Een Broertje van den Beer

Chapter 2

Chapter 24,195 wordsPublic domain

Als we ons troepje dien eersten avond van hun rondzwerven, voordat de strooptochten begonnen en de honden ze uiteenjoegen, hadden kunnen volgen, dan zouden we begrepen hebben waarom Mooweesuk een broertje van den beer genoemd wordt. Wanneer hij draaft, loopt hij net als een hond op zijn teenen, en bij ontleding doet hij denken, vooral in de ontwikkeling van schedel en oorbeenderen, aan den voorwereldlijken stamvader van hond en wolf beide; maar overigens is hij in al zijn gewoonten een zakuitgave van Mooween. De moeder gaat steeds voorop, evenals de beer, en de jongen volgen in een rij achter elkaar, terwijl ze alles opmerken waar de moeder hun aandacht op vestigt. Ze zitten op hun dijen en loopen op hun heele voetzool, evenals een beer, terwijl ze met hun achterpooten een prent achterlaten als van een miniatuurkindje. Alles wat eetbaar is in de bosschen wekt hun eetlust op, evenals het dat van den gulzigen zwerver in zijn zwarte vacht doet. Nu roeren ze in een mierennest, dan weer grabbelen ze in een vermolmden boomstam naar larven en kevers. Wanneer ze zoet sap of wat stroop in een oude kampplaats kunnen vinden, doopen ze er hun voorpooten in en likken ze dan schoon, net als Mooween. Nu eens trekken ze uit op bessen van wintergroen [4], dan weer op boschmuizen. Ze ontdekken een ondiepte in de beek, als de zuigvisschen [5] op den trek zijn, en wachten daar tot de groote visschen voorbijkomen; dan wippen zij ze met hun voorpooten uit het water en scharrelen er haastig achteraan. Van die visscherij gaan zij aan 't uitzuigen van watergras, of kikkers en schildpadden uit de modder delven; en de schaal van de schildpad wordt kapot gemaakt door er een steen op te laten vallen. Nu sluipen ze een kippenhok binnen en gaan er met een kuiken van door; en als ze dit verorberd hebben, komen ze weer in den tuin terug om een pompoen open te breken en de zaden tot nagerecht te nemen. Dan zien ze in het meertje een muskusrat voorbijzwemmen met een mossel in haar bek en ze gaan haar langs den oever achterna; want Musquash heeft een eigenaardige gewoonte om op vaste plaatsen te gaan eten--een plat rotsblok, een aangespoeld stuk hout, een bepaalden graspol waar hij de sprieten van afgeknaagd heeft--en verzamelt vaak een stuk of wat schelpen en mossels, eer hij gaat dineeren. Mooweesuk loert net zoo lang, tot hij de plaats gevonden heeft; en als Musquash dan verdwenen is om nog meer schelpen te halen, gaat hij er van door met al wat hij op den disch aantreft. Ettelijke keeren heb ik aan meren en rivieren het verslag van dit kleine blijspel gelezen. Ge kunt de plaats altijd herkennen, waar Musquash eet, door het stapeltje mosselschelpen in 't water stroomaf; en soms vindt ge de prent van Mooweesuk die naar de plek is toegeslopen, en als ge ze volgt, zult ge merken waar hij de schelpen gebroken heeft die Musquash had verzameld.

Nog in een ander opzicht lijkt Mooweesuk merkwaardig veel op een beer: hij zwerft ver in het rond, maar hij heeft bepaalde verblijven, evenals Mooween, en als hij niet gestoord wordt, komt hij altijd min of meer geregeld op elke plek terug waar ge hem eens gezien hebt, en hij komt langs hetzelfde onzichtbare pad. Evenals bij Mooween is zijn kennis van de bosschen uitgebreid en nauwkeurig. Hij kent elk hol en hollen boom, die een waschbeer beschutting zullen verleenen in tijden van nood--gedeeltelijk door ze op te speuren en gedeeltelijk door zijn moeder, die hem meeneemt en ze hem wijst. Bij een korenveld heeft hij altijd een hol, waar hij kan slapen, als hij te verzadigd of te lui is om te zwerven; hij heeft een drogen boom voor regenweer, en een koelen, mossigen, hollen stam diep in de schaduw voor de heete zomerdagen. Hij heeft tenminste één zonnig plekje in den top van een hollen boomtronk, waar hij graag in 't najaar in de zon ligt te stoven; en een geliefkoosden, reusachtigen boom met het diepste en warmste hol, dat hij zonder uitzondering voor zijn langen winterslaap gebruikt. En behalve deze allemaal heeft hij tenminste één toevluchtstoren bij elk van zijn paden, waar hij heen kan gaan, als er plotseling gevaar van honden of menschen dreigt.

Ofschoon hij loopt en jaagt en vecht en eet als een beer, heeft Mooweesuk veel eigen gewoonten, waar Mooween nooit aan toe is gekomen. Een er van is zijn gewoonte om nesten te plunderen. Mooween doet dit ongetwijfeld ook, want hij is dol op eieren, maar hij moet zich grootendeels tot de vogels die op den grond nestelen bepalen, en tot nesten, die hij bereiken kan met op zijn achterpooten te staan. Daarom zijn alle spechten veilig voor hem. Mooweesuk echter kan nooit een gat in een boom zien, zonder er zijn neus in te steken om te ontdekken of er ook eieren of jonge spechten in zitten. Als ze er zijn, zal hij éen poot naar beneden steken. Hij klemt zich stijf tegen den stam, en duwt zijn voorpoot tot aan zijn schouder in het gat, om te zien of het nest misschien ook dom ondiep zit en de eieren binnen het bereik van zijn poot liggen. Deze doet door zijn buigbaarheid aan een apenhand denken;--laat 'k dat hier even zeggen.

Eens zag ik hem, aan den zoom van een wilden boomgaard, het nest van een gouden specht [6] op die manier plunderen. De moedervogel vloog er af, toen Mooweesuk tegen den boom op kwam krabbelen, en dit verzekerde er hem van dat hij daarbinnen iets de moeite waard zou vinden. Hij stak er een poot in, greep een ei, en 't leek alsof hij 't naar boven rolde door het tegen den wand van de holte te houden. Toen het ei bijna aan den ingang was, stak hij zijn neus naar binnen om zijn schat te bekijken. Daar glipte het weg, viel terug en brak waarschijnlijk. Hij probeerde 't met een ander, kreeg het veilig naar boven en at het op zooals hij daar zat. Hij probeerde 't met een derde, dat hem net als 't eerste ontglipte en brak. Toen, met den smaak van het versche ei in zijn bek, scheen hij ongeduldig te worden, of misschien kreeg hij een ingeving door de gele strepen op zijn klauwen. Hij duwde zijn poot hard neer om alle eieren te breken en trok hem druipend terug. Hij likte hem schoon met zijn tong en stak hem weer in den gelen smeerboel op den bodem. Dit ging gemakkelijk en hij bleef zoo voortgaan, tot zijn vochtige poot slechts doppen en vermolmd hout ophaalde. Toen klom hij achterwaarts den boom weer uit en schuifelde het bosch in, terwijl hij een boeltje achterliet, treurig om te zien voor een spechtenmoeder.

Nog een gewoonte waar hij Mooween de baas in is geworden, is zijn visschen. Hij weet evenals alle beren, hoe hij de visch met zijn voorpoot uit het water moet wippen; maar hij heeft ook geleerd hoe hij ze lokken moet, als ze niet op de zandbanken te vinden zijn. Dikwijls heb ik Mooween ook in de schemering aangetroffen, heel stil op een rotsblok of een grijzen boomtronk naast het meer of de rivier gezeten, terwijl hij door zijn zachte kleuren en zijn roerloosheid op een deel van den oever leek. Andere natuuronderzoekers en jagers hebben hetzelfde opgemerkt en hun getuigenissen stemmen hierin gewoonlijk overeen: dat Mooweesuk's oogen bij zoo'n gelegenheid half gesloten zijn en zijn gevoelige "tasters" of snorren op de oppervlakte van het water spelen. De visschen er onder, die deze lichte beweging zien, maar niet het dier er boven, stijgen óf door nieuwsgierigheid óf, wat waarschijnlijker is, door de gedachte aan spelende insecten gedreven, naar de oppervlakte en worden er uitgegrist door een zwaai van Mooweesuk's poot.

Veel jaren geleden vestigde Dr. Samuel Lockwood, een beroemd natuuronderzoeker, in een verhandeling voor het eerst de aandacht op deze eigenaardige manier van hengelen. Sedert dien tijd heb ik Mooweesuk herhaaldelijk aan 't visschen gezien; maar ik ben nooit zoo fortuinlijk geweest hem iets te zien vangen, ofschoon ik een wilde kat dat kunststuk prachtig op dezelfde listige wijze heb zien volbrengen. Als ik er aan denk, hoe dol hij op visch is, en aan de vele plaatsen waar ik heb gezien dat hij ze gegeten had en waar 't water te diep was om ze er op de gewone berenmanier uit te wippen, twijfel ik er geen oogenblik aan, of Dr. Lockwood heeft het ware geheim ontdekt van zijn geduldig wachten boven de diepten, waar de visschen aan 't azen zijn.

Er is nog een eigenaardige gewoonte van den waschbeer, die hem van den beer onderscheidt en van alle andere dieren. Dat is zijn gewoonte om al wat hij vangt in 't water te wasschen, of liever te spoelen. Het doet er niet toe wat hij vindt om te eten--muizen, kuikens, wortels, larven, vruchten--alles eigenlijk, behalve visch, zal hij meenemen naar 't water, als hij ergens in de buurt van een meer of een beek is, en terdege afspoelen, voordat hij 't opeet. Waarom hij dat doet--daar is slechts naar te raden. Het is niet om 't schoon te maken, want veel er van is al schoon; niet om het zachter te maken, want mossels [7] zijn vanzelf al zacht genoeg, en zijn kaken zijn wel zoo sterk om de hardste schalen stuk te maken; toch spoelt hij ze evengoed eer hij ze opeet. Mogelijk is het om de dingen den waterigen smaak van visch te geven, waarop hij dol is; nog waarschijnlijker is het een overblijfsel, evenals het ronddraaien van een hond eer hij gaat liggen, of als de onnoodige trek van de meeste vogels, de erfenis van een vergeten voorzaat, die een reden had voor de gewoonte en op aarde woonde lange, lange jaren voordat er een mensch was om op hem te letten en zich af te vragen waarom hij het deed.

Diep in de wildernis is Mooweesuk schuw en steeds op zijn hoede voor gevaar, als de meeste dieren in 't wild daar; maar als ge heel stilletjes naar hem toesluipt, of als hij u onverwachts bij zich ziet, is hij vol van de nieuwsgierigheid van het boschvolkje om er achter te komen wie ge zijt. Eens, op den langen transportweg van St. Leonards naar den bovenloop van de Restigouche, zag ik Mooweesuk op een rotsblok aan een forellenbeek zitten, druk bezig iets uit te spoelen, dat hij juist gevangen had. Ik kroop op handen en voeten naar den kant van een oude brug op hem af, toen de balken onder mijn gewicht kraakten en hij van zijn wasscherij opkeek en me zag. Onmiddellijk liet hij zijn vangst in den steek en kwam de beek op, half wadend, half zwemmend, zette zijn voorpooten op de lage brug, stak zijn kop over den rand en keek aandachtig naar me, met zijn gezicht geen tien voet van het mijne. Hij verdween na een poosje en ik kroop naar den rand van de brug om te kijken wat hij aan 't spoelen was. Een flauw gekrabbel deed me omkijken en daar had je hem met zijn voorpooten over den anderen bruggerand, terwijl hij dat wonderlijke mensch-ding nakeek, dat hij nog nooit eerder gezien had. Hij was de brug onderdoor gegaan om van den anderen kant naar me te kijken, zooals een vos zonder mankeeren doen zal, als we ons rustig genoeg houden. Het wild dat hij spoelde was een groote kikker, en na een poosje liep hij in een kring om de brug heen, greep zijn buit en verdween in de bosschen.

In de nabijheid van steden, waar er veel op hem gejaagd wordt, is Mooweesuk schuwer geworden, evenals de vos, en heeft tallooze listen geleerd waar hij vroeger niets van kende. Toch geeft hij zelfs hier, als hij maar jong aangetroffen wordt, blijk van een wonderlijke onbevreesdheid en zelfs van een zeldzaam vertrouwen in den mensch. Eens vond ik vroeg in den zomer een jongen waschbeer aan den voet van een heuvelkam, die naar een rotsrichel een paar voet boven zijn kop keek en jammerde, omdat hij er niet op kon komen. Het was hem blijkbaar een verrassing, dat zijn klauwen op de harde rots niet denzelfden indruk konden maken als thuis op den boom, waarin hij geboren was. Hij spartelde niet tegen--scheen het eigenlijk als de natuurlijkste zaak ter wereld te beschouwen--toen ik hem opnam en hem op de richel zette waar hij om jammerde, maar net als een klein kind wou hij een oogenblik later weer naar beneden en ik deed naar 't hem behaagde. Toen ik wegging liep hij me piepend na, zijn eigen hol en zijn makkers in de helling vlakbij vergetend, en hij was niet tevreden, eer ik hem opgebeurd had. Toen rolde hij zich in de holte van mijn arm op en ging volmaakt tevreden slapen.

Weldra werd hij wakker, spitste zijn ooren en draaide met zijn kop op hondenmanier, om een geluid dat te zwak voor mijn gehoor was, en duwde met zijn onderzoekenden neus heelemaal over me heen, zelfs in mijn boord, waar 't net een gevoel was alsof er een stukje ijs langs mijn hals kroop. Pas toen hij zich met zijn klauwen een weg naar den binnenkant van mijn jas gebaand, en zijn neus in mijn vestzak gestoken had, ontdekte hij de oorzaak van de geheimzinnige geluiden die hij had gehoord. Het was mijn horloge dat tikte, en in een oogwenk had hij het er uitgehaald en was hij met het glimmende ding aan 't spelen, even verrukt als een kind met een nieuw stuk speelgoed. Het werd een heerlijk huisdier, vol grappen en snakerijen, dat kuikens ving door net te doen of hij sliep als ze hun hals naar de kruimeltjes in zijn bak kwamen uitrekken, dat zich dood hield als hij op "ondeugde" betrapt werd, dat uit een flesch dronk, en dolblij was als hij de jongens achterna naar de bosschen mocht, waar hij heelemaal wild werd van de pret, maar ze tegen de schemering weer naar huis volgde, en dat er eindelijk in zijn eentje naar zijn eigen boom van doorging om den winter door te slapen--maar over dat alles moet ik ergens anders eens vertellen.

Evenals de beer is Mooweesuk een vreedzame baas en houdt zich strikt bij zijn eigen zaken als hij ver in 't rond door de bosschen zwerft; niet uit angst, want geen dier, behalve misschien de veelvraat, wat een vreeselijk beest is--geeft zoo weinig om gevaar of trotseert het zoo koelbloedig, of met zoo'n moed, als het komt. Van een paar honden trekt hij zich niet veel aan. Als hij ze op zijn spoor hoort, klimt hij gewoonlijk in een boom om ze uit den weg te gaan; want onze hond, anders dan zijn wilde broeder, de wolf, is een bemoeial en moet iedereen altijd lastig vallen; en Mooweesuk, evenals de meeste dieren in 't wild, houdt van den vrede, jaagt slechts als hij honger heeft, en zal altijd, als hij even kan, liever standjes vermijden. Als hij op den grond betrapt wordt, of in 't nauw gedreven, of tot handelen genoopt door een plotselingen aanval, gaat hij met zijn rug tegen den naasten boom of steen staan om zijn vijanden te verhinderen hem van achteren te betrekken, en dan vecht hij tot hij dood is, of tot er geen van zijn vijanden meer over is om hem lastig te vallen, waarna hij weer kalm zijns weegs gaat.

Het doet er niet toe hoe ongelijk de strijd is of hoe vreeselijk hij op zijn kop krijgt, ik heb nog nooit een waschbeer zien versagen of zijn hielen lichten en op de vlucht slaan. Als er veel honden zijn en hij bij een meer of een rivier is, zal hij ze naar het diepe water voeren, waar hij thuis is, en door snel in kringen te zwemmen zal hij ze een voor een insluiten en ze eens en voor goed buiten gevecht stellen. Hij gaat dan bijna altijd op dezelfde manier te werk. Hij schiet plotseling op den hond los dien hij tot zijn slachtoffer heeft gekozen, grijpt hem met een arm om den nek, zaagt uit alle macht met zijn sterke tanden op zijn kop, terwijl hij hem tegelijkertijd met zijn vrijen klauw over de oogen zwiept, en dan gaat hij met zijn volle gewicht op den kop van den hond hangen, om hem onder water te werken en al wat er nog aan vechtlust in hem steekt te verdrinken. Dat is gewoonlijk genoeg voor een hond; en Mooweesuk zal zich, zonder eenig letsel en met de grootste tegenwoordigheid van geest, bliksemsnel op zijn volgend slachtoffer storten.

Gelukkig zijn zulke veelbewogen dagen zeldzaam in Mooweesuk's leven en weet de waschbeer in de wildernis er weinig van af. Zijn leven is gewoonlijk van 't begin tot het einde vreedzaam, vol lekkers en slaap en spel en een steeds grooter kennis omtrent de bosschen. Hij wordt in de lente geboren, een heel klein, blind, naakt kereltje, als een mollen- of berenjong. Wanneer hij grooter wordt, klimt hij naar den ingang van zijn hol en zit daar urenlang als aan een venster, met niets dan neus en oogen zichtbaar, uit te kijken naar de nieuwe, vroolijke, ruischende wereld der bosschen, en slaperig in den blikkerenden zonneschijn te knipoogen. Dan komen de lange uitstapjes met zijn moeder, eerst overdag, als de roofdieren rustig zijn, dan in de schemering, en eindelijk de lange nachtelijke tochten, waarin hij door zijn leidsvrouw te volgen tallooze dingen leert, die een waschbeer weten moet: dezelfde paden te nemen tot hij de bosschen door en door kent; zijn onderzoekenden neus in elke spleet en barst te steken, want de lekkerste beetjes die er op zijn spijskaart staan schuilen op zulke plaatsen; een slaapje te doen als hij moe is, waarbij hij op zijn voorhoofd rust om zijn vroolijk geteekend snuitje te verbergen en te maken dat hij even weinig in 't oog valt als een rotsblok of een bemoste boomstomp; uit den hoogsten boom te springen zonder zich pijn te doen; en als hij een hol in den grond of tusschen de rotsen in gebruik heeft, op eenigen afstand van den ingang nog een uitweg te hebben en onder geen omstandigheden zijn hol anders dan door de voordeur binnen te gaan. Er schuilt groote wijsheid in dit laatste wat er geleerd wordt. Als een hond een hol vindt met een spoor dat er altijd van uitgaat, loopt hij weg, want hij weet, dat het nergens toe dient hier te blaffen; maar als hij een gat vindt waar een spoor binnengaat, meent hij natuurlijk, dat het wild er in zit en blijft hij huilen en krabbelen zonder dat ooit de gedachte in zijn mallen kop opkomt, dat er nog een andere uitgang kan zijn. Terwijl hij graaft en een onvergeeflijk lawaai in de stille bosschen maakt, zal Mooweesuk ondertusschen om 't hoekje aan den binnenkant van het gat zitten wachten, tot ze een gelegenheid krijgt om den hond in zijn neus te bijten of hem zijn poot te verpletteren; of anders zal ze kalmpjes met haar jongen de achterdeur uitglippen en ze naar een hollen boom brengen, waar ze tot de hond weggaat rustig kunnen slapen en niet bang hoeven te zijn.

Tegen den tijd dat de eerste sneeuw valt zijn de jonge waschberen volwassen en sterk genoeg om goed voor zichzelf te zorgen; en dan, weer net als de beer, ontwijken ze winterkou en -honger door vier of vijf maanden lang in een warm hol te gaan slapen, dat ze zorgvuldig op hun zomersche zwerftochten hebben uitgezocht. Ze zijn zoo vet als boter wanneer ze zich oprollen voor hun langen slaap; hun geringde staart bedekt hun gevoeligen neus, en als ze een poosje wakker worden, zuigen ze slaperig op hun voorpooten tot ze weer inslapen, zoodat ze, evenals de beer, dikwijls teere voetzolen hebben wanneer ze in 't voorjaar weer voor den dag komen.

Vaak slapen de jonge waschberen van een zelfde gezin samen in één hol. De oude mannetjes huizen liever op zichzelf; maar moeder waschbeer, evenals de berenmoeder, doet alle mogelijke moeite om zich te verbergen op een plaats, waar ze rustig haar jongen ter wereld kan brengen en waar niemand ze ooit zal vinden.

Die winterholen duiden op een eigenaardige gewoonte, waarvan ik nooit een verklaring heb aangetroffen en waar ik geen voldoende reden voor heb kunnen vinden. Op sommige zachte winterdagen ontwaakt Mooweesuk uit zijn langen slaap en dwaalt de wereld in. Dan kunt ge hem wel mijlen ver door de bosschen prenten, zonder te merken dat hij een doel heeft of iets bijzonders uitvoert; want 'k heb nooit gemerkt, dat hij iets gegeten heeft op die zwerftochten. Soms, op mijlen afstand van zijn hol, buigt zijn spoor zich af en gaat regelrecht naar een hollen boom, waar andere waschberen den winter doorbrengen. Het is mogelijk dat het zijn eigen familieleden zijn, die gewoonlijk een eigen hol hebben en die hij bezoekt om te zien of alles in orde is. Soms gaat er uit dit hol een waschbeer met hem mee en dwalen hun sporen mijlen ver samen; vaker komt hij er alleen weer uit en kunt ge hem volgen: hoe hij andere waschberen bezocht heeft, of in een van zijn andere boomen is gaan slapen, of in een wijden kring weer naar den boom gebogen is, waar hij vandaan kwam en waar hij verder gaat slapen, tot hij er door de lentezon en het minnelied van 't meesje weer uitgelokt wordt voor een volgend seizoen.

Misschien is 't louter zin voor gezelligheid van Mooweesuk, want het is zeker zijn tijd niet dat hij 't hof maakt, of een wijfje zoekt. Dikwijls slapen, zooals ik gezegd heb, drie of vier jongen den winter door in hetzelfde hol; maar dan weer kunt ge twee of drie oude waschberen in denzelfden boom aantreffen. Anders dan bij veel andere dieren als 't hun hol betreft, is bij den waschbeer de wet der gastvrijheid van groote beteekenis, en een eenzame oude baas, die liever alleen een hol heeft, zal nooit weigeren zijn winterwoning met andere waschberen te deelen, wanneer ze uit hun behaaglijke schuilplaats verdreven zijn; en dit gaat op, ondanks het feit dat er volop andere holle boomen zijn, die aan den stam in 't algemeen schijnen te hooren, want ze worden ongehinderd bezocht door elken waschbeer die voorbijkomt.

Er is nog een manier, waarop de liefde tot zijn ras zich uit, en we voelen een innige bewondering voor Mooweesuk, wanneer deze blijkt: hij komt altijd bij het dreigendste gevaar, en al is zijn leven er mee gemoeid, op een noodkreet van een zijner soortgenooten af. Ik heb dit verscheiden keer gezien en eens vooral, toen het een heele opwinding gaf bij het wilde, nachtelijke jachtvermaak, die onverwachte gevolgen had. Het was achter in November, op het eind van het jachtseizoen, tegen middernacht. De honden hadden een waschbeer in een boom gejaagd, en met behulp van een helder vuur van knappende takken trachtten we "zijn oog te laten schijnen", dat wil zeggen: de plaats te bepalen waar het wild in de boomtoppen zat, als de felle gloed van zijn oogen den schijn van het vuur terugkaatste. We zagen het eindelijk, en een van de jagers klom in den boom en trachtte den waschbeer met een dikken stok van zijn tak af te porren. In plaats van te doen wat er van hem verwacht werd, kwam Mooweesuk, die altijd koelbloedig is in het dreigendste gevaar, snel langs den tak en toonde zijn tanden met een gegrauw door zijn neus, dat onmiskenbaar was. De jager liet zijn stok vallen, trok een revolver uit zijn zak en schoot op den waschbeer, die in een aanval van plotselinge woede zich omdraaide en op de huilende honden veertig voet naar beneden afsprong. In een ommezien was er een vreeselijk gevecht gaande. Mooweesuk, met zijn rug tegen een boom, begon met zijn koelbloedige, snelle uitvallen, die de helft van zijn vijanden ontmoedigden. Nu werd er een hond buiten gevecht gesteld door een enkelen wolfachtigen uitval naar zijn gevoeligen neus; dan trok zich een lievelingsdier huilend terug, half verblind door een bliksemsnellen veeg van Mooweesuk's poot over beide oogen. Maar er waren te veel honden voor één vechter, al was hij ook nog zoo dapper. Ze vielen Mooweesuk in de flank aan; twee sterke honden legden hem; toen, daar hij wist dat hij 't gevecht zoo goed als verloren had, draaide hij zijn kop om en gaf plotseling een schellen kreet, den kreet om hulp, die geheel verschilde van zijn krijschen en grauwen gedurende den strijd. Snel als de bliksem verscheen er nog een waschbeer op het tooneel, een jonge, die uit den boomtop sprong en zich in 't gevecht wierp, krabbend en bijtend als een furie en zijn strijdkreet uitgalmend.

Tot op dit oogenblik had niemand van ons vermoed, dat er nog een waschbeer ergens in de buurt was. Hij had zich veilig schuilgehouden in den boomtop gedurende dat lawaai, tot die kreet kwam, die duidelijk hulp scheen te roepen; toen liet hij alle gedachte aan zichzelf varen en sprong als een held naar beneden.