Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden
Part 13
Ligchaamsbouw, Schoon, middelm. Hetzelfde. Schoon en klein. teeder. Huid. Koperkleur, Ligte, eenigzins Donker fijn. geel. koperkleur. Ligchaam. Slank, Zwaar. Slank en vlug. welgevormd, sterk. Haar. Zwart, dik en Minder zwaar. Zwart en ruw. krullend, doch minder dan de Afrikan. Hoofd. Middelmatig of Over het algemeen Klein en rond. klein, rond en groot. van achteren plat. Voorhoofd. Open, soms smal. Open. Smal. Oogen. Zwarte, Minder Groote, schitterende. gelijkvormig. doordringende, schitterende. Wenkbrauwen. Dik en gewelfd. Minder bogtig. Oogleden. Lang. . . . . . . . . . Zeer lang. Neus. Middelm., Dikker. Middelmatig, meestal plat. eenigzins plat. Mond. Groot, soms Grooter. Middelmatig. middelmatig. Lippen. Middelmatig. Dikker. Middelmatig, ronder. Tanden. Blank, Sterk en groot. Lang en zeer regelmatig, sterk. sterk. Boven kakebeen. Gewone grootte. Hoog, Gewoon. vooruitspringend. Onder kakebeen. Gewoon en sterk. Sterk, open. Welgevormd. Borst. Breed, bij de Sterk doch kort. Hetzelfde. vrouw hard en sterk. Gang. Sierlijk, Sierlijk. Vlug en los. elegant. Voeten. Klein. Klein. Klein en welgevormd. Vleesch. Hard. Hard. Hard. Dijen. Klein. Klein. Klein. Ligchaamshaar. Weinig. Geen. Weinig. Baard. Geen. Klein. Klein. Schaamdeelen. Klein. Klein. Klein.
De Indianen van Altaban hebben een' afgod, dien zij Cubiga noemen en wiens vrouw Bujas heet. De Gaddans geven de benaming van Amanolay, (schepper van den mensch) aan het voorwerp hunner vereering, wiens godin Dalingay is. Er bestaan geene tempels, evenmin als eene openbare eeredienst, maar in tijden van nood worden de hoogere geesten meestal aangeroepen door de priesteres of toovenares, die het afgod besprengt met het bloed van een buffel, vogel of varken en plengoffers brengt, terwijl de Indianen hunne handen opheffen onder den uitroep: «Siggam Cabunian! Siggam Bulamaiag! Siggam aggen!» (O God! O schoone maan! O ster!) Daarop doopt men een borstel in palmwijn en besprengt de omstanders daarmede. (Dit laatste is waarschijnlijk eene navolging van de besprenking met wijwater bij de Roomsch-Katholieken). De plegtigheid eindigt met een algemeen gezang.
De Priesters geven vele voorbeelden van hetgeen zij de onwetendheid en domheid der Indianen noemen, maar deze bepalen zich meestal tot de miskenning van de geheimen der schepping, de wording en de toekomst van den mensch, de godsdienstige verpligtingen en de leerstellingen van het Katholieke geloof. Het is te betwijfelen of de bloote herhaling door gewoonte van sommige formulieren meerdere blijken van Christelijken vooruitgang zou opleveren dan de openlijk erkende onwetendheid van deze heidensche stammen.
Als een Indiaan door iemand uit een naburigen stam wordt vermoord en de beleediging niet door eene som gelds wordt afgekocht, is men van de zijde van den beleedigde verpligt wraak te nemen door een uit den stam, waaronder de misdaad is gepleegd, te dooden.
Het volksvermaak is de dans; daarbij vormt men een kring, strekt de handen uit en gebruikt de voeten beurtelings terwijl men op den eenen loopt en den anderen achterhoudt; zoo draaijen zij rond onder luid geschreeuw, gevoegd bij het geroffel van ronde trommels, waarop met beide handen wordt geslagen.
De schedels van dieren worden dikwijls gebruikt om de huizen der Indianen op te sieren. Galvey zegt dat hij in ééne woning, te Capangar, niet minder dan 405 koppen van buffels en ossen en meer dan duizend varkens heeft gezien, die een onverdragelijken stank verspreidden.
De bast van den Uplay wordt gebruikt bij tusschenpoozende koortsen en men is zeer goed met de geneeskundige eigenschappen van sommige kruiden bekend. Heet ijzer wordt gebruikt om sommige ligchaamspijnen te verdrijven, zoodat het vleesch dan wordt ingebrand; maar in de meeste gevallen neemt men zijne toevlugt tot bijgeloof en toovenarij en offert vogels en dieren, die onder de ziekenoppassers worden verdeeld.
Pater Mozo zegt van de Italons (Luzon) gezien te hebben dat zij, na een vijand te hebben vermoord, zijn bloed dronken en zijne longen, het achterhoofd, de ingewanden en andere gedeelten van het ligchaam uitsneden en raauw opaten, waarbij zij zeiden dat het hun moed en kracht in den oorlog gaf. De schedels worden in de huizen bewaard om bij plegtige gelegenheden te worden ten toon gesteld. Deze gewoonte is zeker van Borneoschen oorsprong, want pater Quarteron, de apostolische vicaris van dit eiland, verhaalde mij, dat hij eens een groot aantal wilden had overvallen die de menschelijke schedels, waarmede hunne huizen gewoonlijk zijn versierd, ronddroegen en dit deden «om hunne vijanden een luchtje te doen scheppen.» Nadat hij nog vele der barbaarsche gewoonten van de eilanden heeft opgenoemd, roept de goede monnik Mozo uit: «Verbeeld u nu eens hoeveel moeite en zorg het kost om zulke barbaren uit de magt van den duivel te krijgen!» Zij brengen even vele offers als zij vingers geopend vinden aan de hand van een doode. Is die gesloten, dan wordt er niets geofferd. Zij lijden veel aan huidziekten. De Busaos beschilderen hunne wapens met bloemen en om sieraden te dragen, doorboren zij hunne ooren, die zij somtijds tot hunne schouders uitrekken. De Ifugaos dragen aan een halsketting stukken riet die het aantal door hen gedoode vijanden aanwijzen. Galvey zegt er 23 te hebben geteld die een man droeg, welke in eene schermutseling met Spaansche troepen sneuvelde. Deze stam valt dikwijls reizigers in de bergen aan, met het doel om hunne schedels te verkrijgen. De zendelingen stellen hen als de hevigste vijanden der Christenen voor. Sommige monniken spreken van vreeselijke bekentenissen die vrouwen der Igorottos na hunne bekeering tot het Christendom moeten gedaan hebben, omtrent hare gemeenschap met apen in de bosschen, en pater Lorenzo weidt in breede trekken over dit onderwerp uit; hij verklaart dat een schepsel eens bij hem ter doop werd gebragt dat «hem met afgrijzen vervulde.» De Mas verhaalt dat een kind met lange armen en zacht haar, dat veel op een aap geleek, door zijne moeder te Vijan werd ten toon gesteld en aalmoezen leerde vragen.
De Mas beveelt het Spaansche Gouvernement aan het koopbare gedeelte van de Mohammedaansche en heidensche stammen te koopen, hen te bekeeren en tot den landbouw te gebruiken. Hij geeft statistieke opgaven om aan te toonen dat er eene opeenstapeling van 120 pCt. zou plaats hebben, terwijl hunne verwijdering de Indianen zoude ophitsen, die elkander zouden dooden en zoo de eilanden van hunne tegenwoordigheid verlossen.
Dit zou eene nieuwe bladzijde in de geschiedenis van den slavenhandel zijn. Hij berekent dat er zich meer dan een millioen heidenen en Mohammedanen op de eilanden bevinden. Galvey's «Dagboek van eene expeditie naar Benguet, in Januarij 1829» en van eene andere naar Bacun in December 1831, zijn verhalen van ondervonden avonturen, waarvan vele van gevaarlijken aard waren en waarbij velen hun leven verloren en een tal woningen vernield werden. Zij zijn belangwekkend in zooverre dat zij doen zien hoe moeijelijk het is deze bergrassen tot onderwerping te brengen. Galvey stond aan het hoofd van nog verscheidene andere expeditiën en stierf in 1839.
Er zijn weinig feiten van meer belang, in verband met de veranderingen die in de Oostersche wereld plaats vinden, dan de Chinesche overbevolking in bijna iedere streek ten oosten van Bengalen; en in Calcutta zelf bevindt zich een aanzienlijk aantal Chinezen, meestal schoenmakers, waarvan vele groote rijkdommen hebben verworven; zij zijn te zamen in den sterken nationalen band aan elkander verbonden, die hun overal vergezelt en die niet verbroken, zelfs naauwelijks geïnfluenceerd wordt door de hun omgevende omstandigheden. Op de Philippijnsche eilanden hebben zij bijna een monopolie in den kleinhandel verkregen en de vadsige gewoonten der inlanders kunnen bij lange niet concurreren met deze nijvere, matige en volhardende indringers. Zij worden door de inlanders zeer gehaat, doch daar hun over het algemeen vreedzaam gedrag en gehoorzaamheid aan de wetten hunne vijanden geen voet geven, nemen zij jaarlijks in aantal, rijkdom en belangrijkheid toe. Intusschen zijn zij slechts trekvogels, die weder huiswaarts keeren om door andere van hunnen stam te worden vervangen. Zij brengen nooit hunne vrouwen mede, maar nemen zelve vrouwen of huishoudsters onder de inlanders. Een wettig huwelijk vereischt echter de belijdenis der Christelijke godsdienst en velen hunner bekommeren er zich dan ook weinig over om tot de kerk van Rome over te gaan. Zij mogen geene tempels oprigten om Buddhistische leerstellingen te verkondigen, maar hebben afzonderlijke kerkhoven. Zij betalen eene bepaalde belasting, die berekend wordt naar den staat, dien zij voeren, als kooplieden, handelaars , winkeliers, handwerkers, bedienden enz. Geheele straten in Manilla worden door hen bewoond en overal waar wij hen aantroffen, vonden wij in hen de meest werkzame en voorspoedigste onder de arbeidende klassen. Duizenden en duizenden Chinezen komen op de eilanden aan en verspreiden zich daar, zonder dat eene enkele Chinesche vrouw hen uit hun vaderland vergezelt.
In het jaar 1857 landden alleen in de haven van Manilla 4,232 Chinezen aan, terwijl 2,592 die verlieten om naar China terug te keeren.
Geen beter bewijs van den buitengewonen onwil der Chinesche vrouwen om te emigreren, kan men vinden dan in de statistiek van de hoofdstad der Philippijnen. In 1855 bevonden zich in de vesting Manilla 525 Chinesche mannen, doch slechts 2 vrouwen en 5 kinderen. In Binondo waren 5,055 Chinesche mannen en slechts 8 meisjes. Wanneer men nu in aanmerking neemt dat men, bij een gunstigen mousson, niet meer dan drie of vier dagen behoeft om van China naar de Philippijnen te komen, dat er een aantal rijke Chinezen op het eiland gevestigd zijn en dat de begeerte naar kinderen en om hun stam voort te planten onder het Chinesche volk algemeen is, kan men ligt begrijpen welk een weêrzin er bij de vrouwen tegen de emigratie bestaat.
Dit is dan ook eene ontegenzeggelijke waarheid en het feit blijkt een groote hinderpaal te zijn tegen de gunstige emigratie van koelies. Men heeft geene vrouw noch voor de Britsche, noch voor de Spaansche koloniën kunnen verkrijgen, ofschoon de uitvoer van koelies meer dan 60,000 had bedragen, en uitgezonderd door kinderroof en directen afkoop van koppelaarsters of bordeelhoudsters, kan men er geene vrouw toe krijgen om te emigreren. Deze zekerheid moet wel in aanmerking genomen worden door de voorstanders van de kolonisatie met Chinesche landbouwers in de Britsche koloniën. In den loop van tijd zal Hong-kong welligt eenige vrijwillige vrouwelijke emigranten opleveren en de jongste uitgevaardigde emigratiewet door de autoriteiten van Canton zal daartoe veel bijdragen.
Gedurende vijf jaren (van 1850-55) werden slechts 14 Chinezen in al de provinciën wegens ernstige misdaden veroordeeld, dat is gemiddeld nog geen drie per jaar; gevallen van moord, diefstal met geweld of aanvallen op de eerbaarheid kwamen niet voor. Er hadden negen gevallen plaats van eenvoudige diefstal, twee van diefstal van vee, een van vervalsching, een van namaak van muntspeciën en een van brandstichting. Deze feiten geven een goed denkbeeld van de zedelijkheid der Chinesche kolonisten. Misdrijven van geringen aard worden, even als bij de Chinezen, door hunne eigen plaatselijke principalia gestraft.
Het meerendeel der schoenmakers op de Philippijnen zijn Chinezen. Van 784 in de hoofdstad zijn 633 Chinezen en 151 inlanders. Vele zijn ook timmerlieden, grofsmeden, waterdragers, koks en daglooners, maar een kleine winkelhandel is het geliefkoosde bedrijf. Onder de laatste echter behooren vele welgegoede handelaars en kooplieden, die voor hunne rekening een grooten in- en uitvoerhandel drijven en op al de eilanden bijna hunne agenten hebben. Waar zal de Chinees niet doordringen; aan hoevele gevaren zal hij zich niet blootstellen; hoeveel lijden zal hij niet ondergaan; welke ondernemingen zal hij niet doen; hoeveel volharding zal hij niet ten toon spreiden--als hij slechts geld kan verdienen? En inderdaad, dit is zijne verdienste als kolonist, hij is spaarzaam, geduldig, volhardend, geslepen; onderworpen aan de wetten, eerbiedig voor de autoriteiten, terwijl hij zich slechts van verdriet onthoudt en dollar op dollar stapelt; is de hoop groot genoeg om aan zijne behoefte of zijn streven te voldoen, dan keert hij terug om door anderen opgevolgd te worden, die dezelfde eigenschappen bezitten en bij hunnen terugkeer met hetzelfde succes beloond worden.
De eerste aanmoediging die den Chinezen werd gegeven om zich op de Philippijnen te vestigen, was als landbouwers; een ander bedrijf mogten zij niet uitoefenen. Ook de Japanezen werden uitgenoodigd, doch men vindt van deze naauwelijks nog eenige op de eilanden. De naam der Chinezen als landbouwers heeft waarschijnlijk de aandacht der autoriteiten van Manilla op hen gevestigd, maar geen enkele Chinees blijft een beroep uitoefenen, wanneer hij een ander voordeeliger kan vinden. Bovendien waren zij onder de landelijke bevolking niet gezien en bij hun spaarzaam karakter meer geneigd zich tot groepen en hwey (gezelschappen) te verbinden, dan zich onder de herders- en landelijke stammen te verspreiden, die hen als mededingers benijdden en als heidenen haatten. Zij hebben zich eene positie in de steden gemaakt en zijn nu te groot in getal en te vermogend om miskend of werkelijk verdrukt te worden. De meesten zijn uit de provincie Fokien en schepen zich te Amoy in. Ik vond geen enkelen onder hen die de eigenlijke Chinesche taal sprak, ofschoon velen Chineesch schrift lezen.
Wanneer een Chinees de eed wordt afgenomen, snijdt de getuige den kop af van een witten haan en zegt men hem, dat zoo hij de waarheid niet zegt, het bloed van zijne familie even als dat van den haan zal worden vergoten en hem een ongeluk zal overkomen. Mijne langdurige ondervinding van de Chinezen noopt mij te zeggen dat geen eed--behalve bij vrees voor straf--eenige de minste zekerheid tegen de verbreking daarvan aanbiedt. In onze hoven in China werden verscheidene vormen op verschillende tijden aangenomen, als het onthoofden van een haan; het breken van een stuk vaatwerk; het doen van vervloekingen door den getuige op zich zelven en de wensch dat al zijn geluk mogt verdwijnen als hij loog; het verbranden van een stuk papier, waarop een soort van eed stond geschreven en de verbindtenis om in de hel even als dit papier op de aarde verbrand te worden als hij de waarheid niet zeide;--deze en andere ceremoniën hebben niets gebaat om de zekerheid te erlangen voor de waarheid. Terwijl ik Gouverneur van Hong-kong was, werd een besluit uitgevaardigd, waarbij het afnemen van den eed aan Chinezen werd afgeschaft en hun eene zware straf als meineedigen werd opgelegd, als zij eene valsche getuigenis gaven. Deze maatregel heeft het bekennen der waarheid veel versterkt en aangemoedigd en bedrog of logen belet. Ik vroeg eens een invloedrijk persoon in Canton welke ceremoniën zij onder hen zelven gebruikten als zij zekerheid voor eene waarachtige getuigenis wilden hebben. Hij zeide mij dat er een tempel was waarin een afgelegde eed veel meer verbindend was, dan op eene andere plaats, maar hij erkende dat hunne geregtshoven geene zekerheid voor waarheid hadden. Er bestaat een chineesch spreekwoord: «Puh tah, pu chaou», dat wil zeggen: «zonder slagen, geen waarheid», en getuigen in geregtelijke zaken worden dan ook dikwijls gekastijd. De Chinezen eerbiedigen heilig hunne geschreven en over het algemeen hunne ceremoniële verbindtenissen. Zij zijn door alles heen, als zij die onteeren. Maar logen wordt niet veracht, vooral wanneer die verholen en ongestraft blijft en het Gouvernement verstaat het best de kunst om te liegen. In sommige hunner boeken wordt zelfs logen om barbaren te bedriegen, aangemoedigd en aanbevolen.
HOOFDSTUK IX.
REGTERLIJKE INRIGTING.
Het hoogste geregtshof in de Philippijnen is de Audiencia te Manilla gevestigd, die het hof van appel is voor de ondergeschikte regtspraak en de Raad van den Gouverneur-Generaal in gewigtige zaken.
Het Hof bestaat uit zeven oidores of regters. De President draagt den titel van Regent. Er zijn twee lands-advokaten, een voor straf, de ander voor burgerlijke zaken benevens vele en verschillende ambtenaren. Men heeft niet minder dan 80 advokaten, die voor regtspraktijk bij de audiencia zijn ingeschreven.
Een Tribunal de Comercio, dat door een regter gepresideerd wordt die de autoriteiten benoemen en waarin heeren zitting hebben, die den titel van Consules dragen en uit de voornaamste handelshuizen in de hoofdstad gekozen worden. Bij de audiencia bestaat het regt van appel, maar daarvan wordt naauwelijks gebruik gemaakt.
Er bestaat eene censuur, de Comercia permanente de censura. Zij bestaat uit vier geestelijken en vier ambtenaren, wordt gepresideerd door den burgerlijken fiscaal en hare magt strekt zich over alle werken uit, die in de eilanden worden ingevoerd of gedrukt.
Er bestaat eene magt van advokaten (abogados) in Manilla. Voor zoover mijne ondervinding reikt, zijn regtsgeleerden de plaag van koloniën. Ik herinner mij dat een der meest intelligente chinesche kooplieden, die zich te Singapore had gevestigd, na vroeger langen tijd in Hong-kong te hebben verblijf gehouden, mij zeide dat al de nadeelen die Singapore opleverde door het gemis van «de praktijk» werden vergoed, en dat al de voordeelen van Hong-kong meer dan overwogen werden door de tegenwoordigheid van die heeren, welke zich bezig hielden om processen en twisten aan te stoken, en daarvoor betaald werden. Velen hunner maken fortuin en vaak ten koste van eene degelijke regtspleging. Een schrander opmerker zegt, dat in de Philippijnen de waarheid wordt verdreven door het tal documenten. De deuren, die tot bescherming der onschuld worden opengesteld, herschept men in middelen tot regtsverdraaijing en de debatten worden gevoerd zonder op het decorum te letten, waardoor deze bij de Europesche geregtshoven beheerscht worden. Scherpe uitdrukkingen, beschuldigingen, personaliteiten en lasterlijke aantijgingen worden geduld en staan onder bescherming van het privilegie der praktijk. Wanneer ik de strikte, spoedige en min kostbare regtspraak bij de consulaire hoven in China vergelijk met de resultaten van de kostbare, langdurige, onvoldoende kunsttermen, van die in vele koloniën, dan zou ik als een algemeen voorschrift verlangen dat men geene civiele zaken voor eene regtbank mogt brengen, dan na onderzoek daarvan door een vredegeregt. De uitpersingen waaraan de Chinezen in Hong-kong bijv.--en hier spreek ik uit eigen ondervinding--blootgesteld zijn, doen niemand blozen over «den druk» waaraan de omkooping van hunne eigene mandarijnen hen maar al te zeer gewend heeft. In de Philippijnen bestaat eene massa ongeschreven, of althans ongedrukte wetten, uit verschillende bronnen zamengeflansd, dikwijls in tegenspraak met elkander, bij traditie ingevoerd en verkeerd uitgelegd; een mengelmoes, waarin de «Leyes de Indias», de «Siete partidas», de «Novisima recompilacion», de Romeinsche wetgeving, de oude en de koninklijke fueros--om nog niet te spreken van proclamatiën, decreten, notificatiën, orders enz.--al de «last en zorgen» van het heksenbrouwsel opleveren, dat door de booze geesten van tweedragt en twist wordt opgekookt.
Hazardspelen (Juegos de azar) zijn streng verboden in de Philippijnen, maar dit verbod doet niet veel af, en gelijk ik reeds vroeger heb aangemerkt, zijn de dagbladen van Manilla opgevuld met lijsten van personen, die beboet of gearresteerd worden wegens overtreding der wet; somtijds komen er 40 à 50 in een enkel nummer voor. Meer dan een kapitein-generaal berigtte mij dat de strengheid van de straf niet belet heeft de algemeenheid van het misdrijf, dat toegelaten en gepleegd wordt door geestelijken en ambtenaren.
De boeten bestaan in 50 dollars voor de eerste, 100 dollars voor de tweede overtreding, terwijl voor de derde maal de straf op de landlooperij, gevangenis en kettinggang, wordt toegepast.
Billard-tafels betalen eene belasting van 6 dollars per maand. Er bestaat eene geringere houten tafel, waarvan slechts de helft dier som geheven wordt.
De geregterlijke statistiek over 5 jaren--van 1851 tot 1855--geeft het volgende aantal zaken van meer ernstigen aard. Zij bevatten de opgaven van al de provinciën. Van al de misdadigers, was meer dan de helft 20 tot 29 jaar, een derde 30 tot 39, een negende 40 tot 49, een twintigste 15 tot 19 en een vijf-en-veertigste boven de 50 jaren oud.
Zij bestonden uit 467 gehuwden, 81 weduwenaars en 690 ongehuwden.
Gedurende het genoemde tijdvak hebben 236 hun straftijd uitgediend, 217 stierven, terwijl 785 bij het maken der opgaven nog gevangen bleven.