Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden

Part 9

Chapter 93,669 wordsPublic domain

De Mas onderstelt, dat de Indianen alphabetisch schrift gebruikten vóór de komst der Spanjaarden; hij geeft vijf alphabetten die in de verschillende provinciën werden gebruikt, doch veel op elkander gelijken. Ik zelf kon geene oude schrifturen, geschreven overleveringen of inscriptiën van vroegere tijden ontdekken, die met de Indische geschiedenis in verband stonden. Er bestaat waarschijnlijkheid, dat er eenig gezag bestond; dat er vrijen en slaven waren; dat het land deels bebouwd en de zee bevaren werd door landbouwers en visschers, hetgeen de erkenning van eenig regt van eigendom ten gevolge had; dat er oorlogen gevoerd werden tusschen vijandelijke stammen, die hunne leiders en wetten hadden. Uit de oude opgaven van de zendelingen leert men de namen van sommige hoofden en den aard van het gezag kennen, dat door het kleine aantal beheerschers over de onderworpen menigte werd uitgeoefend. Zij zeggen dat men voor goud de emancipatie van een' slaaf en zijne opname onder de Mahaldicas of gepriviligeerde klasse kon verkrijgen. Krijgsgevangenen, schuldenaars en misdadigers werden in boeijen gehouden. De dochter van een' Mahaldica kon, wanneer de bruidegom niet in staat was de noodige geldsom te betalen, ten huwelijk verkregen worden door dienstbaarheid aan haren vader gedurende een zeker aantal jaren. Als de man van den eenen stam de vrouw van een andere huwde, werden de kinderen gelijkelijk of zooveel mogelijk onder de beide stammen verdeeld, waartoe de ouders behoorden. De nalatenschap werd bij den dood van den vader onder de zonen verdeeld, waarvan de oudste geene meerdere regten dan zijne jongere broeders had.

Plaatselijk bijgeloof heerschte omtrent rotsen, boomen en rivieren. Zij baden aan de zon en de maan; een' blaauwen vogel dien zij tigmamanoquin, een hert dat zij meylupa, «heer van den grond» noemden en den krokodil, dien zij den titel van nono of «grootvader» gaven. Men geloofde aan een' demon, Osuang genaamd, die de kinderen kwellen, smart in den barensnood veroorzaken, van menschelijk vleesch leven en zijne tegenwoordigheid aankondigen zou door den tictic, een' vogel, die kwade voorspellingen deed. Naakte mannen zwaaiden met zwaarden van het dak en andere gedeelten van de choza om den vijand af te schrikken, of de zwangere vrouw werd uit de nabijheid van den tictic verwijderd. De Manacolam was een monster in vlammen gehuld, die alleen door het vuil van een' mensch konden worden gebluscht; het dier zou daarop onmiddellijk sterven. De Silagan rukte den lever uit en verscheurde dien, van in 't wit gekleede personen. De Magtatangal legde zijn hoofd en ingewanden 's avonds op zekere geheime plaats, waar zij 's nachts het doen van kwaad beletteden; bij het aanbreken van den dag werden zij weder weggenomen. Zoo vreemdsoortig en belagchelijk waren de gevolgen van het bijgeloof. Er werden offers gebragt tot afbidding van het bedreigde kwaad of ter eere van de bezoekers; die offers noemden de priesteressen Catalona en deelden stukken van het geofferde dier rond. Men had verscheidene waarzeggers en geestenbezweerders, die verschillende functiën uitoefenden en waarvan een, de Manyisalat, de liefde verwekte en de vertrouweling van jonge mannen en meisjes was.

Wanneer de Indiaan in een bosch kwam, bad hij de demons hem niet te schaden. Het kraken van het hout, het gezigt van een' slang in eene nieuw gebouwde hut werden als kwade voorteekenen beschouwd. In de woning van een' visscher mogt men van geen bosch, in die van een jager niet van de zee spreken. Eene zwangere vrouw mogt hare haren niet snijden, opdat het kind niet met een kaalhoofd zou ter wereld komen.

De huwelijksgift voor de vrouw werd naar de omstandigheden der partijen geregeld. De moeder had iets te vorderen, eveneens als de min van de bruid. Alle kosten, die de vader voor zijne dochter had gehad, kon hij van den bruidegom terugvorderen. Onder vermogende familiën bestond een bepaalde prijs, volgens dien, welken de vader of grootvader voor hun vrouwen hadden betaald. Als de ouders van de bruid niet meer leefden, ontving zij zelve de bruidschat. Drie dagen vóór het huwelijk werd het dak van de ouderlijke woning uitgebreid en een vertrek, palapala genaamd, bijgevoegd voor de huwelijksplegtigheden; de gasten bragten hunne geschenken aan de bruid, en welke waarde deze ook hadden, men kon verwachten dat wanneer in de toekomst de betrekking tusschen gastheer en gast gedeerd werd, een geschenk van niet minder waarde zou worden gegeven. Tot de ceremoniën behoorde dat de jonggehuwden van hetzelfde bord eten en uit denzelfden kop drinken zouden. Men stelde wederkeerige «toasten» in en deed beloften van wederzijdsche liefde, terwijl de catalona een zegenwensch uitsprak. Verschrikkelijke tooneelen van dronkenschap en ongeregeldheden moeten de plegtigheden op de volgende feesten gekenmerkt hebben, die drie dagen duurden. In de noordelijke eilanden mogt men slechts ééne vrouw huwen, doch bijzitten en slaven hebben; in het zuiden, waar ongetwijfeld het Islamismus zijnen invloed deed gelden, mogt men verscheidene wettige vrouwen bezitten; ook de besnijdenis had daar plaats.

Gehuurde treurenden en de leden van de familie verzamelden zich om een lijk en zongen lofliederen tot verkondiging van de deugden des overledenen. Het lijk werd gewasschen, geparfumeerd, gekleed en soms gebalsemd. Arme lieden werden spoedig in den silong begraven, waarover hunne hutten waren gebouwd. De lijken van vermogende lieden werden gedurende eenige dagen boven aarde gehouden en in eene sterke kist gelegd. Hunnen mond bedekte men met goudblad, terwijl zij op eene plaats ter aarde besteld werden, die de overledene zelf had gekozen. Zoo dit aan den oever van eene rivier was, dan werd de scheepvaart daar langs gedurende eenigen tijd verboden, opdat de overledene niet met de levenden in aanraking zou komen, terwijl een wachter bij het graf stond, in de nabijheid waarvan de kleederen, het gewone voedsel en de wapenen van den afgestorvene in eene afzonderlijke doos waren gelegd, en als het eene vrouw was, haar handwerk en werktuigen daarvoor. Waar een voornaam hoofd was begraven, rigtte men een gebouw op, waarin twee geiten, twee dassen, twee varkens en een geboeide slaaf van den overledene werden gevangen gehouden, welke laatste zijn meester naar de andere wereld moest vergezellen en een ellendigen hongerdood stierf. Men onderstelde dat de doode drie dagen na de begrafenis zijne familie bezocht: men plaatste dan eene pot met water aan de deur, opdat hij zich kon wasschen en zuiveren van het vuil uit het graf; men liet den geheelen dag eene waskaars branden; spreidde matten uit en bestrooide die met asch, opdat de doode geene voetstappen zou achterlaten; op het gewone uur van den maaltijd opende men eindelijk de deur en zette een heerlijk maal voor den verwachten bezoeker gereed. Ongetwijfeld werd door de wachtenden daarvan even als van andere kostbare offers ruim gebruik gemaakt. De Indianen uit het Noorden dragen zwarte, die uit het Zuiden witte rouwkleederen.

In regtszaken werden de oudsten geraadpleegd, doch er bestond geen wetboek, en de zendelingen beweren dat de scheidsregters in twisten over het algemeen vrij goed voor hunne bemoeijingen betaald werden. Eene moord, door een slaaf begaan, werd met den dood gestraft; had een persoon van hoogen rang zulk een misdaad gepleegd, dan kwam hij er met eene geldboete aan de beleedigde familie af. Had er een roof plaats, dan moesten alle verdachte personen eenig gras nederleggen; dit werd op een hoop gelegd, en zoo het gestolen voorwerp daaronder werd gevonden, gaf men het aan den eigenaar terug, zonder dat men verder onderzoek instelde naar den persoon, die den bundel had nedergelegd, waarin het was verborgen. Gelukte deze proef niet, dan moesten al de verdachten zich te water begeven, en in dat geval werd voor den schuldige diegene gehouden, welke het eerst weder boven dreef, want dan zeide men dat de last van zijne schuld hem niet langer den adem kon doen inhouden. Men zegt dat velen verdronken zijn ten einde de schande van het boven drijven te ontkomen. Somtijds liet men de beschuldigden kaarsen van gelijke grootte in de handen nemen en dan werd diegene voor den schuldige gehouden, wiens kaars het eerst was uitgegaan. Nog eene andere methode bestond daarin, om de verdachten rondom eene kaars te verzamelen; in dit geval leerde men den schuldige daaruit kennen dat de vlam zich naar hem wendde. De straf voor echtbreuk werd afgekocht door eene geldboete aan den beleedigden persoon.

Het middel van geldwisseling bestond uit goud dat men woog, maar eene gestempelde munt bestond er niet. Het grootste gewigt werd een gael genoemd; dit vertegenwoordigde 1 1/4 dollar in zilver en kwam bijna met het Chinesche ons of taïl overeen; een gael bestond uit twee tinga, een tinga uit twee sapaha [12]; een sapaha was in sangraga verdeeld; dit laatste, een zeer kleine boon, was het kleinste gewigt. Men rekende met steenhoopjes van verschillende grootte. De maten bestonden uit den dipa (6 voet), den dancal (palm), den tumuro (span), den sangdamac (breedte van de hand), den sangdati (breedte van den vinger). Op die wijze droeg, even als onder vele ruwe natiën, ieder zijn maat bij zich.

De tijd werd naar de zon en de maan berekend, zoowel op de Philippijnen als in China. In het Chineesch beteekenen dezelfde woorden dag en zon, maan en maand, oogst een jaar. De morgen werd «haan-kraaijen», de avond «zonsondergang» genoemd.

Geen Indiaan ging een anderen voorbij zonder te groeten en met de linkerknie te buigen. Wanneer iemand het huis van een hooger geplaatsten binnentrad, knielde hij tot dat men hem beval op te staan. Vrouwen droegen oorringen en soms ook mannen; de Hoofden hadden gekleurde tulbanden, die rood waren wanneer zij één vijand, gestreept als zij zeven of meer gedood hadden. Vrede werd gesloten door bloed met wijn te vermengen en ieder dronk het bloed van een ander. Dit was de plegtigste der eeden.

Kuischheid schijnt onbekend geweest te zijn, ofschoon de vrouw hare gunsten niet verleende zonder betaling.

Menig Mohammedaansch bijgeloof en gebruik was tot in het binnenland doorgedrongen en daaronder het gebruik van de besnijdenis.

Al de Indianen hebben een ronden donkeren vlak op de ruggegraat; naarmate hun huid donkerder wordt, verdwijnt deze echter, zoodat hij in den ouderdom naauwelijks merkbaar is.

Volgens eene overlevering straften de Indianen vroeger een onpopulair persoon met eene geldboete, die zij cobacolo noemden en iedereen oplegden, welke hun door valsche raadgevingen had misleid. De geheele bevolking verzamelde zich dan bij het huis van den beleediger, terwijl iedereen een knuppel droeg. Eenigen omringden het huis, ten einde het ontkomen te beletten; anderen traden de woning binnen, dreven het slagtoffer door slagen naar het balkon, waarvan hij werd genoodzaakt af te springen; hierop verjaagde men hem uit de streek en vernielde zijn huis met al wat het bevatte. De overlevering bestaat in vele volksspreekwoorden en gezegden, waarin de cobacolo als eene bedreiging tegen boosdoeners wordt gebruikt.

Onder de meest beroemde boeken op de Philippijnen behooren de «Cronicas Franciscanas» door Fr. Gaspar de St. Augustin, een Augustijner monnik van Madrid, die gedurende veertig jaren onder de Indianen woonde en van wiens beschrijvingen ik eenige heb overgenomen. Zij zijn echter veelal in strijd met de meening van verschillende schrijvers. Hun veld van beschouwing is geheel anders en het natuurlijke karakter staat in naauw verband met het gevelde oordeel. Dat van onzen monnik over de inlanders is niet zeer gunstig. Volgens hem zijn zij over het algemeen «onstandvastig, trouweloos, boosaardig, slaperig, lui, beschroomd en groote liefhebbers van reizen over rivieren, beeken en zeeën.»

«Zij eten veel visch, die men in groote hoeveelheid vindt. Na regens zijn de velden, moerassen en vijvers daarmede gevuld. Men haalt dikwijls visschen ter lengte van 2 palm van uit padie-velden op. Als de wateren opdroogen, gaat de visch in den eenen of anderen modderpoel, waaruit de Indianen ze met de hand halen of een voor een dooden.» Ik heb vele Indianen in de paddievelden zien visschen en wat er van den visch wordt in tijden van droogte, wanneer er geene «modderpoelen» worden gevonden, is moeijelijk te zeggen, maar zooveel is zeker dat men daar, waar water is, ook gemakkelijk visch kan verkrijgen.

«Zij gebruiken drie maaltijden per dag, die hoofdzakelijk uit rijst, zoete aardappelen en eene kleine hoeveelheid visch of vleesch bestaan; de dagelijksche kosten van het geheel beloopen een reaal. Als werklieden verdienen zij eene halve reaal, behalve den kost. Zij leenen gaarne geld, dat zij nooit teruggeven en wanneer men geene ondankbaarheid wil ondervinden, moet men hun geene dienst doen; ook eene belofte houden zij nooit. Zij sluiten nooit de deur achter zich, leggen niets op zijne plaats, verrigten nooit het werk, waarvoor men hun vooruit heeft betaald en toch vragen zij altijd een voorschot; de timmerman moet geld hebben om hout, de wasscher om zeep te koopen, en zoo handelen zij zelfs met de geestelijken! Zij weten alles verkeerd te doen; versnijden alle kleederen, zetten het voorste achter en het achterste voor.» De pater is eenigzins streng; uit eigene ondervinding weet ik dat de Indianen ten minste even vele zaken goed als slecht verrigten. Alava zeide van de Indianen dat zij hunne hersenen in de handen hebben.

Onze geestelijke vervolgt aldus:

«Zij zijn afgunstig, onbeschaafd en brutaal. Zij vragen zelfs een geestelijke af, van waar hij komt en waarheen hij gaat. Leest men een brief, dan zien zij over de schouders, ofschoon zij zelve niet kunnen lezen, en wanneer een paar menschen heimelijk spreken, komen de Indianen van nabij, ofschoon zij geen woord verstaan. Zij gaan huizen en zelfs kloosters binnen zonder verlof en schijnen daar op eene wijze zich eigen te gedragen die de verwondering en schrik tevens opwekt; zelfs wanneer de geestelijke slaapt, maken zij een groot geraas door op den vloer te trappen, ofschoon zij te huis als op eijeren loopen. In hunne woning gebruiken zij geene stoelen, maar die in de kloosters breken zij door om er op te gaan zitten en te leunen, vooral op de balkons, wanneer daar gelegenheid is om eene schoone vrouw te zien.»

Deze uittreksels zijn even karakteristiek van den monnik als van den Indiaan: «zij zorgen nooit voor honden, katten, paarden of koeijen, de vechthaan is voor hen alles; dezen bezoeken zij reeds bij het krieken van den dag, liefkozen hem voortdurend, beschouwen hem soms een half uur achtereenvolgens en deze hartstogt neemt nooit af; er zijn er die aan niets anders denken. Het Gouvernement beschermt de hanengevechten. In het vorige jaar bragten zij 40,000 dollars op (in 1859, 86,000 dollars). Welk eene treurige hulpbron voor zoo vele tranen, misdaden en straffen! Hoeveel twisten, hoevele regtsgedingen hebben daarvoor plaats! En zij brengen soms nachten met dit spel door. Het hoofd van de Barangay verliest de inkomsten der belastingen, die hij heeft geïnd; zijn lot wordt de gevangenis of hij moet naar de bergen vlugten. Zij willen in geene huizen of kloosters wonen, waar zij buiten bereik der vrouwen zijn. Zij zorgen voor hun eigen vaatwerk en stellen in hunne woningen ten toon hetgeen zij reeds vóór de komst der Spanjaarden bezaten; maar in kloosters en huizen breken zij genoeg om hunne meesters te ruïneren. Dit is een gevolg van hunne domheid of komt daaruit voort dat zij aan hunne geliefden denken of dat iets anders hunne gedachten bezig houdt; en wanneer zij een geregt laten vallen, wordt daarover door de Spanjaarden niets gezegd of komen zij er met een paar scheldwoorden af. In hun eigen huis intusschen zouden zij om een stuk aardewerk, dat gebroken is, een ferm pak rottingslagen geven en dat doet meer af dan alle Philippica van Cicero (zoo staat in het oorspronkelijke). Men kan hun geen zwaard, spiegel, geweer, horologie of eenig teeder voorwerp toevertrouwen, daar zij het altijd breken. Alleen een bamboes, een stok, een stuk hout, een palmtak en sommigen eene ploegschaar, kan men hun in handen geven.

«Zij zijn stoutmoedig en onbeschaamd in het doen van onredelijke aanvragen, zonder zich er om te bekommeren òf en wanneer hun verzoek kan worden ingewilligd. Zij herinnerden mij in hunne verzoekschriften aan hetgeen Sancho Panza op het eiland Barataria is gebeurd, toen dit door den onbeschaamden en indringenden lompert Michael Turra werd verontrust. Zij wenschen honderd dollars voor hun vier eijeren. Ik heb nooit eene gift van een Indiaan ontvangen--natuurlijk iets van onwaarde en voor hem van geen het minste nut--hetzij bloemen of vruchten of ik riep hem de woorden van Laocoön aan de Trojanen toe: «Timeo Danaos dona ferentes.» De bisschop van Troje, Don Francisco Gines Barrientes, een zeer omzigtig prelaat, verhaalde mij dat een Indiaan hem een doek vol Guava-vruchten bragt en hem ter leen vijftig dollars vroeg. En toen de Markies de Villasierra, don Fernando de Valenzuela, in het kasteel van Cavite van een Indiaan een haan ontving, waarvoor de markies beval dat hem zesmaal de waarde zou worden betaald, zeide de Indiaan dat hij op 80 manden rijst gerekend had, en dit was nog wel in een tijd van schaarschheid, toen iedere mand 2 dollars gold. Het komt er echter weinig bij hen op aan of zij slagen dan wel of hun iets niet gelukt; zij zijn dan even tevreden, want zij hechten geenerlei waarde aan de gift van een Spanjaard, zelfs niet van een' priester. Bij den verkoop vragen zij dertig en nemen zes aan; zij beproeven bedrog en daar zij bekend zijn met de groote goedheid (la suma bondad) van het Spaansche karakter, vreezen zij geene uitdrukking van toorn ten gevolge eener ongerijmde vordering.»

De monnik beschrijft volgenderwijs eene onderhandeling tusschen een Indischen boer en een koopman: «De boer heeft twee of drie honderd pond indigo te koop; hij komt niet alleen, maar met zijne betrekkingen, vrienden en soms met de vrouwen, daar de indigo aan verschillende personen behoort, die het gevolg van den verkooper uitmaken. Ieder bod wordt aan de groep medegedeeld, die in een kring rondom den handelaar is verzameld; nadat daarover is beraadslaagd, bieden zij eene vermindering van een dollar in den prijs; de kooper verlangt drie. Nadat deze zaak is geregeld, begint eene andere discussie. Een gedeelte van de indigo is muf en vuil, zoodat eene schikking moet worden gemaakt. Zoo duurt de onderhandeling kibbelend voort en komt tot geen einde. Zeer weinige Spanjaarden verdragen die onbeschaamdheid en lastigheid, zoodat de conferentie eindigt met de eenvoudige vraag: «Wilt gij? ja, of neen?» zoo neen, dan verspreiden de Indianen zich toornig door de straten, maar de geduldiger mestizen en Chinezen noodigen hen bij zich, geven hun eten en huisvesting en trekken daarvan op hunne eigene wijze, in Chineschen stijl, gebruik, want de Indiaan is zeer dom in handelszaken.» Hier voert de vader talrijke bewijzen van hunne eenvoudigheid aan. «Kortom--zegt hij--de Indiaan ontvangt liever een reaal van een Chinees, dan een dollar van een Spanjaard.» Wien kan dus de voorspoed van de Chinezen op de Philippijnen verwondering baren? «De Indianen betoonen groote onverschilligheid bij gevaar; zij gaan niet uit den weg voor een koppig paard, of in eene kleine boot gezeten, voor eene grootere. Wanneer zij in eene rivier krokodillen zien naderen, nemen zij daarvan geen notitie of stellen geen voorzorgmaatregelen in het werk. De Koran zegt dat ieders lot op zijn voorhoofd is geteekend; zoo denken de Indianen, niet omdat zij den Koran hebben gelezen, maar door hunne eigene dwaasheid, die hen dagelijks aan ongelukken blootstelt. Zij zijn zeer bijgeloovig onder hen zelven, doch gelooven omtrent de Spanjaarden niets dan wat nadeelig is. Blijkbaar is de werking van het geloof bovennatuurlijk, daar waar zij de goddelijke geheimen erkennen, die de Spanjaarden prediken. In andere opzigten gelooven zij niets van hetgeen in strijd is met hun belang. Zij zien er geen bezwaar in om Spanjaarden en zelfs om bedienaren der godsdienst te bestelen. Hiervan bestaan de duidelijkste bewijzen, zoodat aan geen twijfel te denken valt en men het alleen moet betreuren dat hiervoor geen hulpmiddel te vinden is.»

De Augustijner provinciale monnik van Ilocos, zegt, waar hij van den opstand van 1807 in deze provincie spreekt: «Hier, even als overal, vindt men vele dieven en plunderaars; men brengt hen niet naar Manilla, maar zij moeten op de plaats zelve gestraft worden. Men kan hen echter evenmin uitroeijen als de ratten of muizen. Er bestaat dan ook een Indisch spreekwoord: dieven en ratten zullen te gelijk worden uitgeroeid.» Ik kan de algemeene veroordeeling van den geestelijke niet overnemen, daar mij feiten van buitengewone braafheid zijn ter oore gekomen. De Alcalde van Cagajan verhaalde mij o. a. dat, ofschoon hij dikwijls eene zekere som aan dollars aan de Indianen had toevertrouwd, hij nooit eenig bedrog had ontdekt.

Men zou veronderstellen dat de rijke en magtige monniken zeer wel beschermd waren tegen de Indianen; maar een hunner (de abt Amodea) schrijft: «De Indianen bedienen zich niet van lansen en pijlen tegen ons ministerie, maar van papier, pennen, van schotschriften en lasterlijke aantijgingen. Zij hebben zooveel politiek geleerd, dat thans op alle plaatsen onbeduidende schrijvers, regtsverdraaijers en twistzoekers zijn, die verstand genoeg bezitten om op gezegeld papier eene memorie te stellen, die aan het hoogste geregt kan worden in handen gegeven. Als de dorpspastoor hen om hunne slechte en schandelijke leefwijze berispt of bestraft, dan vereenigen zij zich, drinken wijn, vullen een vel folio met hunne kruisjes en ijlen naar Manilla, waar zij zich tot het geregt wenden, bij hetwelk zij meenen den grootsten invloed uit te oefenen en waardoor voor den armen geestelijke veel verdriet ontstaat. Er behoort veel moed toe, dit soort van martelaarschap te verdragen, dat op de Philippijnen iets zeer gewoons is.»

Ik weet niet welke vervolgingen in den laatsten tijd zijn ingesteld tegen waarzegsters, maar ik vind het verhaal van eene fiksche vervolging en zware bestraffing, in het midden der vorige eeuw tegen de waarzegsters van Pampanga ingesteld. De processen werden gevoerd door een monnik Theodorus van de moeder Gods genaamd, die een speciaal verslag deed aan de Mexicaansche inquisitie. Hij zegt: «Er zijn waarzegsters in iedere plaats en in sommige maken zij zelfs het derde deel der bevolking uit. Deze slaven van den duivel zijn in verschillende klassen verdeeld; lamias die het bloed van jonge kinderen opzuigen; striges, die op de oppervlakte der aarde zwerven; sagas, die in woningen verkeeren en den duivel alle noodige inlichtingen verschaffen; larvas, die vleeschelijke lusten bot vieren; temures, die liefdesdranken gereed maken; doch allen zijn bestemd om het menschdom kwaad te berokkenen.»