Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden

Part 29

Chapter 293,703 wordsPublic domain

De provincie Pangasinan bestaat hoofdzakelijk uit eene uitgestrekte vlakte of liever uit eene zeer trapsgewijze helling van de bergen, waar de Igorotte-Indianen wonen en die zich tot die van Zambales uitstrekken. De wegen zijn over het algemeen goed; aan beide zijden zijn boomen geplant en de landerijen zijn rijk en vruchtbaar. Verscheiden rivieren ontspringen uit de heuvels en worden ter verzending van hout, rottingen en andere boschproducten gebruikt. De Igorotten verzamelen goud uit de bergstroomen, vooral in de nabijheid van Asingan. Groote kudden wilde buffels, ossen, dassen en varkens worden op de heuvels gevonden, doch weinig door de inlanders in aanmerking genomen. De vruchtbaarheid der landerijen zal een oogst van suiker en rijst in hetzelfde jaar geven. De kust en de meren vloeijen over van visch, waarvan, even als van zout, kokosnoten-olie en suiker, een belangrijke uitvoer bestaat. Huiden worden gelooid voor de markt te Manilla. De scheepsbouw maakt een belangrijken tak van industrie uit, vooral aan de Agno-rivier. Eene menigte vrouwen houdt zich bezig met het vervaardigen van stroohoeden, cigarenkokers en andere artikelen van de vezelen van verschillende gewassen, waarvan sommige zeer fijn zijn en voor hooge prijzen worden verkocht: zoo wordt een cigarenkoker soms tegen een ons goud berekend. Matten, zoowel effen als versierde, worden ook tot gebruik en verkoop gefabriceerd. Men zegt dat de Indiaan zonder ander werktuig dan zijn mes voor zijne huishoudelijke benoodigdheden, en zijne ploeg voor den veldarbeid, zich van al het noodige voorziet. De vrouwen zijn er trotsch op de kleederen te hebben geweven en geborduurd, die hare mannen en kinderen dragen, en zij zijn op feestdagen zeer opgesmukt. In het jaar 1755 had er een ernstige opstand plaats tegen het Spaansche gezag, die zich in het jaar 1762 herhaalde, toen de Engelschen Manilla namen; beide werden echter onderdrukt, ofschoon ten gevolge daarvan de bevolking tot 20,000 zielen werd verminderd. Twee verschillende tongvallen worden in de provincie gesproken, daar de oorspronkelijke Pangasinaansche bevolking verschilt van de stammen, die zich uit Ilocos hier gevestigd hebben. De Dominicaner monniken oefenen het voornaamste geestelijke gezag in de provincie uit.

Nadat wij Iloilo verlaten hadden, keerden wij na drie dagen stoomens en na Nasog en de Isla Verde gezien te hebben, die ons waren aanbevolen als een koers, die te prefereren was boven de buiten-passage, waar langs wij gekomen waren, te Manilla terug, om daar op nieuw de gastvrijheid in het paleis van den gouverneur en de attenties van mijn' vriend den kolonel Trasierra te genieten, in wien ik een zoo heusch gastheer vond. Wij kwamen aan op de Dia de los Reyes (Koningen-dag), waarop eene officiële receptie ten hove plaats had. In den avond deden wij een langen togt in het land tot aan de provincie Bulacan, die van de provincie Tondo wordt afgescheiden door eene fraaije steenen brug, over een tak van de Pampanga-rivier gelegen. Wij spraken er over om te land naar Lingajen te gaan, hetgeen onder gunstige omstandigheden in één dag kan plaats hebben, daar de afstand slechts 30 mijlen bedraagt, maar daar de wegen niet zeer goed waren en het daardoor onzeker was hoe lang wij ons zouden ophouden, besloot ik op nieuw mij op het schip te begeven en den tweeden dag van onze reis landden wij te Sual. De havenkapitein kwam ons schip loodsen in de haven, in het midden waarvan zich eene rots bevindt, die niet op de kaarten is aangewezen. De engte van de passage vereischt veel voorzorg, maar eens geankerd, bevindt men zich in eene zeer veilige en goed beschutte, hoezeer kleine haven. Het uitzigt van Sual stelde ons teleur; een paar verspreide woningen, de kerk en het tolkantoor zagen er niet veelbelovend uit. Toen wij intusschen aanlandden, kwamen de muziekanten van de pueblo ons met hun corps begeleiden, en wij vernamen dat al de autoriteiten zich te Lingajen, eene mijl verder gelegen, bevonden; maar een courrier werd onmiddellijk afgezonden om van onze aankomst berigt te geven en als een staaltje van de taal, geef ik hier eene copij van de depêche, die hij terugbragt om te toonen, dat hij zijne zending goed volbragt had:

«Recibido del Conductor de S. Idro (San Isidro) alioncio (à las once?) Castilio so sagay agangan cà Sogenti amar som pal ed Senor Aldi (Alcalde) maior sin mabidia pasodo à lacho (à las ocho) ed Labi Mortes ed pitcha 11 de Eniro de 1859.

«Juan Gabril.»

Dit wilde zeggen, dat daar de depêche ten 8 ure uit San Isidro was vertrokken, de depêche ten 11 ure aan den alcalde was ter hand gesteld.

Daar er voor rijtuigen was gezorgd om ons naar den zetel van het gouvernement (Lingajen) te brengen, vertrokken wij vroeg in den morgen naar het klooster te San Isidro, dat aan den regter oever van de Agno is gelegen, eene schoone rivier, die veel geriefelijkheden voor de scheepvaart aanbiedt en bekoorlijke landschappen aan hare oevers heeft, met wier schoonheden wij ons vermaakten, tot dat wij de voorbereidselen tot eene processie zagen en de muziektoonen van den tegenovergestelden oever hoorden; wij scheepten ons toen in en vonden onze Indiaansche gidsen, die met gemakkelijke rijtuigen, levendige paarden en hunne gewone voorkomendheid ons wachtten om ons te ontvangen, terwijl de wegen en huizen als gewoonlijk versierd waren en alles de blijken van vrolijkheid en bereidwilligheid droeg. Langs den geheelen weg ziet men tropische vruchtboomen, waar tusschen de Indiaansche hutten vrolijk uitsteken, terwijl de vrouwen en kinderen, in hunne fraaiste pakjes uitgedoscht, het geheel een schilderachtig en gevariëerd uitzigt gaven. De vensters en balcons voor de huizen waren opgepropt met toeschouwers, die zeer opgetogen schenen als wij van tijd tot tijd hunne groeten beantwoordden of eene vlag bewonderden, die meer uitstekend en fraaijer versierd was dan de overige. Wij traden een of twee der werkplaatsen voor den scheepsbouw binnen en onze zeeofficieren betuigden hunne tevredenheid over den toestand, waarin de scheepsbouw onder de inlanders zich bevond. Een vaartuig van de werven was van 350 ton. Een Indiaansche scheepsbouwmeester, die ons als merkwaardig werktuigkundig genie voorgesteld werd, kwam van een verwijderde plaats kapitein Vansittart verlof vragen om de Magicienne te mogen bezoeken en zich met de wijze van aanwending van stoomwerktuigen bij de scheepvaart bekend te maken en eenige andere verbeteringen na te gaan, die hij verwachtte dat op een Britsch oorlogschip te ontdekken zouden zijn. Het verlof, dat zeer nederig werd gevraagd, werd met de meeste heuschheid gegeven en toen hij het verkregen had, sprong de Indiaan, zonder een oogenblik te verliezen, in zijn rijtuig. De overvloed, de nabijheid, de uitmuntende kwaliteit en de goedkoope prijzen van de materialen aan de oevers van de Agno, leveren zoo vele voordeelen op voor den bouw van vaartuigen, maar de dam is een groote hinderpaal voor het te water laten.

Wij werden op den weg te gemoet gegaan door den alcalde-major en ik stapte in zijn rijtuig. De Spaansche officieren van den hoogsten rang dragen een rotting met gouden knop en een zijden vederbos als bewijs van hun gezag; en nu begaven wij ons in galop naar Lingajen, de cabazera der provincie. Het heeft eene bevolking van 23,000 zielen. De wegen waren goed, uitgezonderd op een gedeelte waar de Agno zelf een nieuw kanaal heeft gevormd, en daar hadden de paarden eenige moeite om het rijtuig door het zand te trekken. Wij kwamen op de kust en de golven sloegen met vreeselijke onstuimigheid, als bij een storm, op den oever, maar daar wij weder op den grooten straatweg kwamen, vervolgden wij onze reis ongestoord. Wij werden vergezeld door den uitmuntenden vice-consul Don José de Bosch en de monnik Gabriël, die overal onze schutsengel en gids was. De vice-consul was geheel ingedrongen in alle handelszaken en gaf mij alle informatiën die ik zocht. De monnik was verrukt zijn voorraad plaatselijke kennis te kunnen uitstorten en deze was groot, terwijl de alcalde Senor Combas in alle opzigten goed, bescheiden en mededeelzaam was. Het was dan ook onmogelijk zich niet geheel te huis te bevinden, daar waar alles wedijverde vermaak te verschaffen, de belangstelling op te wekken en leerzaam te zijn. Wij bezochten verscheidene pueblos in den omtrek en te Calasiao, dat 18,000 inwoners telt, bragt de gobernadorcillo ons stalen van de fabrikaten der plaats en dwong mij een fijnen stroohoed op, terwijl wij allen op aandrang van den monnik Gabriël een cigarenkoker medenamen. Hetgeen wij elders hadden gezien, werd in de pueblos, die wij doortrokken, herhaald, waar de monniken en de principalia op hun qui vive waren, niet alleen om ons gemak en genoegen te verschaffen, maar ook om ons alle eer te bewijzen. Wij keerden met zonsondergang naar Lingajen terug en de goede geestelijke inviteerde ons den volgenden dag bij hem te dineren, bij welke gelegenheid hij zeide, zijn best te zullen doen ons alles te toonen wat zijn klooster kon opleveren. En er ontbrak waarlijk niets. De tafels waren door een aantal gasten bezet en gevuld met overvloed van voedzame en kostbare spijzen. Ik verbeeld mij dat de pater alle hulpbronnen der gemeente te baat moet hebben genomen, want de spijzen en dranken, de schotels en het porselein, flesschen en glazen en al de bijzaken van een goed publiek diner, waren hier aanwezig, en aan vrolijkheid ontbrak het ook niet, waarbij de pater aan het hoofd stond.

Pater Gabriël boogt op de buitengewone geschiktheid van de rivier Agno. Zij loopt door een groot gedeelte van de provincie Pangasinan en was op een grooten afstand bevaarbaar. Hij schetste den loop op papier en wees de talrijke pueblos aan, die zij doorstroomde. Een ongeluk was het, dat er zich een vreeselijke dam op bevond die niet van of naar de zee kon bevaren worden. De rivier is intusschen tamelijk diep en is zeer schoon; zij ontspringt in de Cordillera van Caraballes in de provincie Abra, te midden van woeste bergen en neemt in haren loop vele toevloeijende stroomen op. Tusschen San Isidro en Lingajen was veel scheepsbouw aan de oevers en bevond zich eene levendige Indiaansche bevolking. Aan de oevers staan schoone woudboomen, die rijp waren voor de hand van den houthakker, voorts materialen voor tuigwerk, bamboes en riet, die de wilde stammen van Igorottes daarheen brengen. Men zegt dat er veel goud in het zand en den modder der rivier gevonden wordt. De Spanjaarden en vooral de geestelijken, hebben menige poging aangewend om de woeste bewoners der ruwe en onbebouwde streken te onderwerpen, beschaven en de christelijke godsdienst te onderrigten, maar met weinig succes. Hun aantal is vermeerderd door misdadigers, die de justitie ontkomen zijn en eene wijkplaats zoeken en vinden in de minst toegankelijke gedeelten van Luzon.

Pater Gabriël, die er groot belang in stelde de handels-ressources van Sual te ontwikkelen, dat hij zijne «haven» noemde, drukte vertrouwelijk de hoop uit, dat de vestiging van den vreemden handel en de bezoeken van schepen om te laden, de inlanders zouden nopen daar hunne producten te brengen en den weg voor den invloed van verbetering te openen.

Wij achtten het raadzaam toebereidselen voor ons vertrek te maken, maar onze goede vrienden hadden besloten om, daar wij te land waren gekomen en te water terug zouden keeren en een optogt te water te houden, die met vlaggen en muziek in beweging gesteld werd. De lucht betrok, de regen viel met tropische stroomen en de muziekanten en andere acteurs en toeschouwers verdwenen; daardoor echter niet ontmoedigd, kwamen zij na een oponthoud van twee uren weder in den zonneschijn naar buiten. De booten werden uitgezet, de muziekkorpsen op nieuw verzameld en thans scheepten wij ons op de rivier Agno in. Alles ging vrolijk en ongestoord gedurende een uur voort, maar toen noopte mij een dreigende storm de open schuit te verlaten waarin ik mij bevond, en eene schuilplaats te zoeken in eene der overdekte booten. Vele mijner medgezellen werden zoo slijknat, alsof zij in het water gedompeld waren, en wij bereikten San Isidro alsof wij aan eene schipbreuk ontkomen waren. Hier zochten wij drooge kleederen en werden de garderobes der geestelijken ter onzer beschikking gesteld. Wij zagen er inderdaad koddig uit en een humoristische schetsteekenaar had hier ruim stof voor zijn potlood gevonden. Sommigen haalden rijtuigen, anderen paarden en weder anderen keerden teleurgesteld terug, in de verwachting om ons naar Sual te vervoeren, waar voor een heerlijk diner door den vice-consul in het tolkantoor was gezorgd. De havenmeester sprak in poëzij ter eere van de Britsche vlag en gloria met Victoria rijmden tot lof van de gasten en weêrgalmden binnen de muren. Onze kapitein werd geïnspireerd en sprak onze gastvrije gastheeren aan in antwoord op de warme brindis van het gezelschap. De Indianen hadden ons nationaal lied bestudeerd en voor de eerste maal werd het schoone «God save the Queen» in de pueblo Sual gehoord. Het was laat, toen wij ons aan boord van de Magicienne begaven, maar vóór ons vertrek op den volgenden dag bevonden de autoriteiten, de vice-consul en de monnik, met een talrijk gevolg zich aan boord, om ons een even heusch despedida te geven als hun welkom vriendschappelijk was geweest. Zij bragten verscheidene geschenken als souvenirs mede en een lilliputiaansche midshipman, die de belangstelling en de bewondering der bezoekers had opgewekt, werd speciaal uitgenoodigd eene cigarenkoker uit de handen van pater Gabriël te ontvangen. Zoodra zij ons verlaten hadden, werd ons anker geligt en stoomden wij van Pangasinan en de Philippijnen. Het zou inderdaad vreemd zijn, wanneer wij geene hoogst aangename herinnering medevoerden van al hetgeen wij gezien hadden.

AANTEEKENINGEN

[1] Eene nieuwere geschiedenis van de verovering der eilanden en van de Spaansche wetgeving vindt men in het werk van Buzeta, deel I, pag. 57-98.

[2] Ik bezocht eenige Cochin-Chinesche gevangenen in de fortificatie: zij waren te Turon gevangen genomen en een hunner was een mandarijn, die daar eenige magt had uitgeoefend,--namelijk de kommandant der plaats was geweest. Zij schreven de Chinesche karakters, doch konden de landtaal niet verstaan.

[3] Onder mijne vroegere lettervruchten behoort eene verhandeling waarin ik geheel wederlegde het vreemde verhaal van de vernieling van de manuscripten, die den kardinaal Ximenes tot bewerking van zijnen bijbel in verschillende talen hadden gestrekt.

[4] Eene vrouw en zes kinderen.

[5] Allen kinderen.

[6] Het verhaal, dat de Spaansche schrijvers van het nemen van Manilla door de Britten geven en dat hier uit Buzeta's werk wordt overgenomen, kan als op de waarheid gegrond worden beschouwd:

"In 1762 was de voorspoed van de stad Manilla buitengewoon toegenomen. Hare handelsbetrekkingen strekten zich uit tot de Molukken, Borneo, verschillende gedeelten van Indië, Mallaka, Siam, Cochin-China, China, Japan, in één woord tot alle plaatsen tusschen de landengte van Suez en de straat van Behring gelegen. Op het einde van voornoemd jaar werd de stad echter door eene ramp getroffen, die haar jaren achteruitzette. De Engelschen, die toen in oorlog met de Spanjaarden waren, vertoonden zich met eene aanzienlijke magt. De zeer doorluchtige aartsbisschop Don Manuel Rojo, die toen tijdelijk het bewind voerde, had niets van eenige oorlogsverklaring vernomen en zich niet tot de verdediging voorbereid. Eerst bij de aankomst van de vijandelijke vloot werd deze tijding bekend. Het garnizoen bestond uit het regiment del rey, dat een aantal van 2,000 man moest bedragen, doch door detachementen, desertie en zieken tot 500 was gereduceerd. Men had niet meer dan 80 artilleristen, allen Indianen, die bijna niet met het kanon wisten om te gaan. Bij dezen stand van zaken verscheen de Engelsche vloot plotseling den 22 September 1762. Zij bestond uit 13 schepen en 6,830 man uitmuntende troepen. Daar men hoegenaamd niets van de zaak af wist, meende men dat de vloot een van Chinesche sampans was. Er werden eenige maatregelen tot verdediging in het werk gesteld en een officier afgezonden, om den kommandant der vloot te vragen onder welke vlag hij voer en wat het doel van zijn onverwacht bezoek was. De afgezant keerde den volgenden dag terug, vergezeld van twee Engelsche officieren, die verklaarden dat het doel der expeditie was de eilanden te veroveren. Men antwoordde hen dat de eilanden zich zouden verdedigen. In den nacht van den 23 op den 24 ontscheepte de vijand zich aan de redoute van St. Anthony Abbot. Men deed eene poging hen te verjagen, die echter mislukte. In den morgen van den 24sten schoot men op hen, doch met weinig succes, daar zij in verschillende gebouwen waren verschanst en daardoor beschermd. Ten einde hun voortgang te stuiten, werd besloten tot een krachtigen uitval, waarover het bevel werd opgedragen aan den heer Fallu, een Fransch officier in Spaansche dienst; doch deze dappere krijgsman zag weldra in, dat de vreemde troepen te talrijk waren om zich met hen te meten. Hij streed gedurende den geheelen nacht en keerde eerst ongeveer ten 9 ure in den volgenden morgen naar de citadel terug. De vijandelijkheden werden gestaakt en de aanvallers zonden een parlementair naar de stad. Den 25sten werd het bombardement voortgezet en ons kanon deed den vijand veel afbreuk. In den morgen van den 28sten liet de Engelsche generaal het hoofd opeischen van den officier, die twee dagen vroeger als parlementair gezonden en door de Indianen onthoofd was. Hij vorderde ook de uitlevering van de personen, welke die misdaad hadden begaan, en dreigde bij weigering met schrikbare represailles. Aan dezen eisch werd voldaan en de aartsbisschop, die de teugels van het bewind in handen had en de verdediging der stad bestuurde, begaf zich zelf te paard naar het vijandelijke kamp, doch zonder resultaat. Den 29sten verkreeg het Engelsche eskader eene versterking van drie schepen, die 350 Franschen uit Pondicherry aanbragten, welke de gelegenheid zochten de Engelschen te verschalken en twee hunner vertrouwden benoemden om hunne desertie te bewerkstelligen en hun plan door te drijven; doch de twee afgezanten werden door de Indianen als Engelschen beschouwd en, in plaats van welkom geheeten, verslagen. De Engelschen, die met het gebeurde bekend werden, verzekerden zich tegen verder verraad van de zijde der Franschen. Den 3den October kwam eene sterke legermagt Indianen uit Pampangan aan en er werd tot een gevecht besloten; de strijd was bloedig, doch leverde geenerlei succes op voor de verdediging. Den volgenden dag schoten de belegeraars een bres in de bolwerken der Fundicion. Er werd een krijgsraad gehouden en de militairen oordeelden dat eene capitulatie onvermijdelijk was; de burgers echter wilden de verdediging volhouden.

"Ongelukkig liet de Aartsbisschop zich van die meening afbrengen, waarvan zoovele rampen in Manilla het gevolg waren. Den 4den was men algemeen overtuigd dat die stad weldra genoodzaakt zou zijn zich over te geven en nu werd de titel van Luitenant-Generaal opgedragen aan den regter (Oidor) Simon de Anda y Salazar; ten einde den zetel van het Spaansche gezag naar eenig ander gedeelte van het eiland over te brengen en voor zijne verdediging te zorgen, vertrok hij denzelfden avond ongeveer ten 10 ure in eene boot met eenige roeijers, een' Tagaleschen bediende, 500 dollars in zilver en veertig bladen gezegeld rijkspapier. Dit waren zijne hulpmiddelen tegen een vijand, die 16 vaartuigen in de baai had liggen en op het punt stond de stad binnen te rukken. Op die wijze, zonder legermagt of vloot, bereikte een meer dan zestigjarig man Bulacan, vast besloten tot een' volhardenden wederstand tegen de veroveraars, die weldra de hoofdstad zouden inrukken. Den volgenden dag geschiedde dit werkelijk; de vijand verliet zijne verschansingen en naderde in drie kolonnes de bres, die bijna ontoegankelijk was. Veertig Franschen van Pondicherry gingen voor en vonden geenerlei tegenstand. De vesting was genoodzaakt zich over te geven. In veertig uren tijds was de stad verwoest en daarbij de kerken evenmin als de paleizen van den aartsbisschop of Gouverneur gespaard. De Spanjaarden hadden gedurende het beleg drie officieren, 2 sergeanten, 50 soldaten en 30 burgers der militie verloren, behalve de gewonden; het verlies van de Indianen bedroeg 300 dooden en 400 gekwetsten. De belegeraars verloren ongeveer 1,000 man, waaronder 16 officieren. De vloot had de stad met meer dan 5,000 bommen en 20,000 kogels beschoten. Men voedde de hoop dat eene verwoesting gedurende 40 uren en de overgave van het garnizoen den vijand zouden bevredigen, maar hierin bedroog men zich. Terwijl de plundering plaats greep berigtte de kommandant den Aartsbisschop dat al de inwoners vermoord zouden worden, zoo niet onmiddellijk 2 millioen dollars in specie toegestaan en voor 2 millioen aan biljetten op de Spaansche schatkist uitgegeven zouden worden. Men was wel genoodzaakt hierin toe te geven; men offerde de liefdadige fondsen en de sieraden der kerken op, om aan dezen eisch te voldoen.

"Terwijl de gebeurtenissen te Manilla zulk een tragisch einde hadden, verzamelde Anda te Bulacan den Alcalde, de geestelijken en andere Spanjaarden en toonde hun zijn gezag aan, dat met geestdrift werd erkend. Op den avond van denzelfden dag werd de tijding van den val van Manilla bekend en nu publiceerde Anda eene proclamatie, waarbij hij zich tot Gouverneur-Generaal over de Philippijnen verklaarde, terwijl hij den zetel van het Gouvernement te Bacalor in Pampanga koos. Vijftien maanden lang liet hij den oorlog voortduren, niettegenstaande de hevige aanvallen door de Engelschen, vooral onder de Chinezen en in weêrwil der algemeene desorganisatie der provinciën. Hij hield dan ook de Engelschen te Manilla ingesloten; zij durfden zich naauwelijks buiten de muren te vertoonen. Te Malenta, een eigendom van de Augustijner monniken, werd een Fransch sergeant Bretagne genaamd, die van de Engelschen was gedeserteerd en eenige zijner landslieden uitnoodigde zijn voorbeeld te volgen, tot kapitein benoemd en vijandelijkheden tegen de invallers, die hij veel schrik moet aangejaagd hebben door het onderscheppen van levensmiddelen en het aanvallen van achterblijvers uit de stad. De Engelschen loofden 5,000 dollars uit aan dengene, die Anda levend in hunne handen zoude overleveren. Den 3den Julij 1763 kwam echter een Britsch fregat, dat eene wapenschorsing tusschen de oorlogvoerende partijen aankondigde en het ophouden der vijandelijkheden bewerkstelligde. In Maart 1764 kwam de tijding van het sluiten van den vrede; de Engelschen ontruimden Manilla, waar het Spaansche gezag hersteld werd. De schade door de Engelschen te weeg gebragt, werd door Gouverneur Basco hersteld."

[7] Manuscript van het beleg van Manilla, door pater Juan de Santa Maria.

[8] Diccionario geográfico, estadístico, histórico de las Islas Filipinas. 2 vols. Madrid, 1850.

[9] Hiervan bestaat eene Engelsche vertaling: "Twintig jaren in de Philippijnen," Vizetelly 1853.

[10] Ik vernam van den Gouverneur-Generaal dat de heeren de la Gironière en Montblanc thans onder bescherming van het Fransche Gouvernement met "eene wetenschappelijke zending naar de Philippijnen" belast zijn.