Een feudale familie in Egypte De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 1

Chapter 13,704 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Een feudale familie in Egypte.

Naar het Fransch van E. Amelineau.

Een ochtenduitstapje op het land in Egypte.--Het kasteel der familie Botros.--De binnenplaats.--De ontvangkamers--De koptische vrouw.--De magazijnen.--De zadelmakers.--De schrijvers.--Inrichting van de familie der Battarsi.

De familie, die ik u wil beschrijven, is bekend onder den naam Botros ('t geen steen beteekent) en hare leden worden ook wel de Battarsi genoemd. Hun fortuin dateert nog slechts van 1870. Zij hebben deze te danken aan een flinken man, Botros, die er de grondlegger van was. De zetel der familie is in een dorp, Sjeikh-Marzoek genoemd, tusschen Girgeh en Abydos, en daar komen de leden van den stam om nieuwe krachten te winnen naar lichaam en geest, wanneer de behoefte hieraan zich bij hen doet gevoelen.

Van uit dit kleine dorp heeft zich de familie verspreid naar Balianâ, naar Girgeh, tot zelfs naar Kaïro, waar zij een handelshuis bezit. In den tijd, toen ik te Abydos vertoefde, was een man haar voornaamste vertegenwoordiger, Abd el Sjahid Botros. Hij bewees mij gewichtige diensten, waarvoor ik hem ten zeerste erkentelijk was. Dikwijls had hij mij gevraagd, een dag te komen doorbrengen in de plaats, waar zijne familie haar zetel had opgeslagen; steeds echter werd ik door allerlei omstandigheden verhinderd, en eerst na zijn dood kon ik er heengaan, om hem den laatsten vriendendienst te bewijzen.

De eerste maal, dat ik de familie ging bezoeken, was op een mooien morgen in Januari. 's Nachts was het koud geweest; de thermometer was gedaald tot op één graad onder nul, en dus was er een verbazend verschil tusschen dag- en nachttemperatuur in de open lucht. De zon klom hooger en begon met hare koesterende stralen de arme inboorlingen te verwarmen, die huiverden van koude in hun dunne hemden van blauw katoen. Zoodra hun verstijfde ledematen in de warmte hunne gewone lenigheid herkregen, werden zij weer opgewekt, lachten hartelijk en aanhoudend, en begonnen opnieuw met hun schertsende woordspelingen, die zij geestig vinden, en die uitbundige vroolijkheid verwekten.

De weg, dien ik volgde, was, als alle wegen in Opper-Egypte, slechts een door voetgangers platgetreden pad, dat midden door het veld liep. Het was marktdag in Abydos en elk oogenblik ontmoette ik lieden, die daarheen op weg waren; met klankvolle stem begroetten zij mij met een: "Dat uw dag voorspoedig zij!" want ik was langzamerhand een goede bekende geworden in het district, of zij riepen mij in 't voorbijgaan eene schertsende opmerking toe.

Soms sprak ik hen aan, om te zeggen: "Ga wat op zij, dat ik voorbij kan", want het was niet altijd gemakkelijk zich een weg te banen door al het vee, dat zij voortdreven; kameelen, ezels, geiten en schapen, terwijl zij soms geitjes en lammetjes in hunne armen droegen, als de Goede Herder in het Evangelieverhaal. Ook gebeurde het wel, dat ik twee of drie stevige kerels tegenkwam, op hun gemak op één armen ezel gezeten, die bijna niet voortkon en wiens ruggegraat haast bezweek onder den last, maar die toch op een sukkeldrafje voortzwoegde, aangespoord door de bengelende beenen van zijn berijders, een voorbeeld van goedaardigheid.

Toen ik, hetzelfde pad steeds volgend, in het open veld gekomen was, doordrong mij langzamerhand een gewaarwording van innig welbehagen. Ik heb altijd veel gehouden van het buitenleven, oprecht genoten van die vredige tooneelen, waarin de mensch in innige aanraking komt met de eenvoudige en grootsche natuur; ik verneem met blijdschap de duizenden stemmen waarmede de aarde tot ons spreekt; de vlucht van een vogel kan mij bekoren en boeien; ik volg hem met mijn blik, neem zijn bewegingen waar, en bewonder zijn vlugheid; wilde bloemen schijnen mij altoos het schoonst en aantrekkelijkst toe. Hier kon ik volop genieten, en als ik om mij heenzag, mij gerust vijf- of zesduizend jaren vroeger in onze tijdrekening verplaatst wanen; want het landelijke leven in Egypte is nog altijd, zooals het in overoude tijden geweest is. Ik ken geen grooter genot, dan zulk een wandeling buiten in het veld in Egypte, om dezen tijd van het jaar, wanneer men langs uitgestrekte akkers vol bloeiende boonen gaat, waarvan de zachte en toch doordringende geur de geheele aarde in een welriekend paradijs schijnt te herscheppen. Dan halen wij ruimer adem, onze longen drinken met volle teugen, vol welbehagen, die gebalsemde lucht in, die ons bloed voedt en zuivert tevens; men heeft dan een gevoel, alsof men buiten dit genot niets meer behoeft. Ook ons oog wordt bekoord; tegen den achtergrond van slingerende ranken en groen gebladerte teekenen zich de witte bloemen met haar zwarte meeldraden af, in losse en bevallige mengeling.

Het is onbeschrijfelijk heerlijk, rustig op een ezel gezeten, langzaam die wijde velden aan ons oog te zien voorbij gaan, steeds gevolgd door nieuwe, even uitgestrekt als de vorige; velden van koren, van bersim (egyptische klaver) waarin kameelen, paarden, ezels, koeien, buffels, schapen en geiten grazen, zoover de touwen reiken, waarmee ze zijn vastgebonden, tot ze eindelijk neerknielen om nog meer te kunnen bereiken van dat kostelijk voedsel, dat hen sterk en krachtig maakt, terwijl duiven, kippen, ganzen, kalkoenen, kraaien en kleinere vogeltjes naar hartelust pikken in den omtrek van de dicht opeengedrongen kudden. Van uit dat landelijk schouwspel klinken allerlei stemmen ons tegen, ruw en woest somtijds, maar in volkomen harmonie met het landschap, tusschen twee bergen gevat, die onbewogen schijnen neer te zien op het dartele spel van die menigte wezens, die het Nijldal bevolken en nooit veranderen, ofschoon zij zich steeds hernieuwen. Elk dier toch speelt, van het kleinste tot het grootste; van het vlugge dartelen der geitjes, tot de logge sprongen der buffels, dronken van gras en zonneschijn. Het leven krioelt om u heen van alle zijden, niet meer het beperkte, gedwongen kalme, onvrije bestaan van ons kouder klimaat, met de misdaden en laagheden die het medebrengt; het is een leven in het volle zonlicht; met de luidruchtigheid, de vreugde, de beweging, het welbehagen, die overal heerschen, waar dat heerlijk licht schijnt. Hoe blijder, hoe luider het leven jubelt, des te minder misdaden behoeven wij te duchten. Het is waar, wat de oude wijzen van Egypte dachten, dat de zon de boosdoeners op de vlucht jaagt; vroeg genoeg valt de avond en brengt, met de duisternis, haar geleide van schurken, dieven en moordenaars, van allen, die het daglicht schuwen, de nacht en haar schaduw zoeken, om daden te bedrijven, die door geen menschelijk oog mogen worden aanschouwd.

Van tijd tot tijd vond ik op den weg, dien ik volgde, groepjes mannen, neergehurkt en onder elkaar keuvelend, die uitrustten, of, om de waarheid te zeggen, de gelegenheid tot een praatje te mooi vonden, om haar te laten voorbijgaan. De fellah is altoos een groot spreker voor den Heer geweest, zooals Nimrod een groot jager was; hij mag graag hooren wat er in de wereld voorvalt, en als hij een troep mannen ziet, die samen spreken, of over iets redetwisten, dan gaat hij er kalm bij zitten, ook zonder dat men hem daartoe uitnoodigt; want hij is, als 't ware, op zijn eigen terrein en hoort er bij, alsof het van zelf spreekt. Als ze mij zagen voorbijrijden, namen ze mij met hun kleine oogjes op, en als ik dan een eind verder was, vroegen ze aan mijn bediende, waar wij heengingen; want ze zijn op hunne manier beleefd en de egyptische beleefdheid staat niet toe, iemand aan te spreken, die blijkbaar hooger in rang is dan de spreker zelf. Anderen zag ik op kleine aardheuveltjes zitten, uitkijkend in de verte, terwijl ze hunne lange werpslingers lieten klappen, en met aardkluiten gooiden, om de roofvogels te verjagen.

Op de bebouwde akkers volgde somtijds een of ander dorp, dat midden in het veld was gebouwd op een terras, met een borstwering van gebakken steen, om de overstroomingen te weren; de mannen zaten meestal op een zonnig plekje, soms bezig met mandenvlechten; soms met niets anders dan het in de zon koesteren van hun door de nachtelijke koude stijf geworden ledematen.

Op den drempel van hare hutten, op het terras, of in de nauwe straatjes waren de vrouwen druk aan het babbelen, in hare lange mellâyehs van bruine wol of blauw katoen gehuld, terwijl ze voor het huishouden zorgden, of midden in het vuil het gereedschap schoonmaakten, dat ze aanstonds zouden gebruiken. Aan haar ronde armen rinkelden de armbanden van koper, glas, zilver en goud, waarmee ze zich versieren, en zoodra ik er aankwam bedekten ze zich het gezicht, op een klein kiertje na, waardoor haar zwarte oogen, zonder gezien te worden, den vreemden heer bespiedden, die hun dorp doortrok.

Zoo kwam ik achtereenvolgens door drie kleine plaatsjes, Naga' Aboe' Elag, Naga, Ekeiret, en Saqieh Aboe Sjegein, die op verschillenden afstand van elkaar waren gelegen, en reeds twintig schreden buiten zulk een dorp was ik alweer midden in het groen. Overal krioelde het van leven, het wemelde van huisdieren, van bonte vogels, wier levendige kleuren tot een harmonisch geheel samensmolten, en alles ademde levensvreugd. Een overweldigende blijheid ging uit van deze machtige natuur, en alle wezens, dieren en planten, namen daarin deel, allen putten kracht en bezieling uit haar, zooals eertijds de oude goden van Egypte uit de levensbron, die in den Hemel opwelde, hun uitgeputte krachten hernieuwden.

Naarmate ik het doel van mijn tocht naderde, zag ik duidelijk, dat de bevolking hier aanmerkelijk verschilde van het armoedige en havelooze volkje, dat ik gewoon was in Abydos te zien. De menschen, die ik hier ontmoette, waren zindelijker, en hun voorkomen was voor den beschaafden vreemdeling minder weerzinwekkend. Zelfs de dieren zagen er volmaakt gezond uit en vormden een opvallende tegenstelling met hun arme lotgenooten in Abydos, die soms bijna niet op hunne pooten konden staan, uit gebrek aan het noodige voeder, zooals dit heerlijke gras, dat vocht en zon in overvloed kreeg. De wegen waren breed en goed onderhouden; in één woord, ik kon aan alles bespeuren, dat ik een welvarend dorp naderde, zindelijker, dan ik hier nog ooit een had gezien. Het voorkomen der woningen en straten bevestigde, toen ik eindelijk in de plaats zelve was aangekomen, wat ik reeds uit vele voorafgaande kenteekenen had opgemaakt; nergens zag men hier die bergen van afval, die de zorgeloosheid, luiheid en armoede der bewoners verraden. Alles zag er helder en vriendelijk uit en gaf blijk, dat de inwoners in gelukkiger en onbezorgder levensomstandigheden verkeerden dan den egyptischen landbewoner in den regel te beurt vallen; het bleek duidelijk, dat dit dorp de woonplaats was van een rijke en machtige familie, welke belang stelde in het lot der onderhoorigen, die reeds zoo vele jaren voor hen hadden gearbeid te midden van de groene velden, die hen omgeven. Ik had van verre reeds de kasr (het kasteel) gezien, waaromheen de huizen waren geschaard, zooals eertijds in onze dorpen in de middeleeuwen de woningen der slaven en lijfeigenen rondom het feudale slot waren gelegen, welks zware massa reeds van verre macht en aanzien verkondigde.

In de in steen gegrifte gedenkschriften der egyptische monumenten wordt dikwijls melding gemaakt van huizen, die men door het bijvoegsel "wit" van andere woningen onderscheidt, zoo heette het paleis der Faraoh's eenvoudig het "dubbele witte huis", juist zooals de woning van den President der Amerikaansche republiek het Witte Huis heet. Nog heden ten dage zijn in Opper-Egypte de meeste gebouwen, die aan het gouvernement behooren, wit gekalkt, en men kan ze reeds uit de verte onderscheiden. Elk op het land wonend Egyptenaar, die eenig fortuin bezit en op zijn fatsoen gesteld is, of althans wenscht voor een fatsoenlijk man door te gaan, draagt zorg de muren van zijn huis of buitenverblijf te laten witten.

De kasr van de familie Botros bezat echter nog meerdere onderscheidingsteekenen, die dienden om de omwonende fellahs eerbied in te boezemen; het huis kon bogen op een geweldig zware deur, met aan weerszijden twee van die duiventillen, die den reiziger dadelijk doen denken aan de hooge pylonen aan de ingangen der tempels aangebracht.

De deur van den kasr was vooral merkwaardig wegens hare dikte, en alsof deze nog niet voldoende werd geacht, had men haar van onder tot boven versterkt met metalen platen, die door groote spijkers waren bevestigd, terwijl van binnen zware houten dwarsbalken nog als steun moesten dienen en alle pogingen tot vernieling schenen te tarten. Zoo waren eertijds de met goud en brons beslagen deuren van de tempels der Faraohs, welke de vreemde overwinnaars plunderden zonder eenigen eerbied voor de godheid. Volgens landgebruik is die deur bestemd om de bewoners van den kasr te beveiligen voor de booze bedoelingen van slechtgezinde vreemdelingen, en waarlijk, de middelen in aanmerking genomen, waarover men op het platte land in Egypte beschikt, zou men nog eer de muren, die het gebouw omgeven, kunnen omverwerpen, dan die deur vernielen, tenzij men haar in brand stak.

Het kasteel is namelijk omringd door een zeer hoogen muur, waarin zich nog eene andere deur bevindt, ten gerieve van die bewoners, welke zich naar het dorp willen begeven, in eene richting, tegenovergesteld aan de ingangspoort.

Die poort geeft toegang tot een groot binnenplein, waarop zich in het midden een prachtige sycomore verheft, welke naar alle zijden zijn dichtbelommerde takken uitsteekt, die een toevluchtsoord zijn voor eene menigte gevleugelde kleine zangers en een verkwikkende, schaduw bieden aan de eigenaars der bezitting, hun kinderen en hun talrijke dienaren.

Naast de beide poorten zijn de woningen der poortwachters, negers, die op de hurken gezeten, hun witte tanden vertoonen, terwijl zij hun rozenkrans door de vingers laten glijden en zorgen, dat niemand hier zonder verlof binnen treedt. Gedurende den dag is de toegang zoo goed als vrij, en ieder, die hierin behagen schept, kan zich gaan verlustigen in den aanblik van den rijkdom van een egyptischen grooten heer, zijn dorst lesschen met het water, dat in een grooten zir in de schaduw van den sycomore geplaatst is, of rusten op banken van zoden en hout, die te dien einde zijn aangebracht. Wanneer men dan gerust en zich verfrischt heeft, wanneer men heeft gezien, wat men wilde en mocht aanschouwen, mag men heengaan, na den heer des huizes te hebben gegroet, zoo hij zich op de binnenplaats bevindt en men gaarne de beleefdheidsvormen in acht neemt; daarmede is het bezoek dan afgeloopen.

Den geheelen dag door verzamelen zich op dat binnenplein al de bewoners van het kasteel of het dorp, die niets te doen hebben, vrouwen, mannen, kinderen en grijsaards; ezeldrijvers, nachtwakers, met hun groote nabouts (stokken), kruipen daar bij elkaar, of houden zich onledig met spel en arbeid; des zomers in de schaduw van den grooten sycomore, des winters zich koesterend in de zon, genietend van de frissche lucht en de warmte, of, languit op den grond liggend, een van die spelletjes spelende, welke sedert onheugelijke tijden in zwang zijn. Bij ons zouden alleen kinderen zich hiermede bezighouden; maar in Egypte vermaken zich daarmee kinderen, mannen en grijsaards evenzeer, daar zij allen even kinderlijk van aard zijn.

Die groote binnenplaats heeft ongeveer den vorm van een rechthoek; aan weerszijden zijn winkels, woningen voor de bedienden, de werkplaatsen der ambachtslieden, de gebouwen, welke dienen voor de uitgebreide werkzaamheden, verbonden met het landbouwbedrijf, keukens, bergplaatsen van allerlei aard en stallen voor de lastdieren. Hier stijgen bezoekers af van hun ezels, kameelen of paarden; zij worden omringd door beleefde bedienden, die hun vragen richten tot hen die den vreemdeling vergezellen en hem met den gebruikelijken heilwensch bij zijn aankomst begroeten, terwijl anderen hun meesters gaan waarschuwen, indien deze niet op de binnenplaats aanwezig zijn.

Bezoekers van niet bijzonder hoogen rang worden naar houten banken geleid, welke in een soort nis staan, tegenover den ingang, die tusschen de overige gebouwen is vrij gelaten, en op die banken zetten zij zich in oostersche houding neer. Er zijn banken voor alle klassen van bezoekers, van de zodenbank af tot de rijk met snijwerk versierde zetels, die bedekt zijn met eertijds prachtige, thans door het gebruik ietwat verkleurde tapijten.

Is de bezoeker iemand van meer gewicht, dan brengt men hem naar de eerste verdieping, in de groote ontvangzalen, waar reusachtige divans met bonte katoenen overtrekken langs de wanden zijn geschaard, waar de vele vensters bijna altijd openstaan, en waar geregeld eenige van de vloertegels gebarsten, gebroken of geheel afwezig zijn.

Alle Egyptenaren hebben behoefte aan frissche lucht; hun taaie, geharde lichamen zijn blijkbaar voor geen tochtje vervaard, en ook de Europeaan, die na een vermoeiende reis in de zonnehitte, een huis binnentreedt, waar de noordenwind vrij toegang heeft, laat begeerig dien "levenwekkenden adem van het Noorden", om een oude egyptische uitdrukking te gebruiken, zijn longen binnendringen en gevoelt dan slechts weinig behoefte aan voedsel.

De ontvangkamers liggen aan weerszijden van de trap die erheen voert, over de geheele lengte van het gebouw, zoodat men om de laatste te bereiken, alle andere moet passeeren; van ouds waren de egyptische woningen op deze wijze ingericht. De vertrekken, waar het gezin woont, en die waar men vreemdelingen ontvangt, zijn geheel van elkaar gescheiden; in de eerste wordt niemand toegelaten dan de leden der familie, of vrouwen en dienstboden. De Kopten, zelfs diegenen onder hen, die het meest geneigd zijn, onze vrijere moderne begrippen te huldigen, houden hun vrouwen even streng in een harem afgezonderd als de meest fanatieke Muzelman; de vrouw des huizes komt nooit voor den dag; zij blijft onzichtbaar en stelt zich tevreden met zoo goed mogelijk te zorgen voor de behoeften van haar man, hem te ontvangen als hij bij haar binnentreedt, en hem schoone kinderen te schenken. Zij schijnt zacht, onderworpen, geduldig en arbeidzaam, en herinnert in den aanvang der 20e eeuw aan de syrische vrouw, zooals Renan haar heeft geschilderd, of eerder nog aan de vrouw uit de egyptische oudheid.

In den kasr van de Botros was zelfs de nieuwsgierigheid, die echt vrouwelijke eigenschap, niet bij machte, de dames naar het venster van haar vertrek te lokken om te kijken naar de vreemdelingen, die door hare echtgenooten zoo hartelijk werden ontvangen, naar het photographeeren van hunne kinderen, en al wat er op het binnenplein voorviel.

Naar de schoonheid der kinderen te oordeelen, moeten zij zeer regelmatige trekken hebben. In haar jeugd zijn zij een weinig mager, terwijl zij later een neiging tot groote gezetheid vertoonen; haar tint is bijzonder blank. Zij zijn volstrekt niet onwetend; integendeel, zij leeren ijverig en met goed gevolg al wat men haar onderwijst; sommigen van haar zijn zeer bedreven in het schoonschrijven, anderen zijn dichteressen, of weten althans met groote vaardigheid gedichten te improviseeren. Zij kunnen prachtig borduren en al de talrijke lekkernijen klaarmaken, die men in haar land pleegt te gebruiken, want ook in dat opzicht zijn de moderne Egyptenaren de waardige navolgers hunner voorvaderen. Zij hebben volstrekt geen afstand gedaan van de eigenaardigheden, die de vrouwen van alle landen gemeen hebben. Zij houden veel van fijne, glanzige, kleurige stoffen, zij gebruiken gaarne oostersche parfums, verven de nagels van haar vingers en teenen met henné en trachten haar toch reeds amandelvormige oogen nog te verlengen door ze te beschilderen met antimonium.

De ontvangkamers te Sjeikh-Marzoek dienen, evenals die van alle groote huizen in Egypte, evengoed tot eet- en slaapvertrekken als tot salon, al naar de omstandigheden medebrengen.

Wanneer het tijd wordt voor het middagmaal, behoeft de heer des huizes slechts in de handen te klappen, en dadelijk verschijnt de dienaar, aan wie deze bijzondere taak is opgedragen, blijft, kalm en ernstig, vlak voor zijn meester staan en beantwoordt de hem gegeven bevelen slechts met een enkel Arabisch woord, dat wij zouden vertalen door: zeer goed. Dan verdwijnt hij, om die bevelen over te brengen aan den kok, een gewichtig personage, dien men te vriend moet houden, en komt terug, gevolgd door een paar helpers, om midden in de zaal de tafel te dekken. Dit gebeurt op europeesche wijze, met borden, messen, lepels, vorken, glazen, enz., en ook het maal zelf is op zijn europeesch toebereid; maar de hoofdschotel is een schaap, dat een paar uren geleden is geslacht, met de ritueele voorzorgen, die de wet voorschrijft, en die in Egypte reeds werden in acht genomen lang voor de dagen van Mozes. Als alles gereed is, gaat men aan tafel, en het middagmaal wordt in opgeruimde stemming gebruikt, want ieders gezicht straalt van vroolijkheid, en men gevoelt dat men zich werkelijk onder goede vrienden bevindt.

Zelfs de ernstigste Egyptenaar is toch uit den aard tot vroolijkheid geneigd; zij doen u door hun goede luim alle kleine verdrietelijkheden van het leven vergeten, tot gij onwillekeurig de zorgen voor den dag van morgen van u afzet, en slechts geniet van het oogenblik. Het is altijd en overal een groot geluk, de toekomst zonder zorg te kunnen tegengaan, maar nergens is het zoo heerlijk om rijk te zijn, als in Egypte.

Boven de stoep, die toegang geeft tot de trap naar de receptiezalen, is een houten balkon, van waar men het geheele plein kan overzien. Dat balkon is al zoo eenvoudig mogelijk van samenstelling; de voortzetting van den vloer der aangrenzende kamer, en de houten balustrade, die het omgeeft, is ook zeer bescheiden. Toch is de ruimte tusschen het balkon en den rand dier balustrade aangevuld met een gesneden houtversiering, voluten, naamcijfers, ineengeslingerde banden, ornamenten, die wij ten onrechte arabesken noemen, daar reeds in de graven, die dateeren van dertig eeuwen vóór onze jaartelling, de egyptische kunst deze zelfde motieven heeft aangewend. Sommige der zolderingen van die begraafplaatsen vertoonen de meest volmaakte versiering, die de verbeelding zich kan droomen, waarbij een grillige fantasie zich schijnt te vermeien in haar vrijheid, en zoodoende effecten verkrijgt, die het oog evenzeer verrassen als bekoren.

Wij bezitten nog in een der graven, die uit de 16e eeuw vóór Christus dagteekenen, een afbeelding van een dergelijk balkon, waar men den geheimzinnigen koning Amenophis IV ziet, vergezeld van zijn vrouw en zijn dochters, die de handen laten rusten op kostbare tapijten, terwijl hij zelf aan een zijner groote veldheeren kostbaarheden en eereteekenen toewerpt, om hem te beloonen voor zijn pas bewezen diensten in de stad, gesticht ter eere van den god, dien hij aanbad, en die de Pracht der Zonneschijf genoemd wordt. Ook het balkon te Sjeikh-Marzoek wordt bij plechtige gelegenheden met tapijten behangen, en dan verzamelen zich daar de voornaamste leden der familie ten aanschouwe van hun op het plein vergaderde dienaren.