Een Broertje van den Beer

Chapter 5

Chapter 54,139 wordsPublic domain

's Nachts, wanneer hij uitnemend ziet en zich snel van de eene plek waar voedsel te vinden is naar de andere beweegt, wordt Whitooweek gemakkelijk door een licht, van welken aard ook, verblind, en hij is een van de vele dieren, die komen en gaan binnen den lichtkring van uw lantaarn. Omdat hij bij zoo'n gelegenheid stil is en snel vliegt, heeft hij gewoonlijk geen naam--maar zoo'n nachtvogel, meent ge, en ge laat hem gaan zonder er verder bij te denken. Verscheiden keer, als ik er met een licht op uittrok, om eens te zien wat voor dieren ik 's nachts wel zou kunnen verrassen en bespieden, heb ik Whitooweek herkend, die wild rondzwierde om mijn lichtkring. Eens, diep in de Nieuw-Brunswijksche wildernis, heb ik tegen middernacht twee stroopers betrapt die zalm spiesten met behulp van een vlammend vuur, op een rooster over den boeg van hun kano gehangen. Niettegenstaande den kwaden reuk waarin het staat, is 't een prachtig werk, waar handigheid en een weergalooze moed bij te pas komen; dus in plaats van ze weg te jagen, vroeg ik om een plaats in hun lange boomkano, om te zien hoe 't in zijn werk ging. Toen we de gevaarlijke rivier op- en afzwalkten, terwijl het harsige dennenhout vlamde en knetterde en de zwarte schaduwen om ons heensprongen, schoten er twee houtsnippen aan den oever op en zwierden als dollen om de kano. Eén streek er met haar vlerken langs mijn gezicht en werd pas verjaagd, toen Sandy in den boeg een geweldigen stoot met zijn vork gaf en met een zegevierend gehuil een spartelenden zalm van wel twintig pond achter zich en mij in den schoot wierp. Maar dien nacht zag ik verscheiden keer hun wieken even, of hoorde 'k hun zacht, verbaasd gekwetter boven 't gekraak van 't vuur en 't daverend gedonder van de watervallen uit.

Wanneer Whitooweek op zijn trek naar het Zuiden een goed terrein voor voedsel aantreft, zal hij bij ons blijven als hij niet gestoord wordt, tot een felle vorst zijn voorraadschuur verzegelt, en den grond te hard maakt om er met zijn gevoeligen snavel in te kunnen dringen. Dan glipt hij weg naar 't Zuiden, naar de naastbijzijnde open wel of beek in de elzen. Niet ver weg, op kaap Shippan, is een kleine bron, die zelden bevriest en wier water onuitputtelijk is en zelfs midden in den winter een plek groen geeft.

De landtong is nu dicht met huizen bedekt maar vroeger was 't een goede plaats voor houtsnippen, en de kleine bron verwelkomde steeds een paar van die vogels, met het welkom dat alleen een bron geven kan. Het vorige jaar vond ik tegen Kerstmis een houtsnip, die zich daar best thuis voelde, geen steenworp van een paar huizen af, en terwijl de sneeuw overal dik om haar heen lag. Zij was daar achtergebleven weken nadat alle andere vogels verdwenen waren, óf vastgehouden door oude gehechtheid en herinneringen aan een tijd, toen slechts de houtsnip de plek kende, óf anders had zij, gewond en niet in staat te vliegen, het eenige plekje in de heele streek uitgezocht, waar zij kon blijven leven en eten vinden, tot haar vleugel genezen zou zijn. De Natuur, die de menschen wreed noemen, heeft teer voor haar gezorgd, heeft de wonden geheeld, door den mensch toegebracht, en haar voedsel verschaft en een veilige schuilplaats, in een tijd dat alle andere plaatsen, waar eten was te vinden, in den greep van den winter geklonken lagen; maar de menschen, die zoo goed en verstandig kunnen zijn, zagen geen dieper beteekenis in dit alles. Den dag, nadat ik haar ontdekt had, kwam er een jager dien kant uit en was er trotsch op, dat hij de allerlaatste houtsnip van 't seizoen geschoten had.

EEN GENIALE HOUTSNIP.

Whitooweek heeft nog iets heel verrassends, iets dat eigenlijk geen gewoonte genoemd kan worden, maar waarschijnlijk een zeldzame ontdekking is van een of twee dieren hier of daar, die vindingrijker zijn dan hun makkers. Evenals de eider-eenden [11] en de beer en de bever, past Whitooweek soms een ruw soort van heelkunst toe om zijn wonden te verbinden. Toen ik twintig jaren geleden rustig bij een beek aan den zoom der bosschen in Bridgewater zat, fladderde er plotseling een houtsnip 't open terrein op naar een plek op den oever, waar duidelijk, vanwaar ik zat te kijken, een lichte strook dikke modder en klei te zien was. Het was in 't begin van den jachttijd, de jagers waren op 't pad in de streek, en mijn eerste indruk was, dat dit een gewonde vogel was, die, nadat hij was aangeschoten, ver gevlogen had en nu uit de struiken naar 't water was gekomen om te drinken of zijn wond te baden. Of dit al dan niet zoo was, ik kan er slechts naar gissen; maar de vogel deed wonderlijk in 't volle daglicht, en ik kroop naderbij, tot ik hem duidelijk kon zien aan den anderen kant van de beek, ofschoon hij me nog te ver weg was om er volkomen zeker van te zijn, wat al zijn bewegingen beteekenden.

Eerst nam hij zachte klei van den rand van het water in zijn snavel en scheen het op zijn eenen poot bij de knie te smeren. Toen fladderde hij weg en was het of hij worteltjes en grassprieten uittrok en in de klei werkte, die hij al op zijn poot gesmeerd had. Weer nam hij wat klei en pleisterde het over de vezels, deed er hoe langer hoe meer op, tot ik duidelijk zien kon hoe het grooter werd en zoo werkte hij met een eigenaardige, zwijgende aandachtigheid wel een vol kwartier voort, terwijl ik toekeek en me verbaasde en nauwelijks mijn oogen kon gelooven. Toen stond hij langer dan een uur doodstil onder een overhangenden graspol, waar mijn oog hem met moeite vinden kon, terwijl zijn eenige beweging onder de bedrijven bestond in af en toe het kleiverband eens te wrijven en glad te strijken met zijn snavel, tot het hem hard genoeg naar den zin was geworden, waarop hij wegfladderde van de beek en in het dichte bosch verdween.

Ik had mijn eigen verklaring van de ongelooflijke handelwijze, namelijk, dat de houtsnip een gebroken poot had en hem met wijs overleg in een spalk van klei had gezet om de gebroken botjes op hun plaats te houden, tot ze weer samen zouden zijn gegroeid; maar natuurlijk hield ik dit voor me, wel wetend dat niemand aan die veronderstelling geloof zou slaan. Jarenlang deed ik nauwkeurig navraag bij jagers en ik vond er twee, die zeiden dat ze houtsnippen hadden geschoten, waar eens de poot van gebroken was geweest en weer genezen. Voor zoover ze zich herinneren konden, was de poot in beide gevallen mooi recht genezen in plaats van aan den eenen kant naar buiten te steken, zooals de poot van een kuiken doet, als hij gebroken is geweest en ze hem vanzelf weer hebben laten aaneengroeien. Ik onderzocht honderden houtsnippen aan de markt in verschillende oorden en vond er een, wier poot eens door een kogel gebroken was en toen prachtig genezen. Er waren duidelijke sporen van gedroogde modder aan de breuk; maar deze zag ik ook aan den anderen poot bij de teenen, en het toonde slechts dat zij op weeke plaatsen voedsel had gezocht. Dit bewees alles nog niets voor een buitenstaander, en wat ik gezien had hield ik voor me tot den vorigen winter, twintig jaren later, toen de bevestiging onverwachts kwam. Ik had over dieren gesproken voor een vereeniging te Bridgeport, toen een heer, een advocaat overal in 't land goed bekend, naar me toekwam en me vol vuur van een eigenaardige vondst vertelde, die hij den vorigen herfst gedaan had. Toen hij eens met een vriend op jacht was, schoten ze een houtsnip, die, door den hond geapporteerd, een stuk harde klei aan een van haar pooten bleek te hebben. Nieuwsgierig wat dat beteekende, klopte hij de klei er met zijn pennemesje af, en ontdekte een gebroken poot, die toen bijna genezen was en zoo recht als ooit. Een paar weken later zou de vogel, wanneer hij geleefd had, stellig zelf de spalk hebben weggenomen en zou er niets zijn geweest om iets ongewoons aan hem te verraden. En zoo geef ik dan eindelijk mijn waarneming, daar er nu een bewijs voorhanden is, niet voor een nieuwe of oude gewoonte van Whitooweek--want hoe ver deze vreemde wetenschap onder de houtsnippen en de steltloopers verbreid is, kan geen mensch zeggen--maar eenvoudig om te toonen, hoe weinig wij van het innerlijke leven van den kluizenaar afweten, en eigenlijk van alle wilde vogels, en hoeveel er nog te ontdekken is, wanneer we 't geweer voor den kijker op zij zullen leggen en het wonderlijke leven leeren begrijpen, dat overal om ons heen onzichtbaar zijn gang gaat [12].

ALS UPWEEKIS AAN 'T JAGEN IS.

Laat op een wintermiddag, toen de zon de dennen op de westelijke helling verguldde en de lange, kille schaduwen zich uitstrekten door de met sneeuw beladen bosschen, brak er een reusachtige mannetjeseland uit de sombere sparren en ging zwaaiend de lange, door de zon beschenen vlakte op, met schreden zoo lang en geweldig, dat zelfs een wolf de lust zou zijn vergaan hem te volgen. Vijf minuten later kwam ik uit dezelfde gang onder de sparren, net toen de franje van groen aan den overkant van de vlakte terugzwiepte om de flanken te dekken van den eland, die er zich in gestort had,--en daarna knikte, en knikte alle kanten uit: _Dezen kant! dien kant! hier! ginds!_--om ieder te misleiden, die hem naspeuren kon. Want bijwijlen is 't, of zelfs de sparren en de elzen en 't water en de bladeren en de krakende takken en de dansende schaduwen, alle samenspannen om het onschuldige boschvolkje te beschermen voor de vijandige oogen en handen van hun achtervolgers. En dit is een van de oorzaken, waardoor men zoo moeilijk wild in 't bosch te zien krijgt.

De groote eland had me dien keer verschalkt. Toen hij wist dat 'k hem volgde, draafde hij een heel eind vooruit en ging toen snel in een kring terug om roerloos in een boschje op de heuvelhelling te gaan staan, geen twintig meter van het spoor, dat hij nauwlijks een uur geleden gemaakt had. Daar kon hij zonder gezien te worden prachtig kijken wat er toch achter hem aankwam. Toen ik voorbijging, snel en zwijgend over de diepe prenten in de sneeuw, liet hij me onder zich langs gaan, terwijl hij me eens goed opnam en flink snoof; daarop gleed hij als een schim in de tegenovergestelde richting weg. Ongelukkig brak er een doode tak in de sneeuw met een doffen knap onder zijn voorzichtigen hoef, ik verliet even het spoor om te kijken--en bespaarde me zoo het lange geloop langs de listige prenten op en neer. Toen hij zag dat zijn list ontdekt was, stormde hij naar de open vlakte; al zijn wonderbaarlijke gaven van oog en oor en onvermoeide pooten stelde hij in 't werk om zich voor den man te beveiligen, dien hij verkeerdelijk voor zijn doodsvijand hield.

Het zou weinig baten hem nog verder te volgen; dus ging ik op een omgevallen gelen berk zitten uitrusten om een poosje naar de wijde stilte te luisteren en al wat er door het koude, witte bosch voorbij mocht komen te bespieden.

Onder den zoom van sparren dansten plotseling de zachte, violette schaduwen en er sprong een haas zoo wit als de sneeuw te voorschijn. In lange, zenuwachtige sprongen, alsof 't op spiraalveeren ging, vloog hij voor mijn oogen over een smallen arm van de vlakte, om dekking in een uitlooper van 't bosch voor me. De zachte armen van de dwergsparren en de nog zachter schaduwen daaronder schenen zich vanzelf te openen om hem binnen te laten. Onmiddellijk hield al 't gewiegel van takken en 't vallen van plakken sneeuw en 't dansen van schaduwen op, en langs den heelen zoom van sparren zeiden stille stemmen: hier is niets, we hebben hem niet gezien, hier is niets.

Waarom stoof hij dien kant toch uit, dacht ik. Want Moktaques is een gekke, grillige baas en doet de dingen nooit op een praktische manier, tenzij hij wel moet. Terwijl ik me nog verbaasde, zag ik een gelen gloed onder de violette schaduwen glimmen, waar Moktaques vandaan was gekomen, en de wreede, ronde kop van een Canadeeschen lynx werd uit den tunnel gestoken, dien de haas nog maar even te voren gemaakt had. Nauwelijks was zijn groote, grijze lichaam te voorschijn gedrongen, of een eind verder bewogen de schaduwen zich in den zoom van naaldhout; nog een lynx en nog een gleden er uit; en ik hield mijn adem in, toen vijf van die bloeddorstige dieren den smallen arm van de vlakte oversnelden, elk met uitgerekten hals, terwijl zijn felle oogen de duisternis vóór zich peilden als gouden schichten, en hij zijn plaats bewaarde in de indrukwekkende, schrikaanjagende rij van wreedheid en macht, zoo stil als de schaduw van den dood. Er overviel me een rilling bij de gedachte aan wat er gebeuren zou met Moktaques, als er een uit de rij hem zou ontdekken en opjagen. Ik was eigenlijk op dat oogenblik blij (want ik had geen geweer) dat 'k zelf heel stilletjes kon zitten en de woeste beesten voorbij me heen kon laten gaan zonder dat ze me merkten.

De middelste lynx, een fel, oud wijfje, volgde 't spoor van den haas; en onmiddellijk flitste het door me heen, wie ze was en wat ze alle uitvoerden. Hier was eindelijk het geheim van de benden lynxen, die men soms in de winterbosschen aantreft, en die een mensch somtijds bedreigen of angst aanjagen door een woestheid, welke de dieren afzonderlijk niet laten blijken. Want Upweekis, ofschoon groot en kwaadaardig, is in zijn hart een gluiperig, laf, verraderlijk beest--evenals alle katten--en vindt het dus maar 't prettigste alleen te zijn. Daar hij weet dat de overige van zijn verwanten zijn als hijzelf, verdenkt hij ze allemaal en is hij beducht dat bij een verdeeling van den gezamenlijken buit iemand anders het leeuwendeel zal krijgen. Onder katten heb ik dan ook nooit eenig spoor ontdekt van de vaste regels, die onder bijna alle andere dieren schijnen te gelden.

's Winters is het echter anders. Dan is Upweekis gedwongen wat van zijn katachtige zelfzucht te laten varen en in woeste horden te gaan jagen. Elke zeven jaar vooral, als de konijnen schaarsch in de bosschen zijn ten gevolge der ziekte waaraan ze op gezette tijden sterven, kan het zijn dat men toevallig een van die rooversbenden aantreft, die de hertenperken onveilig maken of de rendierkudden volgen. Maar pas toen de woeste rij daar voor mijn eigen oogen uit de violette schaduwen stoof, besefte ik eenigszins dat deze troepen--bijna zonder uitzondering, zooals ik sedertdien geleerd heb--familiegroepen zijn, die zich gedurende den winter bij elkaar houden, net als hertekalfjes de oude hinde volgen, tot 't lente wordt, opdat haar wijsheid voedsel voor hen vinde en haar grooter kracht hun een weg bane, wanneer de sneeuw dik ligt en de vijanden hun op de hielen zitten.

De groote lynx middenin was de moeder; de vier andere lynxen waren haar jongen; en ze bleven nu bij elkaar, gedeeltelijk om hun onvoltooide opvoeding onder haar eigen oogen te voltooien, maar voornamelijk om gedurende den winter in de dagen van honger hun krachten te kunnen vereenigen en met grooter overleg jagen, en als 't noodig was de grootere dieren klein krijgen, die hen mogelijk in hun eentje tarten zouden.

Toen ze het versche spoor van den mannetjeseland kruiste, duwde de oude moederlynx er haar grooten kop in om eens lang te snuiven. Onmiddellijk sloot de reeks zich en stond elke lynx als een standbeeld met zijn stompen neus in een geur uitstralende hoefprent, om er met zijn botte zintuigen achter te komen, wat daar juist langs was gegaan. De kop van de oude lynx ging de rij van haar onbeweeglijke jongen langs en weer terug; toen schoot ze weer verder, terwijl een kwaadaardige grauw haar snuit onder haar snorren vertrok. Een troep uitgehongerde lynxen bij elkaar zou toch niet licht een mannetjeseland, met zulke groote passen en zoo sterk, achtervolgen. Slechts de geur van bloed zou ze onwillig zoo'n spoor opdrijven; en zelfs dan nog, wanneer ze er de oorzaak van opgespeurd hadden, zouden ze slechts in een bloeddorstigen, plechtigen kring om hem heenhurken, en onder hongerig gegaap op zijn dood wachten. Nu was er ergens vlak vóór hen gemakkelijk wild verscholen. Het was, alsof er een bevel zonder woorden langs de rij wachtende jongen gegeven werd. Ze staken allemaal op 't zelfde oogenblik hun kop naar voren en de zwijgende tocht werd weer vervolgd.

Toen de laatste van de rij uit het oog geglipt was tusschen de struiken van het uitstekende kreupelhout vóór me, snelde ik haastig door 't bosch, zonder gerucht in de zachte sneeuw te maken, en dook roerloos onder de sparren, waar het vooruitspringende hout wat lager was, in de hoop de geslepen jagers weer te zien. Ik hoefde maar even te wachten. Van onder een overbuigenden tak sprong Moktaques voor den dag en vloog het open land over op de volgende boschtong af. Vlak achter hem klonk een grauw en met een vreeselijke vaart stortte de oude lynx zich te voorschijn, toen ze 't wild in 't oog kreeg, en beduidde met woesten kreet haar jagersrij hem in te sluiten. Als een wervelwind kwamen ze aan, liepen uit met geweldige sprongen en sloten zich samen aan weerskanten om den snellen cirkelgang van het vluchtende wild af te snijden. Bliksemsnel kwamen de uiteinden van de rij samen en schoten ze plotseling naar binnen; nog even--en Moktaques lag plat in de sneeuw gedoken midden in een wreeden kring, die als een wervelwind zich om hem vernauwde. Toen de kleinste lynx naar zijn prooi toesprong, was het alsof een electrische schok door den roerloozen haas ging. Hij schoot vooruit, alsof hij gegalvaniseerd werd, sprong hoog boven de neergedoken verschrikking vóór zich op en trachtte uit den vreeselijken kring te geraken. Toen schoot de lynx, over wiens kop hij sprong, steil overeind, greep het vluchtende dier zoo in zijn groote klauwen, viel achterover en was in een ommezien door de andere lynxen overdekt, die zich als furies op hem stortten, terwijl ze kwaadaardig hapten en klauwden in het beetje, dat hij vermeesterd had, op het oogenblik zelf dat het ontsnapte.

Een poosje was er een vreeselijk gevecht; toen, eer ik nog goed mijn oogen kon uitwrijven, was de haas volkomen verdwenen, en was er een woeste kring van lynxen hongerig aan 't likkebaarden, terwijl ze elkaar aanloerden en toegrauwden om te weten wie den grootsten hap gekregen had.

Toen ze eindelijk verdwenen, in een lange rij in den zoom van de vlakte wegslonken, nam ik het spoor in tegenovergestelde richting op, om te zien hoe ze gejaagd hadden. Langer dan een mijl, rechtstreeks terug naar mijn kamp, volgde ik de prenten en ontdekte dat er een drijfjacht had plaats gehad, zoo listig als er ooit een in de bosschen gehouden was. Ze hadden dien heelen afstand in een bijna volmaakte lijn doorgesneld, elk levend wezen opgeschrikt, dat hun in den weg kwam. Hier was het een gekraagd hazelhoen, waar er een naar gesprongen had en--gemist, toen de verschrikte vogel wegsnorde in de duisternis. Daar was er een een boom ingeklommen en had er iets uitgeschud in de sneeuw, waarvan de andere elk stukje zoo schoon opgeslikt hadden, dat ik niet kon zeggen wie de ongelukkige was geweest; maar er bleek een merkwaardig groote durf uit, want de lynx, die zijn prooi den boom in achterna was gegaan, had zich naar beneden gestort als uit een catapult geschoten, en een reusachtig gat in de sneeuw achtergelaten, om bij de moordpartij te zijn, voordat zijn wreede makkers, die met groote sprongen aan waren komen stuiven, alles zouden hebben opgegeten en hem zelfs geen snufje tot zijn deel hebben gelaten. En daar was ten slotte aan het uiterste eind van de rij nog een haas opgejaagd, en terwijl hij in een kleinen kring rondvloog, zooals hazen dikwijls doen, door de vier lynxen opgewacht en gegrepen toen de lange rij snel naar binnen boog om hem den pas af te snijden.

Jaren later, en mijlen ver weg, zag ik op de Renous-vlakten nog veel zeldzamer staaltje van dezelfde listige manier van jagen. Van een heuvelkam boven een kleine vlakte af zag ik een kudde rendieren vreemd doen en ik ging naar beneden om de zaak te onderzoeken. Toen ik den boord van dichte struiken die de open vlakte omzoomde bereikte, zag ik de elanden opgewonden in een groepje bijeen om den voet van een groote rots aan den anderen kant der vlakte, niet meer dan honderd vijftig meters weg. Er was daar klaarblijkelijk iets, dat hun nieuwsgierigheid opwekte,--en soms zijn rendieren de nieuwsgierigste wezens van 't heele bosch--, maar ik moest de rots scherp door mijn verrekijker bestudeeren, eer ik den ronden, wreeden kop van een grooten lynx kon onderscheiden, stijf tegen den grijzen steen gedrukt. Eén zijde van de rots was bijna loodrecht en rees een voet of vijftien, twintig boven de vlakte uit; de andere zijde glooide minder steil af naar het bosch; en de groote lynx, die er waarschijnlijk van het bosch uit op geklauterd was om de rendieren te bespieden, hing nu half over den rand van de rots, terwijl hij zijn woesten kop van links naar rechts zwaaide en een voor een zijn uitgeslagen klauwen naar de dieren daarbeneden uitstrekte.

De rendieren werden elk oogenblik opgewondener en nieuwsgieriger. Rendieren zijn net kalkoenen; als ze iets nieuws zien, moeten ze met alle geweld weten wat het is, al kost het hun het leven. Nu verbraken en sloten ze hun gelederen, liepen aarzelend heen en weer, richtten ooren en neus op het wonderlijke ding op de rots, maar kwamen met elke verandering dichterbij.

Plotseling sprong de lynx, niet naar de rendieren, want die waren nog te ver weg, maar hoog in de lucht met uitgespreide pooten. Hij kwam neer in een wolk van sneeuw, tolde steeds maar in de rondte als bezeten en verdween dan stil met twee groote sprongen in de beschutting van de naaste sparren.

De rendieren stoven er wild van door bij dat wonderlijk gezicht, maar keerden zich om na een paar verschrikte sprongen, om te zien wat hen bang gemaakt had. Er was niets te zien, en als een kudde domme schapen kwamen ze schuchter terug, terwijl ze de sneeuw besnuffelden en hun ooren weer naar de rots toestaken; want daar op den top had je den grooten lynx, die net als straks met zijn grooten kop heen en weer zwaaide en zijn klauwen den een na den ander naar de kudde uitstak, als om ze te toonen hoe breed en flink ze waren.

Langzaam naderde de kleine kudde de rots en de lynx trok zich terug, als om ze verder te lokken. Ze brandden van nieuwsgierigheid, maar ze hadden één sprong op zijn minst gezien en er de kracht van gemeten en bleven dus op een eerbiedigen afstand. Toen verliet een jong rendier de andere en ging langs den zoom van het bosch snuffelen om het vreemde ding op 't spoor te komen, of in de luwte van de rots te geraken en zoo door den reuk--den eenigen betrouwbaren zin dien een rendier bezit--uit te maken wat dat alles toch te beteekenen had. Het was, alsof een windje een dor bosje gras op den top van de groote rots bewoog. Ik richtte er onmiddellijk mijn kijker op, en toen stokte mij van ingehouden opwinding de adem in de keel, want ik onderscheidde de gepluimde ooren van nog twee of drie andere lynxen, die plat op hun hoogen toren lagen neergedoken, onzichtbaar voor de domme kudde, ofschoon ze elke beweging met felle, gele, starende oogen gadesloegen.

Het jonge rendier vond de prent, stak er zijn neus in, ging toen weer behoedzaam naar de rots om het andere gat in de sneeuw te besnuffelen en zich er van te overtuigen, dat het net zoo rook als het eerste. Boven op de rots trok de groote lynx zich nog verder terug; de kudde verdrong zich om er bij te komen, met hoog opgeheven koppen, om te zien wat hij uitvoerde; en het jonge rendier sloop naderbij en stak zijn neus weer in het spoor. Toen schoten drie levende catapulten over den hoogen rand van de rots en stortten op hem neer. Met bliksemsnelheid was de groote lynx op de been, richtte zich in zijn volle lengte op en slingerde de vluchtende kudde een kreet van wilde zegepraal achterna. Daarop schoot hij ook de rots over, viel het worstelende jonge rendier midden op den rug en hielp mee het neer te drukken in de sneeuw.