Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden
Part 12
Daar hij zijne cigaretten in den estanco voor minder dan twee cuertos het dozijn koopt en hij die kan maken of van een contrabandista koopen voor nog niet de helft van dien prijs, terwijl voorts de kosten der areca zeer gering zijn, kan hij op eene gemakkelijke en goedkoope wijze aan zijne behoeften en zijne genoegens voldoen. Zijne kleederen zijn weinig in getal en weinig kostbaar; op sommige gedeelten der eilanden verschaft de ruwe huismachine hem die, maar de bron van zijn' achteruitgang is in zijn' gallo en zijn' hartstogt voor het spel gelegen, waaraan 9/10 van de ongelukken van den Indiaan zijn toe te schrijven. Van zijne verlegenheid maakt de Chinees gebruik, die den arbeid van den schuldenaar koopt en het maximum daarvan met ruwe en soms zelfs wreede tyrannie afperst. De Chinezen zeggen bij wijze van spreekwoord dat de Indiaan met rijst in de linkerhand van zijn' meester en een bamboes in diens regterhand moet gevoerd worden.
Op sommige eilanden vindt men vele wilde dieren en zwijnen; men doodt ze met pijlen van tweederlei soort; de eene, die met een punt van wild palmhout is voorzien, schieten zij dadelijk; de andere, met een ijzeren kop voorzien, schieten zij naar boven en valt regt op het dier neer. De Indianen maken droog wildbraad (tapa genaamd) van de huid en zenden dit naar de markt van Manilla. Men vindt vele wilde vogels in de bosschen, vooral van de kippensoorten. De Biscasche hollen worden door de zwaluwen bezocht, die de eetbare vogelnesten voortbrengen welke door de inlanders voor den uitvoer naar China worden verzameld.
Eene menigte Indianen leeft van den vischvangst. De meest geliefkoosde visch is de sabalo, die men alleen in het Taal-meer vindt, waarvan het water versch is en in de zee stroomt. In het midden van het meer bevindt zich een eiland, waarop een eeuwig brandende vulcaan staat. In het jaargetijde waarin de sabalo uit het meer naar de zee gaat, plaatst men een staketsel van bamboe dwars over de rivier, dat niet tot aan de oppervlakte van het water reikt; drie of vier yards verder een ander staketsel, dat vijf of zes voet boven het water uitsteekt; beide worden door een plateforme van bamboe vereenigd. De visch springt over de eerste barrière en valt op de plate-forme, waar men ze vangt; sommige zijn zoo groot als een zalm. Het Baai-meer is beroemd om de curbina, eene uitmuntende visch. Aan de oevers der rivier ziet men zeer groote netten, die door eene bamboezen machinerie worden nedergelaten en opgehaald en de kunstmiddelen om den visch te vangen zijn verschillend en zonderling. In Bisaje maken de Indianen takkebosschen, die zij aansteken en terwijl zij met eene speer in de regterhand langs de oevers loopen, komt de visch bij het vuur en wordt zij getroffen en aan den wal getrokken. Ik vernam dat de zeeslak, die de Indianen balate noemen, op die wijze wordt gevangen. Het is eene welbekende lekkernij onder de Chinezen. Schildpadden worden daardoor gevangen, dat men hunne aankomst op eene verborgen plaats afwacht en ze eenvoudig op den rug legt, als ze op zekeren afstand van het water zijn. Inlandsche duikelaars brengen den paarlemoeroester aan, maar de paarlvisscherij is niet zeer belangrijk. Deze inlanders ontdekken ook de groote schaalvisch, die tot vergaderplaatsen van wijwater in de kerken dient.
HOOFDSTUK VIII.
BEVOLKING.--STAMMEN.
Ofschoon verre het grootste gedeelte der heidensche Indianen, zooals de Spanjaarden ze noemen, tot dezelfde stammen behooren als die de steden bewonen, bestaan er toch vele uitzonderingen. Onafhankelijk en afgescheiden van de heidenen, vindt men talrijke Mohammedanen, vooral op het eiland Mindanao, waarvan slechts eene kleine plek langs de kust door de Spanjaarden is onderworpen; deze, welke de Spanjaarden als Moros aanduiden, een naam, waaraan traditionele en nationale verbindtenissen grooten afkeer verbonden, zijn waarschijnlijk van Maleische afkomst. Daar, even als in alle streken waar zendelingen het gezag van den Koran hebben trachten te ondermijnen of in verachting te brengen, is de poging geheel mislukt. Ik zag sommige dier lieden te Zamboanga, die met de Arabische formules van het islamisme eigen waren; vele van hunne namen, als Abdallah, Fatima en anderen, zijn ook die van Muzelmannen. Men meent dat zij in vriendschap met de Spanjaarden leven, die tractaten met den regerenden Sultan hebben, maar ik vind geen blijk van de erkenning van het Spaansche gezag.
De vijandschap tusschen de Mohammedaansche stammen (Moros) en de Spanjaarden kan als erfelijk beschouwd worden. Het antwoord dat Radjah Soliman van Sondo aan Legaspi, den eersten Gouverneur der Philippijnen gaf, toen deze zijne vriendschap verzocht, is karakteristiek. Vóórdat de zon in tweeën gespleten is, vóórdat ik de haat in plaats van de liefde van eene vrouw verlang,--vóór dien tijd wil ik de vriend niet zijn van een Castiliaan (Spanjaard).
In de meest afgelegene bergstreken, die, naar ik geloof, nooit door Europesche avonturiers zijn bezocht, leeft een stam op den laagsten trap van de barbaarschheid, niet van beschaving, want daarvan vertoonen zij geen spoor. Men zegt dat zij geene kleederen dragen, geene huizen bouwen, geen voedsel zoeken. Zij zwerven in de bosschen, waarvan zij bij dag de wilde vruchten opzamelen, terwijl zij 's nachts onder de takken der boomen slapen. Zij hebben geen vorm van bestuur, geen hoofd, geene godsdienstige instellingen of gebruiken. Ik zag iemand uit dezen stam als een wild dier aan den Gouverneur van Zamboanga te koop aanbieden. Hij weigerde den koop, doch hield den knaap, die waarschijnlijk 8 of 9 jaren oud was, bij zich. Te Iloilo bediende hij, met andere inlandsche knechten, aan tafel en hij scheen mij toen de meest snuggere van allen te zijn; hij had een helderen blik en wachtte vernuftig op elk teeken of bevel van zijn' meester. Hij was zeer donker gekleurd, bijna zwart; zijn haar was eenigzins wollig; hij had evenmin de hooge wangen als de dikke lippen van den Afrikaanschen neger, doch geleek op vele soorten, die ik onder het Madagascarsche volk heb ontmoet. Men berigtte mij dat de geheele stam--het woord is niet juist, want zij vormen geen geheel--van kleinen ligchaamsbouw is; dat zij elken gemeenschap met andere stammen vermijden; niets inzamelen, niets ruilen en inderdaad niets behoeven. Ik was eens in de gelegenheid in de gevangenis van Kandy (Ceylon) een van de eigenlijke «wilde boschmannen» van dit eiland te beschouwen, die van moord beschuldigd was; het zedelijk gevoel bij dien man was zoo weinig opgewekt, dat er geen denkbeeld aan kwaad met de daad kon verbonden zijn geweest en de regter beschouwde hem dan ook te regt niet als een verantwoordelijk wezen, op wien hij de bepalingen der wet kon toepassen. In uitwendige eigenaardigheden bestond er weinig gelijkenis tusschen den Filipino en den Cingalees. De ethnologische wetenschap zou eene groote schrede voorwaarts doen wanneer zij zich tot de speciale bestudering van de barbaarsche oorspronkelijke stammen rigtte, waarvan thans nog rassen bestaan, doch reeds zoovele zijn verdwenen, die geen gemeenschap met elkander kunnen gehad hebben. Ik geloof dat er meer verschillende rassen onder het menschelijke geslacht bestaan, dan tot nog toe door de physiologen zijn erkend, waaronder geene taalgemeenschap zal worden gevonden. De theoretische stellingen omtrent de afleiding van de verschillende soorten onder het menschelijke geslacht van eenige weinige oorspronkelijke typen, zullen geene uitkomst opleveren. Beschaving en opvoeding zullen ook hier hare uitwerking doen en het verschil tusschen de crania van hetzelfde volk is te groot dan dat men eenigen regel van classificatie kan aannemen. Hoe verder wij kunnen doordringen, des te grooter zullen wij het verschil in typen en talen ontdekken en des te meer zal men zien dat de tijd en de handel, kennis en kolonisatie menige onafhankelijke landstreek hebben te niet gedaan, even als zij menigen oorspronkelijken stam hebben vernietigd.
Niet zelden zijn door het Gouvernement expeditiën uitgezonden tegen de wilden, die de bosschen en de bergen in het binnenland bewonen, vooral wanneer aan de inlandsche Christen bevolking overlast was aangedaan. Men legt hunne aanvoerders verschillende straffen op, terwijl hunne dorpen en bentings in bezit worden genomen, maar deze kan men niet altijd behouden, daar de krijgsmagt te onvoldoende is om ze te bewaken. Maar het lijdt geen twijfel dat deze wilde stammen door toenemende ontwikkeling en den drang der hoogere beschaving wel zullen verdwijnen.
De Mas zet de stelling voorop dat de Igorottes van Luzon heidenen van denzelfden stam als de bekeerde Indianen zijn, doch in een' staat van woestheid verkeeren. De Aetas of Negritos maken een afzonderlijken stam uit, zijn geene inlanders, maar de afstammelingen van indringers en overwinnaars. Hij heeft menigmalen gelegenheid gehad met hen te verkeeren en spreekt op eene gunstige wijze van hunne ontvangst. De mannen hadden geene andere kleeding dan een gordel van vezelen van boomschorsen, de vrouwen een soort van jakje van dezelfde stof. Ongehuwde meisjes droegen een soort van ketting uit de bladeren van een bergpalmboom vervaardigd en waarvan de einden tusschen hare naakte borsten bij elkander kwamen. De vrouwen speelden op eene ruwe guitar, waarvan de kast uit een soort bamboe bestond en wier snaren uit den wortel van een boom waren vervaardigd. Aan dit instrument ontlokten zij toonen door de snaren met de linkerhand los te maken of aan te halen. Als het regende, bedekten zij zich met palmbladeren, die zij tevens tot beschutting voor de zon gebruikten. De Mas zegt dat zij alle pogingen tot verleiding weêrstonden. De bevolking leverde was, honig en wild en kocht tabak en rijst in ruil. Geld verlangden zij niet. De wijze van eerbetoon bestond in het aanbieden van water aan een ouderen; geen zoon kan dit van zijn vader ontvangen, maar moet het dezen overhandigen. Zij betoonen groote vrees voor de booze geesten, die zich in de bosschen bevinden, maar spraken daarvan van «hooren zeggen.» Zij zelve hadden de geesten niet gezien, maar anderen hadden ze onder de oogen gehad, en dat was voldoende. De monniken zeggen dat zij geen hoogen ouderdom bereiken; de oudsten moeten niet meer dan 40 jaren leven. Pater Mozo zegt: «zij hebben hunne plaatsen, waarin zij zich vereenigen en die zij ongaarne verlaten; bepaalde verblijfoorden hebben zij niet; zij zwerven van het eene punt naar het andere in een omtrek van 4 of 5 mijlen. Zij planten vier stokken in den grond, omringen die met de buigzame takken van den ylib, werpen daar eenige palmbladeren op en voegen er een stuk hout bij, dat tot kussen dient, waarna hunne woning en slaapplaats in orde is. Het wild dat de een doodt behoort aan allen--de kop en nek wordt voor de honden bewaard. De gemeente bestaat gewoonlijk uit 20 of 25 personen, die den moedigsten onder hen tot hunnen aanvoerder kiezen. Des zomers houden zij aan de oevers der rivieren verblijf; in het regen en stormachtige jaargetijde daarentegen houden zij zich in hunne ruwe hutten op. Als er een sterfgeval plaats heeft, begraven zij het lijk, doch verwijderen zich dan van de plaats, uit vrees dat nog meer mogten sterven. Wanneer zij wilde honig in de bosschen zoeken, teekent hij, die een zwerm gevonden heeft, den boom aan, waarop zich de bijen bevinden en dan is deze zijn eigendom tot dat hij gelegenheid heeft daarvan bezit te nemen. Men ontsteekt een vuur aan den voet van den boom, om door den rook de bijen te verjagen; daarop klimt de Indiaan naar boven met een breed palmblad in den vorm van een pot gevouwen, waarin hij de honigklomp doet, het blad daarna toebindt en weder afstijgt. Al zijne behoeften zijn voldaan, wanneer hij bij zijn zwam om vuur te maken, zijn boog en pijlen en zijn ruw mes, een weinig tabak voor zijn genoegen heeft. Als er gebrek aan voedsel is, drinkt hij heet water en bindt een stevig touw om zijn lijf; hij eet ook van een wortel, sucbao genaamd, maar in het warme weder heeft men nooit aan inlandsche vruchten behoefte.» Nadat hij eene vergelijking heeft gemaakt tusschen de smarten, wederwaardigheden en hartstogten aan het beschaafde leven verbonden en de eenvoudigheid, domheid en tevredenheid van deze kinderen der natuur, zegt de pater: «Terwijl ik ten slotte hunne levenswijze bewonder, geloof ik, dat wanneer zij slechts eenigzins van ons heilig geloof doordrongen zouden zijn, wanneer zij slechts leden voor God wat zij nu lijden, men hen met den boetvaardigsten monnik van de Thebaide niet kon gelijkstellen. Zoo waar als het is dat zij de zonde van echtscheiding begaan, even waar is het dat men zelden van een val voor het huwelijk hoort; maar zij zijn wreed, zij zijn moorddadig!» Dat is het oordeel der geestelijkheid over die menschen.
Men maakt velerlei gissingen omtrent den oorsprong van de donkerder of zwarte stammen, die nu de noordelijke en centrale minder bezochte bergstreken bewonen en waarvan een der eilanden, Negros, zijn naam ontleent. Zij houden voornamelijk verblijf in de meer woeste gedeelten van de provinciën Zuid-Ilocos, Pangasinan, Cagajan en Nueva Ecija. Zij hebben een kleinen ligchaamsbouw, eenigzins platte neuzen en krullend haar; zij zijn vlug en dragen geene andere kleeding dan een bast over hun schaamdeelen, zijn behendige jagers, hebben geene vaste woonplaatsen, maar slapen daar, waar zij zich bevinden, als de zon ondergaat. Al hunne goederen bestaan uit een boog, een bamboezen pijlkoker en pijlen, een eind van de huid van het wilde zwijn en de gordel, die de Spanjaarden de tapa rabo (staartdeksel) noemen. Men beschouwt de Negritos als de oorspronkelijke bewoners der eilanden, die door de tegenwoordige Indios werden aangevallen; deze hebben veel gelijkenis met het Maleische ras, ofschoon zij van veel beter gehalte zijn. De Negritos namen de wijk in de woester streken, naarmate de Tagalezen naderden, maar er bestaat een ingekankerde haat tusschen deze beide stammen. De Negritos zijn de wilden der Philippijnen en in verscheidene stammen verdeeld; men zegt dat zij tusschen het kannibalisme en de beschaving van den Indiaan verkeeren. Zij leven over het algemeen van de wilde vruchten en gewassen, die weelderig groeijen, ofschoon sommigen rijst bouwen en hunne velden irrigeren. Anderen maken ijzeren wapens en de Itaneg behoeft, volgens de monniken, slechts bekeerd te worden om in allen deele met de Indios gelijk te staan. Dit ras is met Chineesch bloed vermengd en de Ifugaos met dat der Japanezen. De meer ruwe wilden versieren hunne hutten met de schedels hunner vijanden. De Apayos wonen in gemakkelijke huizen en gebruiken geschaafde planken voor hunne vloeren, in plaats van de gevlochten bamboes der Tagalezen. Zij drijven handel in was, cacao en tabak en bedekken hunne woningen met Chineesch aardewerk. De Isinay Negritos belijden de Christelijke godsdienst. Men schat het aantal heidenen op het eiland Luzon op 200,000, terwijl men aanneemt dat er op Mindanao 800,000 afgodendienaars en Muselmannen zijn. Het is intusschen onmogelijk de gemengde rassen in al hunne vertakkingen en bijzonderheden na te gaan. Onder de eigenaardigheden der wildere stammen behoort de afscheiding van ieder der teenen, waardoor zij zelfs kleine voorwerpen daarmede kunnen opnemen, zoodat, wanneer zij iets laten vallen, zij met evenveel gemak de voeten als de handen kunnen gebruiken; zij kunnen met het hoofd naar beneden, met hunne voeten langs het want van een schip afdalen. Ook de groote teen is veel verder van de andere gescheiden dan bij de blanke rassen. Zij hebben een zeer fijnen reuk en kunnen zonder te spreken, iemands gevoelens uit de ademhaling leeren kennen.
Ofschoon zij eene verzameling van goden en godinnen bezitten (want de meeste hunner afgoden hebben vrouwen), vindt men bij hen geene tempels evenmin als instellingen van openbare eeredienst. Zij raadplegen waarzegsters (gewoonlijk oude vrouwen) bij ziekten of in moeijelijke zaken; brengen offers door het uitstorten en vermenging van bloed, drankoffers van gegiste dranken, maken hevige gebaren en roepen Cambunian (God), de maan en de sterren aan, terwijl de ceremoniën met overmatig eten en drinken eindigen. Zij offeren een varken om de Godheid te bevredigen als het dondert en aanbidden den regenboog na een storm. Vóórdat zij op reis gaan, ontsteken zij een vuur en als de rook niet in de rigting gaat welke zij willen nemen, stellen zij hunnen togt uit. De vlugt van vogelen wordt als een belangrijk voorteeken beschouwd en de verschijning van een slang als dat van een op handen zijnde ongeluk.
De bergstammen zijn aan geen' aanvoerder onderworpen, maar zij hebben hunne bijzondere hoofden, barnaas genaamd, aan wie een zeker aantal personen wordt toegewezen. Bij den dood van een barnaas worden de darmen uitgehaald, nagezien en verbrand, ten einde door de kunst van waarzeggen het toekomstige lot van den stam te voorspellen. Het lijk wordt op een' stoel geplaatst, betrekkingen en vrienden uitgenoodigd en een groot feestmaal bereid van de kudden en de rijstvelden des overledenen, waarbij de deugden van den afgestorven barnaas door vreugdekreten en gezanten worden verkondigd. Het banket eindigt met verschillende buitensporigheden en zoowel mannen als vrouwen vallen dronken of van vermoeidheid in slaap op den grond bij het lijk. Men zegt dat het vleesch van den overledene onder de gasten wordt verdeeld, en Buzeta verhaalt dat dit voor eenigen tijd te Tagudin (Zuid-Ilocos) plaats heeft; maar daar hij dit aan de armoede van den overledene toeschreef, die niets had nagelaten om voor het feestmaal te zorgen, kon in dit geval de verdeeling van het vleesch bijna als eene eer worden aangemerkt. De verhalen van het kannibalisme der inlanders zijn niet te vertrouwen, daar men hen als ruwer wilden voorstelt dan zij wezenlijk zijn. De wapenen van een krijgsman worden na zijnen dood verzameld en zijne familie wil ze niet missen. Een stuk vaatwerk, waarin wijn is gestort, wordt aan het einde van de lijkstatie geplaatst, opdat het de deugd en de dapperheid van den overledene moge inzuigen en zijne bescherming erlangen.
Wanneer er een moord plaats heeft, vereenigt de geheele stam zich om den vermoorde te wreken. Krijgsgevangenen worden tot slaven gemaakt en voor 10 tot 25 dollars elk verkocht. Oude mannen koopt men om op hen de vergiftigde hoedanigheden of de scherpte van hunne wapenen te beproeven. Overspel en een diefstal, ten derden male gepleegd, worden met den dood gestraft. Veelwijverij is niet geoorloofd, maar men ziet geen zwarigheid in echtscheiding.
Men vindt eene groote verscheidenheid van talen onder de wilde volken in het binnenland; niet alleen zijn dialecten van de verschillende stammen voor elkander onverstaanbaar, maar zelfs bepaalt zich soms eene taal tot eene enkele familiegroep. Waar geen verkeer heeft plaats gehad, vindt men ook geene overeenstemming. De menschen moeten zich onderhouden en uit de noodzakelijkheid daarvan ontstaan talen. Hoe verder men daardoor bij de studie der tongvallen in de oudheid teruggaat, des te grooter zal men het aantal bevinden. De beschaving heeft honderde misschien duizende tongvallen vernietigd en vermindert nog altijd het aantal talen dat op de aarde gesproken wordt. Het is dan ook geene ongegronde voorspelling, wanneer men beweert dat in den loop der eeuwen het aantal talen zich tot eenige weinige zal reduceren. De Fransche taal in Frankrijk; de Toscaansche in Italie; de Castiliaansche in Spanje, de Saxische in Duitschland en de Engelsche in Groot-Brittannië, zijn de hoofdtalen van het volk geworden en hebben langzamerhand de menigte tongvallen vervangen, die een paar geslachten te voren in gebruik waren. Adelung verzamelde de namen van bijna 4,000 gesproken en bestaande talen, maar eene lijst van die, welke door den tijd zijn vernietigd, zou eene nog veel grooter reeks beslaan.
Dat zulke groote gedeelten der eilanden door onafhankelijke stammen, hetzij heidenen of Mohammedanen, moeten bewoond worden, is niet te verwonderen, wanneer men het geographische karakter van het land beschouwt. Vele plaatsen zijn ontoegankelijk voor lastdieren; de valleijen onverdragelijk heet, de bergen open en koud. Er bestaat ook groote onwetendheid omtrent de plaatselijke gesteldheid en de Spanjaarden worden soms verrast door onbekende hinderlagen in bergpassen en ravijnen. De bosschen, waardoor de inlanders als konijnen gaan, zijn dikwijls ondoordringbaar voor Europeanen. Geene enkele poging is gelukt om de «afgodendienaars» uit deze bosschen en bergen naar de vlakten te drijven en ze daar te onderwerpen, te belasten en te kwellen. Toch klaagt men dat deze barbaren zich in het koninklijke monopolie van tabak mengen, dien zij in de provinciën trachten te smokkelen. «Commiezen en troepen--zegt de Mas--zijn belast die misbruiken te voorkomen, maar deze beschermers plegen zoovele knevelarijen op de Indianen en veroorzaken zooveel ontevredenheid, dat een onderzoek noodig wordt en de moeijelijkheden nog altijd blijven bestaan.» Op sommige plaatsen verderven de afgodendienaars «de rustige Christen bevolking» en maken de wegen onveilig voor reizigers. De Mas heeft uit verschillende bronnen berigten geput, waaraan ik eenige bijzonderheden ontleen, maar het schijnt mij toe dat men te veel algemeene toepassing maakt op de niet-onderworpen stammen, die op verschillende trappen van beschaving en barbaarschheid staan. De Tinguianes van Ilocos bebouwen uitgestrekte rijstvelden, hebben groote kudden vee en paarden en drijven een belangrijken handel met de naburige Christen bevolking. Men zegt dat de Chinesche type in dezen stam opmerkelijk is. De vrouwen dragen een aantal braceletten, die den arm van de pols tot aan den elleboog bedekken. De grootste Tinguiaansche vloek is: «Moge gij slapende sterven,» dat wil zooveel zeggen als: «Moge uw sterfbed niet bezongen worden.» Het is eene beleediging wanneer de eene Indiaan tot den anderen zegt: «Malubha ang Caitiman mo», (groot is uwe zwartheid [negregura]. De Indianen noemen de Afrikanen Pogot.
Men vindt vele Albinos op de Philippijnen. De inlanders noemen hen zonen van de zon; sommigen zijn blank, andere gekleurd en nog andere hebben strepen op de huid. Over het algemeen bezitten zij weinige intellectuele bekwaamheden.
Buzeta geeft de volgende ethnologische tabel, waaruit men de ligchamelijke eigenaardigheden kan leeren kennen van de verschillende stammen in de Philippijnen:
ZUIVERE INDIANEN. MESTIZEN. NEGERS.