Een goudzoeker op Madagascar De Aarde en haar Volken, 1908

Chapter 2

Chapter 22,517 wordsPublic domain

Toen kwam op een goeden dag een kansje. Een gelukkige greep, dien hij deed in een rivier, nog niet door anderen onderzocht, in de buurt van Bengilo, gaf hem hoop, dat hij eindelijk het rechte plekje had ontdekt. Niet alleen waren de alluviale aanslibbingen rijk genoeg om te worden ontgonnen, maar een paar steenen, gevonden aan den oever en inderhaast gewasschen, gaven een opbrengst aan goud, zoo aanzienlijk, dat hij hoopte daar een ondergrond aan te treffen, die een ernstig onderzoek waard was. Hij sloeg eenige palen in den bodem, om een terrein af te zetten met een straal van één kilometer als aanvang van zijn exploitatieterrein. Maar het was dan ook hoog tijd, want bijna op hetzelfde oogenblik kwamen andere goudzoekers opdagen, die aan het werk waren in den dienst van een rijke, in den omtrek werkende maatschappij. Hij moest list gebruiken, om hen op een dwaalspoor te brengen. Doch toen hem dat niet gelukte, moest hij, de arme geïsoleerde, bedreigingen aanhooren en daarna dringende aanbiedingen in ontvangst nemen van de zijde der machtige concurrenten. Hij weerstond de beide soort van uitingen, en ging naar huis, om over zijn verdere plannen na te denken, ze vast te stellen en op te zenden ter goedkeuring van den mijncommissaris en de som van 25 francs te storten voor ieder der in den grond geslagen palen.

Hij nam een korte rust en begon toen werk te maken van het krijgen van arbeiders. De dorpen in Betsiriry boden hem in dat opzicht al zeer weinig steun. De Sakalaven kennen zoo goed als allemaal het goudzoeken; ze hebben allen in meerdere of mindere mate vroeger wel hun pannen gewasschen, waarvan ze de opbrengst aan de Indiërs verkochten; maar het staat hun tegen, zich te verbinden voor geregeld werk, waar al zeer spoedig hun behoefte aan onafhankelijkheid onder zou lijden, de eenige behoefte, die zij nog inderdaad gevoelen. Het kan hun weinig schelen, of ze geen geld hebben, als ze maar in volle vrijheid kunnen genieten van de open vrije lucht, den zonneschijn en de wijde ruimte.

De prospector gaat dus op weg naar Betafo, het dichtst bij Imerina zijnde centrum, waar hij zeker kan zijn, werkvolk te vinden. Dat is een reis van vijf dagen moeilijk marcheeren, die hij onderneemt met Rakoto en Rasoa, beide hem getrouw gebleven onder de vele wisselingen en tegenspoeden. Te Betafo zoekt hij onder de Hova's kapiteins of opzichters van de groepen, die dan op hun beurt de m'piassa volamena of eigenlijke goudzoekers huren. Maar de inboorlingen komen niet gemakkelijk tot een besluit en vooral als dat zou inhouden werken ver van huis op gronden, waar ze de waarde niet van kennen. Met groote moeite komen twee of drie opzichters tot hem over en brengen, na voorschotten te hebben ontvangen, een twintigtal mannen en vrouwen aan. Dat is de kern van de latere exploitatiebrigade.

Terug op zijn terreinen, waar hij met vergunning mag gaan goudzoeken, begint de goudzoeker zijn toby of kamp in te richten. Een hut van stroo op de geschiktste plaats is weer zijn woning; daar rond omheen groepeeren zich de hutten der werklieden. Dezen brengen hun dagen in de rivier door, vullen de pannen, wasschen ze en brengen zorgvuldig de opbrengst van hun onderzoek in veiligheid, want ze moeten die bewaren tot Zondag, den dag van afwegen en betalen. Het is een hard bestaan, dat van die goudwasschers. Ze werken meestal in paren, waarbij de man de opgravingen van het slib doet en den grond in de goudpan schept, terwijl de vrouw de pan schudt. Die tijdelijke verbintenissen, die gesloten worden bij een goudgraverij, hangen slechts van het toeval eener ontmoeting af of van een gril en worden weer verbroken, als de eene of de ander er genoeg van heeft.

Tot de knieën in water en slijk staande, bijna naakt in zonneschijn zoo goed als in den regen, kunnen de mannen en vrouwen eerst des avonds naar het kamp terugkeeren, als dat niet te ver is verwijderd van de plaats van hun werk. Ze moeten wel tuk op winst wezen, om op die manier zich bloot te stellen aan de vele ziekten, vormen der goudkoorts.

Des Zondagsmorgens defileeren de m'piassa volamena vóór de weegschaal langs en ontvangen den prijs voor hun goud, dat betaald wordt met meestal twee francs het gram.

De eerste pogingen tot exploitatie zijn volkomen geslaagd; de rijkdom der alluviale aanslibbingen beantwoordt aan de verwachtingen. Dan wordt na veertien dagen of drie weken een vertrouwd opzichter teruggezonden naar Betafo, om meer arbeiders te huren. De werkzaamheid van die opzichters heeft grooten invloed op het welslagen van de onderneming. Zij zijn verantwoordelijk aan den chef der ontginning voor het goede gedrag en den arbeid van de groep, waar ze het opzicht over uitoefenen. Ze zijn ook de tusschenpersonen tusschen de koelies en den Europeaan in alle zaken, die de tucht in het kamp raken. Hun werk bestaat hoofdzakelijk in toezicht houden, en hun salaris is evenredig aan de opbrengst per week van hun arbeidsterrein.

Daar de opbrengst steeds stijgende is, verspreidt zich weldra de mare van den rijkdom van de ontginning, en zonder dat het noodig is, ze op te halen, komen de inboorlingen bij hoopen aan. Want als de Sakalaven al geen behoeften hebben, de Hova's hebben er wel. Zij moeten betrekkelijk hooge belastingen betalen. De eenige hulpbron, die hun land hun aanbiedt, is de handel in rijst; maar de concurrentie is zeer groot; de opbrengst van een enkelen oogst is niet voldoende om in hun levensonderhoud te voorzien en tevens het geld op te leveren voor de belasting. Dus zijn ze in de noodzakelijkheid, werk te zoeken. Het moet erkend, dat er onder de Hova's velen zijn, die gevoel van spaarzaamheid kennen, die de eerzucht om vooruit te komen bezitten en bij voorbeeld den wensch koesteren, koeien in eigendom te hebben. Die omstandigheden leiden ertoe, dat de liefde voor den arbeid bij hen wordt aangemoedigd.

De geleidelijke toeneming van het aantal arbeiders vindt men natuurlijk terug in de toenemende zwaarte van hetgeen er op Zondag te wegen valt. Elke veertien dagen zendt de goudzoeker, die nu inderdaad het hoofd is geworden van een onderneming, onder geleide zijn goud naar Tananarivo, waar het gekocht wordt door kooplieden, die daartoe gemachtigd zijn of door credietinstellingen tegen den prijs van drie francs tot drie francs tien centimes het gram, naar de qualiteit, tot de definitieve analyse den waren prijs heeft vastgesteld, die tot drie francs, dertig kan stijgen.

Als het gezantschap terugkeert, brengt het stukken mee van vijf francs. Sedert de onderneming nu eenige maanden werkt, heeft onze held al eenige spaarpenningen kunnen verzamelen, die hij aanwendt, om het wat beter ervan te nemen. De hut van stroo maakt plaats voor een steenen huis. Zijn kost wordt verbeterd door den aankoop in de nabijzijnde grootere plaats van levensmiddelen, die wat smakelijker zijn dan rijst. De post van Moandrivazo levert hem brood, vleesch en zelfs versche groenten. Door nieuwe onderzoekingen breidt hij het veld zijner werkzaamheid uit en plant nieuwe palen.

Maar nu reist hij niet meer te voet; zijn middelen veroorloven hem nu een draagstoel te bekostigen of filanjana, of wel een muilezel aan te schaffen, en terwijl hij van huis is, bewaakt Rasoa de woning en het kamp. Daar zij lezen en schrijven kan, houdt zij zelfs de wekelijksche uitbetalingen op Zondag en ziet toe op het wegen. Ook zij geniet van den meerderen welstand. Ze beschikt nu over een filanjana, als ze zich verplaatsen wil, en ze heeft schoenen voor zich gekocht, hoewel ze maar zelden meer te voet gaat.

Een jaar is voorbijgegaan. Het toby of kamp, dat van dag tot dag zich heeft uitgebreid, is er als een echt dorp gaan uitzien, dat rondom het huis van den Europeaan is ontstaan. Deze is inderdaad hoofd en bestuurder van de plaats. Hij int de belastingen, die hij ter hand stelt aan de competente administratieve macht; hij doet in eerste instantie uitspraak in de conflicten, die dagelijks onder de arbeiders te beslechten zijn en speelt daarbij dikwijls de verzoenende rol.

Alle Zondagen is er na het wegen feest in het kamp. Er hebben zich onder de m'piassa volamena zangers en dansers geopenbaard. Welluidende zangen wisselen af met dansen en acrobatische oefeningen. Er wordt in de liederen gesproken van Imerina, dat zoo ver is, van de vazaha's, de ramatoa's of van de eene of andere liefdesgeschiedenis.

Een of twee violen en een trom vormen het orkest, dat zang en spel begeleidt. Die kunstenaars der instrumentale muziek heeten m'pilalo, en zij vormden nog tot kort geleden een gepatenteerde klasse in Imerina. Ze worden door het volk onderhouden; hun belasting wordt betaald door het dorp, waartoe ze behooren, en eindelijk verhoogen de geschenken van allerlei aard, die ze bij feestelijke gelegenheden ontvangen, hun inkomsten.

De grootste zorg voor den leider van een ontginning in Betsiriry is, genoeg proviand te krijgen voor zijn personeel, want zoodra de m'piassa volamena zouden bespeuren, dat er niet genoeg voor hen te eten was, zouden allen het werk in den steek laten en zouden in massa naar hun geboortedorpen terugkeeren, of ze zouden gaan arbeiden in een naburige ontginning, waar er genoeg rijst te krijgen was. Nu is er in Bongo-Lava, zooals wij hebben gezien, geen enkel middelpunt van bevolking of van bebouwing.

Elken Zondag komen dan ook de Sakalaven uit Ambalika naar de kampen met manden rijst, bananen en andere levensmiddelen en houden markt onder de inboorlingen. Maar die manier van proviandeering, die enkel afhangt van den goeden wil der Sakalaven, is al te wisselvallig. Een hoofd van een goudzoekerskamp moet een magazijn hebben, waar hij rijst in genoegzame hoeveelheid opstapelt, dat hij geen gebrek heeft te vreezen. Dat deed onze held. Hij sloot overeenkomsten met de verbouwers van rijst uit de dorpen van Ambalika en verkreeg op die wijze goede voorraden, die den arbeiders vertrouwen inboezemden. Ze konden van toen af rechtstreeks van hun leider hun dagelijksch voedsel koopen. Doordat hij niet bijtijds gezorgd had voor een aanvulling van zijn voorraad, was een prospector oorzaak van den volgenden tegenspoed, die hem eenige jaren geleden trof.

Twee- of driehonderd arbeiders, die in het goud werkten, dachten op een goeden morgen, dat er geen korreltje rijst meer voor hen in de toby was. In dien tijd wisten de dorpen van Ambalika nog niets van den arbeid en hadden niets in voorraad. In opgewonden staat begaven de arbeiders zich op weg naar Befato, dat vijf lange dagmarschen ver was. De inboorling kan niet lang tegen onthouding van voedsel, want rijst stilt den honger spoedig, maar voedt niet voor langen tijd, en als hij twaalf uren zonder voedsel moet blijven, kan hij in het geheel geen inspanning meer verdragen.

Men kan zich dus wel voorstellen, hoe het met die ongelukkigen afliep. Enkelen van hen vonden ondersteuning bij een naburigen goudzoeker; anderen waren zuinig met het beetje voedsel, dat ze hadden kunnen besparen, maar een zeer groot aantal stierven van honger en vielen als vliegen dood op den weg neer. Lang nog vond men overblijfselen van geraamten aan den voet der boomen en aan den oever der rivieren.....

Zoo is onze vriend, om zoo te zeggen, koopman in rijst geworden. Hij heeft daarvoor een patent moeten nemen. Feitelijk heeft hij besloten, geen enkel voordeel te trekken uit zijn leveranties van levensmiddelen aan zijn arbeiders; hij wil enkel voor hen een ongesalariëerd tusschenpersoon zijn. Maar om den naam van koopman met eere te dragen, heeft hij naast rijst ook geweven stoffen te koop, verder gereedschap en ongelukkig ook alcohol, en wat hij daarbij voor winst maakt, is bijna genoeg, om zijn algemeene kosten te dekken.

Het magazijn staat onder het oppertoezicht van een geletterden inboorling, die tegelijk des vazaha's secretaris, penningmeester en tolk is. Martina heet hij en hij is een oud-onderwijzer, die het ambtenaarschap heeft opgegeven, om in een particuliere betrekking meer voordeel en meer vrijheid te vinden. Daar hij een pronker is, trekt hij de aandacht van alle dames. Maar als hij des Zondags vooral zijn zwart en glanzig kapsel ijverig verzorgt, als hij blinkende laarzen aantrekt, moeten wij wel denken, dat het geschiedt om aan Rasoa te behagen....

Daar ze op deze manier beschikken kunnen over alles, wat ze noodig hebben, is het niet vreemd, dat de m'piassa volamena ook bij hun heer, hun "vader en moeder," zooals ze zeggen, aankloppen om medicijnen. Dokters zijn dan ook in Betsiriry schaarsch. In afwachting van den tijd, dat hij rijk genoeg zal wezen, om een geneesheer aan zijn vestiging te verbinden, deelt onze vriend, die al veel ervaring heeft van het leven en de gevaren der wildernis, drankjes en pleisters uit van allerlei aard en de gewone huismiddeltjes.

Men zou zoo denken, dat de arbeiders hun leider dankbaar moesten wezen; maar de werkelijkheid beantwoordt niet altijd aan die verwachting.

Want de Hova is onverschillig van karakter, en als de gelegenheid zich voordoet, ontaardt die onverschilligheid licht in de grofste ondankbaarheid.

Er bestaan echter uitzonderingen. Sommige opzichters steunen met kracht het prospectorswerk van hun heer, als deze goed en rechtvaardig is. Een van die getrouwe dienaren bracht op een morgen aan onzen vriend een stukje rotsgesteente, dat hij van een wand aan den oever had los gemaakt, waardoor de aanwezigheid van een groote hoeveelheid goudhoudend gneiss aan het licht werd gebracht, dat op een nog onontgonnen gebied lag. De paal werd neergezet, en het onderzoek begon. Er werd een goudhoudende laag van wel 500 tot 600 meter lengte blootgelegd.

Toen veranderde het geheele aanzien van het kamp. Daar die gneiss-lagen een opbrengst leverden van gemiddeld dertig of veertig gram per ton minerale stoffen, lieten de m'piassa-volamena bijna allen den arbeid in de alluviale gronden in den steek, die niet meer dan acht tot tien gram opbracht. Met behulp van hamers, houweelen en mijnstaven maakten ze stukken rots los, die ze stampten in gaten, gegraven in den grond. Zelfs des nachts hoorde men het geluid van de hamers in de hutten.

Er was een drukte van belang in den bijenkorf, en de algemeene ijver groeide met de opbrengst aan goud. Er waren, toen de Zondag aanbrak, wegingen, die aan enkele inboorlingen sommetjes van honderd francs aanbrachten en die samen voor de onderneming tot drie en vier kilo's bedroegen.

In den tijd toen wij het land verlieten, mocht onze vriend inderdaad hopen, een echte goudader te hebben ontdekt.

Wat gaat hij nu doen? Als hij eerzuchtig is, zal hij een beroep doen op de kapitalen. Een maatschappij zal worden opgericht, die rijk genoeg is, om het noodige materiaal te laten komen, ten einde tot een degelijke industriëele exploitatie over te gaan. Dan wordt hij waarschijnlijk haar directeur. Zijn echter zijn plannen minder grootsch, dan verkoopt hij zijn gronden aan anderen, die in staat zijn ze te exploiteeren. Wat hemzelven betreft, nadat hij de garderobe van Rasoa zal hebben voorzien en nadat hij haar een bruidschat heeft geschonken, waarvan denkelijk de knappe Martina zal profiteeren, en nadat hij Rakoto heeft vaarwel gezegd, slaat hij den weg naar Tananarivo in. Van daar bereikt hij per spoor Tamatave, waar een gemakkelijke stoomboot hem naar Frankrijk meeneemt.

End of Project Gutenberg's Een goudzoeker op Madagascar, by S. Lagrange