Een Droom

Part 8

Chapter 82,255 wordsPublic domain

„Weet je wat nu ’t geluk is?” fluister ik haar toe. „Hier altijd blijven droomen in je schoot, en somtijds heel even wakker worden, en dan de sterren zien van je oogen, en dan een kus van je krijgen, en dan weer droomen van dien kus....”

Zij legt een vinger op haar lippen, wenkend dat ik niet spreken mag, en zóó heel stil moet blijven.

Totdat de anderen komen, die nog achterbleven, lig ik in het blinkende, groene gras, en rust mijn hoofd in haar schoot, waar zij liefderijk over mij zit heengebogen, als een stille, wakende engel, zwijgend, in groote eerwaardigheid. En zóó ver, zoo héél ver beneden ligt de wereld, en zóó hoog in ’t hooge zijn we hier verheven, dat het mij is, of nu het einde is gekomen, en ik enkel een ziel ben die, der droeve aarde ontstegen, hier landde in Gods reinere regionen, waar één van Zijn lichte engelen haar wachtte, en zacht-genadig opnam in zoo kuischen schoot....

Alle gasten in ’t hôtel hebben een feestje bereid den avond vóór Annie’s vertrek. Er is muziek gemaakt, en gedanst en champagne geschonken. En doodmoe ging ik ’s avonds laat naar bed.

Na een koortsachtigen, bangen slaap word ik om zes uur wakker. De zon is opgekomen, en jonge stralen lichten in mijn kamer.

En ineens, benauwend, een denken: „Ze gaat weg, ze gaat wég.”

Ik ril en huiver.

Gauw nu aankleeden, en naar buiten, naar het terras. Hoe heerlijk schoon is de morgen! De wereld is een puur paradijs van lichten vrede. Hoe blij en liefelijk staan de bloemen om mij heen! De rozen, de viooltjes, de blauwe verbenas, de resedas, de heliotropes! Hoog rijzen de goede bergen ten hemel. Ardjoenå lacht zijn goden-lachen in de stralende zon. Beneden ligt de vlakte in gouden waze, met verheerlijkte kleuren, Er lijkt niets veranderd. Blinkend blaakt nog de droom...

En ik kán, ik kán het niet gelooven. Het is alles zoo goed en warm en licht rondom! Ik buig mij over zachte bloemen, en pluk ze, voorzichtig, nog nat van dauw. Dit zullen mijn láátste bloemen zijn.... De allerlààtste bloemen van liefde, die ik nog ooit een lieve vrouw zal geven....

Nu naar haar kamer. Gelukkig is er nog niemand op het plein. En daar staat ze voor de deur. Zoo licht, zoo glanzend van warme goedheid in den morgen, haar kindje naast haar.... Een zachte wijding is om haar heen.... Liefelijk lichten daarin haar oogen....

„Dag Annie, dag lief mevrouwtje,” zeg ik, en ik houd me goed, waar tranen in mijn oogen staan. „Ik heb voor ’t laatst nog wat rozen en héliotrope geplukt, de afscheidsbloemen....”

Het vriendelijk lachen van haar licht gezicht.... O! het gebaar, waarmee ze nu mijn bloemen aanneemt!.... Wie heeft gelegd de vrome gratie in die teêre leden, dat elk gebaar zoo zacht maakt als gebed?.... En uit haar lieve ziel komt die stem, die dankbaar zegt:

„Dank je wel, hoor, ik ben er héél blij meê, ik zal ze goed bewaren....”

Dàn, inééns heel hartelijk, en verontschuldigend voor gisteren:

„Het spijt me zoo dat we gisteren avond niet wat alléén konden zijn, en al die menschen er bij kwamen. Het zou met ons vijven zoo véél gezelliger zijn geweest. Maar ik kon er niets aan doen.”

Hoe klein is ze nog! Ze lijkt wel de groote zuster van haar kindje! Ze is nog zoo héél erg een Meisje zooals ze daar staat! Ze heeft haar blauwe blouse aan met witte cirkeltjes. Haar parelgrijze rijrok, die zoo ruischt. De blanke, ópgeslagen manchetten, en het ópstaande boordje, met de groote, witte das. Een wit stroo matelotje op, met wit zijden lint. Zoo blij, dat blauw in den morgen! Alles zoo frisch en blank aan haar! Wat is ze nu dicht bij me, nu ik haar hand nog vasthoud! Ik zie het héél fijne, blonde dons op haar wangen, en een teêre ader, bleek-blauw, bij haar slaap. Haar glanzende gouden krullen bewegen een beetje in den wind. Ze lijkt zoo héél voor mij, zóó, even maar te grijpen, en dan te houden, o! vást, vást te houden voor héél het leven, en nooit weêr af te staan!

En straks zoo vèr, zoo vèr, zoo vèr.... Dra is de lieve droom voorbij....

Ik buig mij over haar kindje, en kijk het kereltje in zijn koddige, blauwe oogjes. De oogen van zijn moeder! Ik vraag hem, of hij blij is, weer terug naar de stad te gaan.

„Fritsje liever hier blijven,” zegt zijn stemmetje.

Een fijne, nog heel zachte stem, met iets oneindig teeders en bedeesds. Zoo’n klein, klein kleutertje! Hij is een heel klein stukje ziel van Annie, uit háár zachte gratie weggedroomd, hier in ’t harde leven.

En ineens, heel klaar en pijnlijk vóór me, als een zaligheid hopeloos onbereikbaar: Een kindje van mij en Annie! Door mij uit haar lieve lijf gewekt, en mijn ziel met háár lieve ziel te zamen!

Ik zie haar droevig aan, en zwijgend ziet ze in mijn oogen. Zou ze het hebben gelezen, mijn lief geheim?

Daar komt Sophie haar kamer uit, en maakt een einde aan de spanning, die ontstond. Ze ziet wel dat er iets gebeurt en spreekt van ’t mooie weer, en den heerlijken rit die nog te maken is, en van nu nog maar eens goed profiteeren. En daar komt Mary ook, mijn trouwe, zachte zuster. Ze kijkt heel bezorgd naar me, wetende wat nu voor mij gebeuren gaat. Nu even nog naar het achterplein van ’t hôtel gaan, en groeten, en handen geven aan wat gasten, dan de trap af, naar de paarden, die beneden staan.

Wiono, het mooie goudvosje, zal haar wegbrengen.

Daar staat ze weer naast haar paard, zooals zoovele, heerlijke malen! Het is of ’t weer een nieuwen pleiziertocht geldt, zoo in den jongen morgen, met al de bergen zoo licht in de zon, en de wind zoo blijde waaiend. De droom blinkt nog in volle glorie....

Nu weer de handen saâmgevouwen voor haar òphouden, en hoe lucht, als een vogeltje dat vliegen gaat, springt ze in het zadel! Zie nu haar kleine voetje in den beugel steken! Hoe fijn, haar broze enkel. Wat is zoo’n lieve vrouw toch van louter zachtheid en teederheid gemaakt! Hoe is dit toch bestaanbaar in het harde, harde leven.... Maar neen, het leven is niet hard; zie nu toch die bergen, glanzende in de zon, die blinkende hemelen, waar de blanke wolkenstoeten drijven!.... Het leven is licht, en vreugde, en geluk....

Nu rijden wij weg, Mary met Sophie en Hendrik Wouters een eind achter, Annie en ik weer vooruit. Hoe zet zij haar paardje weer aan! Al heel gauw rijden wij alleen.

Er gaat een zachte gedachte in mij om, heel droef. „Ze gaat wèg van je, Rudolf, wèg, wèg....”

Maar het lijkt te onbestaanbaar.... Het komt zoo héélemaal niet bij het lichte geluk rondom.... En ik lách even om mijn eigen vrees.... Dáár is ze immers vlák, vlàk bij mij.... Als ik éven mijn hand uitsteek voel ik haar zachten arm.... Ik zie de goudblonde krullen, zachtjes waaiend om haar hoofd.... Hoe lief lacht ze mij toe, hoe hoort haar vriendelijk oogenschijnen zoo ganschelijk bij mijn ziel....

Wij spreken ook héél niet over scheiden. Wij spreken over hoe mooi het is rondom, waar wij zachtjes dravend door den breeden weg gaan, met overal in de verte bergen, en wolken, en horizonnen, en rechts de diepe ravijnen, waar de zon schittert en flikkert in licht bewegend groen. Zij is weer zoo blij en lacherig als een kind in den jongen morgen, en het leven is goed, o! het leven is goed en gelukkig, met het lief gekweel van vogelen rondòm, en het liever klinken van haar melodieuze stem!

En tòch, en tòch, heel zacht, die vreemde weifeling héél vèr van binnen in mijn ziel: „Dit is het einde, dit is het einde... nu komt de nacht weer voor je, de lange, bange nacht”.... Dan rijd ik heel dicht naast haar, en neem haar hand in de mijne, en voel wat angstig of het nog heúsch, heúsch wel waar is, als een, die in een droom de dingen angstig betast, bang dat hij aanstonds weêr zal ontwaken....

Zij laat haar hand gewillig in de mijne. De paarden loopen even naast elkaar.—Somtijds wil ik nog vragen: „Annie, je gaat toch niet weg, hè? het is maar wat jokken, hè, van dat weggaan? Je blijft nog bij me?....”

Maar ik ben bang, o! bang om het te zeggen. Er gaat een duizeling door mijn hoofd. En mijn hart hoor ik hamerend kloppen....

En het kán niet, het kán niet! Kijk! alles is immers nog éven mooi.... De koele, reine lucht, en al dat groen, dat blinkende, wuivende, ruischende groen rondom.... Alles is er nog, alles, éven mooi.... Dáár, kijk, de figuurtjes in haar blouse, zoo wèlbekend, dáár is haar dasje, haar hoed, haar ceinture.... Het is vlák naast me, als ik éven de hand uitsteek is het mijn....

Voel maar, hier is haar eigen hand, zoo zacht en warm....

Maar nu voel ik het weer warrelen en duizelen in mijn hoofd nu ik dit schrijf.... En toch, het móet, ik wíl het, ik wil het neêrzetten in dit dagboek.... Maar ik wéét het niet meer, ik wéét het heusch niet meer.... Hoe is het ook weer gebeurd....? Ai! mijn hart klopt zoo, mijn hart klopt zoo.... O ja.... we waren, inééns, en toch moet het eerst na anderhalf uur zijn geweest, we waren ineens in het kleine, stille Hôtel van Poespo. De anderen waren ook gekomen. Er was een tafel gedekt. En we hebben samen ontbeten. Er is gelachen, en gezongen, en wijn gedronken. Het was zoo verschrikkelijk prettig.... Toen kwam er iemand iets zeggen van hoe laat, en van den trein in Pasoeroean.... Wat?.... ja, de trein.... in Pasoeroean....

En Annie staat ineens op, en loopt weg van tafel. Ik haar na. Ik begin weer te begrijpen....

Ze staat opeens met me achter, bij de bijgebouwen, waar het water uit een bergwand schiet....

„Ik ga weg,” zegt ze, „ik ga weg.... ik vind het verschrikkelijk, zoo’n afscheid.... het héérlijke Tosari, het héérlijke, verrukkelijke Tosari.... maar ik moet weg.... ik moet naar mijn man, hoor je ’t, naar mijn man.... dag Rudolf....”

Dit is niet meer mijn vroolijke Annie. Dit is al niet meer haar stem.... Dit droeve en zoo vast serieuze is niet van Annie.... Ik probeer haar niet tegen te houden. Het is onherroepelijk.... Want, opééns wéét ik het weêr, fèl, scherp, hard wéét ik het, dit is het einde van een droom.... het hel ontwaken.... het is onverbiddelijk, genadeloos....

Ik kan niet spreken. Ik voel de groote tranen in mijn oogen. Ik durf haar niet meer te kussen, ze is al te vèr, de droom is nu al veel te broos op ’t breken.... Ik voel dat ze mijn hand drukt, en de tranen nu langs mijn wangen gaan....

„Ik kán ’t niet zien, ik kán ’t niet zien,” roept ze angstig. „O! laat ik nu toch weggaan!....”

Daar vóór het huis staan karretjes klaar. Ik zie het nu zwijgend aan. Er worden koffers opgeladen. De anderen zijn er nu ook, maar ik weet niet wat te zeggen. Ik zie alléén dat Annie nu in het achterste karretje stapt, en haar kindje bij zich heeft.... Mary kust haar, en zij geeft Wouters en Sophie een hand.... en roept nog wat liefs....

Langzaam, langzaam rolt het wagentje vooruit... Dáár, dáár.... wèg, wèg.... Nog even, nog éven. Ik ren nog éven vooruit, en ’t wagentje houdt op.... „Annie! Annie!” roep ik.

Ze zit zoo héél, héél stil.... Haar donkere oogen blinken van zoo zachten glans.... O! die zachte tranen, uit haar ziel geweld om mij!....

„Annie! zal je nog wel eens een héél enkelen keer om mij denken? Zal je me niet héélemaal vergeten?....”

„Neen, Rudolf, dat wéét je wel.... Kijk, je bloemen van vanochtend, die ik in de tandoe bij mijn kindje heb gelegd, ze zijn al heelemaal verlept.... maar ik zal ze áltijd, áltijd bewaren als een aandenken.... ik zal altijd aan je denken....”

Nog éven voel ik haar handen op mijn brandend hoofd, troostend en zegenend, waar ik mij diep heb gebogen voor haar zachte gratie.... Ik hoor haar stem nog éven klinken vol droefenis, waar ze mij vaarwel zegt.... O! nog éven zie ik haar zachte ziel, blinkend in haar oogen....

Dan gaat het vàn mij, ver en verder....

Daar gáát ze, o God, mijn God, daar gáát ze.... Ze wuift en wuift nog met haar zakdoek, ze roept nog lief gedag, en wuift en wuift.... mijn arme, verlepte rozen en héliotropen verspreid over haar schoot, met haar kindje tegen zich aan....

Nu is het over.... Nog èven, èven, een winding van den weg... Haar rank, licht figuurtje... Ze wuift en wuift....

En de droom, de droom is voorbij....

AANTEEKENINGEN

[1] De tjemara, een conifeer, is een boom die een indische den lijkt maar toch geen den is (casuarina montana).

[2] Maar heel zelden zijn datums vermeld. Achter elken dag liet hij een kleine ruimte open.

[3] Wonokitri—Sedaeng—Proewono.

[4] Dit vogeltje is de „telèdèkan” (dansmeisje), zoo genoemd om zijn schitterende kleuren.

[5] Eigenlijk beteekent Dasar „grond, bodem enz.,” dus meer bodem van de Zandzee. Zandzee is „Segoro Wedi.”

[6] Eigenlijk is dit „sari” niet de bloem zelf, maar het intiemste centrum der bloem, de plaats van den fijnsten geur, de essence.

[7] Widodaren = luchtgeest.

[8] Dicht bij deze dessa ligt het rustige Hôtel Tengger van den heer Elfferich, in een zeer schoon, vredig dal.