Een feudale familie in Egypte De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 2

Chapter 23,773 wordsPublic domain

De Egyptenaren waren zich zeer goed bewust van den indruk van majestueuse waardigheid, dien een persoon te weeg brengt, welke vijf of zes meter verheven is boven de hoofden van hen, die hem aanschouwen. De lieden beneden zijn verplicht het hoofd op te heffen en een, als het ware, gedwongen houding aan te nemen, om hen te kunnen zien, die daarboven rustig en in een natuurlijke positie staan; zij schijnen ondergeschikt aan hen, die door het lot boven hen geplaatst zijn; en dit is ook in werkelijkheid het geval. Daarom is men altijd trouw gebleven aan het balkon in de huizen van lieden, die zich door bijzonderen rijkdom onderscheiden, en de middelklasse, als men in Egypte daarvan kan spreken, heeft het in hare woningen aangebracht, om deze zonder veel kosten een eenigzins voornaam voorkomen te geven. Als de leden der familie Botros zich zoo op het balkon aan hun talrijke onderhoorigen vertoonen in het felle, schitterende zonlicht, is er in dat schouwspel een indrukwekkende, als het ware epische grootheid; in het maanlicht daarentegen heeft het tooneel iets grilligs en fantastisch, door het zonderlinge spel der schaduwen van de zich bewegende personen en den statigen sycomore, die een groot gedeelte van het plein in duisternis houdt gehuld. Zelfs bij de meest gewichtige en ernstige openbare plechtigheden blijven de Egyptenaren altijd groote kinderen, die zich vermaken.

Om het opzicht te kunnen houden over de uitgebreide werkzaamheden, verbonden aan het landbouwbedrijf, van welks bloei in deze streek Sjeikh-Marzoek eertijds de bakermat was en thans het middelpunt is geworden, zijn kantoren, klerken, werklieden van allerlei slag noodig, ten einde te voorzien in de behoeften van allen die, 't zij meer of minder rechtstreeks, bij den akkerbouw betrokken zijn.

Te Sjeikh-Marzoek houdt men zich uitsluitend bezig met de bebouwing van het omliggende district met zijne talrijke dorpen. Elken dag gaan de leden der familie, aan wie deze taak wordt opgedragen, het werk na, waarover zij het opzicht hebben; het oog van den meester is in Egypte even onontbeerlijk als in Europa. Wanneer allen des avonds weder bijeen zijn, wordt er een soort familieraad gehouden en elke veertien dagen is er een grootere bijeenkomst, waarbij wordt beraadslaagd omtrent de te nemen maatregelen, en het werk, dat thans moet worden ondernomen.

Bij dezen arbeid worden de meesters geholpen door hun schrijvers, qâtibs, wier naam zeer bekend is, en van wier bedrijf reeds in de oudste historische tijden wordt melding gemaakt. Aan het hoofd dezer schrijvers staat de kassier, de voornaamste onder hen, die zorgt, dat zijn ondergeschikten hun werk verrichten, en die zijne meesters gedurende hun afwezigheid vervangt; hij is in alle, ook de geheimste aangelegenheden der familie ingewijd, en bij voorkomende gelegenheid wint men gaarne zijn raad in.

Zijn ondergeschikten bekleeden een verschillenden rang, naarmate van hun bekwaamheden of de gunst welke zij genieten. Ieder van die schrijvers heeft zijn afzonderlijk departement, waaraan hij zich alleen moet wijden; hij moet van alles op de hoogte zijn, wat betrekking heeft op zijn afdeeling, en vooral de talrijke brieven schrijven, die in Egypte worden opgesteld voor de geringste mededeeling, op papier van zeer groot formaat, waarop somtijds slechts een enkele regel staat. De zelfde inrichting bestaat niet alleen in alle voorname plaatsen, die aan de familie Botros toebehooren, maar in geheel Egypte, door alle rangen der ambtenaarswereld; vooral in de administratie van het gouvernement. Ieder van deze schrijvers kent de namen der fellahs, voor wie hij verantwoordelijk is, evenals het vee dat hun is toevertrouwd en de vermindering of vermeerdering in aantal daarvan. Hij acht zich hoog verheven boven de ongelukkige wezens, die onder zijn bevelen staan; maar hij rekent zich niet waardig, de oogen op te slaan tot hen, die hem door eene vrij karige belooning een meestal sober, maar althans voldoende bestaan verschaffen. Zijn ambt schijnt hem het schoonste en verhevenste op aarde; het kan hem dan ook inderdaad ver brengen, in dubbelen zin; tot rijkdom zoowel als armoede, tot eer zoowel als schande en dood; want tusschen eer en schande bestaat in Egypte geen verschil, en het zou dwaasheid zijn, rekening te willen houden met begrippen, die niet gangbaar zijn.

In de andere hoofdplaatsen van hun bedrijf is alles op denzelfden voet ingericht; ook in de middelpunten van den handel; te Girgeh, waar de bandar alle kooplieden uit de streek tot zich trekt; te Kaïro, van waar uit de familie haar gewichtigste handelsbetrekkingen aanknoopt, en te Balianâ, waar zij zich aan de nijverheid heeft gewijd.

Overal vindt men schrijvers, van lageren en hoogeren rang, wier bevordering bestaat in een verplaatsing naar meer bewoonde streken, want dit is altijd het ideaal geweest, dat alle schrijvers hebben nagestreefd, van den man af, die onder de 18e dynastie, zestien eeuwen voor onze jaartelling, "zijn hart zag drijven op den Nijl, om terug te keeren naar Memphis", tot het kleinste ambtenaartje, dat smachtend uitziet naar het heerlijke leven in Kaïro. En al wachtend tot hij het doel zijner eerzucht zal bereikt hebben, schrijft hij getroost het eene officieele stuk na het andere, rookt vele cigaretten en drinkt miniatuur-kopjes koffie, waar ze hem maar worden aangeboden.

Dat gaat precies als aan onze ministeries; in dat opzicht zijn wij slechts ontaarde navolgers van het oude Egypte, want dáár alleen bloeit de bureaucratie, met al haar glans, haar grootheid en daarmede gepaard gaande teleurstellingen. Wel koesteren de schrijvers der familie Botros niet zulke eerzuchtige wenschen; mogelijk, dat de macht der gewoonte, het rustige landleven, misschien eenige gehechtheid aan de familie, die hen onderhoudt en hen allen goed en vriendelijk behandelt, hen bewegen op hun post te blijven; maar in den grond van hun hart hopen zij altoos, dat zich op een goeden dag een gelegenheid zal opdoen, en indien dit gebeurt zullen zij die niet laten voorbijgaan, al moesten zij zoodoende ook dezelfde hand ten bloede toe verwonden, die zij dikwijls onderdanig hebben gekust, want dankbaarheid duurt hier slechts tot dat het belang van den beweldadigde het medebrengt, zijn weldoener den rug toe te keeren.

De schrijvers vormen, wat hun aantal betreft, slechts een klein gedeelte van het bediendental der familie; er zijn andere dienaren, tot een lagere klasse behoorend, maar veel talrijker, en die hun geheele leven slijten in dienst van den stam Botros. De meeste van deze lieden wonen in de dorpen, die aan de Battarsi toebehooren, en leven in het veld, met het vee dat zij verzorgen; anderen zijn gevestigd te Sjeikh-Marzoek, waar alle bedrijven vertegenwoordigd zijn.

Zoo zijn daar de zadelmakers, die de zadels en tuigen der lastdieren, paarden, ezels en kameelen, maken en herstellen; hunne werkplaats is aan een der zijden van het binnenplein, tegenover het balkon boven de ingangsdeur; en de wagenmakers, die de wielen maken der sakiehs, karren die door twee stieren worden getrokken. Deze karren, welke dienen tot het vervoer van suikerriet, zijn zeer primitief; de wielen zijn van grof maaksel, maar zeer stevig, deze voertuigen zijn bestand tegen de wegen van Opper-Egypte, kunnen neerdalen tot op den bodem van uitgedroogde kanalen, en met veel schokken de dijken weer beklimmen, bestuurd door fellahs, die voor den vorm de stieren aanzetten, maar het aan hen overlaten, de zaak tot een goed einde te brengen. Deze karren worden alleen gebruikt in de fabriek te Balianâ, waarover straks nader. Een ervan is echter naar Abydos gereden, een afstand van 12 kilometer, en teruggekomen met een lading groote zware steenen, die ik bij mijn opgravingen gevonden had.

Dan zijn er de ezeldrijvers; de saïs, die voor het paard van hun meester loopen; de nachtwakers (ghafirs) met hun lange stokken, die den meest weerspannige eerbied inboezemen; een menigte boodschappers, welke naar alle richtingen worden uitgezonden, die op het plein wachten tot hunne diensten worden gevergd en die, als zij hunne opdracht hebben ontvangen, dadelijk vertrekken en hun zending vervullen met de grootste voorzichtigheid, beleefdheid en strikte eerlijkheid. Ik kan dit gerust getuigen, want zij hebben mij dikwijls groote sommen moeten overhandigen, en er ontbrak nooit een halve piaster aan.

Die boodschappers beschouwen de taak, hun opgedragen, als een eer; zij zullen nooit aan een ander overlaten, de tijding, die zij moeten overbrengen, te berichten. Als zij een brief moeten bezorgen, overhandigen zij u dien zelf, en willen niet weten van een tusschenpersoon; zij vervullen werkelijk de taak van een afgezant; hun zending doet hen een oogenblik te voorschijn treden uit de vergetelheid, waarin zij weder zullen verzinken, als hun taak is volbracht en zij verslag hebben gedaan van hun boodschap aan hem die hen zond. Vandaar de waardigheid, waarmede men in het Oosten en bij de volken der oudheid den boodschapper bekleedde, den engel, die u werd gezonden vandaar ook bij dien boodschapper zijn getrouwheid in het weergeven van de woorden zijns meesters, zonder daaraan iets te veranderen of toe te voegen; vandaar de waardige eenvoud, dien zij ook nu nog steeds tentoonspreiden.

Voor het vervullen van deze taak wordt meestal een man op jaren gekozen, een grijsaard zelfs, op wiens trouw men zich kan verlaten. In den tijd toen ik mijn opgravingen deed, werd mij het geld, waarmede ik de werklieden betaalde, elke week gebracht, met een begeleidend schrijven, door een zeer zorgvuldig gekleeden grijsaard, gezonden door het hoofd der familie Botros.

Een smetteloozen tulband op het hoofd, om den hals een groote lap stof, die men tôb noemt, lederen sandalen aan de voeten, en zijn langen reisstaf in de hand, maakte hij een gunstigen indruk, met zijn langen witten baard en zijn eerwaardig en vertrouwen wekkend uiterlijk. Het deed mij altoos genoegen hem te zien. Na de eerste begroetingen haalde hij beleefd uit den zak, die binnen in zijn kleed genaaid was, den brief en de geldsom, die hij mij moest terhand stellen, hij wilde die nooit aan een ander afleveren dan aan mij, en wachtte tot ik het geld onmiddellijk had nageteld, om zeker te zijn dat hij zich goed van zijn last had gekweten; als ik dan bevonden had, dat alles in orde was, bedankte hij mij zeer voor mijn welwillendheid, want in het Oosten beschouwt een bode het als een eer, wanneer men te kennen geeft, dat hij zijn opdracht juist en nauwkeurig heeft volvoerd, en de grootste beleefdheid, die men hem kan bewijzen, is openlijke erkenning van zijn trouw.

Als ik hem door mijn kok iets wilde laten voorzetten, weigerde hij, en zeide dat mijn woorden de eenige lafenis waren, die hij behoefde; als ik hem bakschisch wilde geven, waarop alle bewoners van Egypte, groot en klein, even fel zijn, antwoordde hij, dat hij niets noodig had, en niets wilde aannemen. Ik kon hem slechts met moeite bewegen, iets te gebruiken, en als hij bij Abd el Sjahid Botros terugkwam, werd hij niet moede, uit te weiden over de welwillende wijze, waarop ik hem ontvangen en behandeld had. Nog vele anderen, behalve hij, kwamen tot mij, en allen kweten zich, met meer of minder beleefdheid, maar altoos eerbiedig, van hun taak, volbrachten hun opdracht en weigerden belooning te ontvangen; zeer verschillend in dat opzicht van de hongerlijders, die door het gouvernement werden gezonden, en die niet alleen niets weigerden, maar vroegen en eischten wat hun niet toekwam. Ik heb dikwijls de Bijbelverhalen bewonderd, ik heb in mijn jeugd genoten van de Ilias en de Odyssee; en de beschrijvingen der boodschappers daar in, hoe levendig en getrouw ook, zijn slechts eene flauwe afschaduwing van de werkelijkheid, zooals die thans nog bestaat in Egypte.

Doch het zou niet veel baten, tal van dienaren te bezitten, vele ambachtslieden en arbeiders werk te verschaffen, indien het kasteel niet beschermd werd door waakzame wachters. Bij de oude feudale families van Egypte, onder de 11e of 12e dynastie, dus drieduizend jaren vóór onze jaartelling, weten wij, dat de hoofden van den stam geheele legers onderhielden, die zij wapenoefeningen lieten houden, aan schijngevechten en belegeringen lieten deelnemen en met wier hulp zij werkelijk oorlog voerden en alle wreedheden pleegden, die daarmede gepaard gaan.

Ik zou nooit hebben kunnen gelooven, dat dit gebruik van legers, die in dienst staan van particuliere personen, nog in Egypte in zwang was, als ik mij daarvan niet met eigen oogen had overtuigd. Niet alleen heeft men in Sjeikh-Marzoek de gewone wachters, of ghafirs, die des nachts voor de orde en veiligheid moeten zorgen, zooals dit in alle dorpen van Egypte geschiedt; maar hier was bovendien nog "de zwarte garde". Deze bestaat uit forschgebouwde negers, die door de familie Botros worden bezoldigd, en aan wie de taak is opgedragen, het kasteel te bewaken. Allen zijn met geweren gewapend en hun aantal is groot genoeg, om aan onverwachte nachtelijke aanvallen te kunnen weerstand bieden. Men zou gebrek aan menschenkennis verraden, als men niet begreep, dat de rijkdom, voorspoed en weldadigheid eener familie haar veel afgunst, haat en vijandschap moeten berokkenen; bijna kan men met zekerheid zeggen, dat zulk een familie, naarmate zij meerdere bewijzen heeft gegeven van haar liefdadige gezindheid, des te meer geheime vijanden zal hebben, die slechts een gunstige gelegenheid afwachten, om haar in stilte te benadeelen, of de bevolking, achter welke zij zich verschuilen, tegen haar op te zetten.

Het Egyptische volk is niet slecht; het is gewillig materiaal, dat men kneden kan, bereid tot goede en slechte handelingen beide; en het zijn lieden uit den beteren stand, die op bevel van hooger geplaatsten complotten smeden en oproer stoken. Daar men op alles moet zijn voorbereid, is het geraden, bijtijds de noodige maatregelen te nemen. Daartoe dient de zwarte garde van Sjeikh-Marzoek; zij kan zich staande houden gedurende een nacht, een dag zelfs van behendig opgezweepte volkswoede, en hun tegenstand zal voldoende zijn om de aandacht te trekken en hulp te doen zenden.

Maar de leden der familie Botros hebben nog betere voorzorgsmaatregelen genomen, door het voorbeeld hunner ouders te volgen en zich te laten benoemen tot agenten van de consuls van Oostenrijk, Rusland, Italië en Frankrijk. Zij zijn de eenige onder deze beambten, gemachtigd om aan de oevers van den Nijl de genoemde europeesche mogendheden te vertegenwoordigen, die geen handel drijven in oudheden, terwijl alle rijke Egyptenaren dit baantje najagen, vooral in streken, waar oudheidkundige ontdekkingen worden gedaan, om krachtens hun ambt de wet te kunnen ontduiken, die den verkoop van oudheden in Egypte verbiedt, en hun voordeel te trekken uit de diplomatische onschendbaarheid, die zij zich hebben weten te verwerven. De familie Botros, die rijk genoeg is om die praktijken te versmaden, heeft zich echter op deze wijze de bescherming van haar personen en eigendom verzekerd. Indien zij werden aangevallen, zouden zij uithoofde van hun ambt aanspraak hebben op den steun van de vier genoemde mogendheden, en de gouverneur der provincie zou zich wel mogen bedenken, eer hij een opstand tegen hen trachtte te verwekken, waarop nog minder kans is, sedert de Engelschen het Nijldal hebben bezet.

II. De tuin van de familie Botros.--De koptische Kerk en hare versiering.--De mohammedaansche moskee.--Eenige bijzonderheden uit het leven van Abd el Sjahid Botros.--De groote heer.--Wijze van rechtspleging.--Zijn dood.

Een egyptisch buitenverblijf is in onze dagen niet denkbaar zonder tuin; ten allen tijde trouwens, voor zoover wij dit kunnen nagaan met behulp van plannen of beschrijvingen van egyptische landhuizen, was de _villa_ door een dikwijls zeer grooten tuin omgeven. De tuin, die het kasteel van Sjeikh-Marzoek omringt, is ook zeer uitgestrekt en geheel door muren ingesloten. Hij wordt besproeid door middel van sakiehs, die binnenshuis geplaatst zijn, en wier knarsende wielen, in beweging gebracht door een os, koe, of kameel, den bodem bevochtigen met het water, dat uit de diepten der aarde wordt opgepompt.

Men moet zich van een tuin in Egypte geen voorstelling trachten te vormen door te denken aan onze europeesche tuinen, boomgaarden, moestuinen of parken; want in dat geval zou men zich deerlijk vergissen. Een egyptische tuin is een bijna ondoordringbare wildernis van boomen, struikgewas en planten, waar allerlei gewone soorten vruchtboomen groeien, naast andere, die als zeldzaam beschouwd worden, en waarin de wingerd een voorname plaats bekleedt. Er wordt niet de minste moeite gedaan, om door fraaie lanen of verrassende uitzichten het oog van den aanschouwer te bekoren, of door bevallige lijnen en zwierigen aanleg eenige opzettelijk berekende werking te weeg te brengen. Het eenige wat wijst op een te voren beraamd plan, zijn de besproeiingskanalen, die zóó zijn verdeeld, dat geen enkel gedeelte van den tuin verstoken blijft van het water, dat hem vruchtbaar zal moeten maken.

Op zon kan men altijd rekenen. De wijndruiven moeten natuurlijk worden gestut, en deze steunsels heeft men aangebracht, door op geregelde afstanden lage steenen muurtjes te bouwen, die onderling verbonden zijn door een vlechtwerk van groote palmtakken, waarover de wingerdranken zich kunnen uitspreiden, om zooveel mogelijk vrucht te dragen.

Het ideaal der Egyptenaren was steeds, zoowel in lang vervlogen tijden, als ook thans nog, dichte boschjes en boomgroepen te vormen, waaronder men genieten kan van koele schaduw, als de zon al te fel schijnt, en tevens den aanschouwer een hoog denkbeeld te doen opvatten van den rijkdom der bezitters, door het aantal en de groote verscheidenheid der boomsoorten.

Een aardsch paradijs is de tuin van Sjeikh-Marzoek nu wel niet; maar hij wekt nog steeds de bewonderende verbazing van eenvoudige zielen, die de familie Botros als de rijkste lieden op den ganschen aardbodem beschouwen. Gelukkige schepsels!...

De kerk van Sjeikh-Marzoek is in den omtrek beroemd om haar schoonheid. Zij ligt, als alle koptische kerken, op een groot, langwerpig vierkant plein, waarvan zij, met de gebouwen bestemd voor de geestelijkheid, een der zijden beslaat, evenals dit het geval was bij de oude egyptische tempels met de woningen der priesters en de groote magazijnen, die daartoe behoorden.

Men treedt dien voorhof binnen door een kolossale deur, even hoog als de muur zelf, en geheel beslagen met metalen banden, die met zware spijkers op het hout zijn bevestigd. Zij geeft toegang tot het groote plein, waarop zich ter weerszijden de woningen bevinden van den priester en zijn dienaren. Aan de westzijde staat een monument, dat men met een trap beklimt, en waarin de grafkelder is der familie. Ik wilde het bestijgen, om een stillen groet te brengen aan den man, die thans niet meer tot de levenden behoorde, en altijd zoo goed en welwillend voor mij was geweest. Indien mijn afscheidsgroet hem bereikt heeft in het paradijs, waar hij, volgens het koptische geloof, het huis bewoont, dat voor hem en zijn familie is bestemd, te midden van groene, met vruchten beladen boomen, dan heeft hij kunnen bespeuren, dat ik hem ook na zijn dood niet vergat. In dien grafkelder rusten de stoffelijke overblijfselen van den stichter der familie en de vier kinderen die hem in den dood zijn gevolgd. Hun grafschriften vermelden, op europeesche wijze, enkel het jaar van hun geboorte en hun sterven, en zijn met gulden letters in marmeren gedenksteenen gegrift.

De kerk heeft den vorm van een rechthoek, waarvan de zoldering herinnert aan de gewelfde zolderbedekking van den tempel van Seti I te Abydos, en evenals bij dien tempel wordt het heiligdom zelf voorafgegaan door twee zuilenzalen. De zuilen der eerste zaal zijn van steen, die in de tweede van hout. Tusschen die beide zalen is een soort van houten afsluiting, met deuren er in, juist zooals de zuilenzalen van Abydos door een muur zijn gescheiden, waarin zich evenveel deuren bevinden als er gewelven zijn in het heiligdom.

Die houten afsluiting is op de gewone wijze bewerkt; het hout is uitgesneden in grillige figuren, voluten, meanders en slingerende arabesken; 't geen uit de verte gezien een bevalligen indruk maakt; maar van naderbij beschouwd, is niets afgewerkt.

In de tweede zaal hebben slechts de aanzienlijkste der mannelijke bezoekers toegang; de vrouwen blijven op de bovenste galerijen; de eerste zaal is bestemd voor het volk. Daar is de grond onbedekt, in de tweede zaal is de vloer met matten belegd. Hier bevindt zich ook de lessenaar, waarop een Bijbel ligt, en lampen hangen aan de zoldering, om den prediker en zijn gehoor licht te geven; want bijna alle koptische godsdienstoefeningen hebben des nachts plaats.

Een andere houten afsluiting scheidt de tweede zuilenzaal van het heiligdom, hoog genoeg om al wat er in de kapellen voorvalt aan het oog te onttrekken. Deze wand is van ebbenhout; met ivoor ingelegd, en voor Egypte is deze versiering werkelijk uitstekend uitgevoerd. Van dichtbij gezien zelfs, maakt dit inlegwerk nog een prachtig effect, en eerst bij zeer nauwkeurige beschouwing merkt men het gemis aan regelmaat en evenredige verhoudingen op in deze versiering.

In geen enkel tijdperk hunner geschiedenis hebben de Egyptenaren zich bekommerd om strikte regelmatigheid in hunne ornamenten, zooals wij Westerlingen gewoon zijn te betrachten; zij hebben slechts een algemeenen indruk willen teweegbrengen en zijn daarin dan ook uitstekend geslaagd.

Er zijn in deze kerk vijf of zes kapellen, waarvan de middelste bestemd is voor de geregelde godsdienstoefeningen, de anderen zijn gewijd aan de maagd Maria en verschillende heiligen, waaronder ook de groote Sjenoedi, wiens klooster niet ver van hier was gelegen. Boven elke der dubbele deuren, die toegang geeft tot het heiligdom, hangt een schilderij, die de Heilige Maagd voorstelt of den heilige aan wien de kapel gewijd is; maar boven de middelste is slechts een opschrift en geen schilderij, daar Hij, die alles geschapen heeft, niet kan worden afgebeeld.

De familie Botros heeft voor haar mohammedaansche onderhoorigen een moskee laten bouwen. Het uiterlijk voorkomen daarvan verschilt niet veel van dat der kerk; want beide zijn bekroond met koepels, de kerk vertoont er echter meerdere, de moskee slechts een enkelen koepelvorm.

De moskee van Sjeikh-Marzoek gelijkt op alle moskeeën van egyptische dorpen; zij is niet mooier en niet leelijker, en bestaat uit dezelfde afdeelingen, open en overdekt. Er heerscht geen weelde, maar er is ook geen overdreven zuinigheid betracht. Door het bouwen dier moskee heeft de familie Botros haar dienaren en de dorpsbewoners willen in staat stellen tot het nakomen van hun godsdienstige verplichtingen. Zij maken volstrekt geen onderscheid tusschen hun mohammedaansche en christelijke bedienden, en geven aan de laatste niet de voorkeur. Men zou denken, dat deze verdraagzaamheid door een zekeren eerbied voor de Christenen zou worden beloond; maar dit is volstrekt niet het geval. In gewone omstandigheden heeft de fellah hoegenaamd geen behoefte aan een anderen godsdienst dan dien zijner voorvaderen, dat wil zeggen, het ruwste fetichisme, en hij is geenszins bezield door blakenden ijver voor den Profeet; maar in tijd van oproer is hij tot het ergste in staat, en het zijn de fellahs, die ruim twintig jaren geleden het bloedbad te Alexandrië hebben aangericht, evengoed als zij eertijds de vijanden van den patriarch Cyrillus doodden, of de rookende ingewanden van ketters verscheurden.

De middelen, om hen tot die afschuwelijke daden te bewegen, zijn nog steeds dezelfde, want de aanstokers zijn niet veranderd van aard, al spelen thans Mohammedanen de rol, die vroeger Christenen vervulden.