Part 13
Den volgenden dag, toen de kinderen aan het spelen waren en Hedwig een oogenblik alleen op de leerkamer was, kwam Mrs. Balvourneen bij haar. De prettige, geanimeerde uitdrukking van gisteren was van haar gelaat verdwenen en had plaats gemaakt voor den hooghartigen trek, dien Hedwig maar al te goed kende.
"Het was niet heel amusant voor u gisteravond, geloof ik," zei ze met de zeurderige stem, die er op aangelegd scheen iemand prikkelbaar te maken.
Onwillekeurig antwoordde Hedwig dan ook driftiger dan zij eigenlijk wilde:
"Amusant? O neen, en ... en ... ik hoop dat u mij veroorloven zult in het vervolg boven te blijven bij dergelijke gelegenheden."
"Natuurlijk," en Mrs. Balvourneen glimlachte spottend; blijkbaar vond zij het ongerijmd dat Hedwig zich zoo opwond. Zij wachtte even, toen zei ze:
"U zult er toch zeker wel niet op tegen hebben aanstaanden Zaterdag met May en Nesta en mij naar Kenmare te rijden? Ik moet daar een bezoek afleggen en wil de twee meisjes gaarne mee nemen; de vorige maal zijn Kathleen en Gerald mee geweest." (Als Mrs. Balvourneen in een bizonder deftige stemming was, sprak ze nooit over Bunny en Boy, maar steeds over Kathleen en Gerald.)
"Nu ik weet," vervolgde ze, "dat u er niet van houdt menschen te zien,"--Hedwig trok de wenkbrauwen op; dat had zij niet gezegd!--"sta ik u natuurlijk gaarne toe in het rijtuig te blijven, terwijl wij ons bezoek maken. Ik ben er echter op gesteld dat u mee gaat."
Hedwig haastte zich te zeggen dat zij hiertoe natuurlijk ten volle bereid was, maar den Zaterdagmiddag daarop was zij zeer geneigd hare woorden weer in te trekken. Want Nesta was toen zoo onhandelbaar dat er letterlijk niets met haar was te beginnen en Bridget, die haar netjes kleeden moest en door het ondeugende kind de eene jurk na de andere uit de handen werd gerukt, geen raad meer wist en met een hoogroode kleur bij Hedwig kwam om hulp. Met vereende krachten kregen zij haar eindelijk klaar, nog maar net bijtijds, want Mrs. Balvourneen zat reeds met May naast zich in 't rijtuig en begon ongeduldig te worden.
"_Ik_ wil naast moeder zitten!" riep Nesta, toen zij goed en wel naast Hedwig in het rijtuig zat en dit op het punt was om weg te rijden.
"Neen, neen, dat kan nu niet meer, mijn schat, het blijft nu zooals het is. Op den terugweg mag mijn kleine Nesta naast mij zitten," zei Mrs. Balvourneen.
"Neen, nù, ik wil nù naast u zitten, niet naast Maddy!" riep Nesta heel boos. "Ik blijf hier niet zitten, dat wil ik niet!"
Zij stond op en trachtte May van haar plaats te duwen, maar haar moeder strekte de hand uit en drukte haar terug.
Buiten zichzelf van drift greep het kind nu den kostbaren kanten mantel van haar moeder beet, trok er woest een groote scheur in en riep nog eens: "Ik wil naast moeder zitten!"
"O Nesta!" Één oogenblik keek Mrs. Balvourneen zeer ernstig, doch toen Nesta de oogen neersloeg, werd zij al heel gauw verteederd en, haar bij de hand nemend, vroeg zij wel wat overbodig:
"Wou je dan werkelijk zoo erg graag naast mij zitten?"
"Ja, ja!" snikte Nesta.
Hedwig waagde het op te merken dat het beslist beter zou wezen haar thuis te laten.
Mrs. Balvourneen verwaardigde haar echter met geen ander antwoord dan met een blik, die duidelijk zeide:
"Ik geloof dat _ik_ hier meesteres ben, niet waar?"
Met de grootste kalmte liet zij een anderen mantel komen. Toen moesten de plaatsen worden omgeruild en kreeg Nesta haar zin!
May schoof dicht naar Hedwig toe als om te toonen dat zij het heel prettig vond naast haar te mogen zitten en Hedwig glimlachte, maar bedacht bij zichzelf dat het werkelijk zeer noodig zou wezen, Nesta voor haar ondeugendheid te straffen. Het was jammer dat juist dit driftige, moeielijke kind zoo onverstandig werd opgevoed en veel meer verwend werd dan de andere.
De rit was verrukkelijk mooi, toch kreeg Hedwig te midden van de bijna tropische planten- en bloemenweelde, telkens een verlangen naar vorst en sneeuw en rijp en spiegelglad ijs en naar een frisschen, krachtigen wind, die langs bladerlooze boomen streek. Want, hoewel het nu October was, bloeiden de rozen haast even overvloedig als in den zomer, terwijl in de tuinen der villa's camelias en magnolias dikke knoppen vertoonden en breede randen donkere en lichte violen mooi tegen het zachtgroene gras afstaken.
Nesta hield zich nu heel rustig. Tegen haar moeder aangeleund, keek zij met hare donkere oogen oplettend naar alle kanten om zich heen, doch vermeed zorgvuldig Hedwig aan te zien, wat Hedwig met vermaak opmerkte. Zij had beloofd dien avond allerlei te zullen vertellen van de Kerstviering in Duitschland; zij zou er plaatjes bij laten zien en op verzoek der kinderen precies beschrijven hoe het er op een Duitsche _Weihnachtsmarkt_ uitzag. Ze wilde Nesta nu echter verbieden hierbij tegenwoordig te zijn, tenzij zij oprecht berouw toonde over haar ondeugendheid van straks. Het kind _moest_ leeren haar drift te bedwingen en ... niet altijd haar zin door te willen zetten. Terwijl zij daar nu zoo heel stil en tevreden zat met het mooie, blonde haar beschenen door de zon en de bevallige kleine gestalte geheel in rust, leek zij zoo zachtzinnig en lief mogelijk en Hedwig zuchtte eens even, toen zij naar haar keek. Nesta kon bizonder aantrekkelijk zijn--als zij wilde! Maar wat moest er van haar groeien, als zij zoo toegegeven werd?
_Zij_ zou althans niet toegevend voor haar wezen, besloot ze.
Verkwikt door den rit en door het prettige bezoek aan het groote landhuis, waar May en zij op een aardig torenkamertje hadden mogen spelen, terwijl haar moeder deftig beneden haar visite maakte en Hedwig in het rijtuig bleef zitten, was Nesta 's avonds weer in het beste humeur en gemakkelijk viel het Hedwig niet haar te straffen. Heel verwonderd en verschrikt keek het kleine meisje tot haar op, toen zij haar apart nam en ernstig onder het oog bracht, dat zij niet bij het vertellen wezen mocht, als zij niet eerst heel oprecht had gezegd dat zij spijt had over haar driftbui van dien middag. Plotseling rukte zij zich los, zei boos: "Dat doe ik toch niet!" en liep heel bleek de kamer uit. Bunny vroeg met zeer levendige belangstelling wat er toch aan de hand was, maar May, die wel begreep wat Hedwig gezegd moest hebben, zei zacht: "Vraag er maar niet naar, Maddy vindt het zoo jammer en ... misschien komt Nesta wel gauw terug."
Het laatste kwam er aarzelend uit, May twijfelde zelf aan de waarheid van haar woorden en te recht, want Nesta liet zich niet weer zien, voordat het tijd was om te zingen en Hedwig een paar akkoorden aangeslagen had op de piano. Toen kwam zij met een strak gezicht binnen, ging naast Boy staan en zong mee, maar van harte ging het niet en haar "goeden nacht" klonk later zeer koel, heel anders dan gewoonlijk.
Een paar malen sloop Hedwig dien avond naar Nesta's kamertje om aan de deur te luisteren of zij haar misschien ook riep, doch alles bleef stil; Nesta was blijkbaar heel gewoon gaan slapen.
Er gingen twee, drie, vier dagen op deze wijze voorbij en Hedwig begon te vreezen dat de straf den volgenden Zaterdag zou moeten worden herhaald. Doch Donderdagsavonds, toen zij op haar kamer zat te schrijven met Bruce, die haar trouwe vriend was geworden, tot gezelschap, stond opeens een kleine gedaante in 't wit naast haar. "Het spijt me zoo vreeselijk," klonk een zachte stem, twee donkere oogen werden smeekend tot haar opgeheven en er kwam een wonderlijk gevoel van geluk in Hedwig's hart, een onuitsprekelijke blijdschap omdat het kind werkelijk zichzelf overwonnen had en naar haar toe gekomen was.
Zij zeide niet veel, een paar hartelijke woorden maar en Nesta slaakte een zucht van innige verlichting en liet een kort, zenuwachtig lachje hooren, toen ze den staart van Bruce tegen haar bloote beenen voelde tikken. "Ja zeker, Bruce hoort er ook bij," zei Hedwig en ze hurkte bij den hond neer en stond Nesta toe hem een biscuit te geven, iets dat Bruce op dit ongewone uur een heel eigenaardig en verblijdend verschijnsel vond.
Ook aan haar moeder zei Nesta uit eigen beweging dat het haar erg speet dat zij den mooien mantel bedorven had, "omdat ik zoo driftig was," voegde zij er fluisterend bij, maar Mrs. Balvourneen lachte en gaf haar _bonbons_. "Daar denken wij maar niet meer aan," zei ze, "ik heb mantels genoeg, kind. Kijk maar gauw weer vroolijk!" En haar dochtertje voelde wel dat zij er niet zoo tegenop had behoeven te zien om naar haar moeder toe te gaan en--het ook wel had kunnen laten!
Toen het eind October was, begonnen de kinderen reeds te spreken over de kerstvacantie en het heerlijke kerstfeest, waarvan zij zich zeer veel voorstelden. "Alleen maar jammer dat Maddy dan weg is," zei Bunny, maar May zeide: "Wèl jammer, maar heerlijk voor Maddy om thuis te zijn en wat zal zij ons, als ze weer terug komt, veel nieuwe dingen te vertellen hebben!" "Dat denk ik ook," zei Hedwig vroolijk en Boy verklaarde met zijn mannenstem "best heelemaal mee te willen naar Duitschland," waarop Nesta beslist beweerde: "Dan ik ook mee!" En dan moest Hedwig telkens weer verhalen doen over het ijs en het verrukkelijke schaatsenrijden, de vlug neervallende sneeuwvlokken en de bloemen op de ramen van een echten winter, zooals geen dezer Zuid-Iersche kinderen er ooit een had bijgewoond. Bridget luisterde dan al even aandachtig toe als het jongere publiek en scheen soms wel wat te twijfelen aan de waarheid van Hedwig's voorstellingen. Dat men poppen zou kunnen maken van sneeuw, kon zij nauwelijks gelooven!
Hoe weinig dacht Hedwig in die gezellige uren, terwijl zij en de kinderen elkaar hoe langer hoe beter begonnen te begrijpen en zich hoe langer hoe meer aan elkaar hechtten, dat het met hare kerstvacantie zoo geheel anders af zou loopen dan zij zich toen voorstelde!
Dat kwam zoo. Nesta hield zich, na de hevige driftbui in het rijtuig, een poosje bizonder goed, wat voor Bridget en Hedwig een ware verademing was en Hedwig hoopvol den tijd te gemoet deed zien, waarin het kind meer zou gaan gelijken op May en Bunny en met dezelfde gulle goedhartigheid als hare zusjes, haar eigen gewichtig persoontje meer op den achtergrond zou weten te dringen. Het zou zoo heerlijk wezen, dacht Hedwig haast moederlijk, als--ook door haar toedoen--de kleine Nesta opgroeide tot een echt gelukkig menschenkind. "Ik houd veel van mijn werk, zóóveel," schreef zij naar huis, "en ik stel er mij ook veel van voor er u van te vertellen. Meer dan ooit ben ik blij dat ik hier gekomen ben en ik hoop vurig dat ik hier jaren en jaren zal mogen blijven! Nu, daar is, dunkt me, wel kans op. De kinderen zijn nog jong en alles gaat zóó prettig tegenwoordig!"
"Jaren en jaren blijven!" Reeds twee dagen nadat zij dit geschreven had, wist Hedwig dat het niet zoo zijn zou.
Zij was op zekeren ochtend, verlokt door het mooie weer, vroeg opgestaan en had met Bruce een wandeling gemaakt naar het mooi gelegene kerkje van Glengariff. Terwijl zij naar haar kamer terug liep om hare schoenen uit te trekken, bleef zij eensklaps midden op de trap verschrikt staan, want een hevig gegil drong vanuit een der badkamers tot haar door. Wat kon er nù aan de hand zijn? Zonder zich te bedenken snelde zij naar de badkamer toe en daar vond zij Nesta, die door Bridget gebaad werd, gillen en schreeuwen dat het een aard had. "Akelige, nare Biddy!" riep ze, haar de spons uit de hand rukkend en de zeep, zoover zij maar kon, door de kamer keilend. "Ik zal het aan moeder zeggen ... aan moeder zeggen...."
Zij hield zich even stil, toen zij Hedwig gewaar werd, doch toen de geduldige Bridget zeep en spons bij elkaar gezocht had en haar weer begon te wasschen, gilde zij het opnieuw uit en gaf haar in haar woede een harden slag in het gezicht.
Onder den invloed van de tintelende pijn, liet Bridget hare handen zakken en ging achteruit, maar Hedwig trad terstond op Nesta toe, greep haar beide handen vast en vroeg streng:
"Met welke hand heb je Bridget geslagen, Nesta?"
Nesta werd donkerrood. Hedwig zag aan de uitdrukking van hare oogen dat zij zich begon te schamen, maar dit niet weten wilde en koppig kwam het antwoord eruit:
"Met de rechter."
"O." In de vaste overtuiging dat zij goed handelde, nam Hedwig de bewuste hand beet en gaf er een flinken tik op, wat natuurlijk tengevolge had dat Nesta nogmaals een keel opzette. "Dat zal wel gauw bedaren," dacht Hedwig, "het kan niet anders dan heilzaam voor haar zijn," maar zij had er niet op gerekend dat nog iemand anders dan Bridget haar met Nesta bezig had gezien. Daar stond echter Mrs. Balvourneen, die ongemerkt was binnengekomen, juist op het gewichtige oogenblik dat Nesta den bestraffenden tik op haar arm kreeg!
"Mag ik weten wat dit beteekent?" vroeg zij op hoogen toon en zonder het antwoord af te wachten, ging zij naar Nesta toe en sloeg den arm om haar heen met de woorden:
"_My poor little darling!_"
De "arme, kleine lieveling" ging nu zoo erbarmelijk snikken dat het haast niet aan te hooren was.
"Kleed Miss Nesta dadelijk aan Bridget, terwijl ik er bij ben," zei Mrs. Balvourneen en tot haar dochtertje: "Ach mijn kindje, schrei toch niet meer zoo, dat vindt moeder zoo naar. Wil zij vandaag eens een prettig vacantiedagje hebben en den heelen ochtend bij haar moedertje wezen?"
"Ja, ja," snikte Nesta.
"Als u zoo goed wilt zijn even naar de leerkamer te gaan, _mademoiselle_, dan kom ik straks bij u," vervolgde Mrs. Balvourneen en Hedwig verdween; zij kon wel niet anders dan gehoorzamen.
In spanning wachtte zij het onderhoud af; zeker zou Mrs. Balvourneen haar een scherpe berisping geven over de wijze waarop zij Nesta gestraft had, maar ... zij zou zich weten te verdedigen; zij geloofde stellig dat zij goed gehandeld had....
Doch veel erger dan een berisping was haar deel. Het onderhoud was kort, want toen Mrs. Balvourneen de leerkamer in kwam, beweerde zij van alles reeds precies op de hoogte te wezen. "Ik erken," zei ze "dat Nesta soms wat lastig is, maar dat geeft niemand, u allerminst, het recht, haar zóó wreed te straffen! Ik heb reeds meer dan eens opgemerkt dat u zeer, zeer weinig takt met haar hebt. Ook de wijze, waarop u met de andere kinderen omgaat, draagt mijne goedkeuring slechts ten deele weg en in ieder geval is het gebeurde van zooeven gewichtig genoeg, om mij te doen besluiten eene andere gouvernante te zoeken. Het zal mij dus aangenaam wezen u tegen de kerstvacantie te zien vertrekken."
Dàt had Hedwig niet verwacht, dàt niet, zoo iets ergs....
Doodsbleek stond ze voor Mrs. Balvourneen.
"U kunt toch niet meenen ... moet ik dan voor goed vertrekken?"
"Ja zeker en ik wil nu liever verder niet over de zaak spreken, terwijl u mij zeer beslist zult moeten beloven tegenover de kinderen geen woord over uw vertrek te reppen. Mijn besluit is onherroepelijk; ik reken er beslist op dat u tegen Kerstmis heengaat. Kan ik er vast op aan dat u tegenover de kinderen zult zwijgen?"
"O ja," zei Hedwig dof.
Als in een droom deed zij dien dag haar werk en zoo stil en ernstig was ze dat de kinderen ervan onder den indruk kwamen en toch maar niets vroegen, vermoedend dat de driftbui van Nesta haar bedroefd gemaakt had. Maar toen haar vroolijkheid haar ook de volgende dagen telkens in den steek liet, vroegen May en Bunny een paar malen bezorgd of haar iets scheelde.
Toen moest het hooge woord er uit. Ja, haar scheelde wèl iets, bekende Hedwig openhartig, maar zij kon niet zeggen wat en zij moesten er haar niet meer naar vragen. De meisjes gehoorzaamden en trachtten door allerlei kleine oplettendheden, vooral door het zetten van vele geurige ruikertjes op haar kamer, haar leed te verdrijven en zij was er dankbaar voor, maar voelde er de smart te dieper om.
Toch begaven het krachtige geloof in Gods hulp en hare oude energie haar niet. Zij schreef moedig het voornaamste naar huis en meldde ook dat zij nu dit jaar haar plan om naar Duitschland te gaan, moest opgeven en besloten was het opgespaarde geld te gebruiken om naar Londen te reizen, daar tijdelijk haar intrek te nemen in een Governesses' home, (tehuis voor gouvernantes) haar door Mrs. Balvourneen aanbevolen en dan naar een nieuwe betrekking uit te zien. Mrs. Balvourneen was bereid haar een goed getuigschrift mee te geven.
Intusschen wisten de kinderen van niets en bleven zij zich onstuimig verheugen op de naderende Kerstvacantie. Eindelijk begon Hedwig de weken en toen de dagen te tellen, die nog voor haar vertrek moesten verloopen. Alleen Bridget had zij, onder diepe geheimhouding, mogen vertellen dat zij ging vertrekken en Bridget had de handen gewrongen en was gaan schreien, al maar uitroepend hoe vreeselijk, hoe verschrikkelijk dat voor de kinderen zijn zou!
Den dag voor Hedwigs' vertrek, kregen de kinderen vrijaf. "Nu al? Begint de vacantie nu al?" riepen zij verheugd. "Hoe prettig!" Maar toen Hedwig bezig was op haar kamer haar koffer te pakken, kwamen opeens Boy en Bruce bij haar binnen. Hedwig meende dat het geen kwaad kon, vooral omdat zij wist dat de meisjes met hun vader uit waren, maar Boy vroeg parmantig, terwijl hij in den grooten koffer keek: "Waarom moet dat _allemaal_ mee naar Duitschland? Waarom mag het portretje van Tieka niet zoolang hier blijven?"
Zijn moeder hoorde hem praten en riep hem bij zich en Hedwig hoorde hoe hij dringend vroeg: "Maddy komt toch weer, moeder? Maddy komt toch _natuurlijk_ weer?"
Het antwoord kon Hedwig niet verstaan, maar duidelijk hoorde zij Boy nog vragen: "Als het nieuwe jaar er is, dan is Maddy toch weer bij ons?"
Toen was alles stil en met een oproerig hart verder pakkend, vroeg Hedwig zich af, wat Boy's moeder toch wel geantwoord zou hebben!
's Avonds was hij nog laat wakker en riep hij om "Maddy." Bridget haalde Hedwig.
Met een kleur, de groote oogen heel wijd open, zat Boy op in zijn bed. "Maddy komt toch terug? Maddy komt toch _natuurlijk_ terug?" vroeg hij weer en Hedwig, te bedroefd om iets te kunnen zeggen, knielde bij hem neer. Ze trok zijn gezicht naar zich toe en drukte er een kus op, doch opeens rukte Boy zich los. "Ik vind het niet prettig om op mijn oog een kus te krijgen!" riep hij. Toen ging hij liggen, keerde zich om en viel in slaap. Hedwig en Bridget glimlachten. "Nacht lieve, lieve Boy," fluisterde Hedwig.
Nog even liep ze naar de slapende meisjes toe en zei haar zwijgend goeden dag; het was het eenige afscheid, dat zij van haar nemen mocht. Zij zou den volgenden ochtend heel vroeg vertrekken en niemand meer zien. Mr. en Mrs. Balvourneen wenschten haar het beste voor haar volgend leven en Bridget bedankte haar in een stortvloed van vurige woorden voor "al haar hartelijkheid en gezelligheid."
Zij sliep weinig dien nacht en was maar blij toen het haar tijd was om op te staan en zich reisvaardig te maken. Het was nog schemerdonker, toen zij wegreed, weg van de schilderachtige plek, die haar zoo lief geworden was, dubbel eenzaam in het besef dat zij voortaan de hartelijke toegenegenheid der vier Iersche kinderen zou moeten missen en toch dankbaar voor den tijd, dien zij op het kasteel Balvourneen had mogen doorbrengen.
Toen zij aan het station van Kenmare uit het rijtuig stapte, sprong er iets tegen haar op en klonk er een luid geblaf en met den uitroep: "O Bruce, lieve, lieve Bruce!" boog zij zich voorover en streelde den grooten, trouwen St. Bernardshond, die haar tot aan het laatste oogenblik toe zijn aanhankelijkheid wilde toonen en het rijtuig nageloopen was.
HOOFDSTUK XI.
Londen en Mist.
Heel mooi trof zij het niet voor haar zeereis, want tegen den avond stak er een hevige wind op en werd de lucht donker en toen zij op het dek van de boot stond, zwiepte de regen haar in het gezicht en had zij moeite staande te blijven.
Toch kon zij er ook thans niet toe besluiten naar beneden te gaan; er waren zeer vele reizigers en als zij boven bleef, had zij ten minste frissche lucht. Zij wikkelde zich in haar langen mantel, veroverde een vouwstoel en zocht een beschut plaatsje uit om te gaan zitten. In 't eerst ging alles tamelijk goed, maar toen de storm steeds aanwakkerde en de boot geweldig ging schommelen, begon zij zich minder plezierig te voelen en eindelijk werd het zóó erg dat zij zich genoodzaakt zag, zoo goed en zoo kwaad als het ging, naar beneden te strompelen en te zien of zij door rechtuit te gaan liggen, de booze zeeziekte weer verdrijven kon.
Doch toen zij eindelijk met groote moeite beneden gekomen was, was het daar zoo overvol, dat er voor haar van "rechtuit liggen" niets kon in komen. Aanlokkelijk was het buitendien ook geenszins in de propvolle ruimte met de drukkende atmosfeer en met de slaperige, bleeke gezichten van lustelooze dames, die met de doffe onverschilligheid van echte zeezieken, even naar haar keken en dan weer kreunend de oogen sloten. Maar hoewel zij nauwelijks op hare beenen kon blijven staan en het onplezierige gevoel er lang niet beter op werd, kon zij toch niet laten even te glimlachen om het tragische tooneel. Hier kon zij echter niet blijven! Zij had bovendien ook geen keuze, want er was geen enkel plekje meer open. Ze zou dus maar trachten zoo gauw mogelijk haar vouwstoeltje op het dek weer op te zoeken.
De boot danste nu zoodanig dat zij zich met beide handen stevig aan de trapleuning vast moest houden en telkens even moest blijven staan om niet omver geworpen te worden. De felle regen flitste haar weer in het gezicht, toen zij boven kwam. Met een steeds groeiende gewaarwording dat zij zich nog nooit in haar leven zoo aller-ellendigst had gevoeld, bereikte zij met horten en stooten de plek, waar zij zooeven gezeten had. Maar hoe zij ook zocht, haar stoel was nergens te vinden; men had dien zeker terstond weggenomen, toen zij naar beneden gegaan was en daar stond zij nu, _te_ ziek om verder te kunnen handelen, tegen de deur aangeleund, waarvoor straks de kostbare stoel nog gestaan had.
Steeds heviger gierde en loeide de wind, onbarmhartig sloeg de regen tegen haar aan, één oogenblik voelde zij het verlangen bij zich opkomen dat iemand haar toch op mocht nemen en in zee werpen,--en in haar pijn en benauwdheid kermde zij het uit....
Zoo bleek en ziek zag zij eruit dat een paar matrozen, die haar voorbij kwamen, medelijden met haar kregen en haar een stapel dik opgerold touw aanwezen om op te gaan zitten. "Zóó, nu zal het wel beter worden," zei de eene, en "o, dank u wel," zuchtte Hedwig, terwijl zij met een oogenblikkelijk gevoel van verlichting, op het touw neerviel. Maar lang liet de verraderlijke zeeziekte haar geen rust. Daarbij werd telkens als zij opstond, het pikkerige touw door den aanhoudenden regen hoe langer hoe natter en toen eindelijk het ergste geleden was en zij met onuitsprekelijke blijdschap de kust zag naderen, werd die blijdschap wel wat getemperd door de ontdekking dat haar lange mantel vol leelijke vlekken zat.
"Ja, dàt konden die vriendelijke matrozen niet weten," bedacht zij dadelijk. Als zij goed en wel in Londen was, zou zij den mantel eens flink onder handen nemen; ze wou er nu niet over gaan treuren, het was veel te heerlijk dat zij thans van die akelige zeeziekte af was. Wel voelde zij zich nu uitermate vermoeid; zij kon hare oogen haast niet meer open houden en toen zij goed en wel in den trein naar Londen zat, bleef zij heel stil in haar hoekje zitten, tot niets meer in staat dan om zich lijdelijk te laten meevoeren naar de groote wereldstad.
De groote wereldstad vertoonde zich, toen zij haar vroeg in den ochtend naderde, niet juist op haar aantrekkelijkst, want er hing een vuilgrijze mist, die het in de huizen en straten akelig donker maakte en den indruk gaf als zouden deze duistere Decemberdagen, de een na den ander, zonder één enkelen lichtstraal, in eentonige somberheid, moeten voorbijgaan.