Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden
Part 14
Echtbreuk 1. Echtbreuk met manslag 1. Het dragen van verboden wapenen 7. Verlaten van posten 6. Dubbel huwelijk 1. Dronkenschap 2. Paarden- en veediefstal 21. Zamenzwering 17. Smokkelarij 1. Desertie 126. Verkrachting 14. Verkrachting met bloedschande 4. Verkrachting met diefstal 6. Vergiftiging 2. Vervalsching van paspoorten 13. Frauduleuse distillatie 1. Landlooperij 35. Valsche munt. 1. Moord, met verwonding en diefstal 314. Diefstal 390. Diefstal met geweld 120. Diefstal van tabak 6. Roof door meer dan één persoon (Dacoits) 36. Verwonding in twisten 44. Verwonding (die den dood veroorzaakte) 7. Brandstichting 4. Brandstichting met diefstal 16. Bloedschande 6. Muiterij 7. In gebreke blijven van het voldoen van boeten 3. Valsche naam 1. Vader- of moedermoord 2. Weêrstand tegen de militaire magt 18. Ontvlugting uit de gevangenis 5. ----- Totaal 1,238.
In de stad Manilla had slechts één geval van moord plaats in vijf jaren. De evenredigheid van de zware misdrijven in de verschillende provinciën is ongeveer dezelfde, behalve op het eiland Negros, waar van 44 misdadigers 28 van moord waren beschuldigd.
HOOFDSTUK X.
LEGER- EN ZEEMAGT.
Het leger op de Philippijnen bestaat, met uitzondering van twee brigades artillerie en een korps ingenieurs, die door Spanje geleverd worden, geheel uit Indianen en bevindt zich in goeden toestand. De officieren zijn allen Europeanen.
Er zijn 7 regementen inlandsche infanterie en 1 regement cavalerie, de Luzon lansiers genaamd, terwijl er een reserve-corps van officieren bestaat dat men Cuadro de Remplazos noemt en waar uit personen worden gekozen om vacante plaatsen aan te vullen.
Een klein korps Alabarderos de servicio bevindt zich op het paleis en in de speciale dienst van den kapitein-generaal. Zij bestaan reeds sedert 1590 en hunne hellebaarden en kleeding verhoogen het schilderachtige karakter van het paleis en van de receptiën die daar plaats hebben.
Men heeft ook vier kompagniën, die de stedelijke militie van Manilla genoemd worden, uit Spanjaarden bestaan en voor speciale diensten of in geval van onvoorziene omstandigheden door den Gouverneur kunnen worden opgeroepen.
Een raad van geneeskundigen houdt eene algemeene inspectie over de troepen. De voornaamste betrekkingen worden daarbij door Europesche Spanjaarden bekleed. De hospitalen, waarin de militaire invaliden worden opgenomen, staan onder toezigt van den geneeskundigen raad, zoover de behandeling dier invaliden betreft. De raad benoemt een officier voor elk der regementen, die een Ayudante wordt genoemd.
Eenigen tijd geleden werd een aanzienlijk aantal inlandsche troepen uit Manilla naar Cochin-China gezonden, ten einde de Fransche militaire en zee-magt in dat land te ondersteunen. Men zegt dat zij zich zeer goed gedragen hebben in eene dienst, die niet veel aantrekkelijks had en waarbij zij aan vele wederwaardigheden waren blootgesteld ten gevolge van het klimaat en de vijandelijke houding der inlanders. Welk doel de Spanjaarden hadden om een zoo werkdadig aandeel te nemen in deze expeditie naar Touron, is tot nog toe onverklaarbaar. Zij bezitten toch rijk en overvloedig land en havens in Oostersche streken; Cochin-China biedt bovendien niet veel aanlokkelijks aan om daarvoor zoo te ijveren, terwijl de Philippijnen zelve in zulk een toestand niet verkeeren dat men de bevolking op verre, onveilige, gevaarlijke en kostbare avonturen moet uitzenden. De nationale trots kan toch niet gestreeld worden door de verovering in Annam en de moord op een spaanschen bisschop moge als geboet beschouwd worden door de vernieling der forten en de verspreiding van het volk; zij wordt verkregen ten koste van het leven van honderde Christenen en aanzienlijke schatten. Frankrijk stelt zich het doel voor--dat het openhartig genoeg heeft blootgelegd--om eene haven, eene bezitting in eigendom te verkrijgen in of bij de Chinesche zeeën. Ik geloof niet dat zulk een streven wantrouwen of jalouzy van onze zijde behoeft op te wekken. Het is hier de vraag of de zaak de kosten waardig is? Waarschijnlijk niet, want Frankrijk heeft bijna geen handelsbelang in China of de naburige landen. Ook kan zijn koloniaal systeem, dat door bescherming en prohibitie steeds in wezen werd gehouden, zulke betrekkingen niet erlangen. In het verre Oosten kan dit land niet met succes concurreren tegen Groot-Brittannië, de Vereenigde Staten, Nederland of Spanje, welke alle betere geographische punten en een invloed hebben, die voor Frankrijk niet genaakbaar is. In onze dagen van handels-concurrentie bestaat er slechts eene voorwaarde, en dat is eene conditio sine qua non: lage prijs en een goedkoop vervoer. Frankrijk biedt den vreemden consument geen van beide aan in alle groote artikelen: het wil hooge prijzen hebben voor zijne producenten.
De marine staat onder bevel van den kommandant van het eskader. Zij bestaat uit vier stoomschepen en een oorlogsbrik, zes kanonneerbooten en een groot aantal faluas (feluccas), die voor de kustdienst en tot afwering der zeeroof gebruikt worden.
HOOFDSTUK XI.
OPENBAAR ONDERWIJS.
Het openbaar onderwijs verkeert op de Philippijnen in een onvoldoenden toestand. De instellingen zijn in dit opzigt weinig verschillend van die der middeneeuwen.
Op de hoogeschool van St. Thomas bevinden zich omstreeks duizend studenten. Men heeft er faculteiten van theologie, het kanoniek en burgerlijk regt, metaphysica en taalkunde; de natuurkundige wetenschappen en de nieuwere talen worden er echter veronachtzaamd en geene der verbeteringen in het onderwijs, die op de meeste instituten van Europa en Amerika zijn ingevoerd, hebben tot nog toe in de Philippijnen een weg gevonden. Op de colegios en scholen maken de voornaamste takken van onderwijs uit hetgeen men philosophie, welsprekendheid en Latijn noemt. De drukst bezochte instellingen, die men hier vindt, zijn twee of drie eeuwen geleden gesticht en nog wordt er dezelfde wijze van onderrigt gevolgd, die bij de oprigting was ingevoerd. Men vindt overigens verscheidene collegiën en kloosters voor vrouwen. Dat van Santa Potenciana werd krachtens een koninklijk decreet, dd. 1589 gesticht, waarbij bepaald was dat daarop meisjes (doncellas) zouden worden opgenomen en er in het «zedige leven» (honestamente) en in de heilige leerstellingen zouden worden opgevoed, om tot «een huwelijk te geraken en het menschelijk geslacht voort te planten» (hagan propagacion). Men heeft voorts eene school voor de zeevaart, waarvan mij veel goeds berigt werd en eene schilderschool, die echter tot nog toe geen Murillo of Velasquez heeft gevormd. De beste inlandsche kunstwerken, die ik er zag, waren twee hoofden van de Heilige Maagd en van St. Francisco, die door een Indiaan in ivoor zijn gesneden en het klooster van Lucban, in de provincie Tajabas, versieren. De goede monniken zien in die schilderstukken veel wonderbaarlijks en verzekerden mij, dat, ofschoon hevige regens de processiën waarin deze beelden gedragen werden, waren voorafgegaan en gevolgd, een heldere en schoone zonneschijn hen op hunnen weg had vergezeld.
Onder de eigenaardigheden, die Manilla oplevert, vooral op de morgens van godsdienstige fiestas, behooren groepen gesluijerde vrouwen, die eene donkere geheimzinnige kleeding dragen en de verschillende kerken bezoeken. Zij dragen een zwart wollen of zijden jakje, waarover eene groote glanzende mantille of sluijer van eene donker paarsche kleur; anderen dragen den ouden Andalusischen zwarten mantel. Er zijn zustergenootschappen, die de Colegialas de los Beaterios genoemd worden; dit zijn godsdienstige instellingen, waar jonge vrouwen hare opvoeding genieten; sommigen bestaan door «heilige stichtingen»; anderen door vrijwillige bijdragen. De regels in deze kloosters verschillen; sommige nonnen verlaten toch nooit de gebouwen, terwijl andere de kerken onder geleide van eene «moeder» bezoeken; in enkele is het aan de colegiale vergund hare familie op zekere tijden bij zich te ontvangen en aan de wereldsche genoegens deel te nemen, hetzij te huis of buiten de stad. Zij betalen voor hare opvoeding eene som, die van twee tot acht dollars per maand verschilt naar gelang van de regelen der verschillende beaterios, wier kleeding ook in sommige opzigten verscheiden is, zooals bijv. de kleur van de voering der kleederen. Men zegt dat er bijna geene respectabele familie in Manilla is, waarvan zich niet ten minste eene dochter op een beaterio bevindt. In die van Santa Rosa betaalt ieder vijf dollars per maand. De meisjes staan daar 's morgens ten 5 ure op, om de trisagio (heilig, heilig, heilig!) te zingen, de mis te hooren en zich voor het eerste gedeelte van den rozenkrans tot 6 ure voor te bereiden; daarop wasschen en kleeden zij zich. Ten half zeven ure ontbijt men, van zeven tot tien ure wordt er gestudeerd. Ten half twaalf ure gebruikt men het middagmaal in de eetzaal, daarna rust men en heeft de siesta plaats tot half drie ure. Vervolgens bereidt men zich in de kapel voor het tweede gedeelte van den rozenkrans voor. Van half vier tot half zes ure wordt er weder onderwijs gegeven; bij de «oratie» keert men in de kapel terug, draagt het derde gedeelte van den rozenkrans voor en leest of overdenkt dan een half uur. Ten acht ure wordt het avondmaal aangerigt; tot 9 ure vermaakt men zich verder in het klooster of in den tuin, daarop wordt er nogmaals gebeden en ieder begeeft zich naar hare cel terug. In de beaterio van St. Sebastiaan van Calumpang staan de kloosterlingen ten vier ure op; er worden vijf dollars per maand betaald, doch overigens wordt ook daar den door ons beschreven leefregel gevolgd. In de beaterio van Santa Catalina de Sena mag men het klooster niet verlaten. Men betaalt daar acht dollars en deze instelling is als de beste bekend, waar ook het meeste voedsel wordt gegeven. De beaterio van de Jezuïten telt omstreeks 900 kloosterlingen, maar in de vasten wordt dit getal nog veel grooter; dan toch komt eene menigte nieuwelingen om daar hunne geestelijke opvoeding te krijgen. Men betaalt daar slechts 2 dollars per maand, maar in het klooster moet veel genaaid en gewasschen worden om in zijne behoefte te voorzien. Na de verdrijving der Jezuïten, werd het toezigt over deze beaterio aan den vicaris-generaal van het aartsbisdom opgedragen.
De beaterio van Pasig is uitsluitend bestemd voor de opname van Indiaansche weezen en de stichter verlangde dat zij zouden worden onderwezen in de «Christelijke leerstellingen, naaijen, lezen, schrijven, borduren en andere vakken voor vrouwen.»
Men vindt vele liefdadige instellingen in Manilla. De Jezuïten, die later door Karel II van de Philippijnen verdreven werden, stichtten verscheidene der meest belangrijke. Het gesticht van San Juan de Dios telt 112 bedden; dat van San José de Cavite 250, waarvan 104 voor soldaten en de overige voor armen en misdadigers. Er bestaat voorts eene administracion de Obras Pias, onder leiding van den aartsbisschop, den regent en sommige van de hoogste civile beambten; het heeft ten doel geld te leenen aan de Indianen ter waarde van twee derden van hunne eigendommen aan landerijen, de helft van de waarde aan goud, zilver en juweelen en schepen te verzekeren die in den kusthandel worden gebezigd. Een caja de comunidad eischt jaarlijks eene halve reaal (3 1/4 stuiver) van de Chinezen en Indianen, ter betaling van «schoolmeesters, vaccinateurs, verdedigers van misdadigers, zangers en kerkbewaarders.» Het fonds wordt door den finantieraad bestuurd.
De geschiedenis van het gesticht van den H. Lazarus, onder leiding van de Franciscaner monniken, is niet onbelangrijk. Het werd in 1578 ten gebruike van de inlanders gebouwd, werd vergroot en twee malen door het vuur vernield. In het jaar 1632 werden er 150 Christen-Leprozen, die uit Japan verdreven waren, opgenomen en van toen af kreeg het zijne tegenwoordige benaming. In 1662 werd het door den kapitein-generaal omvergehaald, toen de Chinesche zeeroovers de hoofdstad bedreigden en tot eene barricade ter verdediging van de plaats ingerigt. De verpleegden werden overgeplaatst en een nieuw gesticht gebouwd, dat in 1783 op nieuw werd vernield, omdat het de Engelschen was dienstig geweest in hunnen inval in 1762; een paar jaren later echter werd het tegenwoordige gebouw op een' grond opgerigt, die aan de Jezuïten had behoord, vóór dat zij van de Philippijnen verdreven werden.
HOOFDSTUK XII.
GEESTELIJKE MAGT.
Men heeft op de Philippijnen een aartsbisschoppelijke en drie bisschoppelijke zetels. Het aartsbisdom van Manilla werd in 1595 door Clement VII gesticht en door Philippus II met een jaarlijksch inkomen van 500,000 maravedis (f 2,400) begiftigd. Het bisdom van Nieuw-Segovia werd omstreeks denzelfden tijd gesticht en met eene gelijke som begiftigd. In 1859 was die zetel vacant. Het bisdom van Cebu werd in 1567, kort na de verovering van het eiland door de Spanjaarden, gesticht. Ook Nueva Caceres heeft een bisdom. De keuze van candidaten voor deze geestelijke eere-ambten is meestal overgelaten aan de godsdienstige broederschap, die het talrijkst is in het district waar eene plaats openvalt, terwijl de candidaat, wanneer hij door den Spaanschen souverein is goedgekeurd, door den Paus wordt bevestigd. Somtijds hebben wel benoemingen plaats gehad van een bisschop, die het moederland niet wenschte te verlaten, hetgeen, naar men mij zeide, tot het besluit geleid heeft geen bisschop meer te installeren dan nadat hij zijn zetel zal hebben bezet. De geestelijke magt is voornamelijk in handen van de monniken of de eigenlijke geestelijkheid. Men vindt betrekkelijk weinig wereldlijke priesters op de eilanden. De Dominikaner en Augustijner monniken hebben uitgestrekte bezittingen, vooral in de midden- en zuidelijke provinciën; de Franciscanen bevinden zich in het grootst getal in de noordelijke gewesten. Ik moet hier de meest mogelijke hulde en het loffelijkste getuigenis brengen aan de gastvrijheid en de bereidwilligheid der monniken gedurende mijne geheele reis. Overal werden de kloosters voor ons met de meeste vriendschappelijkheid geopend en ik schrijf het grootste gedeelte van het huldebewijs der Indianen toe aan de gulle ontvangst, die wij overal van wege de Spaansche geestelijken genoten. De Dominikaner monniken zijn belast met de zendingen te Fokien, in China en te Tonquin.
De geschiedenis der geestelijkheid op de Philippijnen kenmerkt zich door bittere en somtijds bloedige geschillen van de kerk met de burgerlijke magt en door twisten van de geestelijke autoriteiten onder elkander. In het jaar 1710 verklaarden de Dominikanen zich onafhankelijk van de verpligting om het kerspel te bezoeken. In een' hunner resolutiën wordt gezegd: «In de provinciën houdt men het voor eene zekerheid dat zulke bezoeken tot den ondergang der geestelijkheid zouden leiden en in deze meening werd reeds voor jaren gedeeld door vrome en ijverige geestelijken en hoogere prelaten, die in het gewest verblijf hielden.» In 1757 werden de Augustijner monniken (calzados) bedreigd met de verbeurdverklaring van hun eigendom, zoo zij de hoogere magt en de toelating van regtstreeks benoemde parochiale geestelijken miskenden, maar hun besluit was, dat zulk eene onderwerping «de ondergang van hunne instelling en het zedelijke verderf hunner zielen zou zijn.» In 1767 vaardigde Benedictus XIV een bul uit, waarbij op de erkenning van het koninklijk gezag werd aangedrongen, maar de Augustijnen bleven volharden. In 1775 werd bij koninklijk besluit te Madrid bepaald dat alle eigenlijke geestelijken zich moeten onderwerpen aan hun provinciaal in vraagstukken de vita et moribus; aan den bisschop in alle zaken van geestelijke administratie en aan den kapitein-generaal als onderkoning. Of de geestelijke tucht beter bewaard wordt door de tusschenkomst van de hoogere autoriteiten dan wel door de onafhankelijke werking onder elkander van de verschillende geestelijke orden, is eene vraag, waarover reeds veel gesproken is, maar het is een feit dat de monnik een ontzaggelijken en weinig beperkten invloed heeft op de plaats van zijn ambt en dat, waar misbruiken bestaan, het zeer moeijelijk valt die na te gaan en het nog moeijelijker is straf toe te passen, waar het kwaad blijkt bedreven te zijn.
Het kan niet ontkend worden dat, zooals Thomas de Comijn zich uitdrukt, «de zendelingen de eigenlijke veroveraars der Philippijnen waren; zij strekten intusschen niet den arm als krijgslieden uit, maar zij gaven wetten aan millioenen en, hoe verspreid ook, oefenden zij door eenheid van doel en van werkkring voortdurend gezag uit over talrijke menschenmassa's.» Tot op den huidigen dag nog vindt men weinige kerspelen, waarin de gobernadorcillo, nadat hij een mandaat heeft bekomen van de burgerlijke magt, in gebreke blijft den monnik te raadplegen, terwijl de werkzaamheid van den Indiaanschen functionaris in het uitvoeren van den hem opgedragen last veel afhangt van de meening des geestelijken over het gegeven mandaat.
Godsdienstige processiën zijn de trots en de hartstogt der Filipinos en bij groote feesten verzamelen zij tallooze massa's als vertooners en toeschouwers. De schitterendste dezer optogten zijn die, welke na zonsondergang plaats hebben, als wanneer eenige duizende personen brandende kaarsen dragen; de processie is dan soms eene mijl lang en bestaat uit alle militaire en civiele autoriteiten en de geestelijke ambtenaren, die met elkander wedijveren in de vertooning van hunnen ijver en ootmoed. Bij die gelegenheden maken prachtig gekleede beelden van de verschillende voorwerpen van vereering een belangrijk deel der plegtigheid uit. Men verzekerde mij, dat de waarde der juweelen, die het beeld van Nuestra Senora de la Imaculada Concepcion op haren feestdag droeg, meer dan 25,000 dollars beliep. Een aantal muziekcorpsen vergezellen den optogt. Een der aardigste gedeelten daarvan is het aantal kleine meisjes, allernetst in het wit gekleed, die achter sommige beelden der heiligen of de palio van den aartsbisschop gaan. Eene dezer processiën trok gedurende 40 minuten voort en was van eene onmetelijke lengte, terwijl langs den geheelen weg aan beide zijden dragers van waskaarsen gingen. De geestelijke orden schijnen een wedstrijd te voeren, wie van hen den meesten indruk en ontzag zal te weeg brengen. De beelden zijn in levensgrootte en in prachtige kleederen gestoken, die met versierselen als opgevuld zijn. Zij worden op de schouders van hunne vereerders gedragen, aldus een plate-form uitmakende, waarop zij aan de menigte worden tentoongesteld [13].
Deze godsdienstige plegtigheden, die zoo dierbaar voor en zoo karakteristiek aan de Filipinos zijn, worden Pentacasi genoemd. Iedereen schijnt daaraan deel te nemen, hetzij binnen of buiten 's huis. Allen noodigen uit of worden uitgenoodigd en men is druk bezig met het bereiden van maaltijden of het versieren van kamers (met meubelen, die van alle kanten geleend worden; iets dat later op wederdienst aanspraak maakt); voorts met het bijeenzamelen van muzikanten; het opzoeken van vreemdelingen, terwijl bij dat alles de plaats vol leven en bedrijvigheid is.