Een En Ander Over Het Dorpsleven In Transvaal De Aarde En Haar
Chapter 2
Sedert de oudheid tot in onze dagen, zoo verhaalt Prof. Dr. R. Stübe in Reclam's Universum, zijn de indische "boetelingen" eigenaardige figuren geweest in Indië's geestelijk leven. De benaming "fakir" is echter voor deze indische asceten niet de juiste. Fakir heeten in Indië de mohammedaansche bedelmonniken. Het uit den bodem van het indisch geloof ontsproten ascetendom wordt vertegenwoordigd door de Yogins. Met dit woord worden meer in 't bijzonder de aanhangers aangeduid eener bepaalde wijsgeerige richting, het Yoga-stelsel. Yoga (lat. jugum "juk") beteekent "inspanning", dat is hier het afwenden der waarneming van de uitwendige wereld, en het concentreeren van den geest op het innerlijk. Daartoe dient een lichamelijke en geestelijke strenge oefening, waarbij alle krachten op één punt worden gericht. Bepaalde lichaamshoudingen, een zekere beheersching der ademhalings-organen, en het onbewegelijk richten van den blik op één punt dienen als middelen om tot dien staat van verzonkenheid te geraken. De Yoga-philosophie leert, dat de door deze concentratie verkregen bewustheid van het verschil in wezen tusschen geest en stof het middel is tot de verlossing, die bestaat in de volkomen opheffing van àlle bewustzijn, en tenslotte van dat, wat wij het leven noemen.
Deze gedachte is reeds na te speuren in de indische oudheid. Ook de nog thans in zwang zijnde techniek dezer praktijken is oud. Een ander middel der indische Yogins bestaat hierin, dat de tong in de mondholte wordt teruggeslagen en de oogappels naar een punt tusschen de wenkbrauwen gericht. Wat de Yogins vermogen te doen, is in zekeren zin iets natuurlijks; doch de oefening, door eeuwen lang heerschende traditie, heeft de technische aanwending dezer auto-hypnose steeds meer volmaakt, en daarmede resultaten bereikt, die ons met recht ten hoogste verwonderlijk, den Indiërs echter als de wonderbare werking van goddelijke machten voorkomen. Door hun vermogen zichzelf in langdurigen staat van katalepsie of hypnose te brengen, geraakten de Yogins in den roep van bijzondere heiligheid en wonderdadige macht, en die vereering wisten zij handig te gebruiken. De kunst der auto-hypnose werd door hen beoefend als een soort sport, die rijke verdienste afwierp.
Er waren, en zijn echter ook thans nog in Indië onder de Yogins wijsgeerig gevormde mannen, die door de Yoga-praktijk een mystiek doel meenen te bereiken, die in een woord de visioenen van een hysterischen of kataleptischen toestand ("trance") voor werkelijkheid houden. Zij meenen in dien staat eene mystieke vereeniging met de wereldziel te bereiken, van alle grenzen en boeien der lichamelijkheid te zijn ontdaan, en de volkomen heerschappij over het materieele zijn te hebben verkregen. De Yogin kan alle dingen die hij wenscht, verkrijgen en weet alles wat geschiedt, in heden, verleden en toekomst. Eindelijk wordt hij met de godheid zelf vereenigd en is daardoor ontheven van den dwang eener wedergeboorte in een aardsch bestaan. Dit alles zijn oude voorstellingen der Yoga-leer, die wortelen in hare grondgedachte. In de praktijk treedt in het indische volksleven een andere trek meer op den voorgrond: het geloof, dat de Yogins begiftigd zijn met wonderbare vermogens en toovermacht, die zij ten goede en ten kwade kunnen aanwenden. De tooverij is altijd een bestanddeel van den indischen godsdienst geweest, zij is doorgedrongen in den cultus der groote goden en heeft alle religieuse voorstellingen doordrongen. Wel heerschten onder de priesterkaste hoogere opvattingen, maar nooit hebben de priesters hun eigen geloof duidelijk afgescheiden van dat der groote massa. Men wilde dit blijkbaar niet, daar de priesters door in te gaan op de naieve voorstellingen van het volk, hunnen invloed op het zieleleven hunner volgelingen wisten te behouden.
Thans wordt ons de indische askese eerst volkomen duidelijk. Zij is niet slechts het middel ter overwinning van de wereld, zooals bij andere godsdiensten; zij is vóór alles een werktuig om in het bezit te geraken van bovennatuurlijke macht. De geheele godsdienst van Indië is door die gedachte in magische richting geleid. Niet de goden zijn de hoogste machten, maar de boetende heilige, dien zelfs de goden dikwijls vreezen. Het offer zelf wordt een magisch middel, om de goden te dwingen. Het hoogste, dat de mensch kan bereiken, is de askese of "boete". De goden zelf hebben hun macht slechts door langdurige en harde boetedoening gewonnen.
De Yogins plegen een zwervend leven te leiden. Overal treft men ze aan in het Indië van onzen tijd, op de markten en bij volksfeesten, buiten op het land, in 't gebergte en in de duistere diepten van het woud. Zij gaan geheel naakt, of in lompen gehuld; dikwijls is hun lichaam dik bestrooid met asch, en in onze oogen bijna belachelijk door zijn afstootendheid. Onderling worden zij weer onderscheiden in talrijke sekten, verschillend in opvatting en beoefening hunner leer. Ze stammen volstrekt niet allen uit de lagere klassen; alle kasten zijn onder hen vertegenwoordigd. De dikwijls afschuwelijke kwellingen, die zij zichzelf aandoen in hun ascetischen drang, zijn van allerlei aard. De oud-indische litteratuur schildert ze veel in hun zeldzame afwijkingen, en die getuigenissen uit het grijs verleden worden door hedendaagsche opmerkers bevestigd. Zoo is het bijv. een geliefkoosd gebruik, dat de asceet in de gloeiende indische zon tusschen vier brandende houtstapels gaat zitten. In het drama "Sakuntala" wordt een Yogin geteekend, die jarenlang als een paal stilstaat, mieren hebben hun nest gebouwd om zijn lichaam en in zijn verwilderd hoofdhaar nestelen de vogels. Dat is niet louter dichterlijke fantasie. Een andere kwelling is het zitten en zelfs slapen op een plank, waarin spijkers zijn geslagen, ook de schoenen zijn dikwijls van binnen van scherpe spijkerpunten voorzien. Hierbij zal wel de gevoelloosheid eene rol spelen, die bij zekere zware zenuwziekten een veel voorkomend verschijnsel is. Daarbij komt natuurlijk ook bedrog voor; zoo hoorde ik van een Yogin, die zijn rug spaarde door een blikken plaat onder zijn kleeding te dragen. Een zeer moeilijke en pijnlijke oefening bestaat hierin, dat de asceet dagen--ja wekenlang, op een stok geleund, op één been staat. Het ophangen aan een boom of paal, met het hoofd naar beneden, komt ook voor, en is door europeesche reizigers gezien. Onuitputtelijk is de vindingrijkheid der Yogins in het uitdenken van dergelijke martelingen. Zoo bindt een dezer lieden zijn arm vast aan een stok, zoodat het lichaamsdeel loodrecht omhooggestoken blijft. Het gevolg is volkomen verstijving of verlamming, zoodat de arm niet weer in de natuurlijke houding kan worden teruggebracht. Of de boeteling houdt de hand zoolang gesloten, tot de lange nagels al groeiend tusschen vleesch en beenderen tot den rug der hand doordringen. Dikwijls brengen zij zichzelf gruwelijke verminkingen toe, die als uitingen van religieusen waanzin moeten beschouwd worden.
Over geen der wonderlijke handelingen van de zoogenaamde "fakirs" is in Europa zooveel gesproken en geschreven als over hun vermogen, zich kunstmatig in werkelijke schijndooden te veranderen, en zich in dien toestand zelfs te laten begraven. Daaromtrent zijn waarnemingen gedaan, die elken twijfel buitensluiten. Reeds in de 17de eeuw bericht de fransche reiziger Thevenot, een zeer betrouwbaar opmerker, dat fakirs zich "voor een bepaalden tijdsduur in kuilen onder de aarde lieten begraven". Uit het jaar 1728 dateert de mededeeling, dat indische asceten negen of tien dagen in een grafkuil bleven liggen, zonder voedsel en in dezelfde houding,--lucht werd hun door een kleine opening toegevoerd. Een werkelijke begrafenis van een Yogin, waarbij het lichaam in een kist lag, heeft tusschen 1820 en '30 plaats gehad. Door geregelde bewaking van het graf en andere maatregelen was daarbij geen mogelijkheid tot bedrog.
Het is echter een vergissing, als men meent, dat deze kunst veelvuldig door de Yogins wordt beoefend. Inderdaad is er slechts één man geweest, die door oefening van jaren den kataleptischen toestand zóólang wist te doen voortduren, dat de levensgeesten gedurende veertig dagen zoo goed als geweken waren, en hij al dien tijd onder de aarde lag. Het was de Yogin Haridas, die zich viermaal,--en wel tegen goede betaling--liet begraven, drie, tien, dertig en veertig dagen achtereen. Noch vóór hem, noch na zijn dood, in 1837, is in Indië een Yogin bij machte geweest tot een dergelijke prestatie. Ons zijn twee gevallen bekend, waarin deze proefnemingen van Yogin's met den dood eindigden.
Haridas was afkomstig uit Lahore, in het noordwesten van Indië, en leidde als Yogin een zwervend leven. Hij werd wegens zijn bijzondere gaven algemeen als een heilige vereerd. Hoe hij zijn schijnbaren dood voorbereidde wordt ons uitvoerig medegedeeld. Eenige dagen te voren gebruikte hij niets dan wat melk. Op den dag der begrafenis slikte hij een smalle strook linnen in van dertig ellen lengte, en trok dien weer uit de keel terug. Daarna zette hij zich tot aan de schouders in een met water gevuld bad. Het doel was de verwijdering van alle vreemde stoffen uit maag en ingewanden. Daarna stopte hij was in de ooren en neusgaten, en boog zijn tong achterwaarts in de mondholte. De ademhaling hield nu op, en weldra trad verstijving in. Haridas zag er thans volkomen uit als een lijk. Het lichaam werd in een doek gewikkeld en in een kist gelegd, die van een stevig slot en grendels was voorzien. Daarna werd de kist neergelaten in een kuil van vier voet diepte; de aarde werd vastgestampt, en gerst hierin gezaaid. De plek werd voortdurend bewaakt door mohammedaansche soldaten. Toen Haridas na veertig dagen werd opgegraven vond men het lichaam precies in dezelfde houding. De armen en beenen waren stijf en gerimpeld, het hoofd lag als bij een doode op den eenen schouder. De europeesche medicus, die het onderzoek leidde, kon pols, hartslag noch ademhaling constateeren.--Thans gingen leerlingen van den Yogin aan het werk, die het lichaam baadden in zeer warm water, armen en beenen masseerden en meermalen gloeiend tarwedeeg op het hoofd legden. De waspropjes werden uit neus en ooren verwijderd, de mond geopend met een tusschen de tanden geschoven mes, en de tong naar voren getrokken. De oogleden werden ingewreven met gesmolten boter, en geopend; de oogen waren nog dof en strak.
Weldra vertoonden zich stuiptrekkingen, de neusvleugels bewogen, de spieren spanden zich. Op dat oogenblik goot een dienaar Haridas gesmolten boter in den mond. Na enkele minuten kregen de oogen hun natuurlijken glans terug. Het volle bewustzijn was weergekeerd omstreeks een half uur nadat het lichaam uit de kist was genomen. De uit den dood opgewekte sprak, hoewel zacht en met zwakke stem, met de omstanders.
Hoe is dit verwonderlijke en ook in Indië in zijn soort eenige geval te verklaren? De physiologie geeft daarop haar antwoord. Het feit is haar bekend, dat er toestanden zijn, waarin het levensproces wordt gereduceerd tot een minimum, dat toch nog tot het doen voortduren van dat proces voldoende is. De Yogin had zich in dien staat van uiterste beperking aller levensfuncties weten te brengen. In dien toestand was ook de geringe luchttoevoer voldoende, die door de aardlaag in de kist kon dringen. Het lichaam wordt onderhouden door het verbruik van zijn eigen vet en celweefsel. Ook Haridas was sterk vermagerd. Bij langeren duur van de proef zou stellig de dood zijn ingetreden.
Nog blijft de vraag onopgelost, hoe het den Yogin mogelijk is, den kunstmatigen stilstand van hart en ademhaling te bewerken. De Weener medicus L. Schrötter beschouwt het als 't gevolg van willekeurige samentrekking eener halsspier. Voor den lang aanhoudenden duur van dezen kunstmatigen schijndood heeft men nog geene verklaring weten te vinden. Er werd beweerd, dat Haridas een narcotisch middel innam eer hij zich in den toestand van katalepsie bracht. In ons klimaat zouden dergelijke proeven niet mogelijk zijn; hiervoor wordt een indische temperatuur vereischt, waardoor de gloeiende bodem ook nog op vrij groote diepte het lichaam zooveel warmte schenkt, als noodig is vóór zijn levensbehoud.
De hier medegedeelde feiten zijn van historisch zoowel als medisch standpunt beschouwd, aan geen twijfel onderhevig. Zeker is het dat de Indiërs dingen verrichten, die onze kracht te boven gaan; doch buiten de grenzen der natuurlijke mogelijkheid liggen ook de kunsten der Yogins niet. Slechts eene oppervlakkige kritiek zal alles voor onwerkelijk houden, wat haar eigen wezen vreemd is; doch men begeeft zich op gevaarlijke wegen, zoo men voor de hier vermelde feiten andere dan natuurlijke verklaringen zoekt.