaten? Mijn echtgenoot is consul geweest in Italië; hij heeft zijn betrekking neergelegd en nu gaan wij voor goed in Schotland wonen. Wij hebben een huis even buiten Edinburg. Ik ben een Engelsche."

Hedwig haastte zich op te merken dat er voor haar geen 't minste bezwaar bestond om naar Schotland te gaan. "Ik vind het juist heerlijk veel te zien van de wereld," liet zij zich ontvallen.

De barones knikte even heel genadig. Zij stelde nu juist niet zoo heel veel belang in wat Hedwig "heerlijk" vond.

"Ik heb lust het eens met u te beproeven," herhaalde zij, "maar u lijkt me nog heel jong...." Hedwig beefde, "en u zult u dus met een niet groot salaris tevreden moeten stellen. Ik zal u jaarlijks 15 pond[1] geven; vindt u dat goed? Natuurlijk betaal ik ook uw overtocht."

Hedwig boog haastig toestemmend. _Zij_ vond het salaris niet klein. Vijftien pond! Daarvan zou ze toch het grootste gedeelte aan haar moeder kunnen sturen.

"Wilt u dan nog even piano voor mij spelen of wat zingen?" vroeg de barones opstaande en Hedwig de piano wijzend. "Ik zal mijn dochtertje roepen, dan kunt u kennis met haar maken. Begin maar te spelen, als 't je blieft."

Hedwig gehoorzaamde. Ze was juist in een stemming om te zingen; ze voelde zich zóó opgewekt! Even dacht zij na, toen sloeg ze de toetsen aan en zong vroolijk met haar frissche, jonge stem:

"Ein Männlein steht im Walde ganz still und stumm, es hat von lauter Purpur ein Mänt'lein um. Sagt, wer mag das Männlein sein, das da steht im Wald allein mit dem purpurrothen Mäntelein? ... Das Männlein steht im Walde auf einem Bein, und hat auf seinem Haupte schwarz Käpplein klein. Sagt, wer mag das Männlein sein, das da steht im Wald allein mit dem kleinen schwarzen Käppelein?"

Nauwelijks had zij het laatste woord gezongen of een blijde kinderstem riep: "_Schön! Nice!_" En terstond daarop zong dezelfde stem:

"Das Männlein dort auf einem Bein, mit seinem rothen Mäntelein und seinem schwarzen Käppelein, kann nur die Hagebutte sein!"

Hedwig keek snel om. Naast de barones stond de kleine zangeres, een kind met kort, heel krullend donker haar en donkerblauwe oogen, die haar vroolijk aanzagen.

"Heel goed gespeeld en uwe stem bevalt mij ook," zei de barones. "En dit is nu mijn dochtertje, uwe aanstaande leerling."

Met een aardige, bevallige beweging stak het kind Hedwig de hand toe. "Wat ziet u er prettig jong uit!" riep ze.

Hedwig lachte. "Ik houd ook nog heel veel van spelletjes," zei ze, "en van vertellen en zingen en pretmaken...."

"Tieka moet nu echter ook eens flink aan 't leeren gaan," viel de barones beslist in. "En ik vertrouw dat u begrijpen zult dat zij te oud is om hoofdzakelijk aan spelen te denken."

"O ja zeker, mevrouw," haastte Hedwig zich te antwoorden.

"Als u nu nog even wachten wilt," zei de barones, "dan kan ik u zeggen...."

Zij eindigde den zin niet en ging aan een schrijftafeltje zitten, een eind van Hedwig en het kind af.

"Wanneer komt u bij ons?" vroeg het kleine meisje fluisterend. "Heel gauw, hoop ik. Ik ben nu zoo alleen."

"Heb je dan geen broertjes of zusjes?" vroeg Hedwig, eveneens fluisterend om de barones niet te storen.

"O neen, nooit gehad."

"Hoe heet je ook weer?"

"Tieka," zei het kind gewichtig.

"Tieka? Wat een aardige naam! En hoe verder?"

"Tieka, Helene, Adelaïde von Zercläre, maar niemand noemt mij ooit Helene of Adelaïde, altijd alleen maar Tieka."

"Hoe oud ben je?"

"Over vier dagen word ik al tien. Ik had u straks willen halen uit de aardige viooltjeskamer, maar mama vond het niet goed."

"Ga nu nog maar wat lezen, Tieka en zeg Fräulein goeden dag," kwam de barones tusschenbeide en Tieka gehoorzaamde onmiddellijk; bij de deur wierp zij Hedwig nog vlug een paar kushanden toe.

"Ik veronderstel dat u zoo spoedig mogelijk zult kunnen komen?" hernam de barones. "Wij vertrekken reeds overmorgen naar Londen, waar wij een paar dagen wenschen te logeeren. Het is nu Donderdag, het zou mij aangenaam zijn als u dan Maandagavond op reis kondt gaan. U kunt dan Woensdagochtend in Londen zijn en u per rijtuig naar het station King's Cross laten brengen. Als u een voorspoedige zeereis hebt, vinden wij elkaar daar en u reist met ons door naar Edinburg. Voor alle zekerheid geef ik u ons adres in Edinburg ook nog. Hier is het, benevens het geld voor uwe reis."

Hedwig nam het couvert met een zeer dankbaar gezicht in ontvangst.

"Ik zal erg mijn best doen...." stamelde ze.

"Daarop vertrouw ik ook zeer zeker," zei de barones koel. "Dag Fräulein Eiche, ik geloof dat wij nu alles goed hebben afgesproken en ons onderhoud als geëindigd kunnen beschouwen."

Zij schelde en de kellner verscheen weer. Hedwig maakte een diepe buiging voor haar aanstaande meesteres en verdween.

"O, o, wat _ben_ je lang weggebleven! Ik dacht dat ik je nooit weer terug zou zien. En hoe is het?" riep de trouwe Anna Schaub, zoodra zij haar het hotel uit zag snellen.

"Aangenomen!" riep Hedwig met een stralend gezicht. "Aangenomen als gouvernante bij een allersnoesigst meisje van tien jaar. En zij wonen in Schotland, in Edinburg, en Maandag moet ik eerst naar Londen en ik ben zoo dol, dol, dolblij dat ik jou even een kus _moet_ geven!"

En tot verbazing van de voorbijgangers drukte zij Anna opeens een hartelijken kus op de wang.

"Niet doen! Niet doen!" riep Anna onthutst, maar Hedwig lachte maar. "Den baron heb ik nog niet gezien," ging zij voort, heel rad sprekend, "van hem kan ik je dus nog niets vertellen; dat komt dan later wel. O, nu zal ik moeder echt kunnen helpen! Ik schrijf dadelijk naar huis. Wat zal Clärchen ophooren! Zij zal natuurlijk alles van Tieka willen weten."

"En je leeftijd," vroeg Anna, "was die geen bezwaar?"

"Neen, daar heeft de barones _gelukkig_ niet naar gevraagd. Ze merkte wel een paar malen op dat zij me jong vond, maar ze denkt toch bepaald dat ik minstens twintig ben...."

Anna schudde zwijgend het hoofd; ze zag met zekeren weemoed naar het jonge meisjesgezicht, op dit oogenblik haast weer geheel een kindergezicht, dat blij en onbezorgd het leven in keek. "Ik hoop heel hartelijk dat het je niet tegen zal vallen," zei ze.

"Daar ben ik niet bang voor," klonk het opgeruimd uit Hedwig's mond.

HOOFDSTUK II.

"My Dear!"

De brief naar huis werd dadelijk geschreven: Hedwig's pen vloog over het papier. "O moeder, ik ben zoo blij, zoo vreeselijk blij, vooral omdat u ook zoo blij zult zijn," schreef zij. "Prachtig, drie malen blij in één zin, vindt u niet? En dat nog wel voor een gouvernante! Maar u plaagt mij altijd omdat ik zoo graag een woord, dat me bevalt, vaak gebruik, weet u wel? Dat moet u nu echter maar over het hoofd zien; het komt allemaal omdat ik het zoo heerlijk, _heerlijk_ vind dat ik zoo gauw iets goeds gevonden heb. Ik zal u alles haarfijn vertellen...."

Wat ging dat vlug en wat waren er gauw een paar velletjes vol, dacht Anna. Hedwig moest toch wel bizonder knap zijn en de barones von Zerkläre mocht het wel op prijs stellen dat zij zoo'n flink, lief gouvernantetje bij haar kind kreeg!

Hedwig's moeder schreef per keerende post een brief terug vol liefde en hartelijke groeten van haarzelf en van Clärchen. Hedwig zou toch immers dadelijk weer thuis komen, als deze werkkring haar niet beviel? Er zou dan zeker wel wat anders voor haar te vinden wezen en zij was nog zoo heel jong....

Maar Hedwig twijfelde er geen oogenblik aan of alles zou heel goed en prettig gaan. Zij had lust in het werk en verlangde te beginnen en het was met een opgewekt gezicht en een moedig hart dat ze Maandags afscheid van Anna Schaub nam en haar plaatsje op de boot naar Londen veroverde. Anna had haar een grooten koffer afgestaan, "een echt ouderwetsche Duitsche reiskist, een huis haast," zooals Hedwig lachend beweerde. Zij hadden allerlei inkoopen gedaan en Hedwig voelde zich heel rijk met een paar nieuwe blouses en een sterken, serge rok. De koffer was ten slotte nog geheel vol geworden, wat Anna triomfantelijk had doen uitroepen: "Zie je wel dat hij niet te groot is? Het maakt ook dadelijk veel beter indruk, als je met een flink stuk bagage komt," en Hedwig was haar dankbaar geweest voor hare goede zorgen en had meer dan eens gezegd:

"Ik stuur je later terug wat je voor me betaald hebt, hoor; reken daar vast op."

Nu was het afscheid achter den rug en lag ze languit op de bank in de dameskajuit van de boot, die haar naar Londen zou brengen. Het was donker, druilerig weer en zij had geen neiging gevoeld lang op het dek te blijven, waar de fijne motregen haar huiveren deed. Anna had haar taschje gevuld met "allerlei, waarin je zeker wel trek krijgen zult," en soms betastte zij het eens even; het was haar net of Anna daardoor weer wat dichter in haar nabijheid was. Zij had nog in 't geheel geen "trek", maar ze moest herhaaldelijk aan Anna en hare trouwe liefde denken. Het was toch wel eenzaam nu, vond ze. Zij sloot de oogen en bewoog zich niet; ze wou zorgen dat ze spoedig in slaap kwam, maar telkens weer zag zij Anna Schaub voor zich en haar moeder en Clärchen....

Langzamerhand viel zij in een lichte sluimering. Ze was echter weinig verkwikt, toen ze 's ochtends vroeg klaar wakker werd en kreunend keerde zij zich af, toen de hofmeesteres iets tot haar zeide. Ook later op den dag voelde zij volstrekt geen verlangen om op te staan; haar hoofd klopte en ze was heel vermoeid. "Nu ben ik dus zeker zeeziek", dacht ze. Zij was nog nooit op zee geweest en had wel eens gezegd dat zij graag zou weten hoe dat was: zeeziek zijn. Nu wist zij het dan!

Tegen den avond werd zij beter en kon zij zelfs met smaak wat gebruiken en vrij vroeg viel ze weer in slaap, om eindelijk tot haar groote vreugde gewekt te worden met het bericht dat men Londen naderde.

Wat een drukte en gewoel om haar heen, toen ze boven kwam en hoe vreemd was het bij het aan land komen onder al die gezichten geen enkel te vinden, dat haar bekend was en een welkom toeknikte!

De regen was opgehouden en eerst heel flauwtjes, toen wat helderder, begon de zon te schijnen. Het stemde Hedwig opgewekter. "Ik hoop dat moeder en Clärchen en Anna Schaub die zon ook zien en aan mij denken," dacht zij even; toen kreeg zij het te druk met haar koffer en het zoeken naar een vigilante om zich aan gepeins over te kunnen geven.

Ze kwam in een energieke stemming, terwijl ze door de drukke, Londensche straten reed en met groote oogen keek naar al dat nieuwe, geheimzinnig onbekende, dat haar met magnetische kracht aantrok. Zij vond ze mooi die grijze gebouwen, waarop, door een dunnen nevel heen, als een waas van zonlicht lag, de plotselinge kijkjes op de rivier met het bijna stille, even rimpelende water, waarover de booten en schepen schenen heen te glijden, de bruggen met hare ranke bogen en de bevallige _hansoms_, die haar _cab_ voorbij snelden; en door het open raampje keek en luisterde ze nieuwsgierig naar de pratende en roepende menigte. Het was haar haast alsof zij in een tooverwereld was, ook om dat wonderbaar teere, zachtgele licht, dat zij nergens ooit zóó had zien schijnen en met een soort van schok kwam ze tot zichzelf, toen zij King's Cross station binnen reed en de vigilante stil stond.

Wat een volte! Zij werd er een oogenblik door verbijsterd. Hoe moest zij onder al die menschen de barones en Tieka vinden? Zij sprong uit de vigilante en keek even verschrikt naar haar japon, die door de lange reis erg gekreukeld was. Zij streek er haastig met haar hand overheen; ze had geen tijd er veel aandacht aan te geven, want de koetsier moest betaald worden, onderwijl nam een _porter_ haar koffer op zijn kruiwagen en keek haar vragend aan en intusschen zochten hare oogen, zochten ... om niets te vinden dan een pratende, bevelende, dravende menschenmassa, waaronder niemand zich harer ook maar in 't minst aantrok.

Daar stootte de koetsier haar aan den arm. Wat zeide hij toch allemaal? Hij sprak zoo rad en zulk raar Engelsch; zij kon hem haast niet verstaan. Zij had hem geld gegeven en hij had het op de vlakke hand gelegd en wees er voortdurend naar. Vond hij het niet genoeg? Hedwig meende dat hij reeds meer had gekregen dan hem toekwam; nu legde zij er toch nog maar een _shilling_ bij. De _cabby_ knikte: "_All right_" en reed weg.

"_Where to Miss?_" vroeg de kruier. "_Come along._"

"Edinburg," zei Hedwig wat geagiteerd. "Edinburg," maar ze sprak den naam zoo Duitsch uit dat de man haar niet begreep en de schouders ophaalde. "_Got your ticket?_" vroeg hij. Neen, Hedwig had nog geen kaartje. "Scotland," zei ze, "Edinburg!" Nu wist hij wat zij meende. Dan moest ze voortmaken, ze had nog maar drie minuten tijd. En Hedwig liet zich den weg wijzen, nam in de haast een kaartje derde klasse in plaats van eerste, hoewel ze bij het reisgezelschap van de familie von Zercläre behoorde en liep op een drafje met haar geleider naar den trein. Daar ontdekte ze zoowaar in de verte het aardige figuurtje van Tieka! Haar ruime, lichte reisjurk stak frisch af bij de donkere kleeding van eenige heeren, die naast haar stonden. Kijk, nu had zij Hedwig ook gezien! Ze wuifde met beide handen en wilde naar haar toesnellen, maar Hedwig zag nog juist hoe een hand uit den coupé haar terughield. Toen werd ze zelf door een ondernemenden conducteur een derde klasse wagen ingetild.

Ze kwam naast een dikken heereboer te recht. "Dat is nog maar net bijtijds," zei hij. "_Yes indeed_," antwoordde zij hijgend.

"Koffer in den goederenwagen. Alles in orde, _Miss_," klonk nu de stem van den kruier, die zijn gezicht door het raampje stak.

"O!" riep Hedwig. Dat was waar ook; ze moest dien man nog betalen! Schielijk haalde ze haar portemonnaie te voorschijn en zocht naar kleingeld. De lokomotief floot af.

"Hier," en zij liet heel den schat van groote, koperen _pennies_, die ze bij zich had, in zijn hand glijden, waardoor haar beurs aanmerkelijk lichter werd. "_Thank you_," zei de man en verdween; meteen stootte Hedwig's arm tegen den knop van den dikken stok, dien de heereboer tusschen zijn beenen hield, haar portemonnaie gaapte wijder en de geldstukken vielen er uit en verstrooiden zich over den grond.

"_Ach, du liebe Zeit!_" liet Hedwig zich ontvallen en de heereboer keek haar aan met een medelijdenden blik. "Hoe jammer voor dat jonge meisje om geen Engelsche te zijn," dacht hij met de eigenaardige verwaandheid van een Engelschman, maar trots zijne dikte, hielp hij haar toch heel gedienstig het geld weer bij elkaar zoeken.

Hedwig telde na of zij alles had. Tot haar schrik mistte zij nog het eenige goudstukje, dat zij in haar beurs had gehad. Ze boog zich voorover en keek scherp rond of zij op den grond tusschen de voeten en neerhangende kleeren der andere reizigers ook iets zag blinken; tot haar groote teleurstelling vond zij echter niets. Zij schudde haar portemonnaie uit op haar schoot, misschien was het tien-shillingsstukje in een hoekje achter gebleven, hoopte ze, toen het andere geld op den grond viel,--maar zij zag zich bedrogen in die hoop.

Ze ging heel rechtop zitten met het vaste voornemen nu maar niet meer aan dat ongelukkige goudstukje te denken, toen zij opeens iemand in haar nabijheid in mooi, duidelijk Engelsch hoorde zeggen:

"Mag ik u dit misschien aanbieden?"

Opkijkend zag zij het vriendelijke gezicht van een heer, die tegenover haar zat, maar zoo ver in zijn hoekje gedoken was geweest dat zij hem nauwelijks had opgemerkt.

"Dit" was ... het verloren geldstukje en zij nam het gretig van hem aan.

"_Thank you_," zei ze, dubbel blij omdat zij zoo goed begrijpen kon wat hij zeide.

"Ik had het al opgeraapt voordat u het mistte," zei hij vroolijk. "Het was niet beleefd van mij het u niet terstond ter hand te stellen, maar om de waarheid te zeggen, had ik plezier in uw verlegenheid. U bent een Duitsche, niet waar? Mag ik vragen of u wellicht ook naar York gaat? Mijn oudste dochtertje is daar op kostschool en ik ga haar bezoeken. Ik dacht ... het was maar een inval natuurlijk, dat u misschien een aanstaande medeleerlinge van haar zoudt kunnen zijn. Er zijn daar meer Duitsche meisjes."

Hedwig voelde snel naar haar kapsel. Ja, het haar was nog wel opgestoken. Hoe akelig dat zij er nu toch weer zoo lastig jong uitzag! "Neen" zei ze bedeesd, "ik ga niet naar York, ik ben op weg naar Edinburg."

"Och, dat spijt me."

"Ik ben niet rijk," zei Hedwig met een vaag besef dat zij hem niet in den waan mocht laten als zouden zijn dochter en zij in gelijke omstandigheden verkeeren. "Ik ga in betrekking als gouvernante." Het kwam er zoo eenvoudig en bedaard mogelijk uit, haast alsof zij reeds jaren als gouvernante was werkzaam geweest, toch keek de heer tegenover haar heel vreemd op en de dikke heereboer liet zich ontvallen: "_Well, I never...!_"

Hedwig voelde zich min of meer in haar eer getast. "Ik vind het heel prettig," zei ze met nadruk.

"Daar ben ik blij om," zei de heer tegenover haar, "maar ... leven uwe ouders nog?"

"Mijn moeder leeft nog," zei Hedwig zacht.

De vreemde heer vroeg niet verder en Hedwig zweeg thans ook liever. Waarom keek hij zoo ernstig en waarom vond hij het blijkbaar heel vreemd dat zij als gouvernante de wereld inging? Het kwam er toch niet zooveel opaan of zij pas vijftien was, ze zou spoedig genoeg achttien wezen; drie jaren waren gauw om!

Ze vond het niet onaangenaam dat beiden, de heereboer en de heer, wiens dochtertje te York school ging, bij die plaats den trein verlieten en zij tot aan Edinburg toe geheel met rust gelaten werd. Het was een vrij lange reis van Londen af--een uur of acht sporen---en zij begon hongerig te worden en verorberde met graagte wat zij nog in haar taschje had, al waren de broodjes met tong erg oud geworden en al was het stuk _Kuchen_ nu wat lederachtig van smaak.

Zij schudde de kruimels van haar japon af en stond op om aandachtig het raampje uit te kijken, toen de trein Waverley-station binnen reed. Zij was dus nu te Edinburg! Nu moest zij terstond zorgen dat ze de familie von Zercläre in het oog kreeg en zich bij haar voegen; de barones zou zeker ook wel al naar haar uitzien.

Maar was het te Londen aan het station King's Cross vol geweest, te Edinburg aan het reusachtige Waverley-station was het nog veel en veel voller, ook omdat alle reizigers hier den trein verlieten. Daarbij was de trein zoo buitengewoon lang dat het Hedwig toescheen alsof er geen begin of eind aan was. Zij kon zich ook onmogelijk herinneren bij welken coupé ongeveer zij Tieka had zien staan. Zij meende dat zij een goed eind naar rechts moest gaan, maar toen ze zich met niet geringe moeite een weg had gebaand tusschen karren, kruiwagens, kisten, manden, fietsen en dringende, ongeduldige reizigers door, verbeeldde zij zich weer dat ze te ver was geloopen en op een geheel andere plek zijn moest. Het was lastig zoeken op deze wijze. Ze begreep ook niet waarom de barones niet iemand naar haar toestuurde; zij wist toch dat ze met dezen trein mee was gekomen en ze wist ook dat zij, Hedwig, hier geheel vreemd was!

Intusschen zag ze wel in dat ze zóó toch niets verder kwam. Komaan, ze moest dan eerst maar eens zien dat ze haar koffer kreeg; ze kon dan in ieder geval wel weer een rijtuig nemen en zich naar het huis van den baron von Zercläre toe laten brengen. Zij had toch immers het adres nog in haar portemonnaie? Ze keek eens even, maar ... neen, nu zag zij het niet meer! Ze had het zeker verloren meteen toen ze het geld liet vallen, wat moest zij nu beginnen? Ze bedacht zich niet lang en trachtte zoo vlug als het ging, terug te keeren naar den coupé, waarin ze gezeten had. Zij was boos op zichzelf dat ze niet op het nummer had gelet. Wacht eens ... hier was het geweest ... neen, toch niet! Waarom waren er ook zóó vele wagens derde klasse? Zij kreeg het erg benauwd en warm; heel spoedig echter keerde haar moed terug. Den baron von Zercläre zou men in Edinburg toch wel goed kennen en natuurlijk zou men haar weten te zeggen, waar hij woonde.

Eerst dan haar koffer maar! Wat bleef het nog woelig en vol op het perron en wat was iedereen gejaagd, tot zelfs de beambten toe!

Het viel haar op dat alles hier veel minder geregeld en vlug in zijn werk ging dan in Londen. En _waar_ was haar koffer toch? Men had de goederenwagens thans geheel ontladen, stapels bagage waren op het perron neergezet. Hedwig kon er eerst haar koffer maar niet tusschen ontdekken; ze was echter vast besloten het station niet te verlaten, voordat ze haar eigendom veilig weer in haar bezit had. Haar volharding was niet te vergeefs en met den uitroep:

"_Ach, da bist du ja, mein liebes Haus!_"--een uitroep, die een paar krantenjongens verschrikt deed omkijken--zette zij eindelijk haar elleboog op haar koffer neer om er pal bij te blijven staan, tot een der dravende kruiers het wat minder druk zou krijgen en haar aan een rijtuig zou kunnen helpen.

Het werd donkerder en zij begon er zeer naar te verlangen eindelijk geheel het doel van haar reis te bereiken; maar, toen zij er met moeite in geslaagd was een der voorbijsnellende kruiers bij den arm te grijpen en te dwingen naar haar te luisteren, kwam ze nog niet veel verder. Want hij schudde het hoofd, toen zij den naam von Zercläre noemde. "Nooit van gehoord!" verzekerde hij, om toen een paar andere _porters_ te hulp te roepen, die met hoog beladen wagens met bagage voorbij kwamen. Hun antwoord was al even onbevredigend en ook twee spoorbeambten om inlichting gevraagd, konden die niet geven.

Het begon Hedwig bang te moede te worden. Wat moest ze doen? Te vergeefs spande zij zich in om zich het bewuste adres te binnen brengen, maar hoe meer ze haar best deed haar geheugen te hulp te komen, des te erger liet het haar in den steek! Het werd er niet beter op, toen zij zich plotseling wèl herinnerde, dat de barones haar verteld had dat zij nog maar eenmaal en slechts enkele maanden in Edinburg hadden gewoond.... Het was dus nauwelijks meer dan natuurlijk dat de naam von Zercläre nog niet algemeen bekend was.

Steeds met den arm op haar koffer geleund, stond zij er ernstig over na te denken wat ze toch beginnen zou, want het werd hoe langer hoe later en heel veel langer zou ze hier niet kunnen blijven staan! Ze _moest_ dat lastige adres weer te weten zien te komen. Was het niet een _square_? Ja, dat meende ze zeker te weten, maar hoe heette dat square nu toch ook weer?

Daar ontdekte zij in de verte een palfrenier in keurige livrei; hij kwam snel op haar toe en zij kreeg een kleur van verrassing, toen hij beleefd voor haar boog met de vraag of zij de Duitsche dame was, die bij den baron von Zercläre verwacht werd.

"_Yes, Yes, Yes!_" riep zij opgewonden, erg blij dat er eindelijk hulp kwam opdagen.

In een ommezien had de palfrenier iemand gevonden, bereid de zorg voor den koffer op zich te nemen. "_The carriage is waiting_," zei hij, zich weer tot Hedwig wendend en zij volgde hem het station uit naar een fraai, met twee vlugge, jonge paarden bespannen rijtuig, dat, met den statigen koetsier op den bok, gereed stond haar verder te brengen. Ze zag dat er niemand in zat, wat haar even verwonderde, maar zij begreep dat de familie von Zercläre reeds thuis moest zijn.

Beleefd stak de palfrenier zijn hand uit om haar bij het instappen te helpen; zij vond echter dat zij het wel zonder zijn hulp kon stellen en wilde vlug de trede opwippen, toen de hak van haar schoen haken bleef in het boorband van haar japon, dat losgeraakt was.

"_Nein!_" riep ze verschrikt en ze zou gevallen zijn, als de voorkomende palfrenier het niet verhinderd had.

Het band scheurde een heel eind verder af. Zij vond het erg verdrietig; nu zag zij er nòg minder netjes uit en ze schaamde zich voor den palfrenier en voor den koetsier, die even omgekeken had.

