Part 12
Al strompelend, zwaar leunend op een stokje, kwam nu een oud vrouwtje binnen, dat door haar zonderling uiterlijk en vreemd starenden blik, "op 't eerste gezicht," zooals May later zeide,--"een echt griezeligen indruk maakte." Het vrouwtje droeg boven een zwarten rok een vaalgroenen mantel, zooals de Iersche boerinnen die dragen; de kap, die met verschoten rood gevoerd was, had zij over het hoofd geslagen, terwijl haar voorhoofd bijna geheel bedekt was door een stijf vastgeknoopten doek, juist alsof zij aan erge hoofdpijn leed. Onder de oogen lagen onnatuurlijk donkere, breede kringen en ... boven de bovenlip was een geelwit snorretje te zien, dat sterk aan verkleurd poppenhaar deed denken. Het heksje stak den mond ver vooruit, en liep zeer gebogen. En met een akelig doffe stem sprak ze:
"Ik heb een lange reis gemaakt. Bij de meren van Killarney ben ik geweest; aan den voet van den hoogen berg Carran Tual woon ik. De _leprechauns_ hebben mij betooverd! Een schoone, jonge maagd ben ik geweest...." hier giegelde May hardop--"nu ben ik een oude, oude heks...."
"Kom toch wat dichter bij, heksje," zei Hedwig, haar vriendelijk bij de hand nemend en het heksje liet zich in den kring leiden, maar begon, toen men al meer en meer om haar heen drong om haar goed te bekijken, zulke afschuwelijke geluiden te maken dat May oneerbiedig uitriep:
"O Bunny, houd toch op!"
Allen lachten, doch nu keek het heksje zeer toornig, hare groene oogen flikkerden en met haar stok op den grond stampend, riep zij uit:
"Past op! Past op! Neemt u allen in acht of ik zend u naar de _leprechauns_!"
"De _leprechauns_? Wat zijn dat toch voor dingen?" vroeg Hedwig en de heks hief dreigend haar stok op en zei verontwaardigd:
"Dingen! Durft gij het wagen de geduchte _leprechauns_ _dingen_ te noemen? Hoor, gij lichtzinnige Germaansche en gij, kinderen van het groene Erin, hoort, hoe ik in mijne _Geschiedenis der Leprechauns_, deze machtige berggeesten beschreven heb ... maar geeft mij dan eerst een stoel, want mijne stramme leden worden moe."
"O, hoor Bunny eens! Haar stramme leden!" riep Nesta, maar Boy zette vlug een stoel bij het bestje neer en vroeg:
"En toen ... en toen?"
"Boy moet eigenlijk naar bed," zei Bridget.
"Laat deze zoon van Erin eerst nog een oogenblik naar mij luisteren," zei het oudje. En op plechtigen toon vervolgde ze:
"De _leprechauns_ zien er uit als allerverschrikkelijkst leelijke, verschrompelde oude dwergen met heel groote neuzen en kleine, valsche, gniepige oogen, die altijd schuin staan. Niettegenstaande hunne nietige gestalten zijn de _leprechauns_ al uit de verte te herkennen aan de roode buisjes, waarbij zij altijd kuitenbroeken en lage schoenen met gespen dragen en aan de puntmutsen, waarmee zij hun borstelig haar bedekken. De _leprechauns_ wonen in de bergen en in groote, holle boomen en als de maan heel helder schijnt, vertoonen zij zich in hunne Zondagskleeren--groene jagerbuizen en roode mutsen--en dansen, dansen, dansen uren lang, tot het ochtendlicht begint te schijnen. Hunne groote kracht ligt in die kleine, valsche, gniepige oogen"--hier kneep het oudje de hare bijna geheel dicht en zette zoo'n dwaas gezicht dat allen in lachen uitbarstten--"waarmee zij iemand betooveren kunnen, zooals ik helaas betooverd ben! Maar wie de kracht bezit een _leprechaun_ strak aan te kijken, twee minuten lang, zonder met zijn oogen te knippen of ook maar een vin te verroeren, die komt niet onder de betoovering en kan zakken vol goud van hem los krijgen, zooveel als hij er maar wenscht te bezitten! Twee heele minuten doodstil te blijven staan, is echter een verbazende toer en--als men maar even met de oogen knipt, of ook maar het puntje van zijn pink beweegt, is het mis en verdwijnt de _leprechaun_, zonder een enkel korreltje goud achter te laten...."
"En nu moeten Nesta en Boy ook verdwijnen," zei Bridget. "Het is al zóó laat; ik durf niet eens te zeggen hoe laat!"
"Och, ik ben nog niets slaperig," zei Boy, zijne oogen heel groot makend.
"Wacht, ik ga mee je naar bed brengen," riep Bunny met haar gewone stem en nu riepen Boy en Nesta te gelijk uit: "Ja, ja, ja! Ga maar gauw mee, heksje!" En het heksje liep mee, vroolijk met haar stok zwaaiend en zingend dat de _leprechauns_ het van avond maar zonder haar moesten stellen, er mocht dan van komen wat er wilde!
HOOFDSTUK X.
Nesta's Drift.
"Neen moeder, kennissen heb ik hier niet gemaakt," schreef Hedwig in antwoord op een vraag van haar moeder, "maar dat gaat ook zoo gemakkelijk niet, omdat wij vrij eenzaam wonen, nog een heel eindje van Glengariff af en de vrienden van Mr. en Mrs. Balvourneen kunnen moeielijk òòk de mijne wezen, want die ontmoet ik heel zelden, al hoor en zie ik nogal eens fraaie equipages naar ons kasteel rijden; er komt veel bezoek. De kinderen zijn bijna altijd bij Bridget en mij, een heel enkele maal mogen zij eens beneden eten en dan doe ik dat ook, maar dan zijn er geen gasten. Ik heb heusch geen conversatie noodig, moedertje; er is afwisseling genoeg in mijn leven! Het is zóó iets anders dan op Hill House en het is hier zoo prachtig mooi en zoo vol bloemen; soms is de temperatuur mij wel eens wat al te zoel, niet "stevig" genoeg, maar er moet wat wezen! Wat zal ik u een massa te vertellen hebben, als ik met Kerstmis thuis kom, want komen doe ik nu _zeker_! Ik verdien nu zoo flink en Mrs. Balvourneen wil mij veertien dagen geven; heerlijk, he? Hoe aardig dat Mrs. Rowley toch nog bij u geweest is; wel jammer dat het bezoek maar zoo kort kon zijn en dat zij nu naar Italië is met hare kleine neefjes. Zoo ver weg; was ze maar naar Ierland gereisd!
Ik wou dat ik Clärchen en u mijn troepje eens kon laten zien! Zulke levendige kinderen zijn het, vol grappen en pret en toch ook, als het zijn moet, ernstig; dat ondervind ik telkens, als ik Bijbelsche geschiedenis met hen behandel. Dan kunnen zij zulke aardige vragen doen en zulke onverwachte opmerkingen maken. Nesta, de eenige met wie ik wel eens last heb, want zij is en blijft een geducht driftkopje, zei laatst, toen wij het over Ezau hadden: "Als die óók maar eerst tot twintig geteld had, voordat hij zoo riep dat hij van dat "roode daar" wou hebben, dan zou het vrij wat beter met hem gegaan zijn!" Ik had haar eens, toen zij een erg booze bui had gehad, geraden om toch altijd dadelijk even tot twintig te tellen, als ze driftig werd. Nesta is geen gemakkelijk kind.
Ik geloof haast dat May mijn lieveling is. Dat schepseltje is altijd even zonnig en hartelijk en vol bewondering voor de anderen, terwijl zij zelf toch ook wel degelijk begaafd is. Het is een genot om in de kerk naast haar te zitten, want zij heeft een allerliefste stem en zingt heel mooi. Ook _fluit_ zij mooi! Nu zie ik u verbaasde oogen opzetten, maar de meisjes hebben mij verteld en ook Mrs. Balvourneen sprak er laatst over dat mooi fluiten hier tegenwoordig even hooge kunst wordt geacht als mooi zingen. En waarom ook niet?
Al de kinderen, ook Boy met zijn grove, diepe stem, zingen goed. Morgen zullen zij alle vier druk in de weer zijn om varens en wilde bloemen te plukken, want Mrs. Balvourneen is over een paar dagen jarig en de kinderen en ik zullen dan vroeg opstaan om de ontbijtkamer een feestelijk aanzien te geven. De kinderen krijgen dien geheelen dag vacantie...."
Den dag voor den verjaardag was Boy, wat bijna nooit gebeurde, uit zijn humeur. Zij waren allen samen naar een prachtigen waterval gewandeld, waarbij een bizonder sierlijk soort varens groeide en Boy had druk en vroolijk meegeplukt, maar op de wandeling terug werd hij pruilerig. Hij duwde zelfs Bruce, die telkens bij hem opsprong, ongeduldig op zijde en riep tot vervelens toe: "Boy _wil_ niet! Boy _wil_ knorrig wezen!" toen Hedwig trachtte hem wat op te vroolijken. Bridget en zij keken elkander eens aan; het kereltje was zeker moe, de tocht was te ver voor hem geweest. Hedwig vond dit echter geen reden waarom hij den geheelen weg over behoefde te loopen zeuren en toen hij niet ophield en al maar op één dreun met een treurig doffe stem bleef drenzen dat hij zoo moe was, zóó moe, riep Hedwig opeens: "Weet je wat?" Boy hield onmiddellijk op met schreien en keek haar aan; zijn belangstelling was gewekt. "Weet je wat?" herhaalde Hedwig: "Als jij zoo moe bent, ga daar dan maar een beetje zitten op dat heuveltje en dan zal _ik_ wel voor je schreien! Kijk maar, ik kan het heel goed."
Zij trok de neusvleugels samen en fronste de wenkbrauwen, daarbij zulke dwaze gezichten trekkend dat uit Boy's blauwe oogen plotseling alle droefheid verdween en hij door zijn tranen heen prettig begon te lachen.
"Ziezoo," zei May nu, "als Boy geen muziek meer maakt, dan mag ik het nu wel eens een beetje doen, niet waar Maddy?"
Zij wachte het verlof niet af, maar spitste hare lippen en floot een opwekkenden marsch, haar lievelingsdeuntje.
Onwillekeurig ging het loopen nu bij allen vlugger, ook Boy's korte beenen stapten dapper mee en hij schaterde het uit van plezier, toen May hem, even voordat zij thuis waren, in de hoogte tilde en "een moedigen, kleinen soldaat" noemde.
Den volgenden morgen vroeg droomde Hedwig dat zij de gast was van Miss Wells, de directrice van Hill House en zich met deze vermaken moest met bellen blazen. Miss Wells blies haar daarbij onophoudelijk groote bellen tegen het voorhoofd en giegelde op hoogst onaangename wijze, als zij het vocht ongeduldig weg wreef. Eindelijk ging het giegelen over in fluiten en nu begon Miss Wells met een zeer ongewonen, mooien klank in haar stem het lievelingswijsje van May te fluiten.... Hedwig staarde haar verbaasd aan, voelde toen weer een zeepbel op haar voorhoofd uiteen spatten en ... werd wakker.
Daar zag zij May en Bunny reeds geheel gekleed naast haar bed staan, Bunny zoowaar met een bloemenspuitje vol water in de hand!
"Maar kinderen...."
"Maar Maddy, het is hoog tijd om op te staan en wij vonden dit de lieflijkste manier om u te wekken."
"In 't vervolg doe ik mijn deur op slot," zei Hedwig lachend. "Het is wat moois iemand zulke rare droomen te bezorgen! En, daar komt waarlijk nog al iemand binnen."
Die "iemand" was Bruce, die met groote bedaardheid naar het ledikant toe wandelde, zijn voorpooten op den rand zette en met den staart kwispelend, vragend van Hedwig naar de meisjes en van de meisjes naar Hedwig keek.
"Kom hier Bruce, beste hond," zei Bunny. "Je krijgt vandaag een extra biscuit, omdat de vrouw jarig is. Hier!"
Zij haalde een biscuit uit haar zak en hield het hem voor.
"Pas op, je weet wel," hernam zij gebiedend. "Laat Maddy eens kijken hoe verstandig je bent!"
Nu ging Hedwig opzitten in bed en Bunny hurkte bij den geduldigen hond neder, liet hem zijn linkerpoot op haar schoot leggen, legde op den poot de lekkernij en hield haar vinger in de hoogte.
"Pas op! Niet opeten voordat ik zeg dat het mag!"
Bruce zat heel stil, met zijn rechterpoot stijf op den grond geplant en zijn staart bewegingloos. Hij boog den mooien kop voorover en er lag droefheid in zijne houding, als wilde hij zeggen: "Och, waarom stel je mijn geduld nu zoo lang op de proef? Wat beteekent dat nu eigenlijk?"
"Toe, geef het hem nu!" zei May.
"Opeten!" riep Bunny en met één flinken hap had Bruce de versnapering verorberd.
"Nu mag hij mee naar beneden," zei Bunny. "Maak maar gauw voort, Maddy; Bridget kleedt de kleintjes al aan. Wij moeten terstond met het versieren beginnen."
"Tijd genoeg ten minste," dacht Hedwig en het bleek dat zij gelijk had, want de ontbijttafel, de spiegel en de schoorsteen, al de etagères en kleine tafeltjes, waarop of waarom maar varens en bloemen konden worden gezet of klimop geslingerd, waren van groen voorzien, meer dan een uur voordat Mrs. Balvourneen binnen kon komen. Toen zij verscheen, heden gelijktijdig met den heer des huizes, was de vreugde dan ook heel groot. Zij zag er veel opgewekter uit dan gewoonlijk, was hartelijk voor de kinderen, bewonderde de versiering en sprak Hedwig vriendelijk toe over de moeite, die zij zich had willen getroosten. Nesta en Boy mochten naast haar zitten en Nesta's gezichtje straalde van blijdschap. Het liefst zou zij den geheelen dag bij haar moeder gebleven zijn, maar daar was geen denken aan. Er zou buitengewoon veel bezoek komen en 's avonds zou er een groot diner worden gegeven, wat Mrs. Balvourneen heerlijk vond. De kinderen mochten dan aan het dessert beneden komen en lang blijven, beloofde zij.
"Hoera!" riep Boy, terwijl hij zijn stem zooveel mogelijk uitzette en zijn best deed een onderkin te zetten en "hoera!" riepen Nesta en de oudere zusjes, toen zij met Hedwig de kamer verlieten om allen "precies te gaan doen, waarin zij lust hadden";--maar luider nog klonk het "hoera!" 's avonds, toen eindelijk het lang verbeide oogenblik daar was en de boodschap boven kwam, of _Mademoiselle_ nu met de vier kinderen beneden wilde komen.
De meisjes zagen er allerliefst uit, geheel in 't wit en ieder met een toefje heliotropen, de lievelingsbloem van Mrs. Balvourneen, in het borduursel van hare breede kragen. Boy had ook een wit pak aan en zoo'n grooten ruiker tusschen zijn das gestoken dat allen er om lachen moesten. Toch wilde hij er de bloemen alle in houden. "Dat vindt moeder prettig," beweerde hij. "En Boy ook, geloof ik," zei Hedwig en Boy knikte maar eens even, heel genadig; hij vond het onnoodig verder over de zaak te spreken.
Hedwig had zich ook netjes gemaakt in wit mousseline met een lichtblauw streepje. "_You look awfully pretty_," zei Bunny met groote openhartigheid en Hedwig lachte. Jong meisje als zij was, beviel het komplimentje haar toch nogal. Zij vond het dwaas van zichzelf, maar zij was bepaald wat opgewonden over dien gewichtigen tocht naar beneden. Het zou zoo aardig wezen ook eens iemand te spreken, al was het maar voor een oogenblikje en later alles van dezen avond naar huis te schrijven. Bunny had gelijk, zij was werkelijk "_pretty_" nu; het was of het mooie, blonde haar en het echt jonge in de heldere, grijze oogen meer tot hun recht kwamen, nu zij zich eens naar haar leeftijd had gekleed.
"Gunst, Maddy heeft nog geen heliotropen aan," riep Nesta uit, een paar bloemen uit het glas nemend. "Neen, ik draag geen bloemen," zei Hedwig, haar afwerend, maar de meisjes drongen zoo sterk aan en maakten het ruikertje zoo handig vast tusschen de kant van haar lijfje, dat zij het maar rustig liet waar het was en opgewekt met de kinderen naar de groote eetzaal toeliep, die alleen bij bizondere gelegenheden werd gebruikt.
Verlegenheid kende zij over het algemeen nauwelijks; toen zij echter met de vier kinderen om zich heen bij den ingang van de eetzaal stond, plotseling tegenover een veertig- of vijftigtal menschen, die een voor een opzagen en naar haar keken, verloor zij toch een oogenblik hare tegenwoordigheid van geest. De kinderen werden dadelijk door kennissen geroepen en snelden heen en zij bleef alleen staan, niet recht wetend wat zij doen zou. Terstond sprong een der jongere heeren op om haar een stoel aan te bieden, maar Mr. Balvourneen, die dicht in de buurt zat, legde de hand op zijn arm en zeide, duidelijk verstaanbaar voor Hedwig:
"Och, doe geen moeite, het is onze gouvernante maar!"
De jonge man ging een weinig verlegen weer zitten en Hedwig beet zich op de lippen. Het was haar juist alsof iemand haar een slag in het gezicht had gegeven, maar zij moest hare kalmte geen oogenblik verliezen en geen woord zeggen, dat besefte zij zeer goed. "De gouvernante maar, de gouvernante maar!" klonk het na in hare ooren, terwijl zij zeer rechtop en schijnbaar heel bedaard, de rijen gasten langs liep naar Boy toe. Hij zou haar hulp noodig kunnen hebben, dacht ze, en zij moest toch iets doen en _ergens_ zitten, al was ze maar de gouvernante! Een opwelling gehoor gevend, bracht zij haar hand aan de heliotropen in de kant van haar japon. Ze wou die niet meer dragen, zij was immers toch volstrekt geen lid van het gezin ... maar ze liet de hand weer zakken; zij had de bloemen immers alleen aangestoken, omdat de kinderen het graag wilden. Kom, ze moest zich flink houden en zich niet zoo gauw in haar eer getast rekenen, maar ze zou hierover niet naar huis schrijven, dat wist zij heel zeker!
Het was of de woorden van Mr. Balvourneen over gansch de met bloemen en kristal getooide tafel door al de rijk-gekleede heeren en dames waren verstaan, zoo duidelijk toonde ieder thans te weten, dat het moedige, jonge meisje, dat met zoo'n rustige houding de lange eetzaal doorliep, de gouvernante der kinderen was. Slechts enkelen keerden even het hoofd om om naar haar te kijken, de meesten bleven doorpraten en letten ter nauwernood op haar; bij uitzondering knikte nu en dan een dame haar flauwtjes toe, doch niemand sprak haar aan of verzocht haar ergens een plaatsje uit te zoeken. Zij was blij dat Boy, toen hij haar zag aankomen, luid riep: "Maddy, Maddy, kom hier bij mij, niet bij Nesta!" Ze kon nu ten minste zijn stoel met hem deelen en stil blijven waar ze was.
Boy liet haar van alles kijken en proeven en strooide suikertjes voor haar neer, alsof het zoo maar niets was. De twee jonge dames, tusschen wie hij zat, hadden er plezier in; zij zagen er vriendelijk uit en juist wilde Hedwig iets zeggen, toen een langgerekt: "Sst! Stil nu!" zich langs de tafel hooren liet en eindelijk allen zwegen.
Hedwig zag nu dat May, die zij uit het oog verloren had en die zich heel aan het andere einde der zaal bevond, op was gestaan. "Kom naast mij, kind," zei haar moeder, wie het aan te zien was dat zij trotsch was op het viertal, dat hedenavond zoo'n bizonder goeden indruk maakte, trotscher zeker ook wel dan op de schitterende juweelen, die aan haar hals prijkten. "Kom naast mij, dan kan iedereen je goed hooren."
"Wat gaat er gebeuren, wat zal May doen?" werd er in Hedwig's buurt gevraagd. "Zingen misschien?"
"Dat zou aardig zijn, ze heeft een heel mooie stem, maar misschien durft ze niet recht; het is nogal geen kleinigheid voor zoo'n uitgelezen publiek te zingen," was het lachend antwoord.
"Zwijgen, als 't je blieft," klonk het nog eens.
Weer was er een algemeene stilte, die verbroken werd door de stem van Mr. Balvourneen. "Allereerst wou ik even zeggen," zei hij, "dat verscheidene gasten hier in mijn buurt den wensch te kennen hebben gegeven naar een lied, ter afwisseling van het aangename discours hier aan tafel. Mijn oudste dochtertje wil gaarne aan dien wensch te gemoet komen, maar ... zou ik de onbescheiden vraag mogen doen of er wellicht onder onze jonge dames zijn, die ook zingen kunnen en zich geroepen voelen zich te laten hooren?"
"Ja, o ja!" "Die en die en die!" "Ik wil ook wel!" werd er geroepen en Mr. Balvourneen glimlachte. "Heel goed," hernam hij, "als er zooveel krachten zijn, moest er dan, dunkt me, eens een wedstrijd in het zingen worden gehouden tusschen May en die jonge dames, die lust hebben aan den wedstrijd deel te nemen."
"Ja, ja, ja! Prachtig!" riep men weer.
"Dan stel ik voor dat zij, die ons door haar zang en door de keuze van haar lied het diepst weet te treffen, dit tot belooning zal krijgen. Godsdienstige liederen zou ik thans buiten willen sluiten...." En hij nam een fraaie, kristallen bloemvaas op, die met roode anjelieren gevuld was.
"_Splendid!_" "_Lovely!_" "_How very nice!_" klonk het opgewonden en men klapte in de handen en lachte en had plezier en Hedwig vergat hare grieven en lachte van harte mee.
Het bleek dat er, behalve May, nog zes jonge meisjes waren, die aan den wedstrijd wenschten deel te nemen en allen moesten zich nu naar het eind der zaal begeven en bij de palmen gaan staan tegenover de eettafel; ieder zou zich dan van de rij af op haar beurt laten hooren. May vond het een eer zich met zooveel oudere meisjes te mogen meten en toen zij van uit de verte Hedwig ontdekte, wuifde zij haar eenige malen hartelijk toe. Hedwig wuifde terug, doch keek verrast om, toen zij de hand van Bunny op haar schouder voelde.
"Maddy," zei ze opgewonden, "als May het nu toch eens won, wat zou dat vreeselijk aardig zijn! Als zij zich maar goed kan houden en niet lachen moet; _ik_ zou zoo verschrikkelijk moeten lachen! Ik kan mij nu al niet inhouden; ik kruip maar achter u weg, anders ziet May mij nog en dan breng ik haar misschien in de war! Zij zal wel 't allerlaatst moeten zingen; wat een toer om eerst naar al die anderen te moeten luisteren!"
May scheen het echter volstrekt geen "toer" te vinden; zij vond zingen en ook luisteren naar zang, altijd een genot en zij stond rustig naast de zes jonge dames haar beurt af te wachten met een uitdrukking van innig welbehagen in hare blauwe oogen.
Alle gasten keken thans in één richting naar de plek, waar de meisjes stonden en nagenoeg alle gezichten glimlachten, zoodat het voor de zangeressen zelf niet gemakkelijk was ernstig te blijven, wat toch noodzakelijk was bij het bedenken van een lied, dat de harten in ontroering moest brengen. Men zette zich tot luisteren, toen, op een teeken van Mr. Balvourneen, nummer één begon te zingen, maar nauwelijks had zij een paar noten doen hooren, of zij sloeg de handen voor het gezicht en barstte in lachen uit. Al die vroolijke, nieuwsgierige oogen voor haar werkten al te zeer op hare lachspieren en met een zucht moest zij eindelijk tot de bekentenis komen dat zij werkelijk van avond niet goed zingen kon. De lachmanie werkte, zooals het doorgaans gaat, aanstekelijk en nummer twee en drie brachten het er niet veel beter af. De anderen hadden meer weerstandsvermogen en zongen haar lied eenvoudig en zeer zuiver; Hedwig genoot terwijl zij luisterde en ook de gasten waren blijkbaar getroffen, maar van diepe ontroering was weinig te bespeuren.
"Nu is het May's beurt! O, ik stop mijn zakdoek in den mond," fluisterde Bunny, nog steeds achter Hedwig verscholen. "Ik geef geen kik!"
May toonde echter geen de minste zenuwachtigheid. Met een tevreden trek op haar lief gezicht, stond zij, geheel een kind nog, thans alleen voor de palmen en begon, met het donkere hoofdje een weinig naar voren gebogen, zacht te zingen.
Een, volgens Bunny "allerakeligste" jonge man had de lafheid zijn buurvrouw een flauwe aardigheid in te fluisteren, die haar hoorbaar giegelen deed, maar ook dit geluid verflauwde, langzamerhand gleed de lach van de gezichten weg en luisterden allen met ontroering naar de schoone melodie van het lied, dat wel door weinig Ieren gevoelloos kan worden aangehoord, het lied van Thomas Moore, ook aan Hedwig nu reeds zoo vertrouwd: "_Let Erin remember the days of old._"
Toen May zweeg, bleef het eerst heel stil. Eindelijk trok haar vader haar naar zich toe en nooit nog had Hedwig hem zoo aantrekkelijk gevonden als op het oogenblik dat hij met een paar woorden, alleen voor zijn kind verstaanbaar, haar de kostbare vaas in handen gaf.
Het was goed van hem gezien dat hij haar en de drie andere kinderen dadelijk daarop naar boven terug zond, en tot Hedwig's groote vreugde gingen allen gewillig mee. Het was trouwens ook al heel laat geworden en het afscheid nemen van de gasten, die over 't algemeen zeer warm waren in hunne betooningen van hartelijkheid, moest haastig gaan. Op Hedwig zelf werd even weinig acht geslagen als in het begin en toen zij later in de stilte van haar kamer met den kop van den trouwen Bruce tegen haar knie, nadacht over de ondervindingen van dien dag, moest het haar even van de lippen: "Al was er nu maar een, één geweest, die mij een hand gegeven had en eens gevraagd had, hoe het mij beviel hier in dit vreemde land, zóó ver van huis!"
Bruce hief zijn kop op en keek haar met vragende oogen aan. Zij had hardop gesproken, dat moest toch wel tot hem geweest zijn, meende hij.
"Ja Bruce," zei ze, zijn kop tusschen hare handen nemend, "ik ben en blijf een echt dom, sentimenteel Duitsch juffertje, maar het zàl anders worden, dat beloof ik je. Het moet er _uit_, die overgevoeligheid!"
Zij keek hem half lachend, half weemoedig aan en Bruce blafte een paar malen bescheiden om zijn sympathie te toonen. Wat kon hij beter doen?