# Een Heldin

## Part 14

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-heldin-11285/index.md

Londen zag er nu wel geheel anders uit dan zij het gezien had op dien stillen Septemberochtend, toen zij op weg was naar Edinburg. Wat scheen dat nu lang reeds geleden! Toen hing er een ragfijne, teere nevel, die tooverachtig en geheimzinnig over de groote gebouwen en boomtoppen gleed, nu lag over alles een groezelig, zwartachtig waas en verbaasde zij er zich haast over dat zij Londen ooit mooi had kunnen vinden.

Londen en Glengariff--wat trof haar het verschil, terwijl zij zich in een oude, uitgezakte vigilante naar het _home_ liet rijden! Zij troostte zich met de hoop dat zij misschien niet zoo heel lang in Londen zou behoeven te blijven en, als zij maar eerst zeker was van een mooie nieuwe betrekking--wie weet, of zij dan toch niet nog enkele dagen naar Duitschland zou kunnen gaan! Al was het maar voor een week, voor vier dagen zelfs, zij zou ... ja, zij zou er de reis dolgraag voor over hebben, al moest zij dan nog eens weer heel zeeziek wezen! En in de versleten, slordige vigilante, rijdend door de modderige straten van het mistige Londen, op sommige plaatsen nog spookachtig verlicht door mat lantarenschijnsel, dat streed met het grauwe licht van den winterdag, begon zij opeens vroolijk te neuriën:

"_Wenn ich komm', wenn ich komm', wenn ich wieder komm'...._"

"_Ach, wird das schön sein!_" riep zij opgewonden. Toen raakte zij weer in gepeins verdiept, sloot de oogen en gaapte dat het een aard had.

"Hoe kom ik zóó moe! En wat duurt die rit toch lang!" riep zij ongeduldig.

Maar eindelijk was zij waar ze wezen moest. Zij was een gedeelte van een park voorbij gereden, waar het er bijster kil en verlaten uitzag en bevond zich nu in een lange straat met smalle, hooge huizen, die alle precies op elkaar geleken. Voor één hiervan, kenbaar aan een groot bord, waarop in reusachtige letters iets stond aangekondigd, hield de vigilante stil.

Hoewel de koetsier met veel geweld den klopper op de voordeur liet vallen, duurde het geruimen tijd eer deze geopend werd en Hedwig was dus in staat de aankondiging op het bord op haar gemak te lezen. Dit was wat zij las:

_Select Governesses' Home and Agency, For Gentlewomen Only.

Office Hours--Eleven till half past Four Saturdays--Eleven till Two._

"_For Gentlewomen only_!" Dan mocht zij er zeker op rekenen in deftig gezelschap te komen! Zij hoopte dat zij in haar gevlekten mantel maar niet al te veel _gentlewomen_ zou tegenkomen straks in de gang.

Vooralsnog scheen daar ook al heel weinig kans op; het huis was als uitgestorven en eerst na een herhaald, donderend geklop van den verontwaardigden koetsier, werd de deur langzaam geopend door een vrij slordig dienstmeisje. Zij groette Hedwig nauwelijks, toen deze haar goeden dag zeide en verdween terstond weer, nadat de koffer in huis was gezet.

Vermoeid als zij was, moest Hedwig nu langen tijd op de vloermat in de smalle gang staan wachten, tot het iemand believen zou haar te woord te staan. Het bleef eerst doodstil om haar heen, alleen hoorde zij even bij een trap, die blijkbaar naar de keuken leidde, een gestommel van dienstmeisjes. Te oordeelen naar de woorden, die zij opving, konden zij het niet te best samen vinden. Eindelijk klonken er ook voetstappen in haar nabijheid.

Een reeds bejaarde dame met vriendelijke oogen, die het bleeke, vermagerde gezicht nog aantrekkelijk maakten, stond voor haar, zeide haar goeden dag en vroeg haar welken prijs zij voor haar kamer wenschte te betalen. Welken prijs? Dat kon Hedwig niet zoo precies zeggen. "Liefst niet te duur," zei ze aarzelend, "want ik hoop wel gauw een goede betrekking te vinden, maar toch...."

"Maar toch wenscht ge nu wat zuinig te wezen," zei de directrice van het _home_ met een glimlach. "Dan kan ik u juist aan een kleine kamer helpen, die gisteren open gekomen is. De grootere kamers zijn alle voor twee of vier personen...."

"Als het kan, zou ik wel graag alleen slapen," zei Hedwig.

"Zeker, die kleine vertrekken zijn voor één persoon bestemd. Ik zal u even den weg wijzen."

Zij ging Hedwig voor, een hooge trap op met erg uitgeloopen treden, die slechts ten deele door een rafeligen, grijzen looper waren bedekt. Zij bevonden zich nu op een groot portaal, waarop ettelijke, met nummers voorziene deuren uitkwamen en dat door een raam uitzicht gaf op een naargeestig, door hooge muren omringd, binnenplaatsje. Het zeil, dat er lag, was zoo kaal dat er van het oorspronkelijke patroon niets meer was te ontdekken en de draden er doorheen kwamen; toch had alles meer een armoedig dan een slordig aanzien, vond Hedwig, die erg haar best deed het kasteel Balvourneen met zijn smaakvolle weelde en bloemenpracht, zonneschijn en vroolijke kinderen, voor het oogenblik althans, uit hare gedachte te bannen.

Zij volgde de directrice naar een hoogst eenvoudig gemeubileerd vertrekje, dat ook weer licht kreeg--veel was het inderdaad niet!--door een raam met uitzicht op het genoemde binnenplaatsje. Niemand zou het ooit een "aardig" of "lief" kamertje hebben kunnen noemen, maar met een dankbaar hart merkte Hedwig op dat het bed er frisch en behagelijk uitzag en toen de directrice verdwenen was, haastte zij zich, zich te ontkleeden en onder de dekens te kruipen. Zij zou vandaag maar niet aan het ontbijt komen, had zij gezegd en met een zucht van welbehagen legde zij haar hoofd op het kussen, blij dat ze niet voor zoowat half één weer zou behoeven op te staan om klaar te zijn voor het _lunch_.

Wat was het een genot de beenen eens flink uit te strekken en aan niets te denken dan aan: rust ... rust! "Hè, hoe heerlijk dat ik niet meer op de boot ben," fluisterde zij, het dek over zich heentrekkend; toen viel zij in slaap.

Zij werd een uurtje later wakker door het eentonig geluid van geregeld neervallende waterdruppels, die almaar, als op de maat, hun tik ... tik ... tik ... lieten hooren. Wat kon dat toch wezen? Regen was het niet, daarvoor kwam het geluid met te lange tusschenpoozen, maar waar kwam het dan toch vandaan? Het onophoudelijk getik begon haar nu zóó te hinderen dat zij er boos om werd op zichzelf en wrevelig uitriep: "Wat kan mij die leelijke muziek nu toch schelen? Kom, ik ga weer slapen!" Ze keerde zich om en wikkelde zich nog eens warmpjes in de wollen dekens, maar ... het slapen vlotte niet meer. Telkens opnieuw, als zij bijna sliep, deed het hatelijke tik ... tik ... haar weer klaar wakker worden en eindelijk ging zij knorrig opzitten in bed en keek om zich heen.

Ja, nu zag zij het, daar kwam het vandaan! Dicht bij het voeteneind van haar ledikant was onder het behang een pijp verborgen, waardoor voortdurend druppels naar beneden kwamen. Waarom die pijp daar juist was aangebracht, was haar niet duidelijk, maar zij veronderstelde dat het met de waterleiding in verband stond en zij begreep dat zij zich zoo goed als het ging, aan dat druppelgeluid zou moeten gewennen, tenzij ze liever met nog twee of drie meisjes op één kamer sliep. Andere kamertjes voor één persoon waren er op het oogenblik niet over, had de directrice haar meegedeeld.

Zij ging op haar rug liggen met hare handen gevouwen achter het hoofd en dacht na. Van uit haar bed kon zij juist over het binnenplaatsje heen een blik slaan in de benedenkamer van een huis aan den overkant. Zij zag een oudachtig heer in een leuningstoel bij het raam zitten. Hij hield het hoofd wat voorover gebogen en gaf door zijne houding een indruk van verveling, die geheel in overeenstemming scheen met zijne omgeving en het sombere weer buiten. Wat zag het er daar ook naargeestig en doodsch uit, vond Hedwig. Zij moest eens even zuchten; toen riep zij op een toon, dien zij te vergeefs trachtte spottend te maken:

"O, wonderschoon Glengariff! Ach Balvourneen! Balvourneen! O Bruce, mijn lieve, beste, trouwe hond! O lieve, lieve May en Bunny...!"

Maar ze ging daar toch niet snikken?

Dat wou ze niet, heelemaal niet, daar mocht _niets_ van in komen en met één sprong was zij het bed uit. Zij vond dat het hoog tijd voor haar werd om eens flink aan den gang te gaan en zich niet meer over te geven aan nuttelooze overpeinzingen.

Zij belde en verzocht het verbaasde dienstmeisje, dat er zich niet op gehuurd achtte om "tusschentijds" de bewoonsters van het huis te bedienen, haar wat warm water te brengen. Zij vroeg het zoo vriendelijk dat het meisje het haar werkelijk bracht en met zeer grooten ijver toog zij nu aan het werk om den gevlekten mantel te reinigen. Haar hoofd klopte en zij voelde zich nog "raar" van de doorgestane zeeziekte, doch daar zou ze nu maar geen acht op slaan; ze wou vooral niet te veel letten op pijntjes en andere kleine lasten; ze wou vol moed en energie haar weg gaan.

En zeer noodig bleek die energie, want prettig was het leven in dit Tehuis voor Gouvernantes allerminst en het kostte Hedwig vooral in het begin, moeite te gewennen aan het eenzame van haar toestand, aan het schamele, echt armoedige van de geheele omgeving en aan de zeer sobere maaltijden, die stellig beter waren dan die op het beruchte Hill House, maar er haar toch, juist door de karigheid van het voedsel, wel aan herinnerden. Daarbij kwam dat het menu iedere week voor iederen maaltijd precies hetzelfde was en men er dus bij voorbeeld vast op kon rekenen, Maandags aan het ontbijt geregeld een plak worst te vinden, Dinsdag's een reepje gebakken spek, Woensdags een hompje kaas en ... Zondags een ei, maar dat was dan ook een groote traktatie!

Er was iets saais in deze steeds eentonig terugkeerende volgorde en saai was het ook dat er nooit één enkele levende bloem of plant op de eettafel te zien was, die iederen dag weer met een paar bakken met leelijke ijzeren planten prijkte, aan iederen kant der tafel één, om de regelmaat te bewaren! Iets saais lag er ook over de stemming van vele der tijdelijke bewoonsters, die voor 't meerendeel gebukt gingen onder de noodzakelijkheid om betrekkingen te zoeken, welke zoo heel moeielijk te vinden waren en onder den angst, niet genoeg geld te hebben voor een vrij langdurig verblijf in het _home_.

De directrice was vriendelijk en goed en gaf een hartelijk woordje waar zij kon, maar zij had het veel te druk om zich werkelijk met hare tijdelijke huisgenooten bezig te houden en zag er dikwijls zoo afgemat uit dat Hedwig medelijden met haar kreeg. Er waren er meer met wie zij medelijden had, arme, afgetobde schepsels, die veel te weinig geleerd hadden om haar werk naar behooren te kunnen doen en dan ook geringe kans hadden als gouvernante te worden gekozen door een der dames, die bij de directrice om inlichtingen kwamen. Hedwig werd benijd om haar vlot Duitsch en Fransch en haar muziek en de goede getuigschriften die zij kon toonen, maar ook zij moest geduld hebben. Want hoewel het nu spoedig Kerstmis zou zijn en het dus tegen Nieuwjaar liep, kwamen er maar weinig aanvragen in om gouvernantes en het speet Hedwig telkens dat zij zich niet kon aanbieden als "een vlug, knap, eerlijk dienstmeisje", want _die_ werden genoeg gevraagd!

Toen er zich werkelijk een paar betrekkingen voordeden, gingen anderen haar nog weer voor. Er waren twee slordige, drukke Françaisetjes in het _home_, die aan tafel de flauwste grappen verkochten en er een eer in stelden, nauwelijks een paar woorden Engelsch te kennen. Zij giggelden den lieven, langden dag om niets, hadden zich aangewend om over allerlei, dat zij elkaar vertelden, in gemaakt gebroken Engelsch uit te roepen: "Iet ies kjoerioes" (_It is curious_) en lieten er zich verbazend veel op voorstaan dat zij uit Parijs kwamen. Dat zij slecht onderricht hadden gehad en zeer onontwikkeld waren, daarover bekommerden zij zich niet en toen haar op zekeren dag meegedeeld werd dat twee dames den wensch te kennen hadden gegeven naar een "echt Parijsche" gouvernante, waren zij terstond bereid zich aan te bieden. Zij moesten zich toen in het middaguur bij de bewuste dames gaan vertoonen en gingen lachend op weg, slordig en wel, met hier en daar een vastgestoken speld om scheurtjes en torntjes te bedekken--toch, het moet erkend worden, niet zonder gratie,--en toen zij terug kwamen, beiden in het bezit van een goede betrekking, riepen zij ieder op haar beurt zegevierend uit:

"_Mais, je suis Parisienne, moi!_"

Intusschen zocht Hedwig ijverig verder en leerde zij Londen vrij goed kennen. Mr. Balvourneen, die haar heengaan overigens vrij koel had opgenomen, had haar nog een van de laatste dagen den raad gegeven, vooral alle mogelijke couranten door te zien bij het zoeken naar een nieuwe betrekking. Iederen ochtend na het ontbijt, begaf zij zich dan ook naar een boekwinkeltje op den hoek der straat, waar zij voor één _penny_ de advertentiekolommen der verschillende bladen, die daar werden verkocht, door mocht kijken. Menig adres teekende zij op en menig briefje schreef ze, dat onbeantwoord bleef en ook menig vruchteloos bezoek maakte ze, want, de stoute schoenen aantrekkend, begaf zij zich dikwijls terstond, nadat zij het adres was machtig geworden, naar een of ander huis, waar een gouvernante werd verlangd. Zij moest daartoe soms langer dan een uur met den trein--boven of onder den grond--reizen, of lange ritten doen per omnibus of tram en vaak ook door modder en mist, lange einden loopen. De vrouw in het boekwinkeltje was heel vriendelijk voor haar, gaf haar een kaart van Londen ter leen en buitendien voor iederen tocht nauwkeurige aanwijzingen en het was niet alleen voor Hedwig zelf een teleurstelling, als zij telkens weer op de belangstellende vraag: "Nù geslaagd misschien?" het hoofd moest schudden.

De vrouw van het winkeltje voelde moederlijk medelijden, maar meer nog bewondering voor het dappere, jonge, Duitsche meisje, dat iederen dag weer met nieuwen moed zocht en zocht en er, helaas, zoo bleek en vermoeid kon uitzien. Want Hedwig was, door de afmattende tochten, door het druilerige, slappe weer, door het eenzame en weinig gezonde van dit leven en vooral door het telkens op nieuw zoeken en niet vinden, soms zóó "op" dat zij er zelf met eenige ergernis verbaasd over was en zich voornam vooral niet toe te geven aan de al sterker wordende, bij haar zeer ongewone neiging, om eens een paar dagen thuis en te bed te blijven en heelemaal uit te rusten.

"Uit te rusten? Waarvan?" zei ze dan, als in antwoord op hare gedachten. "Ik _mag_ niet moe zijn en ik ben het ook niet, ik verbeeld het me maar."

Den middag vóór Kerstmis nam ze vrijaf en ging voor haar plezier wandelen. Wat leek het al lang, lang geleden dat zij dat gedaan had en o, wat zag het er in de Londensche straten toch heel anders uit dan om Glengariff heen met al den gloed van velerlei bloemen en met de schoone baai met het glinsterend groene water! Het weer was tamelijk goed vandaag, het regende ten minste niet, maar het bleef somber donker in de straten en als een blijde verrassing trof Hedwig achter een winkelraam een hooge kerstboom, die prijkte in een glans van mooi, zacht licht en frissche kleuren. Terwijl zij er naar keek, was het of er meer licht scheen ook in haar ziel. Zij had nog zóó weinig gedacht aan het Kerstfeest, veel te weinig, vond zij nu--haar hart was bekommerd geweest en vol zorg voor de toekomst; ze wou dat nu alles van zich af laten glijden en alleen denken aan den trouwen God en aan de rijke beteekenis van het Kerstfeest. En toen zij in het _home_ en op haar kamer terug kwam, nam zij haar Bijbel en las bij het schamele licht van haar kaars de beschrijving van de geboorte van Gods Zoon, het "kindeke, liggende in de kribbe;" toen vouwde zij de handen en bad innig om steun, bad vurig ook om den zegen dat dit Kerstevangelie tot in haar ziel mocht doordringen en zij het nooit half vergeten zou, zooals zij heden bijna op weg was geweest te doen.

Er kwam vreugde in haar hart en den volgenden dag, Kerstmis, nam zij een paar van de arme, afgetobde schepseltjes uit het _home_ mede naar den dienst in Westminster Abbey, de machtige kathedraal, waar alle _kleine_ gedachten wegvallen en alleen plaats is voor stil gelooven en geheele overgave aan God in het gebed. Met aandacht luisterde zij naar de eenvoudige Kerstpreek en toen uit het koor, als de krachtige mannenstemmen zwegen, het geluid van een glasheldere jongensstem zich hooren liet en ver, ver omhoog steeg en haar buurvrouw de hand op haar arm leggend, met bevende lippen fluisterde dat het haast "hemelsch mooi" was, knikte zij haar toe met een glimlach van geluk.

De directrice van het _home_ onthaalde haar huisgenooten dien dag op een werkelijk smakelijk kerstmaal; op de tafel stond, in plaats van de planten van ijzer, een kom met hulsttakken vol roode bessen en 's middags kwamen allen te zamen in haar kamer en werd er bij het orgel gezongen. Tot ieders verrassing werden later thee en _cake_ binnengebracht--een ongekende lekkernij in het _home_--en de directrice had zelfs voor allen een klein geschenk, dat zij ieder met een paar hartelijke woorden ter hand stelde.

"Ik heb wezenlijk toch zoo'n gelukkigen Kerstdag gehad," schreef Hedwig 's avonds nog aan haar moeder, "en nu ga ik, echt verkwikt door dezen prettigen vacantiedag, weer dubbel ijverig aan het zoeken. Ik ben benieuwd waar het nieuwe jaar mij brengen zal."

Vooralsnog scheen dit raadsel niet te zullen worden opgelost, want hoe zij ook haar best deed, hoe zij ook iederen dag weer _meer_ schreef en meer bezocht--het liep alles op niets uit. Zij zou er wanhopig onder geworden zijn, als zij niet met alle energie, die in haar was en met het oude, krachtige geloof in den steun van Gods liefde, alle moedeloosheid in zich had onderdrukt, evenals zij het vreemde gevoel van afmatting trachtte te onderdrukken, dat haar meer en meer plagen ging. Zij spoorde en tramde en las en schreef maar door, altijd maar door--_eens_ zou ze toch zeker slagen!

Na een nacht van knagende kiespijn, waarin het druppelgeluid in den hoek van haar kamer haar haast dol had gemaakt, stond zij op zekeren dag duizelig en loom op. "Wat doe ik toch mal!" zei ze een paar malen, toen het juist was of alles met haar in de rondte danste en het haar maar niet gelukken wou de zeep uit het bakje te krijgen. "Geen gekheid, Hedwig, straks in de lucht zul je wel weer opknappen!"

Zij voelde zich werkelijk beter, toen zij ontbeten had en in de buitenlucht kwam, al was het dezen ochtend zóó mistig dat zij er een oogenblik van schrikte, toen zij de voordeur opende. Wel hadden zij bij gaslicht moeten ontbijten, maar dat was in deze donkere dagen geen zeldzaamheid en dat het in en om Londen in Januari, zoowel als in December misten kon, wist zij nu reeds lang. Maar zóó erg!

Ze knipte met de oogen, toen zij voorzichtig--want zóó dicht voor haar hing de nevel dat zij telkens bang was tegen iemand aan te stooten,---de straat doorgeloopen was. Lag het ook soms aan haar, wàs de mist eigenlijk wel zóó zwaar of waren hare oogen vermoeid na den bijna slapeloozen nacht en kon zij daardoor zoo slecht zien vandaag?

Ze vond het prettig, toen zij het boekwinkeltje had bereikt en even rusten kon; toch was er een zekere gejaagdheid in haar om voort te maken, zoo gauw mogelijk voort te maken dat zij toch verder kwam en eindelijk eens werk machtig werd en haastig sloeg zij de eene krant na de andere op en noteerde advertenties en adressen.

De vrouw van het winkeltje keek haar een paar malen bezorgd aan en toen Hedwig de kranten neerlegde, vroeg zij deelnemend of het niet beter voor haar zou wezen, vandaag eens rust te nemen en zich niet te ver te wagen in dien dichten, ongezonden mist, die haar ziek zou maken.

"Ziek? Ik? Wel neen, ik word zoo gauw niet ziek," zei Hedwig lachend. "Neen, neen, ik neem geen vrijaf van morgen, dat zou mij volstrekt niet passen. Het beste geneesmiddel voor mijne kwalen is werken, flink werken."

Het trok zenuwachtig om haar mond, terwijl zij sprak en met een kort afscheid verliet zij het winkeltje, boos op zichzelf omdat de hartelijkheid van het vrouwtje haar week maakte. Maar die stemming kwam natuurlijk ook door het akelige weer, verontschuldigde zij zich, toen zij weer buiten was gekomen.

Het was werkelijk of er nòg meer nevel hing dan zooeven en zij den mist zou hebben kunnen snijden, zoo tastbaar was hij. Daarbij gaf de geheimzinnige, spookachtige stilte, die overal heerschte, den indruk alsof alles in den mist was weggezonken, in den "bruinrooden, rollenden nevel, die de weerlooze stad verzwolg, haar levend smoorde, die torens, bruggen, straten, pleinen in het niet deed verzinken, alsof een spons geheel Londen had uitgewischt."[13]

Toch ging zij door. Langzaam maar zeker liep ze den bekenden en nu toch zoo moeielijk te vinden weg naar het eerste station van den ondergrondschen spoorweg, waarmee zij een eind reizen wilde om in een der voorsteden van Londen te komen. Zij vond de wandeling zoo ver vandaag, het was of zij niet voortkomen kon, of de mist met zware, klamme hand haar op de borst drukte en belette adem te halen, zoodat zij herhaaldelijk stil moest staan. Een paar malen bonsde zij tegen iemand aan, die dan met een haastig: "_Beg pardon! Such nasty weather!_" haar voorbij ging.

Zij begon zich nu weer heel onpleizierig te voelen. De knagende kiespijn keerde terug en daarbij was zij telkens weer zóó duizelig dat zij groote moeite had verder te komen. Zij moest het nu toch erkennen: de vrouw in het boekwinkeltje had gelijk gehad, zij zou verstandiger gedaan hebben met vandaag rustig thuis te blijven.

Daar viel haar iets in. Nu zij toch eenmaal zoo ver geloopen was, kon zij wel even aangaan bij de knappe, vrouwelijke dokter, van wie men haar in het _home_ verteld had en die hier in de buurt woonde. Die had om dezen tijd haar spreekuur, dat wist zij en die zou haar zeker wel iets kunnen geven om die lastige duizeligheid te overwinnen; zij zou zeker ook zeggen dat het niet erg was, als 's avonds, als zij te bed lag, haar hart zoo schrikkelijk kloppen kon en er zwarte vlokjes voor hare oogen kwamen.

Het zou wel niets zijn, het zou stellig niets zijn, redeneerde zij bij zichzelf.

Plotseling uitte zij een kreet van schrik--daar stond ze vlak voor den kop van een paard. Met een ruk werd zij door een krachtigen arm weggetrokken. Paard en wagen verdwenen in den mist en een politieagent, een stoere reus, stond naast haar.

"Ik wist niet ... ik dacht...." stamelde zij.

Hij haalde de schouders op; zij was zooveel kleiner dan hij, hij kon haar niet verstaan. Hij boog zich nu tot haar over om beter te kunnen luisteren. "Gelukkig dat ik u nog juist bijtijds helpen kon," zei hij vriendelijk. "Het is lastig loopen met dien mist, niet waar? Kan ik nog iets voor u doen?"

Maar Hedwig schudde het hoofd; zij kon niet dadelijk spreken, de duizeligheid overviel haar weer. Eindelijk vroeg ze, na diep te hebben adem gehaald, hoe zij loopen moest naar het huis van Miss Hearty, de dokteres.

Hij keek haar onderzoekend aan. Zij zag er zoo bleek en teer uit op dit oogenblik dat hij, krachtige reus als hij was, medelijden met haar kreeg. "Het is hier dicht bij; ik zal er u even heen brengen," zei hij welwillend.

Zij glimlachte flauwtjes; ze was hem dankbaar voor zijn aanbod. Ze kòn niet meer, ze was angstig ook dat zij zich in dien mist zou vergissen in den weg en zij verlangde nu sterk om de dokteres te spreken. Langzaam sleepte zij zich voort, tot de politie-agent, ziende hoeveel moeite zij had met loopen, haar dringend aanried zijn arm te nemen.

Zij deed het gaarne en, zich opeens veel veiliger voelend door den steun van dien sterken arm, vroolijkte zij weer op en dacht eraan, hoe aardig en grappig het wezen zou om over dit avontuurtje naar huis te schrijven. Zij was echter heel blij, toen zij het huis van Miss Hearty hadden bereikt.

