Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden

Part 24

Chapter 243,764 wordsPublic domain

Beperkt als de Spanjaarden in eene naauwe plek lands langs de kust zijn, mag men veronderstellen dat er weinig gemakken voor vervoer aanwezig zijn; toch vonden wij een rijtuig en een paar paarden, benevens een harnas zoo als het was en een Indiaansche voerman, en zoo deden wij een zeer aangenaam avondridje door het land en werden wij in de gelegenheid gesteld zijne groote vruchtbaarheid en de verscheidenheid in producten te zien, hetgeen bij ons het natuurlijke gevoel van leedwezen deed opkomen, dat zoo vele gaven der Voorzienigheid ongenoten en onverbeterd bleven, vergezeld van de hoop, dat betere dagen mogen aanbreken. Maar de wereld is vol van onontwikkelde schatten en hare «onbekende duizendbladen» beloven eene heldere toekomst.

Het schijnt dat er eenige vermeerdering heeft plaats gehad in de bevolking van Zamboanga. In 1779 berigt Zuniga dat er zich 5,612 zielen bevonden, met de Indianen, Spanjaarden, soldaten en misdadigers; in 1818 wordt het aantal op 8,640 geschat; in 1847 op 7,190. De Guia van 1850 geeft 8,618; die van 1858, 10,191, waarvan 16 mestizen waren en 3,871 belasting-betalenden; maar ik weet niet of men veel vertrouwen kan schenken aan de statistieke opgaven. De laatste geeft op dat de huwelijken 55, de geboorten 429 en de sterfgevallen 956 bedroegen, hetgeen eene vreesselijke sterfte aantoont. In de provincie Misamis was in hetzelfde tijdvak de evenredigheid van de geboorten tot de sterfgevallen 2,155 tot 845.

Veel waarde wordt gehecht aan sommige rietsoorten, die men op het eiland Palawan of Paragua vindt, vooral waar zij gespikkeld, gekleurd, zuiver wit of zonder eenige bogt zijn, zoo als die welke tot wandelstokken dienen. Men zeide mij dat twee honderd dollars voor een fijn stuk waren betaald.

Een stok met een gouden knop, een zijden koord en een vederbos is het emblema van magt op de Philippijnen.

HOOFDSTUK XXV.

ILOILO EN PANAY.

Van de drie laatstelijk voor den vreemden handel geopende havens is Iloilo de meest belovende. De provincie Iloilo is eene der meest bevolkte van de Philippijnen. Zij bevat meer dan een half millioen inwoners, en ofschoon gedeelten van de provincie zeer dun bevolkt zijn, is er eene gemiddelde bevolking van meer dan 2000 inwoners per vierk. mijl. Behalve de pueblos die ik bezocht en waarvan ik een korte beschrijving zal geven, heeft Cabatuan 23,000, Miagao 31,000, Dumangas 25,000, Janiuay 22,000, Pototan 34,600 en verschillende andere meer dan 10,000 zielen. De provincie is niet alleen eene van de meest bevolkte, maar welligt de meest productive in den landbouw, de meest active in het fabriekwezen en de industrie en behoort onder de meest beschaafde der Philippijnen [33]. Zij bezit uitgestrekte en bebouwde vlakten en met boschland begroeide bergen; hare wegen behooren onder de beste, die ik op den Archipel heb gezien. Aan den ingang van het kanaal bevindt zich een aantal eilanden, genaamd de zeven (dood)zonden (los Siete Pecados). Het groote eiland Giumaras grenst ten zuiden van het kanaal; sommigen onzer bezochten het en keerden terug, verrukt over de uitgestrekte dropsteenen holen, die zij doorgingen, nadat zij ze niet zonder moeite bereikt hadden over de rotsen, door de bosschen en over de stroomen, die hun voortgaan belemmerden. De bosschen zijn vol wild en de rivier Cabatuan vloeit over van krokodillen. Er zijn vele beekjes en rivieren, die den bebouwer tot groote hulp strekken en wij vonden eene groote hoeveelheid vee. De ponies van Iloilo behooren onder de beste in den Archipel en men heeft de aandacht gevestigd op de schapenfokkerij. Er wordt veel zout gemaakt en er bestaat eene belangrijke visscherij van tripang (zeeslakken) en schildpadden, wegens de schillen. Het eiland is voorts zeer beroemd om de pina-fabrikatie, nipas en sinamays genaamd, waarvan sommige uiterst fijn en schoon zijn; zij worden in groote hoeveelheid uitgevoerd en zij zijn zelfs in Europa zeer vermaard.

Bij de komst der Spanjaarden vonden zij het district bezet door beschilderde Indianen, vol bijgeloof, dat, niettegenstaande het onderrigt van de Augustijner-monniken, nog altijd voortheerscht, vooral ten tijde van openbare ongelukken. Zij behooren onder de best gevormde der Indianen, spreken een dialect van het Bisajaansch, dat zij Hiligueyna noemen, maar in de meer verwijderde gedeelten komt een andere tongval, het Halayo, meer voor. De Augustijnen bogen er op 50,000 familiën in 1566 te hebben bekeerd, maar zij konden hen niet bewegen hunne landen te bebouwen en hunne overproducten in te zamelen, en toen de sprinkhanen het district hadden verwoest, kwam meer dan de helft van de bevolking in de twee volgende jaren van honger om. Maar de zendelingen maakten geen vorderingen onder de Negritos, die in de woestere gedeelten van de bergachtige streken woonden en waarheen menigeen zich begaf, die zich aan de magt der vijanden wenschte te onttrekken. Deze wilden hebben niet zelden de dorpen aangevallen van de bekeerde Indianen, maar in latere jaren hebben zij het voorzigtiger en voordeeliger geacht daarheen hun was en pek te brengen en ze voor rijst en kleederen te ruilen. Zij hebben geen algemeenen bestuurder, maar iedere stam heeft zijn erkend hoofd, en men zegt, dat, wanneer zij tot de keus moeten overgaan van een opvolger voor een vertrokken hoofd, zij deputatiën naar de zendelingen zenden en deze hunnen raad en bijstand in hunne keus vragen. Vroeger werd het district dikwijls door zeeroovers aangevallen, die groote verwoestingen aanrigtten en verscheidene steden vernielden. In 1716 vielen de Hollanders de sterkte van Iloilo aan, doch werden gedwongen af te trekken na een belangrijk verlies aan dooden en gewonden. Er heeft eene groote vermeerdering in de bevolking plaats gehad, die in 1736 bedroeg, 67,708, in 1799, 176,901 en in 1845, 277,571 zielen; terwijl bij den laatsten census er 527,970 inwoners bleken te zijn, waarvan 174,874 belasting betalen. Er is een klein aantal Spanjaarden; daarentegen zijn er vele mestizen, waarvan de meesten sangleys zijn, de afstammelingen van Chinesche vaders en inlandsche moeders. De vermeerdering van de bevolking moet groot zijn, daar de census in 1857, 17,675 geboorten en slechts 9,231 sterfgevallen gaven.

Men komt naar Iloilo door een kanaal tusschen een zandbank (die bijna een mijl de grenzen overschreden heeft, in de kaarten aangegeven) en het eiland Guimaras. De stad schijnt nabij, als men ze nadert, maar de rivier, waardoor de vaartuigen komen, maakt eene belangrijke kronkeling en loopt rondom digt bij de stad. Wij ontdekten eene groote fortificatie, maar het kon voor ons geene salutschoten doen, en wij werden daardoor ontheven van den pligt om H. M. kruid te verschieten, maar zoo niet in den vorm van veel geraas makende groeten, betoonden de Spaansche autoriteiten toch de meeste hoffelijkheid jegens de officieren en het scheepsvolk van ons fregat, voor de dienst en het onderhoud waarvan al het mogelijke werd gedaan. Wij werden spoedig begroet door een heer van het Britsche vice-consulaat. De vice-consul keerde naar Iloilo terug, den dag na onze komst. Het zou inderdaad goed zijn, als alle Britsche ambtenaren zooveel bekwaamheid, kennis en geneigdheid om nuttig te zijn bezaten als wij in den heer Loney vonden, waaraan de handel van de Philippijnen in het algemeen en de haven van Iloilo in het bijzonder, groote verpligtingen heeft. Hem, meer dan een ander, is de ontwikkeling van den handel van Panay veel verschuldigd.

Vooral van den gouverneur van Iloilo, kolonel José Maria Carlès, ondervond ik zeer veel goedheid. Hij ging onder eene treurige ramp gebukt--rampen komen overal op de wereld voor--het verlies van een eenigen en veelbelovenden zoon, die hem als gouverneur van de provincie voorgegaan en zoo algemeen bemind was, dat het volk ernstig bij den Kapitein-Generaal er op aandrong, dat de vader hem mogt opvolgen, hetgeen werd toegestaan. Het was treffend de verschillende blijken van de sympathie en het leedwezen des volks te zien, die den dood en de begrafenis van Don Emilio Carlès vergezelden, wien niet minder dan 50 rijtuigen naar zijn graf in Arévalo volgden. Ik ging meer dan eens met den treurenden vader door het dorp; ten tijde dat ik zelf onder hevige smarten gebukt ging, vond ik dien troost bij het herdenken van en de herinnering aan anderen van de deugden des overledenen. Deze zijn de beste monumenten, hoezeer zij niet op steenen tafels zijn geschreven.

De principalia van Molo kwamen ons op een bal verzoeken, dat in het meeste genoegen afliep. De plaats is zeer nijver; zij was in oude tijden eene Chinesche kolonie en wordt nu bewoond door mestizen en hunne afstammelingen, waarvan de meeste met Chineesch bloed vermengd zijn. De pueblo telt 16,428 inwoners, waarvan 1,106 mestizen zijn. Het is eene der drukste steden van het eiland en alles ziet er voorspoedig en werkzaam uit. In sommige woningen vindt men in hetzelfde vertrek vele werktuigen, waarmede pina-stoffen worden vervaardigd. De plaats was bij gelegenheid van het bal schitterend geïllumineerd en de gobernadorcillo hield eene redevoering in het Spaansch, waarbij hij verklaarde dat de plaats zeer vereerd was door onze tegenwoordigheid, en dat de herinnering aan dezen dag hun lang zou bijblijven. Vele mestizen houden rijtuigen, die ter beschikking van onze vrienden werden gesteld en die zich bij den optogt voegden, toen wij met muziek en vuurwerk door de stad begeleid werden. Molo is een eiland, dat door twee beeken wordt gevormd en waarop men aan beide zijden over bruggen komt. Ik meen dat het eene der weinige plaatsen is, die door een wereldlijken geestelijke worden bediend. Zij ligt vier mijlen van Iloilo, de weg is goed en men ziet vele Indiaansche huizen aan beide zijden van den weg. Achter bijna al deze vindt men tuinen, waarin plantanen, kokosnoten, broodvruchten, cacao, betel en andere gewassen groeijen. De suikerkultuur scheen uitgestrekt te zijn en men heeft vele padievelden benevens eene groote maïs-kultuur.

De Gouverneur en Britsche vice-consul vergezelden ons op onze genoegelijke uitstapjes in het binnenland, waarbij wij sommige der meest bevolkte pueblos van de provinciën bezochten. Wij reisden in gemakkelijke rijtuigen, terwijl de monniken of de gobernadorcillos ons van versche paarden voorzagen; in de kloosters werden wij gewoonlijk ontvangen en wij vonden daar steeds het meest gastvrije onthaal. Wij hadden een dag bepaald om Janiuay te bezoeken en wij hielden eerst te Jaro, een pueblo van meer dan 22,000 zielen, halt. De wegen waren op de gewone wijze versierd; van de Indiaansche hutten wapperden de vlaggen, de principalia te paard kwamen tot ons geleide en de inlandsche muziekkorpsen vergezelden ons toen wij het volkrijke gedeelte der stad intraden en verlieten. Jaro wordt als de rijkste plaats op het eiland Panay geacht. Het werd in 1584 of 1585 gesticht. Op eenigen afstand rondom de plaats wordt veel verbouwd. Zij boogt op hare steenen brug, die meer dan 700 voet lang en 36 voet breed is. De bouw daarvan, even als de daarstelling van de uitmuntende wegen, die naar de pueblo geleiden, is men verschuldigd aan de milddadigheid van een' geestelijke, die door zijn' souverein wegens zijne vaderlandslievende opofferingen tot ridder werd gemaakt. Ofschoon het land vlak is, maakt het rijke gewas aan de oevers der stroomen en langs den hoogweg het landschap schilderachtig. Er worden vele fijne stoffen en katoen, pina en zijde vervaardigd. Deze fabrikaten worden te koop gebragt op eene wekelijksche markt, die donderdags gehouden en druk bezocht wordt door lieden uit alle deelen der provincie; zij is de grootste van de Iloilo-missen. Van Jaro begaven wij ons naar Santa Barbara, een pueblo van 23,000 zielen. Hier werden wij in het klooster der Augustijner-monniken ontvangen, in wier handen al de geestelijke ambten van Iloilo zich bevinden; aan een hunner hadden wij het genoegen om hem naar Manilla mede te nemen, waarheen hij zich moest begeven als afgevaardigde op de jaarlijksche vergadering van de broederschap. Hier bezochten ons andere Augustijner-monniken, die ons allen uitnoodigden van de gastvrijheid in hunne ruime kloosters gebruik te maken. Santa Barbara is eene nieuwerwetsche stad, die in 1759 is gebouwd en onder de speciale bescherming staat van den heilige, wiens naam zij draagt. Zij heeft in de algemeene welvaart der provincie gedeeld: in 1820 had zij geene fabrieken, maar zij heeft thans eene wekelijksche markt tot verkoop van de producten harer werktuigen, die hoofdzakelijk bestaan uit katoen, zeildoek, matrassen, dekens, enz. De bosschen leveren fijn timmerhout en materialen voor kabinetwerk en zijn gevuld met wilde bijen, wier was en honig een belangrijk artikel van trafiek vormen. De rijtuigen en paarden der monniken waren uitmuntend. Onze volgende pleisterplaats was Cabatuan, dat iets grooter dan Santa Barbara is. Cabatuan werd in 1732 gesticht. Zij ligt aan de oevers van de rivier Tiguin, die somtijds bijna droog is en op andere tijden het land sterk overstroomt. De talrijke krokodillen maken het visschen onveilig en de scheepvaart zelfs van kleine booten wordt dikwijls afgebroken, hetzij door den overvloed, hetzij door het gebrek aan water. Er is veel productie van rijst en van kokosnoten-olie tot verlichting. Van Cabatuan gingen wij naar Janiuay, waarmede wij onze dagreize en ons bezoek in het binnenland eindigden. Deze plaats wordt op de oude kaarten der provincie Matagul genoemd en telt ongeveer hetzelfde aantal inwoners als Santa Barbara. Het klooster en de kerk staan op een eenigzins hoogen grond en leveren een schoon gezigt op over de pueblo en het omringende land. Vele vrouwen houden zich met den arbeid aan de werktuigen bezig, maar de landbouw is de voornaamste industrie van den omtrek. Wij hadden gehoopt den Dingle-berg te bezoeken, waarvan een der holen of grotten het aanzien moet hebben van een tempel van schilderachtigen bouw, met rots-kristal en massa's marmer en albast versierd, die de wanden vormen, terwijl een ander hol uit graniet bestaat, waarvan men veel op deze plaats vindt,--maar wij moesten naar Iloilo terugkeeren om met voorname personaadjes aan een diner deel te nemen, dat, als gewoonlijk, door een bal werd gevolgd. Daar het huis van den gouverneur zich op eenigen afstand van de stad bevond, werden wij beleefd onthaald in dat van een der inlandsche kooplieden, lief aan de kade van de rivier gelegen. Verscheidene monniken, die onze gastheeren geweest waren, vonden wij hier als gasten, en het gulle onthaal, dat wij hier ondervonden, regtvaardigde niet de voortdurende beleefde betuiging van leedwezen over het verschil in de ontvangst, de lompheden van de inlandsche bedienden (waarmede wij ons soms vermaakten) en het contrast tusschen de gemakken, die Europa en die welke eene afgelegene Spaansche kolonie op de Philippijnen konden aanbieden; maar er heerschten zulk eene gulheid, goed onthaal en vriendschappelijkheid, dat het onmogelijk was anders dan dankbaar en tevreden te zijn en wanneer wij op dit ondermaansche al doen wat wij kunnen, volbrengen wij ruim onzen pligt.

Den volgenden dag maakten wij ons gereed voor een bezoek van de verschillende pueblos aan de kust, en vroeg in den morgen in onze rijtuigen stappende, kwamen wij door Molo en Arévalo naar Oton. Arévalo heeft eenige vermaardheid in de jaarboeken der Philippijnen en had een bijzonder belang voor den gouverneur, daar hier laatstelijk de genegenheid der Indianen voor zijn zoon gebleken was, wiens begrafenis zij met zooveel bijzondere bewijzen van sympathie en leedwezen hadden vereerd. Arévalo was vroeger de residentie van den gouverneur; zij werd in 1581 door Ronquillo gebouwd, die haar den naam van zijne geboorteplaats gaf. Door de Indianen geplunderd, door zeeroovers aangevallen en terwijl haar bestuur geheel was gedesorganiseerd, bleef het geruimen tijd verlaten, en daar de zetel der magt naar Iloilo is overgebragt, levert Arévalo niet veel levendigs op; er bevinden zich ongeveer 8,000 inwoners in dit district. Te Oton zagen wij van uit het Augustijner-klooster eene belangwekkende plegtigheid. Het was op een zondag en bij het verlaten van de kerk werden de inwoners bij trommelslag gewaarschuwd eene proclamatie van het Gouvernement te hooren lezen. Zij waren allen in hunne fraaiste kleederen, en mannen, vrouwen en kinderen vormden een kring rondom een der inlandsche Indiaansche autoriteiten, die, met luider stemme, in de Bisajaansche taal het document voorlas, dat hem bevolen was aan het volk mede te deelen. Er heerschte eene volmaakte stilte gedurende de lezing en de menigte verspreidde zich rustig. Langs de kust zijn fortificatiën opgerigt en eene groote verscheidenheid van fabrikaten werd ons voorgelegd. Er worden veel Engelsche katoenen twist verkocht, die de schering van de meeste fabrikaten uitmaken [34]. Wij zagen zijden en katoenen dekens; verschillende soorten van gekleurde ginghams; weefsels, waarin de vezelen van de abaca en de pina met onze katoenen draden waren vermengd, waarvan de invoer echter tot de kleuren is beperkt, die de Indianen zelve niet kunnen verwen. Oton telt ongeveer 23,000 inwoners. Ik heb opgemerkt dat de evenredigheid van de geboorten tot de sterfgevallen ongeveer vier tot één staat, en dat terwijl er vijf geboorten op een huwelijk plaats hebben, er nog geen derde meer sterft dan huwt, zoodat de vermeerdering der bevolking zeer groot kan geacht worden. In 1818 bedroeg zij nog geene 9,000 zielen. Tigbauan, met zijne 21,000 inwoners, was onze volgende pleisterplaats. Zijn algemeen uitzigt gelijkt dat van Oton. Rijst is de voornaamste landbouw-productie, maar de vrouwen houden zich het meest bezig met het weven van stoffen, die op de markten in Albay en Camarines worden verkocht. Wij werden uit het Augustijner-klooster door een monnik van Giumbal vergezeld, die blijkbaar veel invloed uitoefende over zijne broeders en over de geheele gemeente. Zijne conversatie was onderhoudend en leerzaam. Hij had een fraai span paarden, een schoon rijtuig en hij besteedt zijne ruime inkomsten met edelmoedige milddadigheid. Om niet te herhalen wat reeds zoo dikwijls heeft plaats gehad, maakten de Indianen, gedurende onze geheele reis, feestdagen tot onze ontvangst, die overal het aanzien van publieke feesten hadden. Nadat de principalia ons tot de kloosters hadden vergezeld, ik hen bedankt en de gouverneur en de monnik hen hun afscheid gegeven hadden, werd een aantal jonge meisjes binnengebragt, wie de bediening van de tafel en van de gasten was opgedragen. Er lag eene vreemdsoortige afwisseling van nieuwsgierigheid, vrees en eerbied in haar gedrag, doch zij verzamelden zich rondom mijn armstoel; hare helderzwarte oogen zagen mij vragend aan en schenen mijne bevelen te vragen, terwijl eene, die wel eene kleine van den geestelijken vader scheen, haar hand in de krullen van mijn wit haar stak, die zij eenige bewondering waardig scheen te achten; maar de monnik zeide mij dat zij onder elkander vroegen hoe het mogelijk was dat ik een generaal en voornaam man kon zijn, terwijl ik toch geen goud op mijne kleederen droeg; ik was niet half zoo fraai gekleed als de ambtenaren, die zij gewoon waren te zien. Zij waren zeer fier op sommige pina-kleederen, die zij droegen, en de eene na de andere kwam bij mij om de fijnheid daarvan te laten zien. Zij droegen zorg mij van cigaren te voorzien en dat er licht gereed stond als de cigaar uitgebrand was, en toen wij aan onzen welvoorzienen maaltijd zaten, waren verscheidene bij de hand om de schotels weg te nemen, andere aan te brengen en toe te zien of wij wel voorzien waren van de lekkernijen van den dag. Op onzen terugweg naar Iloilo, vernamen wij dat de principalia van Molo ons in hunne rijtuigen naar onze woning zouden geleiden; zij wachtten ons op den grooten weg, zoodat wij te zamen eene geheele processie uitmaakten. Zij hadden vooraf kapitein Vansittart en de officieren der Magicienne op hun bal uitgenoodigd en velen wachtten, terwijl zij tot in den vroegen morgen dansten.

Den volgenden dag verlieten wij Iloilo. De gouverneur en verschillende van de voornaamste lieden, waaronder zich eene groote groep Augustijner-monniken bevonden, vergezelden ons met muziek naar het schip. Drie luide uitroepen van een dankbaar hoerah deden zich van ons dek hooren en werden vriendschappelijk door onze gastheeren beantwoord en zoo wenschten wij Iloilo het vaarwel en voortdurend welzijn toe.

Ik heb sir William Hooker, ten behoeve van het Museum der Koninklijke tuinen te Kew, zestig soorten van hout gezonden, dat in de noordelijke en westelijke districten van het eiland Panay en in de provincie Antigue groeit, waarvan de voornaamste zijn: het molave, het nuttigste en meest vaste van de Philippijnsche houtsoorten, dat voor alle bouwwerk wordt gebruikt; bancaluag, voor fijn werk; dungon, voor schepen en gebouwen; bagoarour, bouw- en kabinetwerk; lumati, eene soort van teak; guisoc, eene buigzame soort voor schepen en huizen; ipil heeft gelijke verdiensten; naga, dat op mahony gelijkt en voor meubelen wordt gebruikt; cansalod, planken voor vloeren; maguilomboy, voor hetzelfde doeleinde; duca, baslayan, oyacya, voor scheepsbouw; tipolo, voor muziek-instrumenten; lanipga, eene soort van ceder, dat voor graveer- en beeldhouwwerk wordt gebruikt; bayog, voor masten en raën; bancal, voor zolderingen en graveerwerk; malaguibuyo, voor vloeren; ogjayan, buigzaam voor verbindingen enz.; lanitan, voor guitars, violen enz.; janlaatan, voor meubelen; lauaan, voor schepen; basa, in groote blokken voor bouwwerk en schepen; talagtag, voor kabinetwerk; nino, de bast, die voor roode en gele kleurstof wordt gebruikt; bacan, bouten; panao, een medicinaal hout, dat de Indianen voor zeere oogen gebruiken; banate, eene fijne en sterke kist- en houtsoort, die voor biljard-queuen naar Europa is uitgevoerd; bancolinao, ebbenhout; casla, heeft eene vrucht, die op eene Fransche boon gelijkt, waarvan de olie door de inlanders voor hunne lampen wordt gebruikt; jaras, voor den bouw van huizen. Men zal opmerken, dat al deze hunne Indiaansche namen dragen, die de Spanjaarden ze gewoonlijk geven.

Ten opzigte van den handelstoestand en de vooruitzigten daaromtrent van al de centrale en zuidelijke eilanden van den Philippijnschen Archipel, heb ik de meest gunstige bijzonderheden verkregen, die de vice-consul van Iloilo, de heer Loney, in 1857 aan den consul van Manilla heeft gegeven en waaraan ik het volgende ontleen.

Dat gedeelte van de Philippijnen, die de Bisajas genoemd worden, kan men over het algemeen beschouwen als al de eilanden ten zuiden van Luzon omvattende, ofschoon, strikt genomen, zij alleen beslaan die van Samar, Leyte, Panay, Negros, Cebu, Bohol (met de onderhoorigheden Tablas, Romblon, Sibuyan, enz.) en vier provinciën: Misamis, Caraga, Zamboanga en Nueva Guipuzcoa, van het belangrijke eiland Mindanao, na Luzon het schoonste en grootste van den Archipel.

De administratie van de inkomsten der Bisajas was vroeger opgedragen aan een bijzonder bestuur (Gobierno Intendencia de Bisayas) in de stad Cebu gevestigd, doch daar deze administratie in 1849 is afgeschaft, staan al de provinciën, wat hare inkomsten betreft, nu gelijkelijk onder de contrôle van de super-intendencia te Manilla. Terwijl echter de provinciën en districten van Luzon (met uitzondering van Cavite, La Isabela, Nueva Viscaya, El Abra, San Mateo en La Union) door burgerlijke ambtenaren (alcaldes mayores) worden bestuurd, is het beheer over de Bisajas opgedragen aan militaire beambten (gobernadores militares y politicos) van den rang van kapitein tot kolonel, die bij vele gelegenheden worden bijgestaan door een luitenant-gouverneur, een civiel beambte en gewoonlijk door een regtsgeleerde, die kennis neemt van alle gewone civiele en criminele zaken.