Chapter 6
Upweekis is een dom beest. Hij zal zijn grooten kop even onnoozel in een strik van ijzerdraad steken als een konijn, en dan zal hij kwaadaardig met den paal aan den anderen kant van den strik vechten, tot hij zichzelf wurgt. Maar niemand kon dat prachtige spoor in de sneeuw volgen of trillend van opwinding onder de sparren zitten kijken naar dat katjesspel in de wildernis, zonder een groeienden eerbied voor het spookachtige beest met de groote, ronde prenten, die dwalen, overal dwalen door de wintersche bosschen, en zonder zich met verbazing af te vragen in wat voor barbaarsch soort school moeder Upweekis haar jongen africht.
K'DUNK, DE DIKKERD.
K'dunk, de dikkerd, zooals Simmo haar noemt, kwam haar winterkwartier uit, den morgen nadat dominee James de aarde van zijn eerste bloembed had omgewerkt. Het was in 't begin van April, en de eerste geur van 't voorjaar hing in de lucht--die bijna onmerkbare maning van Moeder Aarde aan haar slaperige kinderen om wakker te worden en er uit te komen en aan 't werk te gaan. Dominee James voelde de maning in zijn neus en gedachtig aan zijn jonge jaren (waar we allemaal aan denken, wanneer we de lente ruiken), besloot hij te gaan visschen, als hij zijn ochtendblad gelezen had. Zijn vrouw voelde het ook, ging naar de deur, haalde eens diep adem en riep: "Wat is het toch heerlijk!" Toen greep ze een plantenschopje--want zooals een man naar de beek getrokken wordt voor zijn eerste forel, zoo moet een vrouw door denzelfden innerlijken drang wel in de aarde graven--en toog naar het bloembed. Even later klonk haar opgewonden geroep door het open raam naar binnen. "Ja-a-a-a-mes? James!"--het eerste roepen met een langen haal naar boven, het tweede meer gebiedend--"wat ter wereld heb je toch in dit bloembed gezaaid?"
"Nou," zei dominee James, terwijl hij grappig over den rand van zijn bril naar 't open venster gluurde, "nou, ik dacht, dat 'k er portulaca gezaaid had."
"Kom dan eens hier en kijk eens wat er opgekomen is." beval zijn vrouw; en de verraste oude heer kwam haastig naar de deur om vol verbazing te knipoogen tegen drie dikke padden, die ook zaten te knipoogen in den warmen zonneschijn, en een reusachtige modderschildpad, die verontwaardigd lag te spartelen en te sissen in een groot gat midden in zijn bloembed.
Er blonk een listig, oolijk lichtje onder de brilleglazen van den ouden dominee, toen hij het wonderlijke gewas bekeek, dat 's nachts was opgekomen.
"Want zoo wat de mensch zaait, want zoo wat de mensch zaait." haalde hij zacht bij zichzelf aan, terwijl hij met een schuinen blik naar de drie padden keek en eens onderzoekend in de groote schildpad prikte, maar zijn hand haastig terugtrok bij 't gezicht en 't geluid van den krommen bek en het kwaadaardige gesis. Daar er in zijn bibliotheek geen tekstverklarend boek was, voor deze gelegenheid passend, ving hij een jongetje op, dat op weg naar school voorbijkwam en zond hem vliegensvlug naar mijn kamers om er achter te komen, wat dat alles te beduiden had.
Nu hadden de drie dikke padden ook het voorjaar geroken op hun zachte plekje onder het gras, waar ze zich den vorigen herfst voor hun winterslaap begraven hadden. Toen dominee James de zoden omspitte, had de warme zon haar ontdooid en haar de lenteboodschap gebracht en ze kropen onmiddellijk naar de oppervlakte, zoo van nieuw leven vervuld, alsof ze het laatste halfjaar niet als klompen zonder gevoel bevroren waren geweest. Wat de groote schildpad betreft, de geur van de versche aarde had haar waarschijnlijk uit den naburigen vijver gelokt om zich een nest te zoeken, waar ze haar eieren zou kunnen leggen. Zoodra ze de warme, zachte aarde van het portulacabed ontdekte, was ze er al wroetend ingekropen, terwijl de losse aarde boven op haar viel en haar bedekte onder 't naar beneden gaan.
Toen de scherpe vrouwenoogen over het bloembed gingen, ontdekten ze onmiddellijk den kuil middenin, die toonde dat er iemand slordig aan den gang was geweest. "Die kuil moet dichtgemaakt." verklaarde mevrouw James onmiddellijk; maar eerst stak ze er, als een echte vrouw, haar plantenschop diep in. "Aha! een steen--slordige man." was haar vonnis, en ze stak nog eens en trachtte het harde ding met beide handen op te heffen, waarop de groote modderschildpad spartelend, sissend voor den dag kwam en zich met bek en nagels te weer stelde, nu ze uit het beste nest verdreven werd, zooals ze er nooit zoo vroeg in 't seizoen een gevonden had. Dien nacht kwamen er eigenaardige geluiden uit het gras en de dorre bladeren--geritsel en gerekkek en zacht, gedempt gegorgel, als de padden haastig met z'n tweeën en drieën naar den vijver kwamen hippen. Van alle kanten uit tuin en grasveld en bosch en ouden muur kwamen ze kwakend en gorgelend aan door de rustige schemering, en ze sprongen hoog van verrukking, zoodra ze 't water maar roken. De oevers kwamen ze afglijden, rollen, halsoverkop afkeukelen--als ze maar beneden waren--om eindelijk met vroolijk geplas en gekwaak in het warme, ondiepe water terecht te komen, waar ze oogenblikkelijk begonnen te krabben en te bijten en belachelijke worstelpartijtjes aangingen; dat is zoo paddenmanier om oneenigheden te beslechten en zich een eigen wijfje op den ander te veroveren.
Ze bleven een paar dagen in den vijver, vervulden de lucht van gorgelend gekwaak en vervulden het water van eindelooze snoeren kikkerdril--genoeg om den heelen vijver tot aan 't randje met donderpadden te vullen, indien Moeder Natuur niet tusschenbeide kwam en barmhartig binnen een paar dagen na 't leggen er negen en negentig percent van verdonkeremaande en zorgde, dat de rest elkaar ijverig verslond als ze grooter werden, tot elke overgebleven donderpad naar waarheid met den kannibaalschen matroos kon zingen:
O ik ben de kok en de kapitein, En de stuurman, dat ben ik! En de dronken matroos en de bootsmansmaat, Alle hens van den commandant zijn brik.
Want elke donderpad vertegenwoordigde voor haar persoon een paar honderd of meer van haar mede-donderpadden, die zij in den loop van haar ontwikkeling had opgegeten. Maar lang vóór dien tijd hadden de padden den vijver verlaten, hadden zich naar alle vier windrichtingen verspreid, vanwaar ze gekomen waren, zonder dat 't haar weer iets kon schelen wat er van haar kroost werd. Het was toen dat K'dunk de dikkerd naar het portulacabed terugkeerde.
Daar vond mevrouw James haar den volgenden morgen--een groote, wrattige, grijze pad met een breeden grijns en een dikken buik en een oog als een edelsteen--slaperig knipoogen na haar nachtelijke jacht. "Och gunst! daar heb je die afschuwelijke pad weer. Ik hoop"--met een schichtigen blik om zich heen--"ik hoop dat ze de schildpad niet mee heeft gebracht." Ze gaf haar een por en een klap met de plantenschop om haar uit het bloembed te krijgen, waarna K'dunk haar holletje onder een overhangenden graspol binnenkrabbelde en er niet meer uit wilde komen, ondanks de pogingen en 't gepor van het schopje, in een hand die veel te zacht was om haar pijn te doen. En daar bleef zij zoo zwijgend weerstand bieden aan het schopje, tot ik er gelukkig voorbijkwam en het goede mensch er van overtuigde, dat ze daar de allerbeste vriendin trachtte te verjagen, die haar bloemen maar konden hebben. Toen vestigde K'dunk er zich rustig en we begonnen haar allemaal te bespieden.
Maar haar eerste zorg was om een paar schuilgaten hier en daar in den tuin te maken. De meeste waren slechts kuiltjes in de zachte aarde, waar K'dunk in wegdook met de oogen stijf dicht, wanneer haar vijanden maar in de buurt waren. Zij veranderde spoedig van kleur, tot deze de tint had aangenomen van haar gewone omgeving, zoodat het bijna onmogelijk was haar te vinden wanneer zij rustig met gesloten oogen in een van haar tallooze holletjes lag. Maar toen zij een paar keer door den hond (die daar thuis hoorde) lastig was gevallen--een vet, amechtig pukje, dat altijd in opwinding geraakte als K'dunk in de schemering rond begon te hippen, maar dat zich toch nooit zooveel moed kon inblaffen om dat kleverige ding met zijn neus aan te raken--groef zij andere holletjes onder de grasranden of naast een steen, waar Knor, de puk, haar niet lastig kon vallen zonder te zeer buiten adem te raken.
In den beginne wonnen we haar vriendschap door haar met een stok op den rug te krabbelen, bij welke aangename behandeling zij zich opblies en knorde van voldoening. Maar 't was nooit te zeggen wanneer zij er genoeg van zou krijgen, of op welk tijdstip zij zich in haar waardigheid te kort gedaan zou voelen en diep verongelijkt den tuin inspringen. Toen voerden we haar vliegen en zachte stukjes vleesch, die we met een grashalm lieten bewegen, zoodat het leek alsof ze leefden. Dan floten we er tegelijk een bepaald lokfluitje bij, om haar te leeren wanneer haar avondmaal klaar was. Eindelijk werd zij toen, na een zachte behandeling en veel aanhalen, heelemaal tam, en op 't geluid van het fluitje scharrelde zij haastig onder het trapje voor de deur uit, waar zij overdag huisde, en hipte levendig naar ons toe om gevoerd te worden en met zich te laten spelen.
Ofschoon K'dunk veel merkwaardige trekjes had, die we met verbazing ontdekten, toen de zomer vorderde en we elkaar beter leerden kennen, geloof ik toch, dat haar manier, haar listen om aan voedsel te komen ons het meest en bij voortduring in verrukking en verbazing bracht. Gewoon maar te zien hoe ze een vlieg besloop, vervulde ons met iets van de gespannen opwinding van een hertenjacht. Terwijl zij in 't wegstervende licht bij een boomstomp of kluit zat, ging er een vlieg die zich verlaat had of een vroeg nachtinsect vóor haar op den grond zitten. Onmiddellijk begon dan de edelsteen in K'dunks kop te flonkeren en te sparkelen. Zij hurkte neer en kroop naderbij als een eend, met de teenen naar binnen, al langzamer en langzamer, terwijl het eene grappige pootje behoedzaam langs het andere streek, even heimelijk en omzichtig als een kat die een aardeekhoorn op den muur besluipt. En als zij haar prooi naderde, flitste de edelsteen, er schoot iets roods door de lucht, zoo snel dat ons oog het niet kon volgen, en de vlieg was verdwenen. Daarop slikte K'dunk iets in, terwijl zij onder de hand plechtstatig haar oogen sloot, alsof zij dankte, of dat het hapje, wanneer zij haar oogen sloot voor alle uiterlijke dingen, op de een of andere manier er lekkerder door smaakte.
Dat roode was natuurlijk K'dunks tong, waar 't geheim van haar jacht in ligt. Ze is aan den rand van haar bek vastgehecht en ligt teruggevouwen in haar keel. Het binnenste eind is breed en zacht en kleverig en zij slaat het als een vliegensvlugge hagedis naar buiten en weer terug. Wat voor ongelukkig insect ook door de tong wordt aangeraakt, het is bevrijd van alle beslommeringen die ons menschen nog plagen. De kleverige tong rukt het K'dunks wijden bek in, voordat het tijd heeft om een vleugel uit te slaan, of er zelfs maar over te denken wat er met hem gebeurt.
Eens zag ik hoe zij een sprinkhaan besloop, een grooten, levendigen groenen, die met een bijzonder langen sprong uit het veilige gras was gekomen en belandde op den bruinen grond vlak voor de plek, waar K'dunk vliegen aan 't vangen was, die onafgebroken toestroomden op een lokaas af, dat ik voor ze neergelegd had. Onmiddellijk richtte K'dunk's aandacht zich van de vliegen op het grootere wild. Net toen haar tong naar buiten schoot, sprong de sprinkhaan, achterdochtig geworden, weg om zich te bergen. De zachte tong ging rakelings langs hem heen, maar kwam even tegen een van zijn slepende pooten en sloeg hem op zij. In een ommezien was K'dunk er weer achteraan; zij scharrelde wanhopig op haar beenen, met gloeiende oogen, terwijl haar tong in- en uitschoot als een vlammetje. Net toen de sprinkhaan een grooten sprong nam, raakte de tong hem en ik zag niets meer. Maar K'dunk had meer te slikken en zij hield haar oogen langer gesloten dan gewoonlijk, en in haar keel klonk een hevig tegenstribbelend geritsel, als de lange pooten van den sprinkhaan spartelend den weg afgingen, vanwaar geen weerkeer mogelijk is.
Een groote rups, die ik eens vond en aan K'dunk bracht, verschafte ons allen nog een gelegenheid om zeldzame waarnemingen te doen. De rups was harig, met stijve borstels aan alle kanten overeind, en ik twijfelde er aan of de tong genoeg kleefstof had om er aan te plakken. Maar K'dunk twijfelde niet. Haar tong flapte naar buiten en haar oogen sloten zich plechtstatig. Op hetzelfde oogenblik zag ik hoe de rups ineenkromp en haar borstels opzette stijver dan ooit. Toen bleek er iets eigenaardigs, en wel, dat K'dunk's bek zoo groot is en haar prooi gewoonlijk zoo klein, dat zij haar lekkernij niet proeven kan; zij slikt ze eenvoudig werktuiglijk op, alsof zij er zoo aan gewend is haar prooi te pakken te krijgen, dat het nooit bij haar opkomt, hoe zij wel eens zou kunnen missen. Toen zij haar oogen opende en de rups op dezelfde plaats zag, meende zij klaarblijkelijk dat het er nog een was, die op een geheimzinnige manier op vleugels was neergestreken, zooals de vliegen naar mijn lokaas kwamen. Weer sloeg haar tong naar buiten en sloten haar oogen zich onder een zalig geslik. Maar daar vóór haar was, toen haar oogen zich openden, nog een rups. Zoo'n volmaakte overeenstemming van vraag en aanbod had nog nooit tevoren een pad gekend.
Weer en nog eens schoot de tong naar buiten, en elken keer werd het gevolgd door de oogen dicht en een slok. Al den tijd dat zij zoo snel bleef toeslaan, meende zij steeds nieuwe rupsen te krijgen, en al dien tijd kromp het harige ding hoe langer hoe meer ineen en stak zijn borstels uit als een stekelvarken. Maar bij elken hap kreeg het meer kleefstof op zich. "Die rups wordt veel te kleverig om te kunnen blijven leven." zei Jantje al gauw, die 't spelletje met mij aanzag; en bij dat woord vloog er een harige bal den wijden bek in die zich voor hem opensperde, en ging K'dunk weer aan 't vliegenvangen.
Waarschijnlijk is het dit gebrek aan smaak, dat de verbazingwekkende verscheidenheid van K'dunk's voedsel verklaart. Het was of alles dat maar op een insect leek in haar kraam te pas kwam. Vliegen, wespen, krekels, rupsen, larven van den mierenleeuw, en alle mogelijke soorten van torren werden allemaal op dezelfde manier behandeld, wat het klappen van haar roode tong en het slikken met de oogen toe betreft. Een stuk of zes jongens en meisjes, die het zonderlinge tamme dier met me bespiedden, raakten ten einde raad iets te vinden dat het niet wou eten. Een jongen, die aan 't boschbessenplukken geweest was, bracht drie of vier van die nare kevertjes mee, zonder naam bij elk buitenkind bekend, die dezelfde gewoonte als de bunsing hebben, een ondraaglijken stank te verspreiden, wanneer ze lastig gevallen worden, in de meening dat hij iets had gevonden waar ons beestje geen raad mee zou weten; maar K'dunk slokte ze op, alsof 't een versnapering was om haar eetlust op te wekken. Nog eenander bracht colorado-kevers mee; maar deze waren K'dunk ook welkom. Toen verdween een derde jongen, die de zorg voor een moestuin had, hoofdschuddend, en zei dat hij net iets gevangen had wat geen dier ter wereld zou willen eten. Bij zijn terugkomst had hij een flesch propvol met meloenkevers, [13] wel twintig of dertig van die vies ruikende dieren, die hij er uitschudde op den grond en met een stokje aanporde.
Er draafde iemand weg om K'dunk uit een van haar schuilplaatsen te halen, en zette haar op den grond voor de wriemelende massa. Een oogenblik was het, alsof zij dat aanbod met verbazing bekeek. Toen hurkte zij neer en begon het snelle spel met de roode tong. Volgens mijn horloge was in vier minuten elke meloenkever die zich bewoog verdwenen, en K'dunk slokte de andere op zoo gauw als wij ze met een strootje konden doen bewegen om het te laten voorkomen alsof ze leefden.
Daarna gaven we onze pogingen op om haar op het punt van verscheidenheid te overtroeven, en besloten ons te bepalen bij de schijnbaar zoo eenvoudige taak, er achter te komen hoeveel insecten zij eten kon eer zij "ho" zei. Maar zelfs in dit opzicht konden we niet tegen K'dunk op; we zijn er nooit, alleen of gezamenlijk, achter kunnen komen hoe ver haar eetlust reikte. Eens hebben we haar achter elkaar negentig rozenkevers gevoerd. Op een anderen middag, toen er drie jongens op hetzelfde uur verschenen, hebben we onze vangst bijeengedaan, een groote verscheidenheid van vliegen, kevers en kruipend gedierte, alles en alles bij elkaar honderd-vier-en-zestig stuks. Vóór donker had K'dunk alles opgegeten en hipte zij naar den tuin voor haar nachtelijke jacht,--alsof zij al niet genoeg gedaan had voor den heelen zomer om te bewijzen dat zij onze vriendin was.
Later bedachten we een ander plannetje en lieten het wild op eigen vleugels naar K'dunk toekomen, in plaats van zelf de halve wereld af te draven om het voor haar te vangen. Bij de schuur was een verwaarloosde goot, waar vliegen genoeg waren om ons te manen wat beter voor onze gezondheid te zorgen. Hier maakte ik een kooitje van ijzergaas, waar ik een doode rat in legde en wat tafelafval. Toen de middagzon die ontdekte en liet geuren, begonnen er groote vliegen toe te stroomen onder luid gezoem, wat een sein voor hun makkers schijnt te wezen; want als ze gewoon vliegen, maakt deze soort bijna geen leven. Zoodra ze echter maar aas geschikt voor hun eieren vinden, vliegen ze elk oogenblik hard zoemend rond en hooren andere vliegen hen, waarvan de kalme vlucht dan ook in een hevig gegons verandert. Zoo verbreidt het nieuws zich--tenminste dit schijnt er voor te helpen--en van alle kanten komen er vliegen toestroomen.
Om drie uur wekte ik K'dunk uit haar overpeinzingen onder 't trapje voor de deur op en zette haar in de kooi, terwijl 'k haar met een groot rabarberblad beschermde, dat de zon haar de oogen niet te veel verblinden zou. Toen haalde ik mijn horloge voor den dag en ging op een steen zitten tellen.
In de eerste tien minuten ving K'dunk amper twaalf vliegen. Ze waren in het volle licht voor haar op hun hoede, en zij was nog niet wakker genoeg voor de gelegenheid. Toen hurkte zij neer tusschen de rat en het afval, wurmde zich een holletje, waar zij zich keeren kon zonder in 't oog te loopen, en begon het spelletje met de roode tong in ernst. Het volgende halfuur kreeg zij zes en zestig vliegen, gemiddeld meer dan twee per minuut. In een uur was het hoogste wat zij haalde honderdtien; en eer ik haar verliet, had zij nog twee dozijn toegevoegd aan 't getal onzer vijanden. Toen het koel in de lucht werd, kwamen er geen vliegen meer, en bracht ik haar terug naar het trapje. Maar dien avond toog zij, later dan anders, weer naar den tuin om door te gaan met haar prachtige werk.
Toen de zomer-glimwormen kwamen (lichtkevers noemden de jongens ze) zagen we nog een grappig en aardig staaltje van haar jagen. Terwijl we op een avond in de zachte schemering op de veranda zaten, zag ik den eersten glimworm in het gras gloeien, en ging hem vangen als een juweel voor 't haar van een dame. Op 't oogenblik dat ik mijn hand onder een struik stak verdween de glans plotseling en raakte ik in plaats daarvan met mijn vinger K'dunk aan. Zij had den glans ook gezien en had onmiddellijk de methode van met-licht-te-jagen toegepast.
Later ving ik een lichtkever en deed dien in een fleschje, en liet dit voor K'dunk vallen, toen zij in den laten schemeravond het grasveld over ging steken. Zij zag den glans door het glas en hapte onmiddellijk toe. Evenals met de harige rups sloot zij haar oogen toen zij 't denkbeeldige hapje doorslikte en als zij ze weer opende, gloeide er nog een lichtkever in het gras, juist waar de eerste geweest was. Zoo liet zij 't fleschje maar over 't grasveld springen door 't herhaalde gelik van haar tong, terwijl zij ondertusschen de oogen sloot en slikte, tot de gloeiworm, misschien duizelig geworden door dat keukelspelletje van zijn wonderlijke kooi, zijn vleugels toevouwde en zijn lichtje verstopte. Hierop sprong K'dunk weg, op haar manier stellig denkend, dat al waren er ongewoon veel lichtkevers dien avond en al leverden ze een alleraardigsten jachtbuit op, ze toch maar bedroefd weinig gaven voor een hongerige maag--niet te vergelijken met wat zij krijgen kon met op te springen naar de insecten, die aan den onderkant der bladeren van elke plant in den tuin verscholen zaten.
Thans waren er geen woorden meer noodig om er de goede mevrouw James van te overtuigen dat K'dunk haar vriendin was. Ja, ze gaf een kleinen jongen zelfs een kwartje per stuk voor een pad of zes om op 't erf los te laten en K'dunk bij zijn voortreffelijke werk te helpen. En de tuin gedijde als nog nooit tevoren, dank zij de nederige kleine helpers.
Maar K'dunks verdiensten bestonden niet alleen in haar nuttigen arbeid; zij stak vol verrassingen die ons allen voortdurend in verrukking en spanning hielden, wat er nu weer gebeuren zou. Zooals ik zei, ze leerde spoedig op het fluitje af komen; maar nog meer, ze hield veel van muziek. Als ik zachtjes een deuntje floot, bleef ze doodstil tot ik klaar was, eer ze weer aftrok voor haar nachtelijke jachtpartij. En als ik dan van deuntje veranderde of valsch floot, hipte ze weg, alsof ze verder niets meer met me te maken wou hebben.
Soms kwamen er op de veranda wat jongelui bij elkaar en zongen wel samen--wat K'dunk dikwijls van onder het trapje uitlokte en haar bij één gelegenheid haastig uit den tuin terug deed hippen, waar ze een uur te voren heen was gegaan om haar avondmaal te vangen. Het scheen dat ze van statige gezangen hield, want ze hield zich altijd zoo stil alsof ze in de kerk was--wat dominee James geweldig veel genoegen deed--maar van "deuntjes" had zij een afschuw, wanneer men op haar handelwijze kon afgaan, op de onmiskenbare manier, die ze had, om den rug toe te keeren aan wat haar niet beviel, of niet in haar wonderlijken smaak viel.
Op een avond stond een jong meisje met een alleraardigst, natuurlijk geluid bij een open raam op de veranda te zingen. Ze zong dien avond om de oudjes plezier te doen een paar oude, eenvoudige liederen, waar ze 't meest van hielden. Vlak bij het raam stond de piano, waarop een zachte begeleiding gespeeld werd. Een geritsel in het gras trok mijn aandacht, en daar had je K'dunk, die tevergeefs de trap poogde op te klimmen. Ik maakte mevrouw James zachtjes op de zonderlinge gast opmerkzaam, en beurde K'dunk toen voorzichtig op de veranda. Daar ging zij langs de balustrade tot vlak naast de zangeres, waar zij doodstil, aandachtig zat te luisteren, zoo lang het duurde. En dien avond was het meisje zich niet bewust van deze minste onder haar hoorders.
Dat gebeurde een paar keer in den loop van den zomer. Het was, alsof die stem een aantrekkingskracht had voor ons gezellige vriendinnetje, want bij de eerste lieflijke tonen krabbelde zij haastig haar schuilplaats uit en trachtte de trap op te klimmen. Als ik haar de veranda opbeurde, hipte zij net zoo lang tot zij vlak naast de zangeres was, waar zij dan, een en al rustige waardeering, zitten bleef zoo lang als deze zong. Toen werd op een avond, dat zij bescheiden en aandachtig gedurende twee liederen aan haar voeten gezeten had, een tenor, die in New-York studeerde en soms concerten gaf, uitgenoodigd om te zingen. Hij voldeed er onmiddellijk aan met het afschuwelijke "O, lieve deugd!"