# Een Heldin

## Part 10

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/een-heldin-11285/index.md

Met het hoofd geleund tegen den rug van haar vouwstoeltje en met welbehagen de zoute zeelucht inademend, zat zij rustig te peinzen, tot hare oogen dichtvielen en zij in slaap geraakte. Het was zoel zomerweer en er was juist genoeg wind om de reis prettig te maken, zoodat er aan zeeziekte nauwelijks gedacht behoefde te worden. Zij sliep dan ook kalm door tot het daglicht haar in het gezicht scheen en zij, de oogen openend, Ierland voor zich zag.

O, wat was het mooi, veel mooier nog dan zij het zich voorgesteld had! Doodstil bleef zij zitten, geheel verdiept in het teere schoon voor haar.

In grootsche golving lag daar de schilderachtige baai van Dublin. De vroege ochtendzon wierp glinsterende lichtvlekjes op het water, dat eigenaardig levendig scheen in tegenstelling met de nog half droomende stad. De stille, blauwgetinte bergen, de bevallige villa's met de kleurige bloemen, de sierlijke, witte torenspitsen, die zich fijn en rank afteekenden tegen de heldere lucht, het was alles vol van een bekoorlijkheid, die haar als gevangen hield en ontroerde.

Toen men echter aan Kingstown Pier landde en zij zich haasten moest om voor haar koffer te zorgen en een plaats in den trein te zoeken, werd zij weer als een ander mensch. Alles om haar heen was thans levendigheid en beweging en begroetingen van opgewonden Ieren. Even keek zij rond, als verwachtte zij half ook iemand te vinden, die uitbundig blij zou zijn _haar_ te zien, maar er was niemand--natuurlijk was er niemand, bedacht zij; toch verlangde zij nu aan het eind van haar reis te wezen.

Dit verlangen werd nog sterker, toen zij de stad Dublin goed en wel achter den rug had en door eenzame streken spoorde, waar, tegen de purpergetinte bergen, in de ruime riviervalleien, bij de groene moerassen of op de uitgestrekte heidevelden met de blauwglinsterende plassen, zich slechts enkele, meest armoedige huizen vertoonden. Indrukwekkend schoon was het landschap, toch maakte het telkens een somberen indruk, een indruk, die nog verhoogd werd, toen de zon achter de wolken verdween en het eenige uren lang zóó stortregende, dat het er veel van had, als moest geheel Ierland door het water weggespoeld worden.

"Het is wel jammer dat het in Ierland nogal veel regent," hadden kennissen van Mrs. Rowley meer dan eens tot Hedwig gezegd en zij moest er nu aan denken. Als die regen zóó erg was, ja, dan zag Ierland er zeker niet op zijn voordeeligst uit!

Zij was vermoeid van het zitten, toen zij eindelijk te Killarney aankwam. Het was nu gelukkig droog en zij verheugde zich op den mooien rit met Mr. Balvourneen en zag nieuwsgierig rond naar iemand, die aan de korte beschrijving, haar door Mrs. Balvourneen gezonden, beantwoordde. "Ik moet maar allereerst kijken of hij er "echt uitziet om op een kasteel te wonen," zooals Clärchen schreef," besloot zij vroolijk. Maar, hoe zij ook zocht, zij bemerkte niemand, die, naar hare meening, ook maar eenigszins aan dien eisch voldeed.

Het was een lastig geval! Een rijtuig van het kasteel Balvourneen was er _ook_ niet en ze wist dus niet, hoe zij de plaats harer bestemming zou moeten bereiken. "Dat lijkt in één opzicht althans al bizonder veel op mijn aankomst te Edinburg," dacht zij. "Het schijnt mijn lot te wezen nooit van den trein te worden gehaald, als ik er juist zoo stellig op gerekend heb!"

Ze zou in ieder geval maar beginnen met een half uurtje aan het station te wachten; kwam Mr. Balvourneen dan nòg niet, dan zou zij een van de _jaunting-cars_[9] zien machtig te worden, die buiten het station stonden en door uiterst levendige koetsiers werden bewaakt.

Er ging ruim een half uur voorbij en niemand verscheen. Zij liet dus haar koffer, waarop ze trouw was blijven zitten, even in den steek en liep naar de _cars_ toe. Terstond was zij door drie, vier koetsiers omringd. Met drukke gebaren en in een taal, die haar volstrekt onverstaanbaar was, trachtte ieder haar aan het verstand te brengen dat hij haar het mooiste en het gemakkelijkste en het snelst-rijdende voertuig kon aanbieden. De gebaren waren zeker welsprekend en duidelijk genoeg, vooral van een der Ieren, een man met zwarte, heel levendige oogen, die haar bij den arm nam, naar zijn _jaunting-car_ toe bracht en vlug, zonder meer, op een der zijbanken wilde tillen. Lachend duwde zij hem ter zijde, toen beduidde zij hem in het Engelsch, heel langzaam sprekend, waar zij naar toe moest en dat zij een koffer bij zich had. Hij knikte als een Chineesch poppetje ontelbare malen, ten bewijze dat hij haar verstond en toonde zich bereid, de bagage te gaan halen.

Maar ... toen hij den grooten, Duitschen koffer zag--door de kinderen op Hill House "_Flinkie's Cottage_" gedoopt--betrok zijn gezicht. Neen, dat zware ding kon hij onmogelijk op zijn _jaunting-car_ zetten! Hij keek treurig, schudde het hoofd en haalde de schouders op en Hedwig begreep natuurlijk al spoedig, waar het aan haperde.

Wat nu te beginnen? Zij had geen lust den koffer aan het station achter te laten, wetend dat het kasteel Balvourneen uren ver af lag en er waarschijnlijk niet spoedig gelegenheid zou zijn de bagage te laten halen. Besluiteloos bepeinsde zij wat haar te doen stond, terwijl al de koetsiers een voor een naar den koffer kwamen kijken en eindelijk in een kring om haar heen kwamen staan. Zij babbelden onophoudelijk samen, telkens naar haar wijzend en onwillekeurig moest zij lachen om het wonderlijke taaltje en de zeer bewegelijke gezichten der sprekers, die blijkbaar nog nooit in hun leven een koffer van zulke afmetingen hadden aanschouwd!

Eindelijk tikte er een, die er goedhartig en vriendelijk uitzag, haar op den schouder en zei in gebroken Engelsch dat hij bereid was "den koffer en haar zelf"--heel vleiend was deze zinvoeging zeker niet!--op zijn _jaunting-car_ te nemen en te brengen waar zij wezen moesten.

Zij knikte hem dankbaar toe en hij en nog drie behulpzame Ieren namen den koffer op om dien op het wagentje te zetten. Heel handig ging het niet, wel was er een groot vertoon van ijver bij; maar juist toen de vrij zware koffer bijna stond waar hij staan moest, lieten zij dien nog te vroeg los; hij kantelde en een gedeelte van den bodem zakte naar beneden!

Nu was het een lawaai van heftig vragen en antwoorden en een gewirwar van gebaren en een opgewondenheid van belang! Aanhoudend spraken allen te gelijk, herhaaldelijk deden allen hun best Hedwig in wonderlijk Engelsch nu dezen, dan dien raad te geven en het geheele tooneel was zoo dwaas en te gelijk zoo schilderachtig dat Hedwig onmogelijk boos kon zijn, vroolijk toekeek,--al meende zij telkens den bodem verder te zien zakken!--en geduldig wachtte op verdere hulp. Kinderen: Jongens en meisjes met grappige gezichtjes vol ondeugendheid en pret, gingen er nu ook bij staan en ten slotte kwamen een zes of achttal bereidwillige handen met een touw aandragen. Er werd meer geroepen en geplaagd en gelachen dan gewerkt en het duurde een heel poosje eer de bodem weer veilig tegen het bovenste gedeelte van den koffer was aangedrukt en het touw er behoorlijk om bevestigd was. Hedwig hielp ook zelf ijverig mee de knoopen stevig maken en men moedigde haar aan en gaf haar knikjes op een grappige, familiare wijze, die zij aantrekkelijk en ook wat zonderling vond. Zij was vermoeid van de lange reis, toch niet zóó vermoeid dat zij er hare opgewektheid door verloor en toen de koffer eindelijk werkelijk op de _car_ stond, dankte zij de haar omringende Ieren hartelijk en zocht ijverig in haar beurs naar een kleine vergoeding voor ieder, die meegeholpen had. Uitbundige dankbetuigingen volgden en onder een luid geroep van Iersche woorden, die klonken als "slaun lath" (_slan leat_ = goeden dag) en "Dheeash mera guth," (_Dia's mearagat_ = God zegene u rijkelijk), werd zij in of liever op het wagentje getild en reed zij weg.

De goedhartige koetsier toonde zich eerst zeer spraakzaam, maar toen zij herhaaldelijk "_I don't understand_" had gezegd, gaf hij het op en begon ter afwisseling een deuntje te fluiten.

Hedwig trachtte haar houding zoo gemakkelijk mogelijk te maken, wat geen kleinigheid was voor iemand, die nog nooit met een Iersche _jaunting-car_ had gereisd! Zij vond het vreemd zoo ter zijde van het voertuig te zitten en dikwijls onverwacht een hort of een stoot te krijgen, zoodat zij zich moest vasthouden om niet te vallen, maar langzamerhand begon zij eraan te wennen en kon zij van ganscher harte de mooie natuur en de verkwikkende stilte om zich heen genieten.

De overigens tamelijk donkere lucht vertoonde hier en daar blauwe plekken, zoo krachtig van kleur, als zij zich niet herinnerde ze ooit elders gezien te hebben, daarbij was de atmosfeer zoo zuiver dat het ademhalen op zichzelf een genot scheen even groot haast als het kijken naar het steeds afwisselend natuurschoon. Malsch groen,--het echte groen van _Green Erin_--waren het gras en de hooge varens, die nog, evenals de bloeiende struiken, vol glinsterende waterdroppels hingen van den milden regen van dien middag en telkens weer ontdekte zij nieuwe boomsoorten. Want in groote verscheidenheid groeiden langs den steeds stijgenden weg pijnboomen en beuken, esschen, eiken, hulst met echt gezonde, gladde, donkere bladeren en de fraaie arbutus of aardbeiboom, met zijn schilderachtig rood getinte takken en glanzend groene bladeren, waartegen de zachtroode of witte bloemtrossen en later de vuurroode vruchtjes, zoo mooi afsteken.

Langs de kale rotsen, grootsch in haar woeste dorheid, groeide lichtgroen en donker en bruinachtig mos en als een blijde verrassing vertoonde zich soms een overvloed van rijk bloeiende brem, die in groote trossen gouden bloesems het zonlicht scheen te hebben gevangen. Tooverachtig mooi zag Hedwig, toen zij al hooger kwamen, de beroemde meren van Killarney liggen, nu zacht zilvergrijs getint, in schilderachtige tegenstelling met de statige purperkleurige bergen erom heen, die wachtten op de rustige schaduwen van den avond. Dan weer, vanaf een hoogte, die haar deed duizelen, keek zij heel in de diepte neer op valleien, waarin rotsblokken als rondgestrooid lagen, terwijl langs de rotsen op enkele plaatsen het witte, schuimende water bruisend naar beneden stortte.

Nu weer dalend, dan stijgend vervolgden zij hun weg en herhaaldelijk verbrak de koetsier door lustig gefluit de haast heilige stilte, die alom heerschte. Er lag iets teers, iets weemoedigs in de wijze, waarop de dag heengleed om straks plaats te maken voor den avond, die over al de lieflijke kleurschakeeringen een geheimzinnigen, doorschijnend witten nevel ging werpen. Hedwig huiverde, toen de lucht donkerder werd en met nieuwen regen dreigde en zij hulde zich in haar wollen doek en trok haar mantelkraag wat op, rillend meer nog van vermoeidheid dan van koude. Het was haast of de slaapzucht der directrice van Hill House over haar gekomen was en eindelijk sloot zij de oogen, zij kòn die niet langer open houden, hoe mooi het ook was om haar heen!

Langzamerhand, bijna zonder het te weten, boog zij het hoofd dieper en dieper voorover en verviel in een soort sluimering, tot zij opeens door het stilstaan der _jaunting-car_ en het geluid van stemmen opgeschrikt werd en, de oogen wijd openend, een zeer fraai rijtuig voor zich zag, waarin een deftige heer zat, die haar met groote oplettendheid beschouwde en ... Mr. Balvourneen bleek te wezen.

Dat zij juist op dit oogenblik haast in slaap was geraakt! Zij vond het akelig en dwaas te gelijk en zij beet zich op de lippen en ging terstond heel rechtop zitten, nu bizonder klaar wakker.

De koetsier keek haar lachend aan en gaf haar een vriendschappelijk knipoogje, doch Mr. Balvourneen vertrok geen spier van zijn gezicht, nam statig den hoed af, vroeg of hij het genoegen had Fräulein Eiche te zien en verzekerde dat hij tot zijn spijt dien dag niet tot Killarney had kunnen komen en zich eerst te laat de afspraak had herinnerd om haar van het station te komen afhalen.

Een paar minuten later zat Hedwig tegenover hem in het rijtuig, was haar koffer op den bok gezet en reed de bezitter van de _jaunting-car_, zeer tevreden over de belooning hem door Mr. Balvourneen gegeven, naar Killarney terug.

Het werd nu hoe langer hoe donkerder en meer dan ooit verlangde Hedwig naar het eind van haar reis. Mr. Balvourneen vroeg een paar malen beleefd: "_I hope you are not tired?_" en scheen eenigszins verbaasd te wezen, toen Hedwig zeide dat zij wèl vermoeid was. Het begon te regenen, eerst zacht, toen harder en eindelijk heel hard en toen zij Glengariff naderden en een zijweg in moesten slaan, werd het noodig bevonden dat zij uit het rijtuig stapten, omdat de weg uiterst modderig en daardoor gevaarlijk was geworden. Het kasteel lag hoog en zij moesten een heel eind stijgen. Hedwig vond het lang geen gemakkelijk werkje, toch kon zij niet nalaten even te lachen om den eigenaardigen tocht, terwijl zij, achter haar zwijgzamen geleider aan, bij het gebrekkige licht der rijtuiglantarens, langzaam voortsukkelde. Maar zij kòn haast niet meer, zoo slaperig was zij en ze was heel blij, toen de weg breeder en vlakker werd en zij weer in het rijtuig konden stappen.

Eindelijk, eindelijk hoorde zij het kiezel kraken onder de hoeven der paarden, het rijtuig nam een draai, toen nog een en ... stond stil voor een groot, fraai gebouw, het kasteel Balvourneen.

Hedwig knipte met de oogen, zoo verblindend was na de grijszwarte duisternis buiten, de glans van het licht in de smaakvol gemeubelde vestibule, waar Mr. Balvourneen haar thans bracht. Hij schoof een stoel naar haar toe en verzocht haar te gaan zitten, maar in spanning over de eerste ontmoeting met Mrs. Balvourneen, bleef zij--trots haar slaperigheid!---staan bij een hooge palm en wachtte de dingen, die komen zouden.

Het duurde niet lang of een knecht verscheen. Door gangen met dikke, zachte loopers bedekt, ging hij haar voor naar de eetkamer, waar Mrs. Balvourneen, een kleine, bleeke vrouw met een spits gezicht en een zeurderige stem, haar te gemoet kwam. "_I hope you are not tired?_" zei ze, met koele beleefdheid de vraag van haar man herhalend en het antwoord niet afwachtend. "Wij zullen maar dadelijk aan tafel gaan, het is zóó laat geworden!"

Hedwig deed haar goed af en nam plaats op den stoel, die haar aangewezen werd. Zoo graag zou zij eerst even naar boven gegaan zijn om zich wat te verfrisschen, maar men liet haar geen keuze. Zij was nu zóó afgemat dat ze groote moeite had de vragen--gelukkig waren het niet vele!--die haar gedaan werden, te beantwoorden en zich zelfs een paar malen met een speld in den arm moest prikken om goed wakker te blijven! Eindelijk mocht zij tot haar groote vreugde van tafel opstaan en nu werd haar door een zeer vriendelijk meisje, zooals later bleek de _nurse_ der kinderen, haar kamer gewezen, waar zij haar koffer vond staan en zich eens naar hartelust kon wasschen aan de fraaie waschtafel met marmeren blad, waarbij een kan warm water voor haar was gereed gezet.

Wèl zag alles er hier heel anders uit dan op Hill House!

HOOFDSTUK IX.

Vier Iersche Kinderen en een Hond.

Zij werd den volgenden ochtend wakker met een gewaarwording alsof zij nog nooit zóó lekker geslapen had! Even nog bleef zij met half gesloten oogen liggen, droomerig beseffend hoe prettig het was, niet, als op Hill House, veel te vroeg door het wreede gelui van een bel te worden gewekt en juist dacht zij erover op te gaan staan, toen de deur zacht geopend werd. Een net dienstmeisje trad binnen, opende vlug de gordijnen, deelde haar mede dat het half acht was en verdween weer.

"Hoe heerlijk, de zon schijnt!" riep Hedwig en zij sprong het bed uit en liep naar het raam toe om naar het uitzicht te kijken.

"Wat prachtig!"

Het was een kreet van louter verrukking. Had zij ooit eerder zoo iets gezien?

Het was warm, een echte zomerdag, en zij duwde het raam open, dronk de zoele lucht in en keek opgetogen om zich heen.

Tegen den muur bij haar venster bloeiden de zwellende knoppen van een donkerroode klimroos. Beneden, in het park van het kasteel, verspreidden de rose en witte bloemtrossen van een rij acacias, tusschen wuivend groen, hunne fijne geuren in het rond, wedijverend met de witte meidorens, die van bovenaf gezien, een gedeelte van den tuin als in bruidstooi hulden. Diep in het dal zag zij het schilderachtige Glengariff liggen omgeven door woeste, bijna zwarte rotsen en steile bergen, die hunne scherpgekante toppen in plechtigen ernst omhoog hieven, terwijl aan hun voet en op de hellingen dichte bosschen en malschgroene grasvelden groeiden, in vroolijke tegenstelling met de somberheid daar boven. In lieflijke kalmte, onder de bekoring der krachtige zonnestralen, lag de baai; over het glinsterend groene water hing een wonderschoon licht, dat ook over de talrijke eilandjes zijn glans wierp. En door al de zoete geuren heen van rozen, meidorens en acacia in haar nabijheid en van den overvloed van bloeiende struiken verderaf, meende Hedwig ook iets te proeven van de reine zeelucht, die haar zoo lief was.

"Hè, wat een genot!" Zij kon er haast niet toe komen zich aan te gaan kleeden, maar zij begreep dat ze voortmaken moest en keerde zich met een zucht van het raam af. Zij moest haar koffer ook nog geheel uitpakken en zij trok dus eerst maar even de aardige muiltjes aan en de wit-serge _peignoir_, die Mrs. Rowley haar geschonken had, haar plagend omdat zij er trotsch op was dat het wit haar zoo goed stond. "Neen meisje, niet ijdel wezen," zei ze, toen zij neiging voelde om even in den spiegel te kijken van de groote hangkast, waarin zij den vorigen avond hare japonnen had geborgen. Zij knielde bij den koffer neer, doch bijna op hetzelfde oogenblik sprong zij weer op. Wat was dat toch voor gefluister bij haar deur? Zij bleef heel stil staan om goed te kunnen luisteren, toen glimlachte ze, zij had duidelijk kinderstemmen gehoord. Nu drong ook het korte, half ingehouden geblaf van een hond tot haar door. Daar klonk het luid: "Kijk nu, ik heb je wel gezegd dat je hem steviger vast moest houden!" De deur vloog met een ruk open en een prachtige St. Bernhards-hond stoof naar binnen, sprong tegen haar op, besnuffelde haar aan alle kanten en legde toen vertrouwelijk zijne beide ruige voorpooten op hare schouders.

Zonder de minste verlegenheid te toonen, in tegendeel schaterend van het lachen en in de handen klappend van pret, bleven de vier kinderen in de deuropening staan. De twee oudste meisjes van dertien en veertien jaar, bogen de hoofden nieuwsgierig voorover om beter in de kamer te kunnen zien, terwijl het achtjarige, blonde zusje en het aardige broekmannetje van vijf, uit alle macht Bruce, den hond, toeriepen dat hij "_Mam'selle_" een kus moest geven!

Hedwig lachte mee en legde haar hoofd even tegen den kop van Bruce aan, die vond dat de vriendschap nu gesloten was en naar de kinderen terugliep. "_Oh mam'selle! The new man'selle!_" riepen de meisjes met eigenaardig welluidende stemmen, die Hedwig prettig in de ooren klonken. Toen vroegen zij met schalksche gezichtjes of zij binnen mochten komen.

Hedwig knikte maar. Wat kon zij anders doen? "Vijf minuten," zei ze en terstond stond het geheele troepje, Bruce incluis, in haar kamer.

"Ziezoo, nu zal _ik_ u eens vertellen wie wij eigenlijk allemaal zijn," zei het tweede meisje, dat een echt bij-de-handje was en er ook zoo uitzag met haar kort, bruin haar, grijsgroene oogen en het brutale wipneusje in het smalle, scherpomlijnde gezicht. "Dit is May," en zij schoof haar ouder zusje naar voren. "Een snoes, vindt u niet?" En May, een mooi meisje met dik, blauwzwart haar en heel donkerblauwe oogen, bloosde even en keek lachend tot Hedwig op. "Dan kom ik," ging het praatstertje voort, "niets mooi, zooals u ziet, maar wezenlijk nogal aardig! Ik heet eigenlijk Kathleen, maar ik word altijd Bunny genoemd, niet omdat ik op een konijntje lijk...."

"Jawel, jawel, daarom juist wel," riep May er tusschen door, doch Bunny legde haar de hand op den mond en vervolgde: "Dàt heelemaal niet, maar omdat Bunny korter en makkelijker is dan Kathleen. Dit is Nesta," en zij duwde het achtjarige meisje naar voren, een teergebouwd kind met donkerbruine oogen en lang, blond haar. "Nesta is een _klein_ beetje een driftkopje, maar anders niet kwaad...."

En Nesta rukte zich los, stampte op den grond en riep half schreiend:

"Ik ben heelemaal geen driftkopje, heelemaal niet! En jij moogt geen leugens vertellen...."

Maar Hedwig had haar bij de hand genomen en keek haar ernstig en doordringend in de oogen. Toen ging het blonde hoofdje langzaam naar beneden en de trillende lippen zwegen.

"En dit is de eenige heer," zei Bunny, met gemaakte deftigheid op haar broertje wijzend. "Zijn naam is Gerald, voorloopig noemt iedereen hem echter Boy. Toch heeft hij zich al vast een mannenstem aangeschaft en daarom wordt hij ook wel eens de _thunderboy_ genoemd, maar dat gebeurt toch niet dikwijls."

"Neen, dat geloof ik dadelijk," zei Hedwig lachend en zij keek naar het stevige figuurtje van den kleinen jongen, die de donkerblauwe oogen van May had en krullend, goudbruin haar, dat hij telkens ongeduldig wegstreek om Hedwig beter te kunnen zien. Hij en de St. Bernhardshond, die trouw naast hem bleef staan, onophoudelijk met zijne verstandige oogen van den een naar den ander kijkend en met zijn staart kwispelend, vormden een alleraardigst schilderijtje.

Hedwig liet de hand van Nesta los, die nog steeds zacht snikte en bij Boy neerknielend, vroeg ze, zóó zacht dat Nesta het niet hooren kon:

"Schreit Boy wel eens?"

Zij schrikte bijna van de grappige, grove stem, waarmee hij antwoordde:

"Boy is geen meisje." Trots Bunny's mededeeling kwam die diepe toon uit dat kleine lichaampje, haar toch nog onverwacht.

"Maar nu, een, twee, drie, de kamer uit," gebood zij eindelijk en de kinderen lachten en gingen heen, met hun aardigen, Ierschen tongval maar al "_Oui mam'selle_" en "_Chère mam'selle_," roepend; blijkbaar was hunne laatste gouvernante een Française geweest.

Hedwig haastte zich nu met kleeden en juist was zij klaar, toen de gong voor het ontbijt luidde. Zij vond Bruce, die met zijn slim hondenverstand terstond begrepen had dat zij den langen weg naar de ontbijtkamer niet dadelijk alleen zou kunnen vinden, nog voor de deur liggen en hij ging haar thans voor naar beneden, aldoor even den kop omdraaiend om te zien of zij hem wel volgde. Eindelijk stond hij stil voor de deur der kamer, waar zij wezen moest, zag eerst haar aan en toen naar de deur en liet een kort, gebiedend geblaf hooren.

Hedwig opende de deur, Bruce volgde langzaam en bleef met den staart tusschen de pooten weifelend staan, toen de stem van Mrs. Balvourneen klagend zeide:

"Och, nu komt die hond toch weer binnen! Ik wil hem hier niet hebben 's ochtends aan het ontbijt, dat heb ik al zoo dikwijls gezegd. Ik kan niet tegen die drukte...."

"Ach Bruce, lieve, beste Bruce! Mag hij niet even een stukje geroosterd brood hebben, moeder?" vroeg Boy smeekend en toen zijn moeder lijdelijk toestemde, na eerst even lijdelijk Hedwig goeden morgen te hebben gewenscht, riep Boy, terwijl hij een smakelijk stukje geroosterd brood in de hoogte hield en zijn stem zoo mogelijk nog grover maakte dan gewoonlijk:

"Zeg dan _please_, Bruce."

Bruce opende den bek zeer wijd, smakte dien toen snel weer dicht en liet met een tikkend geluid zijn tanden op elkaar klappen, wat bij hem "als 't je blieft" beteekende.

"Daar!" zei Boy, hem de begeerde lekkernij gevend.

"Nu moet hij ook dadelijk weg!" hernam Mrs. Balvourneen en de geduldige Bruce verdween, zooals zijn plicht was.

Eerst nu kwam Mr. Balvourneen binnen, gevolgd door de schare dienstboden en knechten, die iederen ochtend bij de korte godsdienstoefening tegenwoordig waren.

