Een feudale familie in Egypte De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 3

Chapter 33,610 wordsPublic domain

Dat is een der bedenkelijke voorrechten, die wij aan den vooruitgang der beschaving hebben te danken; want in Europa is de godsdiensthaat even krachtig en veroorzaakt zij even veel ellende als in Egypte. Die beschaving was niet doorgedrongen tot de oude bewoners van het Nijldal, die nimmer geloofden, dat zij, in naam van een goeden God, dien alle volken van Europa vereeren en aanbidden, ieder moesten vermoorden, die niet juist zoo dacht als zij, omtrent een Wezen, dat aan allen gelijkelijk onbekend was.

De landbouw is niet de eenige tak van bedrijf der familie Botros. De betrekkingen met Europeanen, door den stichter der familie aangeknoopt, deden denkbeelden bij hem ontstaan, waarvoor hij in Opper-Egypte geen ingang kon vinden; hij deelde deze niet aan al zijne kinderen mede; maar slechts aan één van hen, die bestemd was eenmaal het hoofd van den stam te worden. Deze zoon droeg den naam Abd el Sjahid, 't geen beteekent Dienaar van den Martelaar. Ik heb hem dikwijls zelf hooren vertellen, dat zijn vader hem zooveel mogelijk met Europeanen in aanraking bracht; vooral met Franschen, die toen zeer bepaald den grootsten invloed uitoefenden in het Nijldal, en hoe hij als jongmensch van lieverlede doordrongen werd van onze denkbeelden en onze taal leerde kennen, waarin hij zich met het grootste gemak wist uit te drukken. Zijn vader had hem eerst naar Kaïro gezonden, waar hij een goede opvoeding kreeg, en toen hij naar de provincie was teruggekeerd, trad hij natuurlijk als de tolk op, die zijn vader in zijn handelsbetrekkingen met Europeanen ter zijde stond. Zoodoende kwam hij op de hoogte van de handelszaken zijner familie, die zich bij hun toenemenden rijkdom steeds meer uitbreidden.

Met de behendigheid van den Oosterling, voor wien geen scrupules bestaan, doch steeds zorgend zekere grenzen niet te overschrijden, zijn voordeel doende met gebruiken, die sedert onheugelijke tijden in zijn land waren ingeworteld, met de aangeboren gave van den genialen handelsman om thuis te geraken in de geringste bijzonderheden van administratief beheer, had hij langzamerhand in zijn familie een natuurlijk overwicht verkregen, en hoewel hij niet de oudste was,--het eerstgeboorterecht wordt in Egypte, als in alle oostersche landen, gehuldigd,--was hij toch inderdaad het hoofd van den stam, en zijn broeders vroegen hem in alle omstandigheden eerbiedig om raad.

Met zijn rijkdom steeg ook zijn populariteit, hij werd door het district Balianâ gekozen tot lid van die beroemde kamer van afgevaardigden, van welke het gouvernement nooit een woord heeft behoeven te vernemen, dat van oppositiegeest getuigde. Zijne politieke loopbaan bracht hem geen ander voordeel aan, dan de kennismaking met al de voornaamste ingezetenen van Egypte, 't geen hem uitstekend te pas kwam. Later kreeg hij den titel van bey, en die titel, zooals die van geleerde in China, verschafte hem ook officieel den voorrang boven zijn broeders, dien hij zich inderdaad reeds had verworven. Hij vestigde zich metterwoon te Balianâ, reeds vervuld van toekomstplannen aangaande de verbeteringen, die hij wilde aanbrengen in het beheer der familiebezittingen. Hij begon met naar het voorbeeld der fransche molens, opgericht door de firma Darblay, een kleinen stoomkorenmolen te laten bouwen, waar bijna alle welgestelde lieden uit den omtrek hun koren lieten malen; hierbij afstand doende van het oude gebruik, waarbij de vrouwen te huis het meel bereidden. Zelfs van een afstand van vier mijlen komen lieden met koren of dourah (sorgho) en nemen het gemalen meel mede terug.

Daar hij zag, hoe de vice-koning van Egypte, Ismail, de cultuur van suikerriet in Opper-Egypte trachtte te bevorderen, en in de voornaamste plaatsen van het land fabrieken liet oprichten, vroeg hij zichzelf af, waarom ook hij niet op den grond van zijn familie, al die duizenden feddans, (50 aren) welke geschikt zouden zijn om er het kostbare riet op te kweeken, evengoed eene kleine suikerfabriek zou laten bouwen. Dit plan bracht hij ten uitvoer; fransche fabrikanten leverden hem zijne materialen, en het toezicht droeg hij op aan een franschen opzichter, die nog steeds de fabriek bestuurt. De zaak bloeide en weldra moesten nieuwe werktuigen worden aangeschaft, daar het oude materiaal ouderwetsch was geworden, nu de jongste ontdekkingen ook daaraan hoogere eischen stelden.

De bouw dezer fabriek had de oprichting ten gevolge van verschillende andere inrichtingen ten behoeve der uitgebreide cultuur.

Een groote stoompomp bracht het water uit de rivier naar de verschillende deelen van het gebouw, en diende tot besproeiing van de naburige akkers; een kleine spoorweg werd aangelegd om het suikerriet naar de fabriek te vervoeren, en alles ging uitstekend, al waren de eenvoudige fellahwerklieden dikwijls verbaasd over hun eigen bekwaamheid, en al lachten zij luidkeels, omdat zij zooveel knapper waren, dan zij zelf hadden geweten.

Ook een inrichting bleek noodig, waar gebreken aan de machinerie konden worden hersteld, opdat men in geval van nood hierin kon voorzien, zonder daarvoor iemand te laten komen uit Kaïro, Alexandrië of de naburige groote fabrieken van La Daïrah Sanieh. Wel is waar was de fabriek slechts klein; maar zij getuigde van den ondernemingsgeest van Abd el Sjahid, den eenigen man in Egypte, die het voorbeeld van den vice-koning had durven volgen. Zij bracht haar eigenaar groote winsten aan, temeer daar hij den arbeid bijna uitsluitend door zijn eigen dienaren kon laten verrichten.

Maar al had de fabriek hem slechts weinig voordeel aangebracht, wie zou durven ontkennen, dat hij die haar oprichtte en zijn leven lang bestuurde, zich hierdoor reeds verdienstelijk heeft gemaakt, dat hij den vooruitgang hielp bevorderen?

Vergeleken bij de prachtige electrische fabriek van Nagá Hammady was zijn kleine inrichting onbeteekenend, en toch had de laatste tot het bouwen der eerste den weg gebaand.

Om het zoover te brengen, werd veel moeite en geduld vereischt; al begreep hij nog zoo goed van hoeveel gewicht de oprichting eener goed werkende fabriek zou zijn, en hoezeer het belang zijner familie daarbij zou worden gebaat, zijn omgeving bezat niet zooveel doorzicht, en dikwijls achtte de familie het onnoodig zooveel geld te besteden, terwijl men evengoed kon blijven bij het oude en zich vergenoegen met hetgeen men reeds bezat.

Somtijds moest hij met geweld zijn wil doorzetten, en zoo getroostte hij zich ook, persoonlijk de studiën te bekostigen van zijn neven, die hij naar Frankrijk zond, om hen in staat te stellen later het opzicht over de fabriek op zich te kunnen nemen, alsof hij gevoelde, dat hij niet lang meer had te leven, en dat na zijn dood eene bekwame hand noodig zou zijn om het door hem begonnen werk met goed gevolg voort te zetten. Gedurende den opstand van Arabi Pacha, in 1881 en 82, dreigde hem het gevaar, al wat hij reeds verkregen had weder te moeten verliezen.

Aangespoord door den fortuinzoeker, die ten slotte zijn land aan vreemdelingen verkocht en verraden heeft, was geheel Egypte opgestaan bij den kreet: Egypte aan de Egyptenaren! Al degenen, die in een opstand slechts een gunstige gelegenheid zien, om in troebel water te visschen; al wie gaarne hooge betrekkingen zouden bekleeden, zonder de daaraan verbonden plichten na te komen; kortom ieder, die liefst veel geld zou winnen, zonder zich de moeite te geven, het te verdienen; met andere woorden, het geheele volk van Egypte, geloofde dat het gunstige oogenblik was aangebroken om de vreemdelingen te verdrijven, die ruime belooning genoten, omdat zij groote diensten bewezen, en zich in hun plaats te dringen. Men handelde blindelings, zonder te denken aan de gevolgen; en aangevuurd door de opgewonden prediking der vrome sjeiks, werd geheel Egypte aangegrepen door een vlaag van heftig fanatisme en gevoelde krachten in zich ontluiken, die het reeds uitgestorven waande. Toen de verwarring ten toppunt was gestegen en men zon op maatregelen ter onderdrukking van den opstand, werd de heilige oorlog uitgeroepen, en daar voor het voeren van een oorlog, al is deze heilig, veel geld noodig is in onze dagen, moesten de Egyptenaren op hoog bevel aan het gouvernement een gedeelte van hun fortuin afstaan, om de onkosten van dezen nieuwerwetschen kruistocht te bestrijden.

De algemeene zenuwachtige opwinding uitte zich gedeeltelijk in een vijandige houding jegens de honden van ongeloovigen, en afgunstige lieden, als altijd groot in aantal, zetten het laagste gepeupel op, om de Christenen van hun eigendom te berooven. De familie Botros zou het natuurlijk in de eerste plaats moeten ontgelden; zij was rijk en aanzienlijk, deed van zich spreken, en men waande haar in het bezit van onmetelijke schatten, die zij helaas in de werkelijkheid niet de hare mocht noemen. Men was zeer benieuwd naar het aandeel, dat zij zou leveren in wat men met veel ophef de nationale subscriptie noemde. Gehoor gevend aan den raad van Abd el Sjahid, bood de familie Botros aan de oproerlingen, die de regeering vertegenwoordigden, den oogst van een geheel jaar aan. In Egypte wordt, al naar den aard van het gezaaide, op verschillende tijden geoogst; drie maal in het jaar. Abd el Sjahid had daarmede rekening gehouden, en eer dan ook de tweede oogst, die der dourah, begon, was aan Arabi Pacha's heerschappij reeds door de Engelschen paal en perk gesteld; doch het koren en het gehakte stroo waren dadelijk na den oogst verzonden. In dit opzicht was hij vrij wat edelmoediger dan de Mohammedanen, die groote sommen hadden beloofd, maar hun beloften niet nakwamen, daar op het oogenblik van de verzending altoos iets tusschenbeide kwam.

Als Abd el Sjahid openlijk zijne booten met koren en gehakt stroo (tibn) naar Kaïro zond en afleverde aan het gouvernement, wilde hij daarmede niet zijn ingenomenheid te kennen geven met het triumviraat, dat zich van Egypte had meester gemaakt, maar hij was voorzichtig en vond het geraden een deel te offeren, om het overblijvende grootere deel te behouden, want daar hij zijn landgenooten kende, begreep hij wel, dat die voorbijgaande opflikkering van een zucht naar politieke vrijheid na eenige maanden van zelf zou uitsterven, en dat slavernij het einde zou zijn. Maar hij wist ook, dat de vijanden van zijn familie slechts het gunstige oogenblik afwachtten om hen aan te vallen, te berooven en in het ongeluk te storten, zoo niet te dooden. Hij had boodschappers onder de Mohammedanen, en eens bracht men hem het bericht, dat zijn vijanden, en daaronder waren juist zij, die hem den grootsten eerbied hadden betoond, de eigendommen der familie reeds onder elkander hadden verdeeld, terwijl hij een andermaal vernam, dat het tijdstip voor den aanval reeds was vastgesteld, en dat men erin geslaagd was, al de Mohammedanen, die hij in dienst had, van hem afvallig te maken. Hij bevond zich inderdaad in een hachelijken toestand. Als hij vrees, of ook slechts onrust toonde, was hij verloren; hij trachtte zich dan ook steeds onbezorgd voor te doen, gaf blijk van uiterst vaderlandslievende gezindheid, was jegens ieder even vriendelijk en lette nauwkeurig op al wat er voorviel, om later loon naar werken te kunnen uitdeelen, als de dag der vergelding aanbrak. Een oogenblik verloor hij den moed, toen de Mohammedanen ook de zwarte garde trachtten om te koopen, maar gelukkig bleken zijn zwarten tegen de verleiding bestand; geen van hen werd afvallig. Daarop deed men pogingen om hen te ontwapenen, maar er waren voorzorgsmaatregelen genomen, en de wapens bleven gelukkig in het bezit van hen, aan wie ze waren toevertrouwd.

Eindelijk dreef het onweer over en de hemel van Egypte werd weder helder als voorheen; de tusschenkomst der Engelschen had de wolken verjaagd. Er was geen sprake meer van zelfregeering in het Nijldal en de vaderlandslievende held werd verbannen naar een der schoonste oorden ter wereld, met een groot jaargeld; dat was het laatste bedrijf van deze treurige komedie.

Toen de vrede was gesloten, beijverde zich de familie Botros de geslagen wonden te doen heelen en het verleden te vergeten; terwijl zij voorzorgsmaatregelen wist te nemen voor het geval, dat het gebeurde zich ooit herhalen mocht. In die dagen lieten de broeders van Abd el Sjahid zich, zoodra een gelegenheid zich maar aanbood, benoemen tot consulaire agenten van Oostenrijk en Italië; voor Rusland waren zij het reeds. De betrekking van consulair agent voor Frankrijk werd bekleed door een rijken Kopt uit Girgeh, Abd el Nour (Dienaar van het Licht), met wien Abd el Sjahid door zijn huwelijk was vermaagschapt, en hij rekende er natuurlijk op, zijn schoonvader op te volgen na diens dood, die echter eerst in 1893 plaats greep, als ik mij niet vergis.

Het mag zonderling schijnen, dat de schrandere en scherpzinnige Oosterling zich niet van dat oogenblik af aan gewend heeft tot Engeland, dat over Egypte heerschappij voerde; maar behalve dat hij van jongs af, op het voorbeeld zijner familie, zich meer tot de Franschen voelde aangetrokken, en de Egyptenaren altijd, nadat de eerste verrassing voorbij was, een hevigen afkeer opvatten van hunne overheerschers, zoowel landgenooten als vreemdelingen, geloofde bovendien Abd el Sjahid, die onze politiek slechts uit couranten (en welke couranten!) kende, dat de engelsche overheersching slechts tijdelijk zou zijn; dat een tijd zou aanbreken, waarop Frankrijk, als Engeland niet vrijwillig zijn troepen terugtrok en zijn beloften nakwam, de Engelschen met geweld daartoe zou dwingen. Hij is in dat geloof gestorven. Hij vergiste zich helaas, maar wie zou hem er een verwijt van willen maken, dat in dit geval zijn voorliefde voor ons land grooter was dan zijne scherpzinnigheid? Lang eer hij consulair agent van Frankrijk werd, had hij altijd de Franschen, die hem werden aanbevolen, gaarne ontvangen en gastvrij geherbergd; zoodra hij dat langgewenschte ambt bekleedde, rekende hij het zich tot een plicht, alle reizigers zijn gastvrijheid aan te bieden, die dat schoone Frankrijk hun vaderland mochten noemen, dat in zijn oogen onafscheidelijk was van roem en glorie.

Als alle Egyptenaren geloofde hij, sedert den legendarischen veldtocht van Bonaparte, dat vroeg of laat Frankrijk weder het tooneel zou worden van grootsche heldendaden, want niets gaat in Egypte boven dapperheid en machtsvertoon. Toch was hij, bij al zijne liefde voor de Franschen, te verstandig om zich tegenover de nieuwe heerschers over Egypte onredelijk vijandig gezind te toonen, zich hardnekkig tegen hen te verzetten, of te ontkennen, dat de engelsche overheersching den vooruitgang van Egypte bevorderde. Hij behandelde hen gastvrij en voorkomend, ontving hen als gasten aan zijn disch en wekte hun verwondering door zijn goede luim en schijnbare rondborstigheid; als hij door de eene of andere beleefdheid hun een dienst kon bewijzen, liet hij dit niet na, en hij stond dan ook even goed aangeschreven bij de autoriteiten als bij de aanzienlijke Egyptenaren, die hem vreesden en dus vleiden, al scheen het natuurlijker, dat de rollen zouden zijn omgekeerd. Doch hij had feitelijk macht in het geheele land, en de provinciale gouverneurs wisten dit zeer goed. Toen Engeland zich voorbereidde tot den veldtocht, waarbij het opperbevel aan den Sirdar Kitchener werd opgedragen, richtte zich de engelsch-egyptische regeering, alsof dit van zelf sprak, tot hem, met het verzoek, de krijgsbenoodigheden, die met den spoortrein tot Balianâ waren gebracht, verder te vervoeren naar Assoean, want hij beschikte over een geheele vloot. Hij stemde hierin toe, en niet het minst verrassende schouwspel in dezen oorlog was het gezicht van de pogingen, die de vroegere vijand der engelsche overheersching, de consulaire agent van Frankrijk, aanwendde om dien krijgstocht te doen gelukken. Hij zelf vond dit echter zeer natuurlijk en zag er niets anders in, dan eene goede gelegenheid om veel geld te verdienen.

Ik leerde hem kennen na mijn aankomst in de dorpen, die zijn ontstaan op de plek, waar vroeger de oude stad Abydos was gelegen. Hij woonde in het stadje Balianâ. Daar de spoorweglijn eindigde te Girgeh, had ik mij van de laatstgenoemde plaats naar het dorpje begeven, waar zich het terrein bevond der opgravingen, waarvoor mij concessie was verleend. Veertien dagen na mijn aankomst vergezelde hij eenige aanzienlijke reizigers naar Abydos, waar ik hem ontmoette. In het begin was ik evenzeer verrast over het blijkbare gemak, waarmede hij zich onder Europeanen bewoog en zich in de fransche taal wist uit te drukken, als over zijn open uiterlijk.

Hij was zoo vriendelijk, mij te verzekeren dat hij mij gaarne elken dienst zou bewijzen, die in zijn vermogen was, en van dien dag af tot aan zijn dood is hij die belofte trouw nagekomen. Ik gaf hem een groot deel van het geld in bewaring, dat mij werd toevertrouwd, en nooit heeft hij daarvoor vergoeding geeischt, terwijl aan zijn rekening nooit een parâ (centime) ontbrak. Wij kwamen van toen af aan zeer veel met elkander in aanraking; want ik vond het van mijn kant ook aangenaam, hem, waar ik maar kon, van dienst te zijn. Het deed mij oprecht veel genoegen, hem als gast aan mijn disch te zien, en als een kort verlof, twee of driemaal in het jaar, mij gelegenheid liet tot eenige verpoozing, bracht ik dien rusttijd door op zijn landgoed, waar ik met open armen werd ontvangen, en waar ik dagelijks het schouwspel kon gadeslaan van het leven van een grooten heer te midden van zijne onderhoorigen.

Om beter te kunnen opmerken, wat er voorviel, zette ik mij neder in een hoek van het portaal, waar deze egyptische praetor zitting hield, niet zooals zijn romeinsche ambtgenoot, om zich enkel met gewichtige zaken bezig te houden, maar ieder te woord staande, die zich tot hem wendde met eenig verzoek. Zoodra hij van de suikerfabriek, waar hij elken morgen heenging, terugkwam, recipieerde hij, zooals wij zouden zeggen, en zette zich met gekruiste beenen op eene houten bank, met een tapijt bedekt. Dadelijk kwamen tal van lieden hem den gebruikelijken groet brengen en goeden morgen wenschen; evenals de romeinsche cliënten bij hun patroon, en uit de wijze waarop hij iederen bezoeker ontving, kon ik diens stand in de maatschappij opmaken.

Eerst kwamen de fellahs van Balianâ, die hij onder zijn onderhoorigen telde, ietwat linksch in hunne bewegingen, maar netjes gekleed, en brachten de hand van hun meester aan de lippen en het voorhoofd, 't zij zwijgend of met de woorden: "Dat het geluk reeds in den morgen uw metgezel zij!" Dan verdwenen zij, evenals zij waren gekomen, en gingen in lange rijen op de straat zitten, langs de muren van het huis, of onder aan de trap. Daarna kwamen de schrijvers, uit verder afgelegen plaatsen, die hem toebehoorden; deze groetten hem met meer plichtplegingen en hij antwoordde hen met een der vele oostersche gezegden, die bij zulke gelegenheden gebruikelijk zijn. Na hem te hebben gegroet, gingen de schrijvers heen en zetten zich op de hurken, aan beide zijden van de dubbele trap, die naar het portaal voerde. Zij sloegen de armen over elkaar en bleven onbewegelijk zitten in een houding, die hen op een rij egyptische standbeelden deed gelijken.

Daarna kwamen de inwoners van de stad, die hem met nog meer beleefdheidsbetuigingen begroetten; hij maakte dan met het bovenlijf eene beweging, als om op te staan, maar bleef stil zitten, waarop de bezoekers een paar stappen achterwaarts deden en een zetel haalden, waarop zij zich neerzetten. Dan liet de bey hun een cigarette aanbieden. Kwamen er effendis, officieren uit de stad, dan bood hij hun, na de wederzijdsche begroetingen, niet alleen zelf eene cigarette aan; maar liet ook koffie brengen, die in zeer kleine kopjes werd gepresenteerd.

Als de eene of andere hooggeplaatste persoon, of een zijner verwanten verscheen, dan stond hij op, sprak hen vriendelijk toe, en liet hen naast zich op de bank plaats nemen, of op een stoel, naar verkiezing. Intusschen brachten de schrijvers, die steeds bij de hand bleven, hem stukken en brieven, om te onderteekenen. Hij las ze snel door, en maakte halfluid zijn aanmerkingen, waar dit noodig was, teekende, en zond den schrijver weg, om hem soms terug te roepen, als hij iets had vergeten; maar intusschen ging hij steeds voort met de bezoekers te begroeten, en bevelen te geven aan de bedienden, knappe kerels, blank of zwart, goed gekleed, zindelijk, en wier gunstig uiterlijk u zoowel van hen als van hun meester een goeden dunk deed krijgen. Deze bleven vlak voor hem staan, luisterden, zonder een woord te spreken, naar de bevelen, die hun werden opgedragen, en als zij het goed hadden begrepen, zeiden zij alleen: Hâder (present) en verwijderden zich, steeds even ernstig en met gepaste waardigheid.

Als het uur voor het middagmaal was aangebroken en alles gereed was, stond Abd el Sjahid bedaard op, groette zijn bezoekers met de hand en begaf zich naar de eetzaal; terwijl de lieden die van verre gekomen waren, den terugweg weer aanvaardden of aan hunne bezigheden gingen.

Na den maaltijd nam hij opnieuw plaats op den divan; thans als vrederechter van het geheele district, dat hem toebehoorde. Dan kwamen er fellahs, die hem groetten, daarna de trap afdaalden en op straat gingen staan met hun langen stok in de hand, 't geen beteekende, dat zij hun meester iets hadden te zeggen. Deze riep hen dan bij hun naam; want hij kende ieder persoonlijk. Dan kwam er leven in die standbeelden met kleine schitterende oogjes en langen, verwarden baard; luide stemmen voerden een levendige woordenwisseling, op steeds hoogeren toon, naarmate hun smeekingen en klachten vuriger en dringender werden.

Dan kwam de rechter tusschenbeide; maakte zich soms ook driftig en schreeuwde dan even hard als de fellahs zelf; maar als hij bemerkte, dat hij zijn bedaardheid verloor, werd hij weer kalm, en sprak in een paar korte zinnen zijn oordeel over de zaak uit; een vonnis, waaraan de fellahs zich zonder eenige tegenspraak onderwierpen en dat hun de hoogste rechtvaardigheid scheen. Al was het dikwijls slechts een middenweg, om beide partijen te bevredigen, hun heer had het uitgesproken, en hun plicht, zoowel als hun belang, bracht mede, hem gewillig te gehoorzamen. Na het uitspreken van zulk een vonnis placht hij mij dan aan te zien, als ik in zijn nabijheid was, en te zeggen: "Wat zijn ze toch dom en koppig! Echte rakkers!" en dadelijk wendde hij zich weer tot de volgende cliënten.