Chapter 7
Zoo heette het ding niet; dat hadden de studenten maar gemaakt van een eertijds geliefd minnelied. Was K'dunk een Duitsch dirigent geweest, dan had zij niet zóó onmiddellijk en zóó echt haar meening kunnen te kennen geven over dat ellendige gejammer. De malle woorden waren het niet; die kon zij gelukkig niet begrijpen; en ook de ongelukkige tingeltangel-muziek nog niet zoozeer, die werkelijk de moeite van 't verzoek niet waard was, maar eigenlijk de stem zelf, dat gemaakte, onnatuurlijke geluid, waar tenoren zich zoo dikwijls toe dwingen. Bij de eerste schelle tonen werd K'dunk onrustig. Toen scharrelde zij haastig naar den rand van de veranda en viel halsoverkop naar beneden in haar haast om weg te komen van dat door merg en been dringende gezang.
Die plotselinge vlucht veroorzaakte bijna een opschudding en een vreeselijke zonde tegen de gastvrijheid onder de paar menschen, die haar kalmpjes bespiedden. Om een onweerstaanbare lachbui te verbergen glipte ik K'dunk achterna, die zich regelrecht naar de rabarberplanten haastte, eer zij ophield met hippen. En toen ik dat deed, hoorde ik de vriendelijke mevrouw James, die de goedheid en gastvrijheid in persoon is, hevig in haar zakdoek hoesten, alsof de leelijke tocht haar gevoelige keel had aangedaan; maar het klonk mij meer als 't snikkeren van een eekhoorn, dien ik eens in een hollen pompoen hoorde gichelen. Hoe 't ook zij, de tenor zong verder, en alles liep goed af. Ondertusschen was K'dunk bezig aan de belangrijker taak den tuin te zuiveren van schadelijke insecten, terwijl zij zich af en toe op haar grappige manier overeind zette en zich op de plaats krabde, waar haar oor moest zitten.
Het was niet lang hierna, toen wij allen meer dan ooit van K'dunk hielden, dat het merkwaardigste staaltje van haar wonderlijke leven aan den dag kwam. Anders dan de hoogere diersoorten krijgt K'dunk niet het minste onderricht van haar ouders. De lagere diersoorten leven zoo'n eenvoudig leven, dat ze genoeg hebben aan hun instinct; en daarom plaagt de natuur, die soms zoo zorgzaam, soms zoo verkwistend is, ze niet met overbodig onderwijs. Maar ze heeft menig ding voor onze oogen gedaan, dat door instinct niet te verklaren was, en er rezen veel moeilijkheden, waar aangeboren kennis niet toereikend voor was; en dan zagen we haar ongelukkige beetje verstand opwerken tegen de onverwachte vraagstukken van het heelal. Toen de zomer hoe langer hoe warmer werd, liet K'dunk de trap in den steek en maakte zich een beter hol. Alle padden doen dat op snikheete dagen--hollen een schuilplaats uit onder een zode of wortel of vermolmde boomstomp en dutten daar in de koele, vochtige schaduw, terwijl de zon daarboven schroeit. Vlak voor het trapje liepen wat breede, platte steenen over het gras naar het trottoir. De vorst van vele winters had ze gescheiden, sommige meer, andere minder, en nu vertoonde zich een lint van groen gras tusschen verscheiden steenen.
K'dunk ontdekte op de een of andere manier, dat, waar het lint het breedst was, de dunne zode een holte er onder bedekte, en hier toog zij aan 't werk, tot het gras meegaf en zij een ruim hol binnentuimelde onder een van de platte steenen. Hier was het altijd koel, en op staanden voet liet zij de trap in den steek om de loome Augustusdagen door te slapen op het betere plekje, dat zij zoo listig was geweest te ontdekken.
Nu werd K'dunk, doordat zij altijd een goede jacht had in den tuin en bovendien veel te eten kreeg van ons, hoe langer hoe dikker. Soms, als zij 's morgens naar huis kwam wippen, geweldig uitgezet door de ontelbare insecten die zij gegeten had, vond zij de opening tusschen de steenen onaangenaam nauw. Andere padden hebben dezelfde moeilijkheid, en om daaraan te ontkomen krabben ze eenvoudig den ingang van hun hol een beetje wijder; maar al krabbelde en duwde K'dunk ook nog zoo hard, zij kon de steenen niet verwrikken.
Zij krabde den ingang breeder, den eersten keer nadat zij hard geduwd had, maar dat hielp niet; de toegang bleef nog ongemakkelijk nauw, en zij deed me dikwijls denken, wanneer zij haar woning binnenging, aan een heel dik, deftig persoon, die zich door een draaikruis tracht te persen, er eindelijk met een steunenden zucht al trekkend en duwend doortuimelt en zich omkeert om die uitvinding verontwaardigd te bekijken. Haar hol uitkomen was gemakkelijk, want gedurende den langen dag had zij haar maaltijd verteerd en was weer geslonken; maar het was de vraag hoe er 's morgens met een volle maag weer gemakkelijk in te komen.
Op een morgen zag ik haar uit den tuin komen, en ik wist onmiddellijk dat haar nog grooter moeite te wachten stond. Zij had dien nacht een paar rijke insectennesten ontdekt en geweldig gegeten; haar "fraai rond lijfje" sleepte over 't gras, toen zij meer kruipend dan hippend naar haar ingang ging, en haar eenige wensch scheen te zijn suf haar hol binnen te tuimelen en te gaan slapen. Maar helaas! zij kon er niet in. Ze had eindelijk de grens overschreden. Eerst stak zij kop en schouders naar binnen, en trachtte met aanmoedigende zetjes, door aan den onderkant van de steenen te trekken, er in te komen. Alles tevergeefs! Haar dikke lichaam bleef tusschen de halsstarrige steenen steken en kwam er slechts hoe langer hoe vaster te zitten. Het opgezette gedeelte aan den buitenkant was zooveel grooter dan het gedeelte binnen, dat zij het bij den eersten blik al zou hebben opgegeven, als zij zichzelf maar eens had kunnen zien. Maar zij werkte voort met wonderbaar geduld, tot zij wist dat 't nergens toe diende, en zij er zich weer uittrok en voor haar ongastvrije deur ging zitten kijken, knipoogend en verfomfaaid, en heelemaal bedekt met stof en gras wortels. Terwijl zij daar zoo zat, krabde zij zich telkens op de plaats, waar haar oor moest zitten, alsof zij nadacht.
Na een poosje draaide zij zich om, alsof zij het vraagstuk had opgelost, en stak haar achterpooten in het hol. Zij ging 't achterste voren, maar voorzichtig, onhandig, alsof zij er niet aan gewend was. Dit was echter nog erger dan het andere, want haar onhandelbare buik bleef slechts hoe langer hoe vaster steken, en, met een poot aan weerskanten, elke duw lichtte haar op in plaats van haar naar beneden te brengen. Zij gaf het gauwer op dan eerst, omdat haar kop nu aan den buitenkant was en zij beter zien kon hoe zij opschoot. Eindelijk ging zij liggen, alsof zij het vraagstuk had opgelost, en trachtte zich in de lengte door haar langen doorgang te wurmen. Dat ging beter. Zij kon er òf haar achterpooten, òf haar kop en schouders doorkrijgen; maar, als met de emmers in den put, zoodra 't eene eind neerging, ging 't andere op, en nog weigerde haar dikke, onhandelbare lichaam er met de rest door te gaan. Toch leek het, alsof zij vorderde, want telkens als zij met kop of pooten wipte, werd haar ongemakkelijke maaltijd in een beter vorm gebracht. In 't laatst raakte zij te zeer beklemd en moest zij veel harder krabbelen om er uit te komen, dan zij had hoeven te doen om binnen te raken. Met een wanhopigen ruk en een schop bevrijdde zij zich ten leste en zat, weer heelemaal verfomfaaid, peinzend voor haar deuropening te kijken.
Plotseling keerde zij zich om en liet haar achterpooten in het gat zakken. Zij ging dezen keer behoedzamer te werk, bang dat zij er in zou loopen. Toen zij er zoover als zij kon door was, zat zij een poosje doodstil, terwijl zij zich aan weerskanten met een poot ophield. Langzaam gingen haar kaken open--en heel nieuwsgierig naar een eigenaardige hikkende beweging die zij maakte, kroop ik op handen en knieën nader en keek haar in haar wijdopen bek. Daar had je haar maaltijd, allerlei soorten van vliegen en nachtinsecten, die stukje voor stukje naar boven kwamen en in haar grooten bek als in een mandje werden gehouden, terwijl haar maag beneden werkte en nieuwen aanvoer naar boven stuurde om den druk te verlichten.
Langzaam gleed zij omlaag, naar gelang de steenen hun harden greep verslapten. Een gewurm, een gekronkel, een behaaglijke draai met haar maag, een plotselinge schok--en 't was geschied. K'dunk rustte op iederen steen met een poot, haar lichaam veilig er onder, en haar mond nog wijd open er boven hield haar kostbaren inhoud als een ouderwetsch valies, dat opengesprongen was. Toen slikte zij met groote slokken haar verstoorde maal weer in en verdween met een laatste gekrabbel in haar koele hol.
Dien avond kwam zij er niet uit, maar den volgenden avond was zij als gewoonlijk in den tuin bezig. Tot onze groote spijt verliet zij èn de verandatrap èn het hol met zijn nauwe opening onder de platte steenen. Misschien had zij op haar manier de vraag overwogen, wat er van haar geworden zou zijn, als de uil haar gesnapt had bij haar thuiskomst dien morgen, want toen ik haar weer aantrof, zat zij veilig in de holte onder de wortels van een ouden appelboom, waarvan de ingang wijd genoeg was om er haastig in te duikelen, hoeveel zij ook gegeten zou hebben. En daar bleef zij overdag, zoolang ik haar bespiedde.
Er bleef nog een merkwaardig trekje over, dat ik in de laatste dagen van den zomer ontdekte; en dat was haar scherpzinnigheid om het beste terrein voor haar jacht uit te zoeken. Vlak achter haar hol in den ouden appelboom was een muur, waaronder 't vol zat van allerlei insecten. K'dunks hol was aan den oostkant, zoodat de zon bij 't ondergaan de koele schaduw van den muur over de plek wierp en ons vriendinnetje vroeger dan gewoonlijk voor den dag bracht. Zij had op de een of andere manier ontdekt dat de westkant van den muur de laatste stralen van de zon opving en bewaarde, en dat er laat op den middag vliegen en allerhande insecten op de warme steenen kwamen neerstrijken of rondkruipen om warm te worden. Zij maakte zich een gang onder den muur, vlak achter haar hol, en ging dan aan den westkant dicht tegen een zekeren grijzen steen liggen, zoodat haar grauwe kleur haar volkomen dekte, om de vliegen op te pikken als ze neerstreken, even snel en zeker als een hagedis. Als kevers en andere insecten uit hun holen kropen om zich een poosje op een warmen steen te zonnen, lag K'dunk, wier blik over haar jachtgebied heen en weer gleed, stil, tot ze goed en wel zaten, en kroop dan omzichtig, tot zij ze binnen haar bereik had en sloeg ze naar binnen met een floep van haar tong, dien 't oog nauwelijks volgen kon. De twaalf middagen ongeveer dat ik haar daar gadesloeg heb ik haar nooit een keer zien missen, terwijl het aantal vliegen en insecten dat zij verdelgde tot in de honderden moet hebben geloopen.
In dezelfde wei graasden vier of vijf koeien, en met mooie dagen werden ze buitenshuis gemolken in plaats van naar stal gedreven te worden. Nu hebben zij, die koeien onder 't melken hebben gadegeslagen, waarschijnlijk wel opgemerkt, hoe de vliegenzwermen om hun pooten in dikke kluiten boven de hoeven zitten, waar het zenuwachtige zwiepen van den staart ze niet verstoren kan. K'dunk had dat ook gezien, en vaak gedurende den melktijd, als de koeien stilstonden, ging zij naar een bepaald dier uit de kudde toe, kroop boven op den eenen hoef na den anderen en hapte elke vlieg er af, die onder haar bereik kwam. Dan sprong zij op naar de hoogste, die zij bijna altijd raakte, en tuimelde op haar rug na een gelukten hap. Maar in een wip was zij weer boven op den hoef geklauterd en zat zij af te wachten, tot de volgende vlieg binnen haar bereik zou neerstrijken. Het opmerkelijkst van alles was dat zij zich aan één koe hechtte, en deze van de kudde uitzocht, wàar ze ook gemolken werd. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, kwam zij nooit in de buurt van de andere; en het was alsof de koe na een poosje de pad als vriendin herkende, en dikwijls nadat ze gemolken was stilstond, zoolang K'dunk op een van haar hoeven bleef zitten.
Toen de zomer ten einde liep en het groen in den tuin verdween, verliet zij dien ook en trok al verder en verder de wei in op haar nachtelijke jacht. Zij werd ook minder tam, zooals 't met alle dieren gaat in den herfst, tot ten leste geen fluitje, hoe hard ook, haar terug kon lokken. Of de uil haar ving, of dat haar nog het lange leven te wachten staat, dat de Natuur aan de padden schenkt, weet ik niet; maar onder den rand van het portulacabed is, terwijl ik zit te schrijven, een verdachte holte, die vorst en sneeuw niet geheel verborgen hebben. Ik zal deze in de lente met meer dan gewone belangstelling gadeslaan, om te weten of K'dunk, de dikkerd, zich haar oude vrienden nog herinnert.
MOOWEEN'S HOL.
Eens, na een langen tocht door het zware bosch langs den oever van de kleine Zuidwestrivier, kwam ik op iets dat op een ouden weg leek, die den vorigen winter uitgepaald was, en daar ik niets beters te doen had, volgde ik dien om eens te kijken, waar hij me heen zou leiden. Andere voeten dan de mijne waren kortgeleden ook dien kant uit gegaan, want elke zachte plek in de aarde, elke vermolmde boomstronk die daar lag, elk polster moerasmos en modderige plaats naast de beek had diepe prenten van voetzolen en indrukken van nagels, om me te verklappen dat Mooween, de beer, vele malen datzelfde pad heen en terug was gegaan. Nu wist ik wat ik er aan het andere eind vinden zou, en was in 't geheel niet verbaasd toen het me naar het open terrein van een groot houthakkerskamp naast de rivier leidde.
Er is altijd een onweerstaanbare aantrekkingskracht in zulke plaatsen, waar menschen in het hart der bosschen hun eenvoudige leven geleefd hebben, afgesloten van de rest der wereld gedurende den langen winter, en ik begon dus voorzichtig om de hutten heen te sluipen, om eens te zien wat 'k vinden kon. De deur van den lagen stal hing uitnoodigend open, maar het was nu een donker, schimmelig oord, waar 't vies rook, hoe behaaglijk het er 's winters ook mocht zijn, en slechts de stekelvarkens waren er in doorgedrongen. Ik verliet het na een blik en stapte regelrecht op het eigenlijke verblijf aan.
De deur hiervan was stevig gesloten; maar er was een groot gat in het dak getrokken door beren, en ik kroop door dien ingang naar binnen. Mooween was hier verscheiden keer vóór mij geweest. Elk hoekje van het groote vertrek, de slaapbanken en de kasten, de kachel zelfs was onderstboven gehaald; de sterke hondenlucht van een beer hing overal, en bewees hoe kort geleden hij het daar doorzocht had. Hier in een hoek was een groote blikken trommel opengewrongen en er lag meel over den vloer en over de leuningbank voor den haard gemorst, alsof er een dwarrelwind over heengevaren was. Mooween was klaarblijkelijk speelsch geweest; of misschien was hij razend, dat dat goed waar hij zich zoo veel moeite voor getroost had te droog was om te eten. De witte prent van een klauw stond overal op vloer en muren afgedrukt. Dat was de klauw van een kleinen beer, die zeker laat gekomen was en zich tevreden had moeten stellen met wat de andere hadden achtergelaten.
Over den heelen balkenvloer was er een vat of een kruik rondgerold, eer het meel vermorst was, en ik wist onmiddellijk dat ik den beer op 't spoor was, die het eerst was binnengekomen, den kolos, die het gat in het dak getrokken en toen 't heele kamp doorgeneusd had zonder iets van zijn plaats te halen, eer hij vond wat hij zocht. Terwijl het voorwerp onder zijn voorpoot rondgerold werd, was er rijkelijk van den inhoud gemorst en Mooween was er overal achteraan gegaan, had opgelikt wat hij op den vloer vond en geen druppel overgelaten om 't geval uit te brengen; maar uit de vliegen, die elk zonnig plekje omzwermden, wist ik dat het iets zoets geweest moest zijn--suikerstroop waarschijnlijk--en dat Mooween, nadat hij alles opgegeten had, den emmer of de kruik meegenomen had om hem schoon uit te likken, zooals beren zonder uitzondering doen, als ze een houthakkerskamp plunderen.
Andere beren waren hem nagekomen in het kamp en hadden maar weinig van hun gading gevonden. Een had er een halfvol vat met varkensvleesch opengebeukt, en van den zouten inhoud geproefd en toen een stapel oude moccasins nieuwsgierig doorsnuffeld. Wel twaalf bijlen en slaghaken waren uit een ton getrokken en op den vloer gesmeten, om te zien of ze soms ook wat lekkers verborgen hielden. Elke pot en pan in de groote kast was er uitgehaald en belikt, om er achter te komen wat er 't laatst in gekookt was; en één beer was op zijn achterpooten gaan staan en had alles wat er op een hooge plank stond met een veeg van zijn poot er afgeschoven. Kortom, het kamp was grondig overhoopgehaald, en het baatte andere beren weinig of ze 't doorsnuffelden. Het was, alsof het kamp zwijgend op den terugkeer in 't voorjaar van de houthakkers wachtte om weer orde te scheppen.
Ik kroop weer door het gat in het dak en begon zorgvuldig het groote terrein te onderzoeken. Als Mooween iets naar buiten gedragen had, zou het niet ver te zoeken zijn; en het is heel merkwaardig, voor mij tenminste, iets te vinden dat het boschvolkje heeft aangeraakt of in handen gehad. De elzetak, dien de bever gisteren afgeknaagd heeft, of het moddertaartje, dat zijn voorpooten glad geklopt hebben; de knoest, dien de waschbeertjes als speelgoed gebruikt hebben in hun hol, om zich den tijd te korten als hun moeder weg was; de boom, waar twee of drie beren hun hoogte aan uitgemeten en met krabbels aangegeven hebben; de liggende boomstam, waar het hazelhoen "trommelt"; het afgestooten gewei van een eland; de prent van een onbekend dier; het oude hol van een lynx--al deze dingen en nog oneindig veel meer hebben een onweerstaanbare aantrekkingskracht (ik zou niet kunnen zeggen wat het is), die me wel een mijl van mijn weg aflokt, alleen om eens even te staan waar wilde pootjes stellig voorbij zijn gekomen, en om het zwijgende verhaal te lezen, dat ze achtergelaten hebben.
Voor de deur van het kamp was een reusachtige hoop spaanders, waar de mannen hun hout gehakt hadden gedurende den langen winter. Ik klom er op, in verbazing over den reusachtigen omvang, en veroorzaakte groot lawaai, toen de spaanders onder me uitglipten. Plotseling ontstond er een vreeselijk gerommel voor mijn voeten. Een beer stortte zich uit den spaanderhoop, alsof hij door een ontploffing de lucht was ingeblazen, en stoof halsoverkop het stille bosch in.
Dat was wel om van te schrikken op zoo'n kalmen dag. Ik liep te zoeken naar iets dat Mooween had achtergelaten, maar niet naar Mooween zelf. Ik bleef stokstijf waar ik was, op den hoop spaanders den beer staan nakijken, en me verbaasd afvragen, eerst waar hij vandaan kwam en daarna wat er gebeurd zou zijn, als hij in de hut geweest was, toen ik door het dak naar binnen kwam. Daarna ging ik naar beneden en ontdekte het wonderlijkste hol, dat ik ooit in de bosschen heb aangetroffen.
Aan den noordkant van den hoop was door den beer een gang gegraven van een paar voet lang, en het middelste van den stapel spaanders was naar buiten gegooid om een klein hol te maken, juist groot genoeg voor Mooween om in te liggen. Ik stak mijn hoofd naar binnen en merkte tot mijn verbazing dat het een echte ijshut was, waar sneeuw en ijs stevig tusschen de spaanders waren gevoegd. Ik onderzocht den stapel op andere plaatsen en ontdekte overal denzelfden stand van zaken. Een paar voet onder de oppervlakte was het ijs zoo prachtig gebleven, alsof het Januari was in plaats van midden in den zomer. Hier waren schaduw en koelte, die geen zon kon verdrijven, en opeens begreep ik hoe dat zoo wonderlijk gebeurd was.
Den heelen winter hadden de mannen het hout voor hun vuur op dezelfde plek gehakt; ze hadden slechts bijlen gebruikt en een reusachtigen hoop spaanders en afval gemaakt. Als het zwaar sneeuwde, hadden ze, in plaats van den boel op te ruimen, eenvoudig nog meer hout er boven op gehakt, terwijl ze de sneeuw er onder tot een vaste massa plattraden en ze weer met nieuwe spaanders bedekten. Zoo groeide de stapel--eerst een laag spaanders, dan een dikke sneeuwdeken, dan weer spaanders en weer sneeuw--en werd hoe langer hoe grooter, tot de houthakkers in April hun hut sloten om er op uit te trekken voor hun voorjaarswerk, het vlotten van balken.
Toen de lentezon de sneeuw in de bosschen ontdooide, bleef de groote stapel daar liggen, maar daalde langzamerhand bij 't warmer worden der dagen, 's Middags smolt de bovenste sneeuwlaag en sijpelde door de spaanders; 's nachts vroor het hard, zoodat de sneeuw van binnen geleidelijk tot zacht ijs werd. Toen alle sneeuw in de bosschen verdwenen was, bleef die in den spaanderhoop voor smelten beveiligd door de dikke houtdekens die haar bedekten; en de langste zomer zou nog niet voldoende zijn om ze te versmelten tot op de onderste laag, die de eerste sneeuw van den vorigen herfst vertegenwoordigde.
Toen ik de plek ontdekte, was het voor in Juli. De zon scheen zengend heet van omhoog, en de vliegen en muggen zwermden bij myriaden rond; maar in Mooween's hol bleven nog twee of drie ijslagen ongesmolten over. Het hol was zoo koel als een ijskelder, en geen enkele vlieg zou daar ook maar een seconde blijven.
Achter in het hol glom iets, toen mijn oogen gewend raakten aan de duisternis, en ik stak er mijn hand in en haalde 't voorwerp er uit. Het was een steenen kruik, en ik wist dadelijk waar de stroop in geweest was, die in 't kamp over den vloer was gemorst. Mooween had er waarschijnlijk de kurk afgetrokken en de kruik rondgerold, en de stroop opgelikt terwijl die er uitliep. Toen hij niet meer kon krijgen, had hij de kruik onder zijn arm genomen, terwijl hij door het gat in het dak klom, en ze nu in zijn hol gehouden ten einde ze nog eens van onder tot boven te belikken om een paar verdwaalde droppels, die hij misschien over 't hoofd had gezien. Mogelijk vond hij er troost in zijn tong of zijn neus in den hals te steken, om de zoetigheid te ruiken, waar hij niet meer bij kon.
Ik heb een of twee wonderlijke winterholen van Mooween gevonden, en ben zijn spoor eindeloos, mijlen ver door de sneeuw gevolgd, als hij uit een _hibernacalum_ verdreven was en een ander zocht in afgelegen wijkplaatsen, terwijl hij een spoor zonder einde maakte, met de duidelijke bedoeling elken jager uit te putten die zou trachten hem te volgen. Ik heb herhaaldelijk de waterbekkens gevonden, waar hij zich baadde, en hem midden in den zomer gadegeslagen, als hij zich een koel plaatsje zoekt--een troebelen tegenstroom in een forellenbeek onder de elzen, of een mossige holte aan den noordkant onder een groote, steile rotsrichel--om aan de vliegen en de hitte te ontkomen. Maar niet éen kon de vergelijking doorstaan met deze ijshut van de houthakkers, die zijn listigheid zich had uitgezocht, en die hij, volgens vele bewijzen in het rond, gewoon was dagelijks voor zijn slaapje te gebruiken, als de zon op haar heetst was; en geen van zijn vele eigenaardige trekjes trof me zoo sterk als het grappige overleg, dat hem noopte de kruik mee naar zijn hol te nemen. Daar was ze veilig, of Mooween thuis was of niet, want geen beer zal ooit het hol van een anderen binnengaan, tenzij de eigenaar er hem eerst ingebracht heeft; en als andere beren in 't heete kamp een hap zout varkensvleesch en droog meel smakelijk trachtten te vinden, lag Mooween behaaglijk in zijn ijshut de stroopkruik te likken, die zijn bijzondere deel in den buit vertegenwoordigde.
DE INDIAANSCHE NAMEN.
_Cheokhes_, kie-ok-ez', de Amerikaansche "mink", een ottersoort.
_Cheplahgan_, tsjep-la'-guan, de Canadeesche arend.
_Ch'geegee-lokh-sis,_ tsj-dsjie-dsjie'-lok-siz, de zwartkopmees: parus atricapillus.
_Chigwooltz_, tsjigg-woelts', de stierkikvorsch.
_Clote Scarpe_, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de Noordelijke Indianen, zooals Hiawatha.
_Commoossie_, kom-moe-sie', een kleine schuilplaats of hut, van bast en takken gemaakt.
_Deedeeaskh_, die-die'-ask, de blauwe gaai.
_Eleemos_, el-ie'mos, de vos.
_Hawahak_, ha-wa-hek', de havik.
_Hukweem_, huk-wiem', de groote Noordelijke duiker of ijsduiker.
_Ismaques_, is-ma-kwez', de vischarend.
_Kagax_, ke'-guaks, de wezel.
_Kakagos_, ka-ka-guoz, de raaf.
_K'dunk_, k'dunk', de pad.
_Keeokuskh_, kie-o-kusk', de muskusrat.
_Keeonekh_, kie'-o-nek, de otter.