Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden
Part 30
[11] De Chinezen schijnen overal dezelfde eigenaardigheden te behouden. De Britsche Consul-Generaal van Borneo schrijft mij: "Chinesche kolonisten kunnen onder Maleische wetten geen voorspoed genieten. Wij hebben eenige weinige honderden, doch het land zou honderd duizenden kunnen verzwelgen. In het binnenland vond ik onder de inboorlingen eene levendige herinnering aan de vroegere Chinesche peperplanters; zij zijn allen uitgeroeid of verdreven ten gevolge van burgerlijke twisten. Eenige weinige hunner afstammelingen zijn nog overgebleven, die de taal hunner vaders spreken, doch niet van de inlanders te onderscheiden zijn. Een Chinesche koopman sprak op een verachtenden toon van een der hoofden, die rondreisde, en sprak hem, tot niet geringe verbazing van den Chinees, in tamelijk goed Fokien aan. De geringe nog overige peperbouw wordt deels door de gemengde rassen aangekweekt. De opbrengst neemt langzaam toe; eenige weinige Chinezen met hunne inlandsche vrouwen hebben op nieuw beproefd zich er mede bezig te houden."
[12] Gael en sapaha zijn termen, waarschijnlijk door handelaars met China ingevoerd. Taïl en sapeque zijn de namen die de Europeanen aan den liang en tsin van de Chinezen, het zilveren ons en het duizendste gedeelte daarvan, hebben gegeven.
[13] Het is welligt niet onaardig de volgende bijzonderheden mede te deelen als een model van zulk eene processie, die echter lang niet eene van de grootste is.
Programma van de processie der Heilige Begrafenis, uit de kerk van San Domingo gaande en daarheen langs de hoofdstraten van Manilla terugkeerende:
Burgerwachten te paard. Dragers van brandende waskaarsen langs de processie. Militairen, onder hunne resp. hoofden en kleuren. Carabiniers van de Hacienda, met 8 kaarsen. Compagnie ingenieurs met 8 kaarsen. Carabiniers voor de openbare veiligheid met 8 kaarsen. Cavalerie (lanciers) met 32 kaarsen. Infanterie (Bourbon) met 32 kaarsen. Idem (Princesa) met 32 kaarsen. Idem (Infante) met 32 kaarsen. Idem (Fernando VII) met 32 kaarsen. Artillerie-brigade no. 1 met 32 kaarsen. Idem no. 2 met 32 kaarsen. Infanterie (Rey) met 32 kaarsen. Boeren met waskaarsen. Officieren van de zee- en landmagt en ambtenaren. Collegeanten van St. Jan van Lateraan. Wereldlijke geestelijkheid. Broederschap van St. Domingo. Twee rijen der Zusterschap (Beatas). Het midden der processie bestond uit: Een muziekkorps der infanterie (Rey). Standaard. Tien voorstellingen van het Lijden, op bepaalde afstanden door de geestelijkheid gedragen. Zes collegeanten van St. Jan van Lateraan, met cirios (groote waskaarsen). Het beeld van Johannes den Evangelist. Elf voorstellingen van het Lijden, door de geestelijkheid voorgesteld. Zes collegeanten van St. Jan met cirios. Beeld van St. Maria van Magdalena. Muziekkorps der infanterie (Ferdinand VII). Tien voorstellingen van het Lijden, als boven. Muziek-koor, het Miserere zingende. Acht collegeanten van St. Thomas met cirios. Wagen, waarin de Heer gedragen wordt. Ter zijde van den wagen acht hellebaardiers met lijkhellebaarden. Muziek van de infanterie (no. 7). Pallium (palio) door collegeanten van St. Jan van Lateraan gedragen. Broederschap der begrafenis, in een halven cirkel. Zes collegeanten van St. Jan van Lateraan, met cirios. Beeld van Santa Maria Salomé. Zes collegeanten van St. Thomas met cirios. Beeld van Santa Maria Jacoba. Muziekkoor, het Stabat Mater zingende. Zes collegeanten van St. Thomas in eene rij met waskaarsen. Beeld van Onze Lieve Vrouw de los Dolores. Pallium, door zes collegeanten van St. Thomas gedragen. Preste (hoogmis-vierder) in zijn zwarten kap, met twee kosters ter regter- en linkerzijde. Z. E. de Gouverneur-Generaal; aan zijne linkerhand de Luitenant-Gouverneur, aan de regterhand de prior van St. Domingo, president van de Broederschap der Heilige Begrafenis, welke laatste al de hooge autoriteiten van de eilanden voorafgaan, die in volle kostuum door de hoofd-officieren der zee- en landmagt worden gevolgd. Brigade Europesche artillerie, met officieren. Trommelslagers (de trommels bekleed), de treurmarsch slaande. Treurmuziek. Europesche brigade, met omgekeerde geweren. Eskorte van den kapitein-Generaal te paard.
NOTA. In deze godsdienstige processie worde de meest mogelijke orde bewaard.
[14] Persoonlijke voornaamwoorden zijn: aco: ik; anim: wij. In het Tagaleesch zijn geene bezittelijke voornaamwoorden; men gebruikt daarvoor den genitivus van de persoonlijke.
[15] Um, zijn; ungma: gij zijt.
[16] Ca of ycao, persoonlijk voornaamwoord: gij, volgt altijd op het werkwoord; mo is de genitivus.
[17] Samba, aanbidden, heiligen; sambahin, de toek. tijd.
[18] Arao, Zon of dag.
[19] Tolot, toelaten te ontgaan.
[20] Dayat, heiligen, loven; de toek. tijd wordt door ipapag weder gegeven.
[21] Van anchi, bijwoord: hier.
[22] Van hadi: koning.
[23] Van uara; vergiffenis.
[24] Van auai, twisten.
[25] De verhandeling van John Crawfurd in zijn Maleische grammatica.
[26] De Engelsche schrijver deelt hierbij als NOTE mede, dat het hoofdstuk, door hem oorspronkelijk geschreven over de taal der Philippijnen, met zoovele andere zijner manuscripten, door de schipbreuk van de Alma in de Roode zee is verloren geraakt, terwijl het nog overgeblevene geheel onleesbaar is. Hij verontschuldigt zich, wanneer hij in zijne opgaven hieromtrent te kort mogt hebben geschoten, daar hem verdere bouwstoffen in Engeland ontbraken.
Vert.
[27] Het werk van den heer Bowring bevat de tabellen, uit het bedoelde rapport van kolonel Valdes uitgetrokken. Wij laten die achterwege.
(Vertaler.)
[28] Een vriend van een der heeren, door de Mas aangehaald, verhaalde mij intusschen, dat hij ontkent hem gemagtigd te hebben onder zijn naam die bewering te doen.
(Schrijver.)
[29] Er zijn verschillende benamingen voor den openbaren scherpregter, die de plaatsen aanduiden, waarin hij zijn beroep uitoefent en de werktuigen, die hij gebruikt om de doodstraf te doen ondergaan.
[30] Articulo sobre las Rentas de Filipinas y los medios de aumentarlas, por D. Sinibaldo de Mas (later Minister-plenipotentiaris van Spanje in China), Madrid 1855.
[31] Marcaida rekent de paters Blanco, Santa Maria, Zuniga, Concepcion en Buzeta onder de beste geschiedkundige autoriteiten. Hij geeft hoog op van de Apuntes van Don Sinibaldo de Mas, van eene deugdelijkheid, waarvan ik mij zelf meermalen heb kunnen overtuigen.
[32] Men kan Buzeta raadplegen, vooral het hoofd Caraga, waarover hij een groot artikel schrijft.
[33] De aartsbisschop Hilarion zegt: «Er zijn eene menigte pueblos, als Argao, Dalaguete, Boljoon in Zebu en vele in de provincie Iloilo, waar men naauwelijks een jongen of een meisje zal vinden, die niet kunnen lezen of schrijven, hetgeen niet kan gezegd worden van vele steden op het schiereiland.» (Antwoord aan de Manilla-deputatie.)
[34] Onder de wijzen, waarop een schadelijke wetgeving wordt ontdoken, bieden de Philippijnsche eilanden een curieus voorbeeld aan. Daar witte katoenen goederen in het belang van zekere inlandsche producenten geprohibeerd zijn, heeft men het economischer geacht geele en groene twist in te voeren, die binnen mogen komen, en later wordt het in wit veranderd door het uittrekken der kleur, hetgeen gemakkelijk kan geschieden door den draad in eene sterke oplossing van lijm te doopen.
[35] In 1859 werd het bedrag geschat op 3,000 à 3,500 vaten.
[36] Aldus schrijft Bowring in een brief van 3 Augustus 1858 aan den heer N. Loney.
[37] De route van de Spaansche ontdekkingschepen Atrevida en Descubierta loopt daar langs. Zie de zeekaart van de St. Bernardino-straat en naburige gedeelten no. 2577, schaal, graad = 6 duim.
[38] Vaartuigen, die langs de zuidelijke passage naar Iloilo varen, moeten, in den n. o. mousson, als zij ten noorden van kaap Guinad komen, langs de kust van Guimaras gaan. In April 1859 vond ik in het schip Camilla, van Manilla naar Iloilo, veel grooter diepte ten Z. W. dan op de Spaansche kaarten is aangewezen. Door kaap Guinad zuidelijk en kaap Balingasag oostelijk te brengen, had ik van 7 tot 9 vademen water, met zachten grond. Ten N. W. had ik 7 vademen dieplood.
Vijf of zes mijlen van het strand af had ik vier vademen; ik ging strand-inwaarts en wierp het anker uit voor den nacht, liggende kaap Cabalis ten N. O. twee mijlen, acht vademen water; goede ankergrond; het dieplood tot 20 vademen op eene mijl van het strand.
Kaap Cabalis en kaap Bondulan, ten N. O. blijvende, vormen twee zeer uitstekende hoofdlanden, die op de Spaansche kaarten, welke ik had, niet voorkwamen. Met den gewonen voorzorg bestaat er geenerlei gevaar, wanneer men de haven van Iloilo nadert en de kust van Guimaras digt houdt aan den kant van kaap Cabalis tot ongeveer het fort, waardoor men de Oton-bank vermijdt. Wanneer zelfs een vaartuig zou vastraken, zou het geene schade bekomen en kan het gemakkelijk uitgehaald worden, daar de bodem zeer zacht is. Als het fort eene mijl Z. W. ten W. is, is het kanaal naar Iloilo open en bij vloedgetij houde men het N. O. punt digt aan boord. Is men dit voorbij, blijve men meer bij het andere strand, waar 3 1/2 tot 3 vademen water digt aan het strand en 2 vademen bij laag water zijn. De haven van Iloilo is een volmaakt natuurlijk dok. Vaartuigen liggen langs de werf, waar 2 1/2 vadem bij hoog water en 2 vademen bij laag water zijn, terwijl het laden en lossen hier zeer gemakkelijk is. Ik loste 200 vaten ballast en nam binnen negen dagen 300 vaten suiker in. Werk en versche provisie verkrijgt men tot zeer gematigde prijzen.
Iloilo, 4 Mei 1859.
(Get.) J. H. Pritchard, schip Camilla.