Een Broertje van den Beer

Chapter 3

Chapter 34,104 wordsPublic domain

Dat was nog niet half tot ons doorgedrongen, toen de kleine baas zich op den hond stortte, die den eersten waschbeer bij den hals hield en met een beet van zijn sterke kaken een voorpoot verbrijzelde. De grootere waschbeer kwam weer op de been, zwakjes vechtend.--Maar er was een eigenaardige verandering in de jacht gekomen. Ik was vooruitgesprongen om tusschenbeide te treden bij zoo'n onverwachten heldenmoed, maar had me weer teruggetrokken bij de gedachte, dat ik slechts een gast was en er beleefdheidshalve bij mocht zijn. Naast me stond een groote jager, eigenaar van een paar der honden, wiens gezicht wonderlijk vertrok in het schijnsel van het vuur. Hij wilde op de vechtenden losgaan, zwaaide met zijn knuppel, maar trok zich toen terug, omdat hij zich schaamde eenige weekheid te toonen op een waschberenjacht. "Red hem," fluisterde ik hem toe, "dat kleine ding heeft zijn leven wel verdiend"; en weer sprong hij naar voren. "Trek de honden weg!" brulde hij met vreeselijke stem, terwijl hij tegelijkertijd den zijnen er afrukte. Elke jager begreep het. Er ontstond plotseling een wild gebrul, waaruit iets klonk dat je een heerlijke rilling over den rug joeg. De honden werden bij staart en pooten weggesleept, terwijl ze huilden en zich verzetten tegen dien smaad. De groote waschbeer ging stil liggen sterven; maar het kleintje ging met zijn rug tegen de rotsen staan, zijn oogen fonkelend als kolen waar de wind over blaast, trok zijn neus in rimpels als een wolf en grauwde uitdagend tegen de heele, huilende bende. En daar bleef hij, tot ik een stok nam en hem te midden van gelach en toejuichingen, nog onder kwaadaardig verzet, in een anderen boom dreef, waar de honden niet bij hem konden komen.

Dat was ver van de plaats waar mijn eerste Broertje van den Beer woonde, en er waren vele jaren verloopen sinds ik de overhangende rots bij den ouden beverdam bezocht had. Op een dag kwam ik er weer, en boog haastig den ouden boschweg in, die bij elke wending en rots en vermolmde boomstomp een gelukkige herinnering voor me had. Hier was het dat de patrijs [8] gewoonlijk trommelde; en daar, aan het eind van den boomstam, waren teekenen, die me zeiden dat hij er nog wel eens het gedempte roffelen van de vleugels liet wegrollen. Hier was 't gat in het muurtje, waar de vos doorglipte; en daar was een krinkelend geel haar aan een ruwe rots blijven hangen, dat stom getuigde. Hier was 't waar de dennen het dichtst stonden; maar ze waren nu alle omgehakt en de zaden van het loofhout, die zoo vele jaren onder de dennen hun kans op 't zonnelicht hadden afgewacht, schoten eindelijk welig en krachtig omhoog. En hier was de plek waar de weg zich boog om nog eens om te kijken naar het aardige plekje, waar de schuwe kinderen woonden met wie ik eens vriendschap had gesloten.

Ze waren allen verdwenen en het huisje onder den rotswand was verlaten. In een van de vervallen vertrekken vond ik een lappenpop naast den kouden haard en een paar ongelukkige stukjes speelgoed op een plank, onder een gebroken raam. In het heele verlaten, vergeten huis waren dit de eenige dingen, die een glans over mijn gezicht en het vocht in mijn oogen riepen toen ik ze zag. Al het andere sprak van ondergang en verval; maar dit armzalige speelgoed, dat door kleine handjes was aangeraakt, ging me regelrecht naar 't hart, zoo deed het denken aan leven en onschuld en een jeugd die nooit veroudert in de wereld. Ik stofte het zorgvuldig af met mijn zakdoek en zette het weer op zijn plaats, en ging stilletjes het pad af dat naar de andere woning leidde, waar 't Broertje van den Beer vroeger huisde.

Alles was ook hier veranderd. De dam, dien de bevers gebouwd hadden en dien de jaren hadden bedekt, lag er nog even hecht als altijd; maar de bosschen waren omgehakt en het meertje was ingekrompen, tot de wilde eend er niet langer een schuilplaats vond. De rotswand was niet groen meer, want de zon, die binnendrong toen de groote boomen vielen, had bijna al het mos en de varens gedood, die ze bedekten; en 't lied van de beek, ofschoon 't nog opgewekt klonk, was nauwelijks te hooren, als ze dropte en sijpelde, waar ze eens naar beneden gestroomd en gehuppeld had in de lommerrijke vallei, die nog lommerrijk bleef, omdat de grond daar gelukkig te arm was om er iets anders dan kreupelhout en sleutelbloemen te laten groeien, en zoo hadden de houthakkers haar niet aan troostelooze verwoesting prijsgegeven. De oude boom, eens de woonplaats van den waschbeer, was omgewaaid. Toen hij den steun van zijn makkers miste en deze niet langer den wind voor hem braken, kon hij niet alleen staan en sloeg om in den eersten storm. De oude indrukken van Mooweesuk's klauwen waren diep onder 't mos verborgen. Van deze vernielde woning ging ik naar het hol onder de rotsen, langs het pad dat de waschberen indertijd volgden. De jagers waren hier lang geleden geweest; het hol was opengebroken, de beschuttende rotsblokken op zij gegooid en van binnen lag het vol bladen van het vorige jaar. Toen ik ze treurig wegstreek om eens te zien hoe de woning er uitzag, stootte mijn hand tegen iets hards in een donkeren hoek, en ik trok haar weer naar buiten. 't Was een kleine, gebogen knoest, heelemaal glad gemaakt door 't vele aanpakken--het speeltuig, dat ik 't eerst gezien had en dat nu de laatste herinnering aan een tehuis was, waar de Broertjes van den Beer eens gewoond en vroolijk samen gespeeld hadden.

WHITOOWEEK, DE KLUIZENAAR.

Whitooweek, de houtsnip, de wonderlijkste kluizenaar die er maar in de bosschen bestaat, is een geheimzinnige vogel. Slechts de jagers weten iets van hem af en ze kennen hem voornamelijk als een prachtigen vogel, die met een verrast gekwetter naar de elzetoppen schiet voor hun honden, daar even op gonzende wieken zweeft om zijn richting te bepalen en dan van zijn gunstige uitkijkpunt op het oogenblik van zijn zegepraal òf dood valt bij 't knallen van hun geweren en 't ritselen van den hagel door het bladerscherm, òf anders snel wegzeilt in schuine lijn naar een andere schuilplaats tusschen de elzen. Voor de jagers, die feitelijk zijn eenige menschelijke bekenden zijn, is hij niets dan louter wild en hun belangstelling richt zich voornamelijk op zijn dood. Hij verbergt voor hen, en voor ieder ander, de bijzonderheden van zijn dagelijksche leven, in de donkere bosschen waar hij alle zonnige uren doorbrengt, en in de zachte schemering wanneer hij als een uil buiten rondvliegt na zijn lange dagrust. Van de honderd boeren, op wier land ik Whitooweek heb aangetroffen, of de sporen dat hij er pas had gegeten, weten er amper vijf uit eigen aanschouwing dat er zoo'n vogel bestaat; zoo goed speelt hij voor kluizenaar vlak voor hun neus.

De oorzaken hiervan zijn verschillend. Overdag rust hij op den grond in een donker hoekje met dicht struikgewas, bij een bruine boomstomp die precies met zijn veeren overeenkomt, of in een wildernis van dorre blaren en varens, waar 't bijna onmogelijk is hem te zien. Op zulke tijden helpt zijn wonderlijke onbevreesdheid voor den mensch hem om zich te verbergen, want hij zal ons op een afstand van nog geen paar voet voorbij laten gaan zonder zich te verroeren. Dit komt gedeeltelijk doordat hij overdag slecht ziet en misschien niet beseft hoe vlakbij ge zijt, en gedeeltelijk doordat hij weet dat zijn zachte kleuren hem zoo goed te midden van zijn omgeving dekken dat ge hem niet zien kunt, hoe na ge ook komt. Dit vertrouwen is niet misplaatst, want eens zag ik een man over een houtsnip die op haar nest in de wortels van een oude boomstomp zat te broeden stappen, zonder dat hij haar zag, en ze verroerde zelfs het tipje van haar langen snavel niet toen hij voorbijging. In de late schemering, wanneer de houtsnippen voor 't eerst naar buiten komen, ziet ge niets dan een schaduw haastig over een stukje helderen hemel glijden, als Whitooweek aan de beek in de wei gaat eten, of hoort ge geritsel in de elzen, als zij de dorre bladen omwerpt, en een zwak _pieunk_, als 't geluid van een nachtzwaluw in de verte; en dan vangt ge nog net even een schaduw op die langs den grond glipt, of een spinnend, vleermuisachtig wiekgeflapper, wanneer ge nader komt om het te onderzoeken. Geen wonder dat Whitooweek onder zulke omstandigheden al haar zomers doorbrengt in het bosch van een boer en er broedsel voor, broedsel na opkweekt van donzige, onzichtbare kuikentjes, zonder dat zij ooit gesnapt of herkend wordt.

Mijn eigen kennismaking met Whitooweek begon toen 'k een kind was, toen ik geen naam had om aan den vreemden vogel te geven dien ik dag in dag uit gadegeslagen had, en zij, wie ik om inlichtingen vroeg, me uitlachten om mijn beschrijving en zeiden dat zoo'n vogel niet bestond. Het was vlak achter de weiden, tegen de helling waar de oude beukenpatrijs woonde. Op de noordelijke hellingen waren wat donkere, vochtige eschdoornboschjes en daarachter glooide de grond onder struikgewas en elzen naar een wild weitje waar sleutelbloemen langs de beek groeiden. Toen ik op een Aprildag door de eschdoornboschjes sloop, stond ik plotseling stil, omdat ik iets als een diamant aan mijn voeten zag schitteren. Het was een oog, 't oog van een vogel; maar het duurde een oogenblik, eer ik tot het besef kwam dat er daar wezenlijk een vogel op zijn nest zat, tusschen de afgebroken stukken van een oude boomstomp die er jaren geleden afgevallen waren.

Ik ging voorzichtig achteruit en knielde neer om mijn wonderlijke vondst te bekijken. Zijn snavel was geweldig lang en recht, en zijn oogen zaten ergens achter aan zijn kop--dat was wat 'k het eerst opmerkte. Een ronddwalend paard had zijn hoef in het droge, vermolmde hout van de omgevallen boomstomp gezet en er een holte in gemaakt. In deze holte waren wat bladen en dorre grassprieten verzameld,--een slordig soort van nest, dat toch prachtig aan zijn doel beantwoordde, want het verborg de broedende moeder zoo mooi, dat men er op had kunnen trappen zonder ooit te weten dat vogel of nest zoo in de buurt zaten. Dit was de tweede waarneming die ik verrast deed, toen ik de zachte omtrekken onderscheidde van den vogel die daar zat, zonder een zweem van angst blijkbaar, geen tien voet van mijn gezicht.

Ik ging dien dag stilletjes heen en liet hem ongemoeid; en ik herinner me nog best dat ik iets van de verwondering en iets van den angst ook met me meedroeg, waar een kind uiteraard voor het eerst de wezens die in 't wild leven mee tegemoetkomt. Dat hij daar zoo stil en onbevreesd vóor me zat, was een voldoende reden voor een kind, om aan te nemen dat hij het een of andere verborgen verdedigingsmiddel had--misschien den langen snavel, of een verscholen angel--waar je maar liever niet mee moest spotten. Dat lijkt me nu allemaal zoo heel wonderlijk en ver weg; maar het was toen echt genoeg voor een heel klein jongetje, alleen in de donkere bosschen, dat voor den eersten keer een grooten vogel vond met een geweldig langen snavel en oogen ergens achter aan zijn kop, waar ze, dat was duidelijk, niet hoorden; een vogel, die daarenboven niet bang was en heel goed in staat leek om voor zichzelf te zorgen. Ik ging dus stilletjes heen, een en al verbazing. Den volgenden dag kwam ik weer terug. De vreemde vogel zat als te voren op zijn nest, terwijl zijn lange snavel op den rand van de holte rustte en er op 't eerste gezicht als een takje uitzag. Hij toonde niet de minste vrees, en aangemoedigd door zijn kalmte en vertrouwen, kroop ik al nader en naderbij, tot ik zijn snavel met mijn vinger aanroerde en voorzichtig op zij schoof. Hierop schudde hij dien ongeduldig heen en weer en mijn eerste kinderlijke waarneming was er een, die pas onlangs door de natuuronderzoekers gedaan is, namelijk, dat het tipje van den bovensten snavel buigzaam is en heen en weer bewogen kan worden, bijna als een vingerlid, om het voedsel te zoeken, dat diep in de modder steekt, het te grijpen en uit zijn schuilplaats voor den dag te trekken. Tegelijkertijd uitte hij een eigenaardig sissend geluid, dat me weer schrik aanjoeg en me aan slangen en verborgen angels deed denken; dus ik deinsde achteruit en sloeg hem op een veiligen afstand gade. Hij zat bijna den heelen tijd roerloos; de eenige beweging was, dat hij zoo nu en dan met den langen snavel draaide; en eens, toen hij een heele poos stil geweest was, keerde ik zijn kop weer op zij en tot mijn verbazing en blijdschap stribbelde hij niet tegen, maar liet zijn kop zooals ik dien gewend had en liet hem me na een tijdje weer terugdraaien. Na zijn eerste waarschuwing scheen hij den toestand volkomen te begrijpen, en was hij niet bang voor het kind, dat hem verwonderd gadesloeg en er volstrekt geen plan op had om hem of zijn nest kwaad te doen. Anderen hadden gelachen om mijn beschrijving van een bruinen vogel met een langen snavel en oogen achter op zijn kop, die toeliet dat je hem op zijn nest aanraakte; dus ik sprak er tegen hen niet meer over; maar bij de eerste gelegenheid de beste spoorde ik Natty Dingle op en vertelde er hem alles van. Natty was een goedig mannetje, een zieltje zonder zorg, dat geen kwaad kon doen en voor geen geld hard zou werken,--daar kreeg hij 't zoo van in zijn rug, zei hij--maar dat zich met alle plezier halfdood zou sloven om door 't ijs te gaan visschen of om een buurman te believen. Voor zoover hij in zijn onderhoud voorzag, deed hij het met jagen en visschen en vallen zetten en wilde vruchten verzamelen in de verschillende jaargetijden, en door in 't voorjaar paardebloemen en sleutelbloemen te plukken en ze met een vriendelijk gezicht van deur tot deur te venten. Het grootste gedeelte van zijn tijd bracht hij bij mooi weer door met in de bosschen rond te dwalen of op zijn rug aan den oever van het meertje, waar de bosschen het dichtst waren, lui te liggen visschen, en wat te vangen waar het niemand anders ooit gelukte, of het hol van een otter te bespieden, waar niemand anders in wel veertig jaar een otter gezien had. Hij wist alles van de bosschen af, kende elken vogel, elk dier, elke plant, en voor zoover ik weet was er tenminste één jongen, die liever een dag met hem ging visschen dan naar den President en zijn stoet te gaan kijken of naar een paardenspel te gaan.

Anders dan de anderen lachte Natty niet bij mijn beschrijving, maar luisterde geduldig en vertelde me, dat ik 't nest van een houtsnip gevonden had--iets zeldzaams, zei hij, want ofschoon hij zooveel door de bosschen gezworven en in 't seizoen honderden van die vogels geschoten had, was het hem nog nooit gelukt een nest te vinden. Den volgenden dag ging hij met me mee om de eieren te zien, zooals hij zei, maar, als ik er achteraf over denk, geloof ik, dat het waarschijnlijk met de bedoeling was om nauwkeurig de plaats van het broedsel te bepalen tegen den jachttijd in Augustus. Toen we om het eind van den gevallen boomtronk kwamen, werd de houtsnip door haar vertrouwen in den steek gelaten bij 't gezicht van den vreemdeling en ze glipte geruischloos in het dichte loover weg. Daarna zagen we haar vier eieren, heel breed aan het eene eind, heel smal aan het andere, en prachtig gekleurd en gespikkeld. Natty, die verstandig was in zijn soort, gluurde maar amper even naar het nest en trok me toen weg om ons te verstoppen, en eer 'k het wist of ook maar iets van haar komst gemerkt had, daar zat moeder houtsnip weer op haar eieren te broeden. Daarop fluisterde Natty, die een gedeelte van mijn verhaal gewantrouwd had, me toe er weer uit te kruipen; en de vogel verroerde zich niet, toen ik op handen en voeten naderkroop en hem als den vorigen keer aanraakte. Even later kropen we stilletjes weg en nam Natty me mee naar 't moeras om me de boorgaten te laten zien, terwijl hij me onderweg over de gewoonten van de houtsnip vertelde, zooals hij die onder 't jagen in den herfst gezien had. We vonden overal boorgaten, waar de grond maar zacht was--ontelbare gaten, alsof ze met een potlood gemaakt waren, waar de houtsnip de aarde met haar langen snavel onderzocht had. Ze aasde op wormen, vertelde Natty me--een zonderlinge vergissing van hem, en evenzeer van alle vogelboeken, want in de oude elzenboschjes en moerassen, waar de boorgaten zoo dikwijls worden waargenomen, zijn geen regenwormen, slechts slakken en zachte torren en weeke, witte larven. De houtsnip jaagt op 't gevoel en door den reuk en ook door te luisteren naar de zwakke geluiden, die de wormen onder den grond maken, vertelde hij mij, en daarom staan haar oogen zoo ver achter aan den kop, om niet in den weg te zitten, en ook om op 't gevaar boven en achter zich te letten, terwijl de snavel van den vogel diep in de modder steekt. En dit verklaart ook, waarom het topje van den snavel buigzaam is, zoodat de gevoelige tip, als de vogel in den grond boort en het hem niet gelukt de juiste plaats van zijn prooi te bepalen op 't gehoor, rondvoelt als een vinger, tot ze de lekkernij ontdekt en beetgrijpt. Al deze dingen en nog veel meer vertelde hij me, terwijl we het moeras afzochten naar teekenen van moeder houtsnips jachten en samen in de schemering naar huis togen. Sommige dingen waren waar, andere onjuist; en nog andere waren een eigenaardig mengelmoes van nauwkeurige overleveringen en folkloristische bedenksels uit een onbekende bron, zooals nog overal buiten voor kennis van vogels en andere dieren gelden; en deze waren de merkwaardigste van allemaal voor een kind. En de jongen luisterde, zooals een dweper naar een groot gewijd concert luistert, en herinnerde zich later al die dingen en zifte ze en onderzocht zelf, wat er waars aan was.

Toen ik een paar dagen later naar de plek terugkeerde, was het nest verlaten. Een paar verstrooide stukjes eierbast vertelden me de geschiedenis, en dat ik nu zoeken moest naar de jonge houtsnippen, die bijna onmogelijk te vinden zijn, als de moeder zelf je niet wijst waar ze zitten. Een week later, terwijl ik langs den zoom van het moeras sloop, leek het alsof een kleine, bruine warrelwind plotseling de bladen aan mijn voeten opjoeg. Er middenin onderscheidde ik de houtsnip, die wegfladderde, al klokkend en nu met een vleugel, dan met een poot slepend, alsof ze vreeselijk gekwetst was. Natuurlijk volgde ik haar om te zien, wat er aan de hand was, en dacht niet aan de patrijs, die me eens op dezelfde aardige manier beet had gehad om me listig van haar kuikens weg te lokken. Toen ze me veilig op een afstand gebracht had, verdwenen al haar kwetsuren als bij tooverslag. Ze steeg op met forsche wieken, zwierde het moeras over en kringde snel terug naar waar 'k haar 't eerst had opgeschrikt. Maar ik vond niet een van de jonge houtsnippen, ofschoon 'k er een half uur naar zocht en er waarschijnlijk vier tusschen de bladeren en gras- sprieten vlak voor mijn oogen verscholen zaten.

De wonderbaarlijke kennis, uit Natty Dingle's voorraad opgedaan en van de boorgaten in 't moeras, bracht me eenige weken later in moeite en strijd. Niet ver van me af woonde een buurjongen, een natuuronderzoeker in den dop, die een grooten, gelen kater thuis had, Blink genaamd. Blink was een zonderlinge oude kater, en de grootste jager, dien 'k ooit gezien heb. Hij wist bijvoorbeeld waar een mol in zijn lange gang gesnapt kon worden en--dat is iets wat me nog een raadsel is--ving ze bij massa's; maar, als de meeste katten, hij kon er nooit toe gebracht worden er een op te eten. Wanneer hij een mol ving, als hij honger had, begroef hij hem en ging weg om een muis of een vogel te vangen; en deze at hij op, terwijl hij den mol bewaarde om hem als buit mee thuis te brengen. Hij jaagde urenlang in z'n eentje en kwam miauwend thuis met alles wat hij gevangen had--ratten, eekhoorns, konijnen, kwartels, patrijzen, en zelfs sprinkhanen, als er geen grooter wild op pad was. Uit de verte kon je zijn jachtkreet hooren, een eigenaardig _miauw-iauw_, dat hij slechts dan uitte, wanneer hij iets gevangen had; en de jongen liep dan gauw naar buiten hem tegemoet om hem zijn buit af te nemen, terwijl Blink snorde en zich langs zijn beenen wreef om zijn trots en voldoening te toonen. Als hem niemand tegenkwam, liep hij eens of tweemaal om het huis te miauwen en legde zijn prooi dan onder de stoep, waar onze neuzen er al gauw de aandacht op moesten vestigen, want Blink raakte ze nooit meer aan.

Eens vond de jongen een vreemden vogel onder het trapje, een mooi, bruin diertje, zoo groot als een duif, met een langen, rechten snavel en oogen boven op zijn kop. Hij bracht hem naar zijn vader, een pedant heerschap, dat hem een zonderling mengelmoes van waarheid en onzin als "natuurlijke historie" opdischte. Hij zei, dat het een blinde snip was (en daar stak wat waars in), die niet zien kon, doordat zijn oogen niet op hun plaats zaten; het was een heel zeldzame vogel, die zoo nu en dan in 't najaar voorkwam, en die zich 's winters in de modder begroef in plaats van op den trek te gaan,--en dat alles was grootendeels onzin.

Toen de jongen me meenam om zijn zonderlinge vondst te kijken, noemde ik het een houtsnip en begon er gretig van te vertellen, maar werd tot zwijgen gebracht en een leugenaar genoemd voor mijn moeite. Er volgde een woordenrijke twist, waarin tevergeefs een beroep gedaan werd op Natty Dingle's gezag; en de jongen, die grooter was dan ik en op zijn eigen erf, joeg me ten slotte weg, omdat ik het gewaagd had hem van een vogel wat te vertellen, dien zijn eigen kat gevangen had en dien zijn eigen vader een blinde snip genoemd had. Hij keilde me nog een extra steen na, omdat 'k gezegd had, dat er massa's in de buurt zaten, maar dat ze net als uilen 's nachts aten, en nog een steen, omdat 'k teruggeroepen had, dat ze niet als schildpadden met droog weer in de modder kropen, zooals zijn orakel verklaard had. En hoogst waarschijnlijk zult ge over 't algemeen hetzelfde onbekookte doorslaan ontmoeten, wanneer en waar ge ook tegen de vooroordeelen van z.g. natuurkenners opkomt. Luister naar alles wat ze beweren--dat de aarde vlak is, dat de zwaluwen den winter in de modder doorbrengen, dat de dieren geheel door instinct beheerscht worden--maar haal vooral geen feiten aan die ge zelf misschien gezien hebt, eer de wereld er rijp voor is. Want het is beter om iets een blinde snip te noemen tegen beter weten in, dan een familieveete te veroorzaken en een steen naar 't hoofd te krijgen, omdat ge 't een houtsnip hebt genoemd.

De jonge houtsnippen, ofschoon nauwelijks grooter dan dikke hommels, draven onvermoeid net als jonge patrijzen rond, zoodra ze de schaal maar kapot gepikt hebben, en beginnen dadelijk van de moeder te leeren waar ze naar eten moeten zoeken. In de vroege schemering, als ze minder schuw zijn en de moeder niet zoo gauw gaat wegfladderen om je mee te lokken, heb ik soms een broedsel verrast--kleine, donzige, onzichtbare dingetjes, elk met een grappig langen snavel en een streep over den rug, die 't kleine geval wel in tweeën lijkt te verdeelen, en een helft van hem verbergt, zelfs als ge de andere al ontdekt hebt. De moeder is er bij en gaat ze haastig voor tusschen de moeraspollen en de varens en de elzestammen, waar ze rondscharrelen, de dorre blaren, doode takjes, stukjes vochtigen bast met hun snavel omwippen om de larven, die er zich onder verschuilen, net een troepje voddenrapers, elk met een stokje om de dingen te wenden. Moeder en kuikens hebben bij zoo'n gelegenheid een tevreden gekwetter, dat ik nooit in andere omstandigheden gehoord heb, en dat waarschijnlijk de bedoeling heeft om elkaar aan te moedigen en 't heele troepje binnen 't gehoor te houden, als ze rondsnellen in de schemering.