Een Broertje van den Beer

Chapter 4

Chapter 43,944 wordsPublic domain

Wanneer ze hun voer ver van het nest moeten zoeken, zooals dikwijls het geval is, heeft Whitooweek twee gewoonten, die, meen ik, bij andere vogels waarop gejaagd wordt niet voorkomen--behalve misschien bij de plevier; en ik ben nooit in de gelegenheid geweest de jongen van deze vogels te bespieden, ofschoon elke nieuwe waarneming van de oude dient om er mij van te overtuigen, dat zij de merkwaardigste van de vogels zijn die ons bezoeken, en het minst begrepen worden. Wanneer het eten op een langen afstand gehaald moet worden, verstopt de moeder haar broedsel en gaat het zelf halen. Bij haar terugkomst voert ze de kuikens als een duivenmoeder, door haar snavel in hun hals te steken en ze elk hun deel te geven; af en aan gaat het, tot ze genoeg hebben; dan laat zij ze weer in hun schuilplaats en zoekt eten voor zichzelf gedurende de rest van den nacht. Evenals de meeste andere jonge dieren, die zoo door hun moeder worden achtergelaten, komen ze nooit van de plek af, waar hun gezegd is, dat ze blijven moeten, en kunnen er haast niet van verjaagd worden, eer de moeder terugkeert. En gewoonlijk, wanneer ge een broedsel jonge houtsnippen zonder de moeder aantreft, zullen ze het toelaten, dat ge ze opneemt, en als dood in uw hand liggen; ze houden zich dan zoo, tot ge ze weer neerzet.

Wanneer er een goede voerplaats bij de hand is, maar toch te ver voor de kleintjes om er heen te gaan, haalt de moeder ze er een voor een en verstopt ze op een verborgen plekje, tot ze 't heele troepje overgebracht heeft. Ik heb houtsnippen een paar keer met hun jongen zien wegvliegen; en eens zag ik een moeder naar de plek terugkeeren, waar ze even te voren vandaan was gevlogen met een kuiken, en een ander onder een blad weghalen, waar 'k het niet gezien had. Deze eigenaardige handelwijze wordt door de moeders niet alleen toegepast om de jongen naar geliefkoosde voerplaatsen te brengen, maar ook om ze gauw uit den weg te krijgen, als er plotseling gevaar dreigt, zooals brand of overstrooming, waar geen wegschuilen voor helpt.

Voor zoover ik kan beoordeelen hoe 't gebeurt (maar het gaat altijd heel snel, en 't is buitengewoon moeilijk te volgen), strijkt de moeder vlak boven het kuiken neer, of ze loopt tot ze er boven is, en houdt het onder 't vliegen tusschen haar knieën. Zoo komt het mij voor dat het geschiedt, nu 'k het verscheiden keer heb gezien. Er zijn er--en wel jagers en scherpe waarnemers--die beweren, dat de moeder ze in haar bek draagt, zooals een kat een poesje; maar hoe dit mogelijk is zonder de kleintjes te doen stikken, is mij onbegrijpelijk. De snavel is aan het uiteinde niet stevig genoeg, dunkt mij, om ze bij een vleugel te houden; en ze in den nek te pakken, als in een schaar, en ze zoo te dragen, zou ze naar 't mij voorkomt op een eenigszins lange vlucht stellig en zeker wurgen of wonden; en dat is de wijze niet, waarop wilde moeders met hun jongen plegen om te springen.

Er is nog een manier denkbaar waarop Whitooweek haar jongen kan dragen, ofschoon ik het nooit gezien heb. Een oude jager en scherp opmerker van het natuurleven, met wien ik soms door de bosschen zwerf, stond eens plotseling voor een houtsnip-moeder en haar broedsel bij een beekje aan den voet van een ongerepte heuvelhelling. Een van de kuikens rustte boven op den rug der moeder, zooals men dikwijls bij tamme kuikens ziet. Bij de plotselinge nadering van mijn vriend rees de moeder overeind met het kuiken op haar rug en verdween er mee in de dichte bladeren. De rest van het broedsel, drie waren 't er, verdween onmiddellijk; en toen de man er een gevonden had, ging hij maar verder zonder af te wachten, of de moeder voor de andere ook terugkwam. Ik geef deze gebeurtenis voor wat ze mogelijk waard is, om aan de hand te doen op welke wijze 't zou kunnen zijn, dat jonge houtsnippen verdragen worden; maar ik ben er heel zeker van, dat die welke onder mijn eigen aandacht zijn gevallen, op een geheel verschillende manier gedragen werden.

De jonge houtsnippen beginnen hun kleine vlerkjes te gebruiken, als ze nog geen paar dagen uit het ei zijn, zelfs nog eerder dan jonge kwartels, en ze vliegen in een opmerkelijk korten tijd. Ze groeien verwonderlijk snel, zoodat het gezin dikwijls al vroeg in den zomer uiteengaat en elk voor zichzelf gaat zorgen, terwijl de moeder in de gelegenheid is om weer een broedsel groot te brengen. Ze trekken dan ver op zoek naar voedsel waar ze van houden, en komen dikwijls op de boerenerven, waar ze den halven nacht doorbrengen bij de afvoergoten en de stallen als het huis stil is, en haastig verdwijnen op 't eerste gerucht; zoodat Whitooweek dikwijls een geregeld bezoeker is op plaatsen, waar men haar nooit ziet of vermoedt.

Door haar verzotheid op aardwormen heeft Whitooweek lang geleden een paar dingen geleerd, waar een mensch in zijn heele leven nog niet achterkomt, namelijk, dat het veel gemakkelijker en eenvoudiger is om wormen op te rapen dan er naar te graven. Als een jongen naar ze moet graven voor aas, tot belooning waarvan hij met de ouderen uit visschen mag, zal hij met droog weer vaak een halven dag zoekbrengen, en hard werken met heel weinig resultaat; want de wormen zitten bij zoon gelegenheid diep in den grond en kunnen alleen op heel gunstige plaatsen gevonden worden. Ondertusschen zal de vader, die zijn jongen uitgestuurd heeft om te graven, na 't avondeten een prettig uurtje doorbrengen met zijn groene grasperk te besproeien. De wormen beginnen zich naar boven te werken op het eerste getik van de water droppels, en krioelen tegen middernacht bij honderden over 't gras, groote, stevige dikkerds, net goed om forellen mee te vangen. Ze blijven 't grootste gedeelte van den nacht aan de oppervlakte; en daarom vangt de vroege vogel den worm in plaats van hem uit te graven, zooals de slaperige menschen doen moeten. Middernacht is de beste tijd om er met een lantaarn op uit te gaan en al het aas te bemachtigen dat men noodig heeft, zonder moeite of gezeur. Dat is ook de tijd dat men Whitooweek hoogstwaarschijnlijk aan dezelfde bezigheid zal vinden. Den vorigen zomer joeg ik in den laten avond twee houtsnippen van mijn buurmans grasveld op; en er gaat nauwelijks een zomer voorbij, dat we niet met verbazing lezen hoe ze binnen de grenzen van een groote stad als New-York worden aangetroffen, waar ze 's nachts van uit de verte heen zijn getrokken om de kostelijke grasperken af te jagen. Voor dienzelfden regenwormenkost komen ze ook in de tuinen; en vaak zal men op een plaats, waar het heet dat geen houtsnippen voorkomen, onder de koolblaren, of in de koele schaduw van het dichte korenveld, de ronde gaten aantreffen, waar Whitooweek de zachte aarde op larven en wormen onderzocht heeft, terwijl wij sliepen.

Tegen het midden van den zomer komt er een eigenaardige verandering over Whitooweek; de broze gezinsbanden worden verbroken en de vogel wordt een echte kluizenaar voor het overige jaar. Hij leeft geheel in z'n eentje en zelfs in het seizoen van den trek vereenigt hij zich niet met zijn makkers tot groote troepen, zooals de meeste andere vogels; en niemand heeft, voor zoover ik weet, ooit iets gezien, dat ook maar in de verte een zwerm houtsnippen genoemd kon worden. De eenige uitzondering die ik op dezen regel ken, zijn de zeldzame gelegenheden, dat we een mannetjeshoutsnip verrassen, hoe hij als een hazelhoen op een boomstam paradeert, terwijl hij vlerken en staart uitbreidt en wonderlijk sist en sputtert onder 't op- en neergaan. Wie dan naderkruipt, zal nog twee of drie vogels opjagen, die naast den boomtronk of in 't kreupelhout vlakbij staan te kijken. Onlangs vertelde een jager me dat zijn setter eens voor een vogel op een omgevallen boom "gestaan" had, die met zijn geparadeer ophield, zoodra hij ontdekt was, en neerglipte in de varens. Toen de hond naderbij kwam, werden er vijf houtsnippen op 't zelfde oogenblik opgejaagd, het grootste aantal dat, voor zoover ik weet, ooit samen is aangetroffen.

Toen ik den ongeleerden jager--maar hij was wijs waar het de bosschen betrof--naar de reden vroeg van Whitooweeks geparadeer in dit jaargetijde, nadat de gezinnen uiteen zijn gegaan, had hij geen meening of verklaring. "Och, zoo'n gekke manier van doen, net als van de meeste vogels, maar nog gekker" zei hij en daar liet hij 't bij. Ik heb die gewoonte maar ééns gezien, en toen maar half, want ik liep onbesuisd op twee of drie vogels in en joeg ze op, eer ik de vertooning kon waarnemen. Het is zeker niet om zijn wijfje te winnen, want het seizoen daarvoor is lang voorbij; en als het niet wijst op de gewoonte der hazelhoenders om zich in kleine groepjes te verzamelen tot een soort van rustieken dans, ben ik niet bij machte om er een opheldering van te geven. Mogelijk is spelen even verleidelijk voor Whitooweek, als het voor alle andere vogels is; en het spel alleen kan hem doen vergeten, dat hij een kluizenaar is.

Zoodra de dooi invalt, verlaten de vogels de bosschen en moerassen, waar ze grootgebracht werden, en verdwijnen totaal. Waar ze gedurende dezen tijd heengaan, is een diep geheim. Op plaatsen waar er gisteren nog een dozijn van deze vogels waren, is er vandaag niet éen; en als men er toevallig een aantreft, is het gewoonlijk op een plek, waar men er nog nooit eerder een gevonden heeft, ofschoon men al jaren lang geregeld op die plaats komt. Dit is des te merkwaardiger als we denken aan het feit dat de houtsnip, evenals de meeste andere vogels, bepaalde geliefkoosde plekjes heeft, waar zij jaar in, jaar uit terugkeert om er te nestelen of te eten of te slapen. Af en toe kunt ge in dit jaargetij een eenzamen vogel op een droge, zuidelijke heuvelhelling, of aan den zonnigen zoom van de groote bosschen aantreffen. Hij levert nu een treurig gezicht op, want hij heeft bijna geen veeren meer over om hem te dekken en hij kan slechts wegfladderen of -draven bij uw nadering. Als ge het zeldzame geluk hebt hem nu te verrassen, terwijl hij u niet ziet, zult ge iets eigenaardigs opmerken. Hij staat naast een boomstomp of wat varens, waar de zon lekker op zijn kalen rug kan schijnen, alsof hij zich stond te warmen aan den haard der natuur. Zijn lange snavel rust met den tip op den grond, alsof hij een stut was, die zijn kop ondersteunde. Hij slaapt; maar als ge nader kruipt en uw kijker op hem richt, zult ge merken, dat hij met half geloken oog slaapt. Het lijkt, alsof het onderste lid is opgetrokken tot het slechts 't halve oog bedekt; maar de bovenste helft is helder, zoodat hij onder 't slapen boven en achter zich op zijn vijanden kan letten. Bij zulke gelegenheden geeft hij heel weinig geur af, en uw hond met zijn scherpen neus, die in 't najaar op een steenworp afstand lucht van hem zou krijgen, zal er nu vlak langs gaan zonder hem op te merken en moet bijna over den vogel heenloopen, eer hij "staat" of eenig teeken geeft, dat er wild in de buurt zit.

Jagers zeggen, dat die verspreide vogels de dieren zijn, die de meeste veeren verloren hebben en dat ze op de zonnige open plekken blijven om warm te worden. Misschien hebben ze gelijk; maar we moeten dan toch nog dit vragen: wat doen deze zelfde vogels dan 's nachts, als de lucht kouder is dan overdag? En, als om de opvatting te weerleggen: wanneer men één vogel op een zonnige, open heuvelhelling heeft aangetroffen, zal men er den volgenden dag een op een mijl afstand in 't hartje van een groot korenveld vinden slapen, waar de zon hem den heelen dag nauwelijks aanraakt.

Wat ook de reden voor hun handelwijze is, deze vogels, die men in Juli aantreft, zijn zeldzame, onbegrijpelijke wezens. Het meerendeel verdwijnt en ge kunt ze niet vinden. Of ze ver in 't rond zich verspreiden naar dichte schuilplaatsen en door doodstil neer te duiken aan een ontdekking ontsnappen, of dat ze, als sommige snippen, in den dooitijd een korten trek naar het Noorden doen om de eenzaamheid te zoeken voor verandering van voedsel, moet nog ontdekt worden. Want het is verbazingwekkend hoe bitter weinig wij van een vogel weten, die in onze koeienweiden nestelt en die 's nachts dikwijls onze erven en grasperken bezoekt, maar met wien we slechts kennis maken wanneer hij dood is en als een heerlijk hapje, warm op geroosterd brood, op onzen disch wordt opgediend.

In 't voorjaar, als hij een wijfje zoekt, heeft Whitooweek een gewoonte, aan den zoom van het elzenhout waargenomen, genomen, die ons onmiddellijk herinnert aan de grasplevieren [9] van de open venen en hooglanden, en aan hun nog schuwer naamgenooten van de eindelooze vlakten op Labrador. Inderdaad, in zijn voorliefde voor afgebrande, eindelooze stukken land, waar hij zich in 't volle gezicht verbergen kan en ontelbare sprinkhanen en krekels kan vangen, zonder dat hij zich om verandering van voedsel hoeft te bekommeren, en in een weergalooze ongedurigheid en onbevreesdheid voor den mensch, heeft Whitooweek vele punten van overeenkomst met de bijna onbekende plevieren.

Wie in de avondschemering langs den boschzoom sluipt, zal een flauw _pienk_, _pienk_, vlak bij zich hooren, en als hij zich omkeert om te luisteren waar het geluid vandaan komt, zwiert er snel in schuine lijn een houtsnip boven zijn hoofd en begint spiraalsgewijze naar den hemel te kringen, terwijl hij in de grootste opwinding klokt en twettert. Het is maar een armzalig soort liedje, niet te vergelijken met dat van den ovenvogel [10], of de grasplevier, die in de schemering net zoo doen, en Whitooweek moet zijn stem te hulp komen met 't geklep van zijn vleugels en de lucht die er door gonst, zoodat 't doet denken aan de schrille stem van een riethalm bij winderig weer; maar het klinkt ongetwijfeld lieflijk genoeg voor het bruine wijfje, dat roerloos vlak bij ons staat te gluren en te luisteren naar de voorstelling. Op een voor hem geweldige hoogte tolt Whitooweek een poosje als bezeten rond en dan herhaalt hij zijn spiraal naar beneden, al dien tijd klokkend en twetterend, tot hij de boomtoppen bereikt, waar hij recht boven zijn wijfje zijn vleugels opvouwt en als een schietlood neervalt. Maar ze verroert zich nog niet, want ze weet best wat er komt, en nog geen paar voet van den grond spreidt Whitooweek zijn vleugels wijd uit om zijn val te breken en komt rustig vlak naast haar neer. Daar blijft hij even heel stil, alsof hij uitgeput was; maar het volgende oogenblik stapt hij met uitgespreide vleugels en staart als een wilde kalkoensche haan om haar heen, laat al zijn goede eigenschappen op zijn voordeeligst uitkomen, en is op zijn vertooningen zoo ijdel als een pauw in de lentezon. Weer is hij rustig; er klinkt een zwak _pienk_, _pienk_, alsof het wel een mijl weg was; en weer zwiert Whitooweek op snelle wieken schuin omhoog om zijn extatische bewegingen te herhalen.

Beide vogels zijn bij zulke gelegenheden verwonderlijk weinig bang voor menschen, en als iemand zich niet beweegt, of wanneer hij het doet heel voorzichtig, dan schenken ze er niet meer aandacht aan, dan alsof hij een van de koeien was, die de eerste grassprietjes vlakbij afgrazen. Evenals de gouden plevier, die haar leven grootendeels in de uitgestrekte eenzaamheid van Labrador en Patagonië doorbrengt, en wier natuur een eigenaardige mengeling is van uiterste schuwheid en verregaande domheid, schijnen ze geen instinctieve vrees voor eenig groot dier te hebben; en de vrees, die Whitooweek heeft aangeleerd, is het gevolg van 't feit dat er voortdurend op hem wordt jacht gemaakt. Zelfs hierin leert hij langzamer dan eenig ander gevleugeld wild, en als hij eens een poosje aan zichzelf wordt overgelaten, keert hij ook al spoedig tot zijn natuurlijke vertrouwelijkheid terug.

Wanneer het herfst wordt, zult ge nog op een andere wijze in Whitooweek aan de onbekende plevier herinnerd worden. Evenals ge vol vertrouwen de komst van de plevier tegemoet ziet in den eersten zwaren Noordooster na twintig Augustus, zoo zal de eerste herfstmaan, die door dichten mist verduisterd is, stellig de houtsnip naar haar gewone verblijfplaatsen terugvoeren. Maar waarom zij op volle maan wacht en dan op een killen mist om die te bedekken, eer zij haar vlucht naar het Zuiden begint, is weer een mysterie. Anders dan de plevieren, die bij honderden aankomen en wier bovenaardsche kreet, snerpend boven het gebulder van den storm en 't neergutsen van den regen uit, ons tegen middernacht uit bed roept en doet beven van opwinding, en luisteren, en nog eens beven, komt Whitooweek zwijgend en eenzaam aanglippen; en 's morgens gaan we uit, alsof 't afgesproken werk was, en vinden we hem rustig slapen, precies waar we hem verwachtten.

Met den eersten najaarstrek komt er nog een eigenaardigheid uit, namelijk, dat Whitooweek een voorliefde heeft voor sommige plaatsen, niet om voedsel of beschutting die hij daar vindt, maar klaarblijkelijk omdat hij er aan gehecht is; zooals een kind van bepaalde ruige hoekjes van een wei tegen de helling meer houdt dan van zooveel andere mooier plekjes, waarvan men verwachten zou, dat ze hem liever waren. Daarenboven schijnt het, dat de verspreide vogels op de een of andere onbekende manier rekening met die plaats houden, alsof het een herberg was, en zoo lang ze in de buurt blijven, zullen ze deze bepaalde plek dikwijls bezet houden al den tijd dat ze er zijn.

Een mijl of drie noordelijk van de plaats waar ik schrijf, is een kleine uitgestrektheid hoogopgaand open bosch, waar een paar jagers jarenlang van hebben geweten en dat ze in 't oog hielden, terwijl andere er achteloos aan voorbijgingen, want het zou in de heele streek wel de laatste plek lijken om wild te vinden. Toch, als er ook maar één houtsnip is in de heele Fairfieldstreek in deze dagen van vele jagers en weinig vogels, bestaat er kans dat zij daar zal zitten; en wie er daar geen vindt den eersten morgen na een tijd van veelbelovend weer, kan er wel bijna zeker van zijn, dat de trek nog niet begonnen is, of reeds ongemerkt voorbij is gegaan. Verscheiden keeren, nadat ik een eenzame houtsnip op deze plaats had opgeschrikt, heb 'k er overal een onderzoek ingesteld naar een oorzaak voor Whitooweek's wonderlijke voorliefde, maar alles tevergeefs. De grond is kaal en steenig, met amper een varen, of wortel, of graspol, om zelfs een houtsnip dekking te geven; en tuur maar zoo zorgvuldig als ge wilt, ge kunt geen boorgat of bewijs ontdekken, dat Whitooweek er voedsel gezocht heeft. Naar allen uiterlijken schijn is het de laatste plaats waar men verwachten zou zoo'n vogel aan te treffen, en er zijn uitstekende schuilplaatsen vlakbij; toch is dit de plek, waar Whitooweek overdag graag ligt, en hier zal hij naar terugkeeren, zoo lang er ook maar één houtsnip overblijft. Jagers mogen de plek vandaag onveilig maken, en de enkele zeldzame vogels die er nog komen doodschieten, maar morgen, als er in de heele buurt slechts enkele vogels zijn, zal precies hetzelfde aantal zich op precies dezelfde plaats ophouden als waar de eerste geschoten werden.

Ik heb oude jagers gevraagd naar deze plek--die ik ontdekte door twee houtsnippen tegelijk op te jagen in een tijd, dat er geen enkele te vinden was, ofschoon er door een heelen troep jonge jagers en honden naar gespeurd werd--en vernam dat het altijd zoo geweest is, zoolang zij zich herinneren kunnen. Jaren geleden, toen er volop waren van die vogels en men ze nog weinig kende, kon men er hier altijd vijf of zes op een halven bunder, op elk tijdstip van den trek, aantreffen. Als deze geschoten waren, namen andere hun plaats in en de voorraad scheen haast niet uitgeput te raken, zoolang er genoeg vogels in de omringende ruigte waren om er aanvulling uit te krijgen; maar waarom ze zich meer op deze plek ophouden dan elders, en waarom de leege plaatsen zoo gauw weer ingenomen worden, dit zijn twee vragen, die geen mensch beantwoorden kan.

Een jager oppert weifelend dat dit misschien de reden is: dat de vogels, die gedurende den trek naar 't Zuiden vliegen, op de beste onbezette plaatsen neerstrijken; en dezelfde verklaring zal bij anderen opkomen. Er valt tegen in te brengen dat de vogels 's nachts trekken, en 's nachts is die plaats altijd onbezet. De houtsnippen gebruiken haar alleen overdag als rustplaats, en 's nachts verspreiden ze zich ver in 't rond om voedsel te zoeken op vaste plaatsen, waar ook de trekkende vogels het eerst heengaan; want Whitooweek moet dikwijls eten, omdat zijn voedsel gemakkelijk verteert, en kan waarschijnlijk geen vlucht van langen duur uithouden. Hij schijnt dood op zijn gemak zuidelijk te trekken, en onderweg te eten; zoodat de nieuw-aangekomenen de vogels op de plaats waar ze eten zouden aantreffen, àls ze hen eigenlijk wel aantreffen, en bij daglicht van daaruit met hen mee zouden gaan naar de rustplaatsen, die ze hadden uitgezocht. Maar hoe vernemen de nieuwelingen, die 's nachts komen aanvliegen, dat de geliefkoosde plaatsen overdag al zijn ingenomen, of dat sommige van de vogels, die er zich gisteren bevonden, nu dood zijn en hun plaatsen leeg? De eenig mogelijke verklaring zou zijn te zeggen dat het toeval is--wat in 't geheel geen verklaring is, maar wel een dwaasheid; want toeval, wanneer er werkelijk zoo'n blind, onredelijk iets in een redelijke wereld bestond, herhaalt zich niet geregeld--, òf boudweg aan te nemen dat er een bepaalde verstandhouding bestaat tusschen de vogels, als ze 's nachts af- en aanfladderen; wat waarschijnlijk zoo is, maar klaarblijkelijk onmogelijk te bewijzen met onze tegenwoordige beperkte kennis.

Deze voorkeur voor bepaalde plaatsen uit zich nog op een andere wijze, wanneer ge den kluizenaar op 't spoor zijt. Als hij uit een geliefkoosd rustoord wordt opgejaagd en niet beschoten, vliegt hij maar een klein eindje weg, naar de toppen van 't struikgewas en weer terug, en dan gaat hij kalmpjes weer naar de plaats waar hij opsteeg, zoodra ge weg zijt. Hij kent ook de krijgslist van den haas, om in een kring weer tot zijn uitgangspunt terug te keeren; en af en toe, wanneer ge een vogel opjaagt en scherp toekijkt, kan 't gebeuren dat ge hem op geruischlooze wieken achter u neer ziet glijden en bijna achter uw hielen neerstrijken. Eens joeg mijn oude hond Don een houtsnip op en bleef maar trouw "staan" voor de plek, waar hij gezeten had. Ik bleef waar ik was, een meter of wat achteruit, en in een oogwenk kwam Whitooweek aanzwieren achter me, en streek stilletjes neer in wat varens tusschen mij en den hond en geen tien voet van den staart van den ouden setter. De list gelukte volkomen, want toen de geur voor Don's neus vervloog, ging hij naar voren en miste zoo den vogel, die vlak achter hem aandachtig zat te kijken. Deze eigenaardige gewoonte kan eenvoudig 't gevolg zijn van Whitooweek's voorliefde voor bepaalde plaatsen; of misschien zoekt hij 's nachts zorgvuldig de plek uit, waar hij overdag kan uitrusten en zich verbergen, en keert hij er terug, omdat hij niet goed een andere kan vinden, als de zon zijn oogen verblindt; of mogelijk is het doodeenvoudig slechts een list, om het dier dat hem stoort te misleiden, door er vlak achter neer te strijken, waar hond noch man er ooit over denken zullen naar hem te zoeken.