# Een Heldin

## Part 15

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-heldin-11285/index.md

De aangename warmte in de wachtkamer deed haar goed na de doordringende kilheid buiten; toch huiverde zij nog en bleef zij zich ziek voelen. Ze trof het dat er heden niet veel menschen waren en het vrij spoedig haar beurt werd om binnen te komen, maar toen zij in de consultatiekamer tegenover de dokteres stond, een kleine, tengere, op 't eerste gezicht onaanzienlijke vrouw, doch wier scherpe oogen alles schenen te zien, werd zij weer zoo hevig door kiespijn aangetast dat zij onmogelijk terstond kon antwoorden op de vragen, die haar werden gedaan.

"Wacht maar, wij hebben allen tijd," klonk het vriendelijk, "en ga hier nu eens zitten. Zoo'n erge kiespijn? Ja, dat is al heel akelig en dan met dit weer! Dan is het ook haast net of men zichzelf niet is, he? Blijf nu even heel stil zitten, dan zullen wij die wang eens onder handen nemen en probeeren of wij die hatelijke pijn niet weg kunnen maken."

Zij drukte Hedwig met zacht geweld achterover in een lagen stoel en liet haar met de gezonde wang tegen de gevulde leuning rusten. Toen wreef ze met hare vingertoppen geurige zalf over de zieke plek heen en weer, heen en weer en langzamerhand voelde Hedwig tot hare onuitsprekelijke verlichting, de kiespijn verdwijnen. Dankbaar sloeg zij de oogen op. "Nù kan ik heel goed spreken," zei ze glimlachend.

Toen begon zij alles te vertellen: van de zonderlinge duizeligheid, die haar den laatsten tijd kwelde, van de plotselinge, groote vermoeidheid, het onstuimig kloppen van haar hart en eindelijk, met verheffing van stem en met een kleur van opgewondenheid, van haar zoeken naar werk, naar een betrekking, waar ze niet buiten kòn....

De groote belangstelling in de ernstige oogen, die haar voortdurend bleven aankijken, noopte haar haar geheele hart uit te storten en toen zij eindelijk zweeg, was het met de plotselinge hoop dat Miss Hearty, die zóóveel menschen kennen moest, haar misschien aan een mooie betrekking zou kunnen helpen!

Maar de dokter sprak in 't geheel niet over een betrekking. Zij deed Hedwig een paar vragen, onderzocht haar nauwkeurig en zei toen zeer beslist:

"Ik zou u aanraden eens een tijdlang volkomen rust te nemen."

"Wat?" Hedwig's zelfbeheersching begaf haar. "O neen, dat kan niet, dàt kan ik niet!" riep zij uit met wanhoop in haar stem. "Alles, maar dàt niet!"

"Waarom niet?" klonk het zeer rustig.

"Ik ben arm. Ik _moet_ zelf mijn brood verdienen en als het kan, nog wat oversparen voor mijn moeder ook. Ik heb nog een weinig geld, het is niet veel meer en als dat op is...."

"Het zal stellig genoeg zijn om uw verblijf te bekostigen in het ziekenhuis, dat ik op het oog heb."

"Ja, ja, maar daarnà, daarnà? O, ik _moet_ geld verdienen en voor mij zelf zorgen! Och, als ik door u geholpen kon worden aan werk, dan zou ik u zóó dankbaar zijn...."

Ze had met veel vuur gesproken, nu kon zij niet meer. Zij kon zich ook niet inhouden en opeens, tot hare eigene bittere ergernis, snikte zij het uit.

De dokter nam hare beide handen in de hare. "Als wij nu eerst eens maakten dat we heelemaal weer gezond werden," zei ze zacht.

Hedwig keek haar aan; zij zag er zielsbedroefd uit.

"Hoe?" vroeg ze fluisterend.

"Dat heb ik u gezegd, door te rusten."

"Maar dat kàn niet," herhaalde Hedwig. Toen, opeens doordrongen van het besef dat zij al te veel beslag legde op den kostbaren tijd van Miss Hearty, bedwong zij met kracht hare aandoening en maakte zich gereed heen te gaan. "Uwe andere patiënten wachten," zei ze eenvoudig.

De dokter knikte even. "Ja zeker, maar wij hebben geen haast." Zij nam haar receptenboekje, schreef een paar woorden op, schelde het dienstmeisje en gaf haar het stukje papier. En zich weer tot Hedwig wendend, vroeg ze:

"Heb ik uw vertrouwen?"

"O ja, ja."

"Doe dan wat ik u zeg."

Hedwig knikte. Ze hield zich nu weer flink en wachtte met opgeheven hoofd wat Miss Hearty verder zeggen zou.

"Er komt straks een _hansom_ voor, die zal u naar een ziekenhuis brengen, waar het heel goed is. Aan de directrice van uw _home_ zal ik vandaag nog schrijven; men zal u uwe kleeren sturen....."

"En ... mijn moeder?"

"Haar moogt ge schrijven, zoodra gij wat uitgerust zijt. Houd maar goeden moed; alles zal zeker te recht komen."

Hedwig knikte weer; ze kon niet goed spreken. Ook voelde zij zich nu zoo afgemat dat zij nauwelijks in staat was hare gedachten te regelen. Zij wist alleen maar dat de opbeurende stem van de dokteres haar weldadig aangedaan had en dat zij thans niets liever wilde dan haar raad volgen. Als in een droom liet zij zich in de _hansom_ helpen; men gaf den koetsier het briefje en aanwijzingen, even merkte zij op dat de mist iets minder ondoordringbaar was dan straks, toen sloot zij de oogen en reed heen, bij zichzelf prevelend: "Ik geef toch den moed niet op. God helpt, God helpt!"

HOOFDSTUK XII.

Aan de blauwe Zee.

Zij zat nog doodstil en met gesloten oogen, toen de _hansom_ staan bleef voor een groot grijs gebouw, dat door een plein en hek omgeven was en hoewel zij niet sliep, verkeerde zij toch in een soort verdooving, die alles wat zij doormaakte, slechts half werkelijkheid voor haar deed zijn. Als uit de verte hoorde zij het geluid van stemmen, daarop werd zij uit het rijtuig getild, even opende zij de oogen en keek in een lief, ernstig gezicht, toen vielen de zware oogleden weer toe. En steeds als in een droom liet zij zich lijdelijk verder brengen, zonder het ook maar in 't minst vreemd te vinden dat zij, Hedwig Eiche, zich nu in een ziekenhuis bevond en door een pleegzuster gesteund, door breede, hooge gangen liep, waarop ontelbare deuren van ziekenkamers uitkwamen. Later voelde zij hoe men haar ontkleedde en te bed legde en hoe zij eindelijk geheel toe mocht geven aan den overweldigenden drang tot slapen, niets dan slapen ... toen wist zij niets meer.

Toen zij een paar uren later klaar wakker werd, zag zij dat zij in een kleine, nette kamer lag en dat alles om haar heen er bizonder proper uitzag. Een ware verademing vond zij het 't eentonige druppel-getik in de waterpijp niet meer te moeten aanhooren, dat haar in het _home_ zoo gekweld had en met een flauw glimlachje deed zij de oogen weer dicht en viel op nieuw in slaap.

Het was avond, toen zij weer ontwaakte. Men had het licht in haar kamer nog niet aangestoken, maar door de openstaande deur gleed langs het tochtschut heen, een breede straal van het ganglicht naar binnen. Zij vond het prettig in deze rustige schemering te blijven liggen en hare oogen door het vertrek te laten dwalen over de lichtgrijs-en-blauw geschilderde muren met den zachtgetinten rand, waarin zij duidelijk de witte lelies kon onderscheiden en over de vogels in gouddraad op het kamerschut,--maar lang hield zij het kijken niet vol. Zij had nu zware hoofdpijn en niets scheen haar op dit oogenblik begeerlijker dan haar geheele leven verder te mogen slapen ... al maar slapen!

Maar men liet haar geen rust. Opeens flikkerde er hel licht in de kamer; zij schrikte ervan. "Doet het pijn aan de oogen?" zei een zachte stem. "Wacht eens." Er werd een schermpje voor het licht gehangen, maar Hedwig was er niet mee tevreden. Waarom stoorde men haar toch? Zij wou veel liever niet wakker wezen! En zij zuchtte lang en diep.

"Ik geloof dat ik niet heel welkom ben," zei dezelfde stem van zooeven en het frissche gezicht van een jonge pleegzuster boog zich over haar heen.

Nu kwam er een glimlach op Hedwig's gezicht en haar stemming veranderde. "Juist wel," zei ze met iets van haar oude opgewektheid.

"Zoo? Dat klinkt bemoedigend. Drink dit dan nu eens vlug op," en de zuster hield haar een glas melk met ei voor.

Hedwig gehoorzaamde, maar toen zij haar hoofd weer op het kussen legde, kreunde zij van de pijn; toch vloog zij plotseling weer overeind. "Ik moet nog aan mijn moeder schrijven," riep zij gejaagd, "het had al lang moeten gebeuren en ik heb maar geslapen den geheelen dag door! En ... en hoe kan ik hier nu toch eigenlijk blijven? Dat _gaat_ immers niet, want wat moet dat allemaal wel kosten! O, het is vreeselijk!"

"Misschien wordt het wat minder vreeselijk, als ik u mededeel dat wij van onze patienten geen betaling eischen, omdat onze inrichting voornamelijk wordt gesteund door giften van menschen, die veel en graag geven--èn als ik u zeg dat er aan uwe moeder al bericht is gezonden."

"Al bericht gezonden?" stamelde Hedwig verbijsterd, terwijl zij weer liggen ging.

"Ja zeker, Dr. Hearty is een poos geleden al bij uw bed geweest. Men had haar vanuit het _home_ ook uw adres in Duitschland gestuurd en toen zij u zoo rustig slapend vond, heeft zij voorloopig in uw plaats aan uw moeder geschreven."

Hedwig haalde verruimd adem. "Miss Hearty is een engel!" zei ze met warmte.

"Dr. Hearty is iemand, die altijd om anderen denkt," zei de pleegzuster glimlachend. "Dat weten wij hier zóó goed! Zij heeft meer zieken hier in het huis en ze komt van avond ook nog even bij u kijken."

"Ik zal wel oppassen dat ik dan niet weer slaap," zei Hedwig, die, niettegenstaande haar hoofdpijn, opeens zeer spraakzaam geworden was. Zij had nu een hooge kleur en hare oogen schitterden. "Ik heb Dr. Hearty een heeleboel te vragen."

"Dan zou ik nu toch eerst nog wat gaan rusten," zei de pleegzuster. "Ik kom straks nog wel eens bij u."

"Dat is gezellig en ... ik zou zoo graag uw naam weten."

"Ik ben zuster Kate. Onthoud het maar goed, want ik ga geregeld voor u zorgen."

"Pas dan maar op," zei Hedwig plagend. "Ik ben bepaald een heel lastige patiënt."

"Daar geloof ik niets van, maar nu moet mijn patiënt niet meer zoo druk praten," zei zuster Kate beslist. "Anders is Dr. Hearty ontevreden, als zij straks komt."

"Ik zal niets meer zeggen, maar ik blijf wakker, want ik wil Miss Hearty beslist spreken."

Tot eenig antwoord legde zuster Kate haar wat terecht, dekte haar nog eens toe en verdween.

Met hare oogen zoo wijd mogelijk open bleef Hedwig nu "echt goed wakker" liggen. Haar hoofd klopte en de pijn was heviger nog dan zooeven; zij drukte hare handen stijf tegen de slapen, dat gaf wat verlichting. Ze wou nu eens goed bedenken wat zij alles aan Dr. Hearty te vragen had, het was echter alsof zij niet geregeld denken kon en zij vond het nu opeens ook niets rustig meer om zich heen. Wat hoorde zij de zusters duidelijk door de gangen loopen en samen fluisteren! Daar lachte er een! Wat kon er nu toch te lachen zijn? Zij moest het weten, _waarom_ lachte die zuster? Nu bedaarde het gepraat weer. Daar werd luid gescheld. Wat klonk dat hard! Alweer een bel! Ze zou haar deur maar dicht doen, dan hoorde zij alles niet zoo lastig duidelijk.

Toen zij echter op wou staan om de deur te sluiten, kwam de duizeligheid weer over haar en zij moest wel blijven liggen, ten prooi nu ook aan een martelend gevoel van eenzaamheid, dat haar drukte meer haast nog dan de erge hoofdpijn. Als zij nu toch eens heel, heel ziek werd en ze werd niet weer beter en als haar moeder en Clärchen dan bericht kregen dat zij heengegaan was--wat zouden die dan bedroefd wezen! En zij was nog zoo jong, ze wou zóó graag blijven leven en flink werken ... och, waarom was alles nu ook zoo gegaan, waarom....

Doch opeens een duw aan het kussen gevend dat het dreunde in haar arm hoofd, zei ze hardop:

"Hedwig Eiche, je moest je schamen!"

"Zoo, liggen wij zoowaar in ons eentje te babbelen in bed?" klonk terstond daarop de stem van Miss Hearty, die juist om het schut heen kwam kijken. "Ben je soms bezig verzen te reciteeren, meisje? Dat zou ik toch maar voor later bewaren!"

De prettige toon en het vertrouwelijke "meisje" stemden Hedwig dadelijk opgewekter. "Hoe heerlijk dat u komt!" zei ze.

"Waarom?"

"Omdat ik zoo erg alleen was!"

"Zóó...." En Dr. Hearty keek zuster Kate aan, die met haar binnen gekomen was.

"Neen, zuster Kate is heel vriendelijk voor me," zei Hedwig snel, "maar och, ik weet niet hoe ik het zeggen moet, ik voel me zóó eenzaam! Ik geloof dat het komt omdat ik hier nu zoo lui lig niets te doen! Ik wou zoo erg graag heel gauw weer beter wezen en weer aan het werk en aan het verdienen gaan. Als ik nu maar eerst een goede betrekking had, als ik daar maar zeker van kon wezen, dan zou alles zooveel gemakkelijker zijn."

"Wil je me beloven niet over werken te spreken en er zelfs niet aan te _denken_, voordat je geheel en al beter bent?"

"Ik wil het wel probeeren."

"Goed, dan begin je nu dadelijk met kalm te gaan slapen en iederen dag precies te doen wat zuster Kate je beveelt."

"Ja, maar dàt mag ik toch nog wel even vragen, dokter. Lang zal ik toch zeker niet ziek zijn, wel?"

"Dat hangt er heelemaal van af of je zelf medewerkt tot je herstel."

"O. Dan wou ik u alleen nog zeggen hoe blij ik ben dat u me hierheen hebt laten gaan en ... dat ik mij niet ongerust behoef te maken over al de onkosten...."

Zij had het laatste zoo fluisterend gezegd dat Dr. Hearty zich tot haar over moest buigen om haar goed te verstaan.

"Je behoeft je over niets ook maar in het minst ongerust te maken," zei ze beslist. "En morgen mag er wel eens een woordje aan je moeder geschreven worden."

"Door mij?"

"Ja."

"Dank u wel, dank u wel." En Hedwig ging gehoorzaam weer slapen met het vaste voornemen, alle gedachten aan werken en nieuwe betrekkingen voorloopig met kracht te onderdrukken en ter dege te doen wat zij zelf maar kon ter bevordering van haar herstel.

En zij deed haar best, iederen dag en ieder uur op nieuw, hoewel het niet gemakkelijk was, omdat het herstel heel langzaam kwam en het soms scheen--niettegenstaande al het rusten en al de versterkende middelen--alsof eigenlijk nooit de tijd terug zou komen, waarin zij krachtig en gezond zou wezen als vroeger. En al schertste zij dikwijls vroolijk met zuster Kate en al maakte zij gewoonlijk den indruk van een echt moedige, opgeruimde patiënte, toch kon zij zeer bezwaard van hart wezen en Dr. Hearty, die meestal slechts tijd had voor een haastig bezoekje, zag toch duidelijk hoe de zaken stonden en buiten de kamer schudde zij het hoofd en zei tot zuster Kate:

"Zij doet haar best, flink doet zij haar best, maar wij zijn er nog niet...."

Door alles heen had Hedwig den moed telkens een paar opgewekte woorden aan haar moeder te zenden, dikwijls herhalend dat zij toch vooral niet bezorgd omtrent haar zijn moest en dat alles zeker spoedig beter zou gaan. Zij schreef ook over een landgenootje, een klein Duitsch meisje, dat in een kamer lag tegenover de hare en een operatie had ondergaan. Het kind had veel pijn en zou lang moeten liggen, had zuster Kate haar verteld, maar zij hield zich kloek, slechts een enkel maal hoorde Hedwig haar pijnlijk kreunen. De moeder had verlof gekregen nacht en dag in het ziekenhuis te wezen; soms kon Hedwig haar het kleine meisje heel zacht in slaap hooren zingen.

Zoo gingen de dagen voorbij en veel te langzaam kwam, naar Hedwig's meening, de beterschap. Na een bijna slapeloozen nacht, voelde zij zich op zekeren ochtend nauwelijks in staat te strijden tegen de moedeloosheid, die haar bitter vragen deed, hoe lang deze toestand nu eigenlijk nog wel zou moeten duren--maar ze gaf toch niet toe, ze wou niet tobben, ze woù vol hoop en moed blijven en ze wilde ook doen wat Dr. Hearty haar "duren plicht" noemde: heel bedaard rusten, echt _uit_rusten!

Zij bleef stil in dezelfde houding liggen en hare stemming begon iets kalmer te worden, toen zij opeens opgeschrikt werd door het geluid van een scherpen kreet van pijn vanuit de kamer aan den overkant der gang. De kreet werd gevolgd door hevig gesnik en een smeekend geroep van "moeder! moeder!" Daarop klonk teeder de stem der moeder: "Ja, mijn kind," toen was het even heel stil. Doch spoedig vroeg het kleine meisje weer: "Zing wat voor me, moedertje, zing wat!" En zacht, maar duidelijk verstaanbaar voor Hedwig, zong de welluidende vrouwenstem:

So nimm denn meine Hände Und führe mich Bis an mein selig Ende Und ewiglich! Ich mag allein nicht gehen, Nicht einen Schritt, Wo Du wirst gehn und stehen, Da nimm mich mit!

In Dein Erbarmen hülle Mein schwaches Herz, Und mach' es gänzlich stille In Freud' und Schmerz; Kann ich auch nicht verstehen Wie Du mich führst, Will fröhlich weiter gehen, Weil Du regierst.

Wenn ich auch gar nichts fühle Von Deiner Macht, Du führst mich doch zum Ziele Auch durch die Nacht. Lasz ruhn zu Deinen Füszen Dein schwaches Kind, Ich will die Augen schlieszen Und folgen blind.[14]

Toen de stem zweeg, bleef alles stil. De kleine lijderes was zeker onder het zingen in slaap gevallen.

Hedwig verroerde zich niet. Met haar geheele hart had zij geluisterd. Zij vond het een genot in haar eigen taal te hooren zingen en zij kende de woorden en de melodie en had het lied zelf wel gezongen, toen zij een kind was,--was het daarom alleen dat het haar zoo ontroerde?

Zij wist dat zij tot in hare ziel getroffen was door het echt vrome, kinderlijke geloof, dat uit de eenvoudige woorden sprak, zij wist dat ook haar eigen vertrouwen in Gods zorgende liefde er door versterkt werd en opgewekt herhaalde zij zacht bij zichzelf:

"Kann ich auch nicht verstehen Wie Du mich führst, Will fröhlich weiter gehen, Weil Du regierst." ...

Zij sliep dien nacht rustig en werd voor 't eerst in vele, vele dagen verkwikt wakker. Zuster Kate keek verheugd over den opgewekten toon, waarmee zij haar goeden morgen zeide en Hedwig was blij, toen zij hoorde dat ook het patientje aan den overkant een goeden nacht had gehad. Zij was ook blij dat het Zondag was. Dan werden om twee uur de deuren der ziekenkamers wijd open gezet, opdat de patiënten het orgelspel en het gezang der zusters zouden kunnen hooren, die in het zusterhuis hare middag-godsdienstoefening hielden. Tot nu toe was Hedwig te afgemat geweest om er werkelijk van onder den indruk te komen, maar vandaag was dit anders en stemde de plechtigheid haar blijmoedig ernstig, haast alsof zij er zelf aan deelgenomen had. "Ik ben toch in zoo'n echte Zondagsstemming," zei ze later tot zuster Kate, "ik ga nu eens een heel vroolijken brief aan mijn moeder schrijven."

Maar de "heel vroolijke brief" matte haar nog wel af en 's avonds viel het haar weer moeielijker opgewekt te zijn. Ze lag met de oogen dicht en beproefde zooveel mogelijk aan "prettige dingen" te denken, het was echter of de "prettige dingen" heden niet komen wilden! Ze zuchtte ongeduldig,--toen voelde zij een koele hand op haar voorhoofd. Verbaasd keek zij op en: "O dokter, hoe heerlijk!" riep zij uit.

"Zoo, dat klinkt al heel hartelijk," zei Miss Hearty lachend. "Hoe gaat het?"

"_Veel_ beter nu ik u zie!"

Dr. Hearty ging naast het bed zitten, bevoelde Hedwig's pols en zei:

"Wij gaan bepaald vooruit."

"Gelukkig!" riep Hedwig op een toon van verlichting. "Ik wist het ook eigenlijk wel. En wanneer mag ik nu eens op zitten en eens uitgaan en--weer beginnen te werken? Ik word wezenlijk bepaald slecht van het niets doen!"

"Ik zou het maar wat kalm aanleggen."

"Kalm aanleggen? Maar dokter, weet u wel dat het hoog, hoog tijd is dat ik weer flink aan het verdienen ga?"

"Is dat nu werkelijk zóó noodig?"

"Ja _zeker_," en Hedwig knikte driftig, verontwaardigd dat Miss Hearty het belang der zaak zoo weinig scheen te begrijpen.

"Vertel mij eens bedaard waarom dat zoo noodig is."

En Hedwig vertelde alles. Door de warme sympathie, waarmee naar haar geluisterd werd, aangemoedigd, vertelde zij zonder den minsten ophef, hoe en waarom zij op haar vijftiende jaar van huis gegaan was en van dien tijd af voor zichzelf en gedeeltelijk ook voor haar moeder en zusje had gezorgd. Hoe heerlijk zij het gevonden had dit te mogen doen en hoe gelukkig zij zich doorgaans had gevoeld in haar werk, zelfs op het beruchte Hill House,--welk een genot zij vond in den omgang met kinderen en toen opeens met een opgewondenheid, die haar zelf verbaasde dat zij nu snakte, _snakte_ letterlijk naar nieuw werk, maar nauwelijks wist hoe daaraan te komen en dat zij toch moedig was, heusch heel moedig en ook nog wel geduldig wezen wou.

Toen werd het haar te machtig en kon zij niets meer zeggen. En zonder een woord te spreken, trok Miss Hearty haar naar zich toe en met een gewaarwording van veiligheid legde Hedwig het hoofd aan haar borst en schreide rustig uit.

Lang duurde het echter niet, of zij hief het hoofd weer op en lachend door hare tranen heen, zei ze:

"Ik schaam me verschrikkelijk eigenlijk."

"Zoo? En ik kwam je een voorstel doen eigenlijk."

"Een voorstel? O, wat is het? Waarom hebt u me dat niet eerder gezegd?"

"Je liet mij niet aan 't woord komen," zei Dr. Hearty plagend. "Kijk eens, ik neem omstreeks Paschen mijn vacantie en hoop dan een poosje naar Devonshire te gaan. Nu zou ik me graag in dien tijd wat oefenen in het Duitsch en daarom wou ik jou mee hebben. Wij kunnen dan ook eens bedaard overleggen wat je verder doen zult. Maar nu weet ik natuurlijk niet of je er lust in hebt."

"_Weet_ u dat niet?" was al wat Hedwig zeide. Toen met een gebroken stem: "_Oh, how good you are, how good!_"

"En nu kalmpjes afwachten wanneer je met je nieuwe leerling beginnen moogt," zei Dr. Hearty, toen zij afscheid nam en Hedwig zei kalm: "Ja, natuurlijk," maar toen Miss Hearty weg was, riep zij opgewonden om zuster Kate.

Zuster Kate kwam lachend binnen. "Ja, ja, ik heb alles al gehoord," zei ze. "En 't is een waar genot met Dr. Hearty op reis te zijn, dat weet ik bij ondervinding. Zij neemt bijna ieder jaar iemand met zich mee, als ze vacantie heeft; is dat niet aardig? Broers of zusters heeft zij niet meer, maar haar leven is toch alles behalve eenzaam natuurlijk, omdat zij altijd om anderen denkt."

"Zij is zeker een heel knappe dokter en erg geliefd en gezien, niet waar?" vroeg Hedwig, met bewondering in haar stem.

"Zeer geliefd en gezien en een weldaad voor velen," zei zuster Kate warm.

Wat schreef Hedwig nu een paar blijde regeltjes naar Duitschland en hoe bespoedigde de groote vreugde het herstel! Toen er zonnige dagen kwamen, mocht zij eens opzitten, later eens even met zuster Kate wandelen, toen geregeld iederen dag uitgaan en eindelijk kon de dag voor de reis naar Devonshire worden bepaald.

't Was kil, druilerig weer en er viel een hardnekkige motregen, toch vond Dr. Hearty het onnoodig de reis uit te stellen. Zij kwam Hedwig in een vigilante halen, liet haar zich goed instoppen, zeide meer dan eens dat zij hàar nu in alles gehoorzamen moest, toonde zich blij als een kind dat zij vacantie had en reed in de prettigste stemming met de gelukkige Hedwig naar Paddington-station.

"Hè, wat ziet Londen er weer vuil en donker en somber en modderig uit!" riep Hedwig onder het rijden. "Heerlijk dat wij er uitgaan!"

"Ja, ten minste ... als wij het in Devonshire beter krijgen," zei Dr. Hearty op bedenkelijken toon.

"Maar dat zal toch wel! Zuster Kate zei dat de lucht daar zoo zuiver was en dat het er zóó mooi was! Zij heeft er familie wonen, in de buurt van Teignmouth, juist waar wij naar toe gaan. Het moet er verrukkelijk wezen!"

"Ik _hoop_ het," zei Miss Hearty weer, "maar als wij er zulk slecht weer treffen...."

"Dan vind ik het _toch_ heerlijk, omdat ik bij u ben!" zei Hedwig vroolijk.

"Pas op maar, mijn gezelschap kon je wel eens niet meevallen op den duur!"

"_Was sich liebt, neckt sich_," zei Hedwig lachend. "Wilt u dat nu eens voor mij in 't Engelsch vertalen?"

"Daar heb ik op dit oogenblik volstrekt geen tijd voor, want hier zijn wij aan Paddington-station. Zorg jij nu voor de bagage en de kleine pakjes--denk er om, er is een _luncheon-basket_ bij,--dan ga ik plaats nemen en zien dat wij een goeden coupé krijgen."

Een _luncheon-basket_? Hoe aardig dat die er bij was! Hedwig was er zeer benieuwd naar en toen zij de kostbare mand werkelijk veroverd had, stond zij erop haar zelf te dragen en liet de andere bagage aan den kruier over.

