Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden
Part 25
De groep der Bisajas wordt meestal door een ras bewoond, dat in alle hoofdtrekken op het Tagalog- en andere Maleische rassen van Luzon gelijkt. Hunne taal kan als een dialect van het Tagalogsch worden aangemerkt, ofschoon de klank harder is en het niet zoo woordenrijk, zoo verfijnd en aan grammaticale regels onderworpen is als deze laatste tongval. In het Bisajaansch vindt men meer Maleische woorden dan in de op Luzon gesproken dialecten. De inlanders van deze eilanden en die van Luzon verstaan elkander slecht, ofschoon hunne talen blijkbaar van dezelfde hoofdtaal zijn afgeleid.
De Bisajas leveren een gehard, zeevarend volk, maar als regel kan eene algemeene neiging tot luiheid, die aan den Philippijnschen «Indiaan» wordt toegeschreven, in een welligt nog hoogeren graad worden toegeschreven aan de bewoners van de geheele zuidelijke groep, en maakt tegenwoordig, bij gemis aan eenige doelmatige middelen tot dwang, een der voornaamste hinderpalen uit tegen eene snellere uitbreiding van den landbouw door de invoering van Europeesch kapitaal.
De Christen-bevolking van de Bisajas wordt gerekend als volgt:
Samar 118,000 Leyte 115,000 Romblon 16,600 Panay: Capiz 135,000 Iloilo 450,000 Antique 80,000 Cebu en Bohol 385,200 Negros 108,000 Calamianes 18,000 Mindanao: Misamis 44,500 Carago (Surigao) 15,300 Nieuw Guipuzcoa (Bislig en Davao) 11,200 Zamboanga 12,000 --------- Totaal 1,508,800
Onder deze zijn niet begrepen de onafhankelijke stammen, die de bergen in het binnenland bewonen; men kan hun aantal eenigzins berekenen uit eene aanteekening van het aantal dergenen, welke in 1849 in de onderstaande provinciën hebben gewoond, als:
Misamis 66,000 Samar 25,964 Leyte (niet met zekerheid bekend). Negros 8,545 Panay 13,900 Cebu 4,903 ------- Totaal 119,312
De meeste niet-onderworpen stammen (vooral Mohammedanen) bewonen Mindanao, waarvan de totale bevolking algemeen op bijna een millioen zielen wordt berekend.
Het eiland Panay, gunstig omstreeks het centrum van de groep der Bisajas gelegen, is aan zijn naaste punt, zijnde Potol--op 11° 48' NB. en 122° WL. van Greenwich--180 mijlen in een regte lijn van Manilla verwijderd. Het is bijna driehoekig gevormd en heeft eene uitgestrektheid van ongeveer 300 mijlen. Het is het vijfde in grootte van de Philippijnsche eilanden en volgt in dit opzigt op Luzon, dat 1,059, op Mindanao, dat 900, op Paragua, dat 420, en op Samar, dat 390 mijlen in omvang heeft, doch hoezeer kleiner dan de zoo even genoemde eilanden, is het, na Luzon, het meest bevolkte van den Archipel, wanneer Mindanao, met zijne onbekende bevolking van voormelde onafhankelijke stammen, daarbuiten gerekend wordt.
Panay is verdeeld in de drie provinciën Capiz, Antique en Iloilo, die te zamen eene bevolking van ongeveer 665,000 zielen hebben.
Capiz beslaat het geheele noordelijke gedeelte van de kust van Panay, een afstand van 77 mijlen. Zijne grenzen in het binnenland kunnen bepaald worden door een kromme lijn, die een weinig ten oosten van Punt Bulacan begint, langs de Pico de Arcangel, in de Siauragan-bergen, en westwaarts naar Pandan, aan de kust loopt. Zijne hoofdstad is Capiz, aan de rivier van dien naam gelegen. Ofschoon ten zuiden en ten westen door eene ongeregelde serie van bergketenen afgebroken, bestaat het grootste gedeelte van het grondgebied van Capiz uit uitgestrekte laag liggende vlakten, die rijst in groote hoeveelheid produceren. Het eiland bezit een paar goede havens, vooral die van Batan en Capiz zelf, aan de zamenvloeijing van de rivieren Panay en Capiz gelegen, biedt eene veilige ankerplaats aan. De belasting-betalende bevolking wordt officiëel op 135,000 zielen berekend.
Antique neemt de westelijke zijde van het eiland in, langs eene uitgestrektheid van 84 mijlen--van punt Naso ten zuiden tot Pandan ten noorden--is van driehoekigen vorm en wordt aan het noorden door de provincie Capiz, ten zuiden en oosten door Iloilo en ten westen door de zee begrensd. Antique is zeer bergachtig en, betrekkelijk dun bevolkt, produceert het tegenwoordig niet veel voor den uitvoer, vooral ook omdat de meerdere ontwikkeling van zijne hulpbronnen wordt belemmerd door het gebrek aan goede havens, waarvan het geen enkele langs de geheele linie van de kust bezit. Aan zijne hoofdstad en haven, San José de Buenavista, is een zeebreker in aanbouw, die, wanneer hij voltooid zal zijn, meerdere levendigheid aan den handel in de provincie zal bijzetten, omdat de vaartuigen hier dan het geheele jaar door zullen kunnen laden. Te San José nemen vreemde walvischvaarders en andere schepen niet zelden water en provisie in. Het aantal zijner inwoners, behalve de remontados en monteses, die de berg-districten bewonen, wordt op 80,000 zielen berekend.
Iloilo strekt zich over het zuid-oostelijke gedeelte van het eiland uit, is mede driehoekig gevormd en grenst ten noorden aan Capiz, ten westen aan Antique en ten zuid-oosten aan den zeearm, waardoor het van het eiland Negros wordt gescheiden. Dit eiland, dat het grootste, rijkste en meest bevolkte der drie provinciën is, verdient meer bijzondere vermelding.
Iloilo, de hoofdstad en de residentie van den gouverneur van het eiland, is 254 mijlen in een regte lijn van Manilla verwijderd, en wordt door Spaansche hydrographen op 10° 48' WL. van de middaglijn van San Bernardino geplaatst; het is nabij de zuid-oostelijke grens van het eiland, digt aan de zee, aan den oever van het enge kanaal gelegen, dat door het eiland Giumaras wordt gevormd, hetwelk tegenover Iloilo op een afstand van 2 1/2 mijlen van het Panay-strand ligt. De stad is voornamelijk op lagen, moerassigen grond gelegen, en staat bloot aan den invloed van het getij; zij ligt deels tegenover de zee en deels langs den regter oever van eene kreek of inham, die naar Jaro leidt, en ontmoet, na een halven cirkel te beschrijven, op nieuw de zee bij Molo. Hoezeer de voornaamste zeehaven en zetel van het Gouvernement der provincie, is de bevolking niet zoo sterk als die van vele steden in de nabuurschap. Zij bedraagt tegenwoordig niet meer dan 7,500 zielen, terwijl die van Jaro, Molo en Oton, steden in de onmiddellijke nabijheid gelegen, respectievelijk 33,000, 15,000 en 20,000 zielen sterk zijn. Deze betrekkelijke schaarschheid van inwoners ontstaat hoofdzakelijk uit het gebrek aan ruimte voor verdere uitbreiding aan de enge landtong, waarop de stad hoofdzakelijk is gebouwd. Deze hinderpaal tegen de verdere vermeerdering van de bevolking zou in den loop der tijden uit den weg geruimd kunnen worden, daar doeltreffende maatregelen zijn genomen om de bevolking meer landwaarts te brengen; onder anderen behooren daartoe de oprigting van een nieuw gouvernementshuis en publieke bureaux op een meer centraal punt; de voorgenomen verplaatsing van de tegenwoordige kerk naar eene meer voordeelige en opene plaats en het scheppen van nieuwe en meer directe wegen (thans in aanleg), die naar en van de naburige volkrijke steden leiden.
Niettegenstaande het gebrek aan meerdere ruimte, is de grootte en de belangrijkheid der stad in de laatste jaren merkbaar toegenomen, terwijl het aantal Europesche inwoners, dat in 1840 slechts 3 bedroeg, in 1857, 31 in Iloilo en 30 in de overige steden der provincie beliep. De meesten dezer kwamen in de jaren 1855 en 1856 aan, en het gevolg van deze vermeerdering van Europeanen, hoezeer hun aantal nog klein is, toont zich reeds in de daarstelling van nieuwe gebouwen en de plannen tot oprigting van vele anderen. De rijzing van de waarde der eigendommen blijkt uit het feit, dat het huis, waarin het vice-consulaat is gevestigd en dat van hout met een palm-dak is gebouwd, voor 33 dollars per maand of ongeveer 80 pd. st. per jaar verhuurd wordt. De waarde van land ter bebouwing is ook in evenredigheid toegenomen.
De bevolking der provincie wordt officiëel op 511,066 zielen aangegeven, maar er bestaat reden hier aan eene belangrijke overdrijving te denken en het getal op niet meer dan 400 à 450,000 te schatten.
De haven van Iloilo, hoezeer wel beschermd en van nature goed, is niet van inconveniënten ontbloot; zij kunnen echter met weinig moeite verholpen worden en, voorzien van eene der uitmuntende kaarten door de Comision Hidrografica (en wanneer men van het noorden komt met eene loods) kunnen groote schepen veilig binnenvaren.
Het eiland Guimaras, dat 22 mijlen lang en 3 mijlen breed is, vormt tegenover Iloilo een beschutte passage, die ongeveer noordelijk en zuidelijk loopt, 2 1/2 à 6 mijlen breed is, diep water en eene goede ankerplaats heeft. Het binnenkomen in deze passage van het zuiden wordt voor een groot gedeelte beperkt door de Oton-ondiepte (Bajo de Oton), die zich op een belangrijken afstand van het Panay-strand uitstrekt en ter lengte van ongeveer eene mijl het doelmatige kanaal dààr tot eene breedte van ongeveer twee mijlen uitbreidt. Dit is intusschen geen hinderpaal voor groote schepen gedurende den zuidwest-mousson (vooral als het kanaal behoorlijk is uitgebaggerd), daar de passage geheel zuiver is, zoover het zich uitstrekt, terwijl bij een tegenwerkenden noord-oost-mousson zij zich kunnen doorwerken of slepen met het getij, als zij op Guimaras aanhouden, welks kust zuiver is en tot digtbij diep water heeft, zoodat zij, zoo noodig, aan het uiteinde van de ondiepte kunnen ankeren, die vasten grond aanbiedt en die men, daar zij uit zacht zand bestaat, veilig kan naderen. Deze geheele kust, door Guimaras, het Panay-strand en voor een belangrijk gedeelte door het eiland Negros beschermd, biedt eene veilige ankerplaats aan in den noord-oost-mousson, terwijl de schoone haven van Buluanga of Santa Ana, aan het zuidwestelijke gedeelte van Guimaras gelegen, die zeer geriefelijke toegangen heeft voor vaartuigen van de grootste tonnenmaat, in bijna alle omstandigheden eene schuilplaats aanbiedt. De kustvaartuigen naderen den tegenovergelegenen of noordelijken toegang gewoonlijk door de keten van kleine eilanden (Gigantes, Pan de Azucar, Sicogon, Apiton, enz.), gezamenlijk de Silanga genaamd, die aan de noordoost-kust van Panay gelegen zijn en eene uitmuntende wijkplaats langs een geruimen afstand aanbieden voor vaartuigen, die in den handel met Manilla en de meest zuidelijke Bisajas gebruikt worden. Maar hoezeer onder deze eilanden goede ankerplaatsen zijn, vooral te Pan de Azucar en Tagu, zou het voor zwaar beladen vaartuigen voorzigtiger zijn, ingeval men niet practisch bekend is met het getij en de stroomen, het meer buitenwaarts gelegen kanaal tusschen de Silanga en het eiland Negros te nemen. Na de Calabazas-rotsen en Pepitas-ondiepte te zijn voorbijgevaren en het kasteel of blokhuis van Banate te hebben aangedaan (dat vroeger, even als vele andere, langs de Philippijnsche kusten is gebouwd, ter verdediging tegen de zeeroovers van de Soeloe-zee), wordt de koers zuidelijk genomen, tot dat een groep van zeven merkwaardige rotsen, de «zeven zonden» genaamd, in het gezigt komt, waarnaar men dan regtstreeks stevent, wel zorgende de Iguana-bank te vermijden, die naauwkeurig op de genoemde kaarten is aangeduid; ten zuiden van het Iloilo-fort kunnen dan vaartuigen van zekere tonnemaat de kreek binnengaan, of, zoo zij te groot zijn, naar de oostzijde van het fort stevenen, waar zij tegen den wind en de gestrengheid van het getij beschut zijn. De diepte van het water aan den slagboom bij den ingang van de kreek, bedraagt ongeveer vijf vademen bij laag water; maar op weinig afstands verder, meer inwaarts, daalt het water tot vijftien voet bij laag water en wordt dan weder dieper. Daar de rijzing en daling zes voet bedraagt, kan een vaartuig van 300 ton, dat, geladen, een diepgang van 16 tot 18 voet heeft, gemakkelijk met eene volle lading passeren. Met eene maal-machine, die gebruikt wordt om den modder te verwijderen, dien men op de meer ondiepe plaatsen bij den ingang heeft laten ophoopen, kunnen schepen van bijna elke diepte hunne ladingen landinwaarts voltooijen. De Santa Justa, een Spaansch schip van 700 ton, laadde in 1851 het gedeelte eener tabakslading in de kreek en het overige daar buiten.
Het dient opgemerkt te worden dat, daar de banken der kreek uit zachten modder bestaan, men weinig of geen gevaar loopt vast te raken. Wanneer men ongeveer anderhalve mijl op de kreek is doorgevaren (die van 1 tot 3/4 mijl in breedte verschilt en voldoende beschutting voor wind en zee aanbiedt), komen de kustvaartuigen tot bijna voor de woningen van de reeders en hebben het groote voordeel aan de pakhuizen te laden en te lossen zonder booten behoeven te gebruiken.
Van dit punt af, strekt de kreek zich tot Molo uit. Vroeger was men gewoon met de kustvaartuigen zoo noodig tot Molo te varen, maar daar de ophaalbrug, waardoor de schepen gingen, versleten is en de tegenwoordige brug (die nu in slechten toestand verkeert) geene middelen van doortogt aanbiedt, blijven zij te Iloilo, waar de handelaren van Molo hunne magazijnen hebben overgebragt.
De uitvoerhandel van Iloilo, die zich tot nog toe tot de haven van Manilla en de naburige eilanden beperkte, wordt tegenwoordig hoofdzakelijk gedreven door vier Spaansche firma's, die te Iloilo wonen en de betere soort van inlandsche vaartuigen bezitten, die deze haven uitzeilen, maar er is ook nog een belangrijk aantal mestizen, voornamelijk van Chinesche afkomst, die in de naburige steden Molo en Jaro wonen en waarvan vele vaartuigen bezitten en belangrijke sommen in den handel bezigen.
De voornaamste producten van uitvoer zijn tabaksbladeren, suiker, sapanhout, rijst in den bolster (of padie), hennep en huiden, behalve andere artikelen in geringer hoeveelheid, waaronder hoorn, beche-de-mer, paarlemoerschelpen, bijenwas, riet enz. en een groot aantal inlandsche gefabriceerde goederen. Blad- of ongefabriceerde tabak, is tegenwoordig het meest belangrijke artikel en dat, hetwelk de Spaansche handelaren als het meest lucrative hebben bevonden. Zij koopen het van de kleine inlandsche planters en verzenden het naar Manilla tot uitsluitenden verkoop aan het Gouvernement, tegen prijzen die de factory-taxateurs bepalen, naarmate van de grootte en kwaliteit van het blad. Van Iloilo werden zoo wat 30,000 quintals in 1856 naar Manilla verscheept en van Capiz 20,000; ongeveer 50,000 quintals worden van de jaarlijks in Panay geproduceerde bladen uitgevoerd.
De uitvoer van tabak naar Manilla, tot het jaar 1845, beliep in deze provincie niet meer dan 10,000 quintalen per jaar; maar nadat in dat jaar de agent van een firma uit Manilla de gewone lage prijzen, die de handelaren uit Iloilo betalen, van 10 realen tot een gemiddelden prijs van 20 tot 21 realen voor de drie eerste kwaliteiten had verhoogd, was de uitvoer spoedig tot 24,000 quintalen gestegen.
Toen het gouvernement zijn aandacht op het toenemend gewigt van dit product had gevestigd, besloten de gouverneur en eenige inzamelaars een systeem van «collecion» in te voeren, gelijk de «colleciones» die te Cagajan, La Union en Nueva Ecija bestaan. Door dit systeem werd de aankoop van en de uitvoer naar Manilla der particuliere handelaren, ofschoon niet bepaald ontzegd, (zoo als in de evengenoemde provinciën) zóózeer benadeeld door de onbillijke mededinging met het gouvernement (waaraan de particuliere koopers ten laatste moesten verkoopen wat zij verscheepten), dat de totale uitvoer van Iloilo gedurende de zes jaren van 1848 tot 1853 van 25,000 tot 18,900 quintalen daalde. In dit laatste jaar werd de collecion ontbonden. In 1853 werd aan eene maatschappij, die zich te Madrid had gevormd, het uitsluitend privilegie toegestaan van de fabrikatie en uitvoer van cigaren en tabaksbladen naar vreemde markten. Een groot en uitgebreid steenen factorij-gebouw werd nabij Iloilo opgerigt, de fabrikatie van cigaren georganiseerd en aankoop van bladen gedaan, terwijl ten laatste de operatiën der maatschappij werden uitgestrekt tot den bouw van de plant in verschillende gedeelten van de provincie. Eene clausule in haar reglement belette de maatschappij echter de factorijen te Manilla, wanneer dit noodig was, van eene belangrijke jaarlijksche hoeveelheid tabaksbladen en cigaren te voorzien, zoo noodig gelijkstaande met het bedrag dat jaarlijks in de provincie uit andere bronnen werd verkregen. Dien ten gevolge werden de aanvragen voor de Manilla-factorijen (naar men zegt met voordacht vermeerderd door de vijandige gezindheid van den toenmaligen Intendente de Hacienda jegens de maatschappij) zoozeer uitgebreid, dat de maatschappij in werkelijkheid van de gelegenheid beroofd werd voor hare eigen rekening te handelen, en na een bestaan van ongeveer drie jaren moest zij ontbonden worden, met het verlies van een belangrijk gedeelte van het oorspronkelijk gestorte kapitaal. Zoo de autoriteiten van Manilla tot hare ontwikkeling hadden medegewerkt, dan waren de resultaten, hoezeer noodwendig belemmerd door het schadelijke beginsel, aan alle monopoliën verbonden, gunstiger geweest, daar, met de vrijheid tot fabrikatie van en verscheping naar vreemde markten, zij goede prijzen had kunnen maken en de kultuur van de tabaksplant uitbreiden. Een feit, in verband met dit onderwerp beschouwd, is dat een der Europeanen, die vroeger in dienst van de maatschappij was geweest, sedert cigaren voor lokaal verbruik had gefabriceerd, die hij tegen 8 dollars per duizend verkocht, terwijl zij bijna, zoo niet geheel, van dezelfde kwaliteit waren als de «Imperiales», die in de factorij te Manilla tegen 25 dollars worden gefabriceerd.
Sedert 1853 en gedurende de operatiën van de maatschappij, zijn de aankoop en verscheping van tabak door particulieren weder op den ouden voet teruggebragt, en terwijl het op die wijze verscheepte bedrag gestadig, hoezeer zeer langzaam, is vermeerderd, zijn de prijzen weinig stijgende gebleven. De hoogste prijzen echter, die de plaatselijke handelaren de inlandsche planters kunnen aanbieden, zijn niet hoog genoeg om eene snelle uitbreiding der aanplant te verkrijgen, of de laatste er toe te leiden tijd en werk genoeg te besteden tot verbetering van de hoedanigheid der plant, waarvan de geschikte kultuur speciale aandacht vereischt en meer kapitaal en intelligentie, dan het in hunne magt is aan te wenden. De verschepers te Iloilo klagen over de arbitraire wijze, waarop de verdeeling der soorten te Manilla plaats vindt, en over het feit, dat, zelfs na aflevering van de tabak in de gouvernements-pakhuizen, zij geheel voor hunne risico wordt gehouden, tot dat zij onderzocht, herpakt en voor de verscheping naar Spanje gereed is. De uit Iloilo verzonden soorten worden verdeeld in de eerste (waarvan onder het tegenwoordige stelsel eene zeer kleine hoeveelheid wordt geproduceerd), tweede, derde, vierde en vijfde soort, en al wat de onderzoekers te Manilla van de vijfde soort afkeuren, wordt achtergehouden en verbrand, ofschoon aan den verkooper daarvoor geen tegemoetkoming wordt verleend. De prijzen, die de factorij voor de vermelde kwaliteiten geeft, zijn 7.75, 6.75, 5.25, 4 en 3 dollars per quintal respectievelijk. De plant wordt in Januarij gezaaid en het grootste gedeelte van den oogst komt in Mei en Junij binnen. De bodem van het grootste gedeelte der Bisajas is gunstig voor den groei van de tabak. Het eiland Negros produceerde vroeger ongeveer 8000 quintals, van zeer goede kwaliteit, die de handelaren van Iloilo, door middel van hunne agenten, gewoon waren te koopen van de onafhankelijke stammen in het binnenland, maar daar de maatregelen, door den tegenwoordigen gouverneur genomen om de laatsten te onderwerpen, in 1856 hebben geleid tot het verslaan van vele honderden en de verdwijning van de overigen, hebben de toevloeijingen uit die bron tegenwoordig opgehouden te bestaan. Cebu produceert ongeveer 15,000 quintalen van veel minder kwaliteit. Te Leyte, vooral in het district Moasin, groeit tabak van uitmuntende kwaliteit en kleur, maar zij wordt niet genoeg geproduceerd om in groote hoeveelheid voor den uitvoer naar Manilla te worden gezonden, en wordt dien ten gevolge bijna uitsluitend in de Bisajas gebruikt, waar zij op hoogen prijs wordt gesteld. In Samar groeit ook tabak voor plaatselijk gebruik. De fabrikatie van cigaren is in de Bisajas vergund, doch niet ter verkoop te Manilla of elders.
Voor het oogenblik heeft de uitvoer van tabak van Panay en de overige eilanden weinig direct belang voor Britsche of vreemde kooplieden, daar de transactiën met het Gouvernement, zoo als zij thans geleid worden, van geen bevredigenden aard zijn. Het behoeft intusschen niet gezegd te worden, dat, zoo het bestaande Gouvernements-monopolie werd afgeschaft en vervangen door een systeem van verpachting van landerijen, eene directe grondbelasting op de hoeveelheid die verbouwd wordt of een regt op den uitvoer, en zoo de vrije fabrikatie voor en directe verscheping naar eene vreemde markt werden vergund,--de uitvoer van Panay onmiddellijk van groot gewigt voor den vreemden handel zou worden. Daar de grond van een groot gedeelte van het eiland zeer goed voor de kultuur van de plant geschikt is, zou de uitvoer, onder den prikkel van veel hoogere prijzen en ten gevolge daarvan, de aanwending van meer en beter besteed kapitaal, vatbaar zijn voor groote uitbreiding, vooral wanneer, hetgeen hoogst waarschijnlijk het geval zou zijn, de kultuur door Europeanen werd ondernomen en het tegenwoordige systeem van bebouwing van kleine strooken door inlanders, plaats maakte voor kultuur op eene groote schaal, zoo als in Cuba. De voordeelen, die de inlandsche bevolking zouden ten deel vallen door de opening van meerdere bronnen van industrie, behoeven niet aangewezen te worden.
De quaestie van de opheffing van het bestaande monopolie is van groot gewigt voor de Philippijnen en het is te hopen dat het Gouvernement te Madrid, aangemoedigd door de voordeelige resultaten van de opheffing in 1819 van het monopolie in Cuba, spoedig zal besluiten de zwarigheden te trachten uit den weg te ruimen, die thans de quaestie omgeven, vooral daar hare oplossing jaarlijks dringender en meer van de zijde èn van Europeanen èn van inlanders verlangd wordt.