Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden
Part 10
De ligtgeloovigheid der Indianen is voorbeeldeloos. In 1832, toen de Santa Ana met 250 soldaten aankwam, verspreidde een gerucht zich als loopend vuur dat de Koning van Spanje bevel had gegeven om al de kinderen van de Indianen te verzamelen ten einde hun bloed in de Spaansche mijnen te storten, waardoor deze productiver zouden worden. De vrouwen ijlden naar hare woningen, en zochten met hare kinderen eene schuilplaats in de huizen van de Spaansche vrouwen te Manilla. De mannen wapenden zich met speren en vloden in opgewondenheid door de straten. Niet zonder moeite werd de beweging gestuit. Hetgeen iemand, die als wijze bekend staat, onder de Indianen als waarheid verklaart, wordt onmiddellijk geloofd en kan door geen' invloed van de priesters worden geloochend; de woorden «Vica ng maruning», d. i. «de wijze zegt het» is het antwoord aan allen, die het niet gelooven. «God behoede ons» zegt de monnik, «voor Indische wijzen! De Indianen toch zijn trotsch en willen geen priester, noch den monnik, noch den aalmoezenier gelooven, wanneer de vrees hen daartoe niet dwingt, en zij zijn niet altijd bevreesd, ofschoon zij overtuigd zijn van de overmagt der Spanjaarden en tegen hun zin door hen geregeerd worden. Zij volgen den Spanjaard na in al wat kwaad is,--in zijne gehechtheid aan het spel en in al de kwade praktijken van de zaramullos (saletjonkers of drukke menschen); maar Spaansche hoffelijkheid en welgemanierdheid en goede opvoeding bestuderen zij nooit of zien zij niet af, maar opschik en dronkenschap en losbandige huwelijks- en begrafenispartijen, even als geweldadigheden van allerlei aard, hebben zij van hunne voorouders geërfd en spreiden zij nog ten toon, zoodat zij hunne ondeugden ook nog bij die der Spanjaarden voegen.»
Zij zijn onderdanig jegens iederen aristocraat onder hen. De rokkendragende principalia worden met veel onderscheiding behandeld en hunne rang zeer geëerbiedigd. Eerst heeft men den gobernadorcillo, daarop volgen de ex-gobernadorcillo's, die naar ancienniteit als kapiteins worden benoemd; dan de in functie zijnde luitenant, die het hoofd van een barangay moet zijn; daarna de hoofden van barangay's naar hunnen ouderdom, vervolgens de gewezen luitenants en zoo verder; hun rang wordt door de naburige gemeenten erkend.
Baden is algemeen in gebruik; mannen en vrouwen doen dit op eene en dezelfde plaats. De mannen dragen pantalons, de vrouwen dekken zich met een kleed, dat zij afwerpen als zij in het water gaan. Er hebben geene ergerlijke tooneelen plaats door deze gewoonte, en herhaalde pogingen van de Spaansche autoriteiten om dit oude gebruik te veranderen, hebben niets gebaat.
De Indianen omhelzen door de aanraking met den neus; meestal kussen zij echter dan ook de lippen. Als het neusgat is zamengetrokken (zooals bij het rieken) en de Indiaan ziet naar iemand op een afstand, dan leidt dit tot eene digter omhelzing. Vreemdsoortige verhalen doet men van het fijne reukorgaan der Indianen; men zegt dat zij daardoor de kleeding van hunne meesters en meesteressen kunnen onderscheiden en dat minnaars elkander's wederzijdsche gevoelens ontdekken. Onderkleederen worden verwisseld, die ondersteld worden met de hartstogten der eigenaars doortrokken te zijn. In weêrwil van den monnik, besnijden de Indianen heimelijk hunne kinderen. De banaan-boom (Balete, Ficus Indica) wordt als heilig beschouwd. Zij branden er wierook onder, dat zij onder verschillende voorwendsels van de monniken verkrijgen. Hoe vreemd zijn de gebruiken der afgodendienst met Christelijke geboden vermengd! Dit is niet alleen het geval op de Philippijnen. Een van Dr. Gutzlaff's erkende bekeerlingen te Hong-Kong was gewoon te zeggen, dat om den zendeling genoegen te doen hij een anderen God--der Christenen--bij dien gevoegd had, welken hij vroeger aanbad, en ik ben bekend met heimelijke bezoeken in heidensche tempels die Chinezen, welke Christenen waren, bragten wanneer zij op het punt stonden eene belangrijke zaak te ondernemen. «Men kan het vervloekte geloof niet van hen verwijderen--zegt de geestelijke--dat de geesten van hunne voorouders in de bosschen en onder de wortels van bamboes leven en dat deze goed of kwaad over hen kunnen verspreiden. Zij willen hun offers brengen; en al onze boeken en predikatiën kunnen de indrukken niet wegnemen, die een oud man bij hen achterlaat, welken zij «een wijze» noemen.» «De geestelijken» zegt de Mas «gelooven dat dit bijgeloof vermindert; ongetwijfeld verbergt de Indiaan het zooveel mogelijk voor zijn' biechtvader, maar ik zelf heb mij meermalen overtuigd dat het bestaat en dat het invloed uitoefent.» Wie, die eenigzins bekend is met de ligtgeloovigheid van deze minder beschaafde klassen, en niet deze alleen, maar ook onder ons zelven, kan zich dan ook verwonderen over den «godsdienstigen geest» van den Philippijnschen Indiaan? En zelfs de geestelijken zelve zijn met die zwakheid behebt, zoodat een Philippijnsche geestelijke Mallares, niet minder dan 57 moorden in de stad Magalan beging of veroorzaakte, in de overtuiging dat hij daardoor zijne moeder tegen betoovering zou beschermen. Mallares werd in 1840 geëxecuteerd en in zijn rapport betuigt de fiscaal zijn afschuw van de «ongeloofelijke en barbaarsche bloedverkwisting van dit monster.»
«De Indiaan kent geen middenweg» zegt onze geestelijke, «vraag naar laauw water, dan brengt hij het kokend; zegt gij dat het te heet is, dan krijgt gij het ijskoud. Hij leeft in een kring van uitersten. Hij heeft behagen in uw ongeduld en wanneer gij u over hem ergert, dan schatert hij uit dat hij zijn meester kwaad heeft gemaakt. Wanneer men den Indiaan wil vertoornen, moet men geene notitie van zijne streken nemen. De scherpzinnige man onder hen weet dat de Indiaan en de rotting (voor zijne bestraffing) steeds zamen opgroeijen. Zij hebben een ander spreekwoord: «De Spanjaard is een vuur en de Indiaan sneeuw; de sneeuw bluscht het vuur uit.» Een der geestelijken verhaalt dat zijn bediende tot hem zeide: «Gij zijt een nieuweling en duldt te veel, als ik kwaad doe, moet gij mij straffen. Kent gij het spreekwoord niet: «De Indiaan en de rotting groeijen zamen op?» Zij lasteren en miskennen God als hunne gebeden niet verhoord worden en voeren eene taal, die inderdaad afschuwelijk zou zijn, wanneer men niet weet hoe onverstandig zij zijn en hoe onmogelijk het hun is zich naar den Goddelijken wil te gedragen.»
Er bestaan eene menigte godsdienstige treurspelen, bijzonder een in het Tagaleesch, dat het lijden en den dood van Christus voorstelt; maar deze godsdienstige voorstellingen en vergaderingen geven aanleiding tot ergerlijke tooneelen en misbruiken en doen menig onwettig kind het levenslicht aanschouwen. De priesters hebben meestal zulke voorstellingen in den nacht verboden en drijven soms zulke vergaderingen, met de zweep in de hand, uit elkander; op andere tijden worden de zangers betrapt en gestoord in hunne droevige klagten of ...... in hunne genoegens.
Het is aardig de tegenstrijdige meeningen der monniken aangaande hunne kudden te lezen. De een zegt: «Hunne biecht is valsch; zij bekennen nooit iets anders dan drie zonden: 1o. dat zij niet getrouw zijn ter kerk gegaan; 2o. dat zij vleesch eten gedurende de vasten en 3o. dat zij een valschen eed hebben gedaan.» Een ander berigt: «Geen Spanjaard kan vromer en godsdienstiger zijn dan de Indianen van Manilla in hunne biecht. Zij gehoorzamen de onderrigtingen, die men hun geeft, en ik heb dezelfde goede berigten van verscheidene geestelijken onder vele Indianen in de provinciën.» Ongetwijfeld zou de geestelijke statistiek curieus zijn, wanneer men die kon verkrijgen. Van Lilio berigt de geestelijke dat van de 1,300 personen, die belasting betalen, 600 in 1840 nooit gebiecht hebben en deze plaats is niet een van de onverschilligste. Te Vigan gingen van 30,000 inwoners, niet meer dan 500 à 800 ter kerk (volgens de Mas), behalve bij het jaarlijksche feest van de Maagd, patrones van de plaats. Pater Augustijn geeft luide zijne verontwaardiging te kennen omtrent de biecht: «De helsche Macchiavel Satan--zegt hij--heeft hen iets geleerd, dat even goed voor hun ligchaam als slecht voor hunne ziel is, namelijk om elkander wederkeerig hunne gebreken en misdrijven te bekennen en die, al zijn zij van nog zoo ernstigen aard, voor den geestelijken vader, voor den Spaanschen alcalde te verbergen, niettegenstaande hunne persoonlijke twisten en, zooals zij ze noemen, doodvijandschap; zoo dat zij geene grootere beleediging kennen dan den pater of den alcalde te verhalen wat in de plaats gebeurt; dit, zeggen zij, is mabibig, de afschuwelijkste zonde, inderdaad het eenige, dat zij als zoodanig beschouwen.»
De monniken spreken over het algemeen gunstiger van de vrouwen, dan van de mannen. Zij zijn vromer, onderdaniger, welwillender om naar hare geestelijke vaders te luisteren. Een hunner zegt: «Wanneer het geheele menschdom van eene enkele paauwenveêr zou afhangen, die een Indiaan voor zijn' hoed noodig had, dan zou hij al de menschen opofferen. Zij vreezen niet voor den dood, maar dat is eene groote weldaad van het Goddelijke Wezen, dat weet hoe zwak zij zijn; zij spreken van den dood, zelfs bij een' stervende, alsof het niets ware. Wanneer zij tot schavotstraf veroordeeld zijn, betoonen zij dezelfde onverschilligheid en rooken hunne cigaar met de gewone bedaardheid. Hun antwoord aan den hen bedienenden priester is in den regel: «Ik weet dat ik ga sterven. Ik kan het niet helpen. Ik ben slecht geweest, het was de wil van God, die mij dit lot heeft beschoren.» Maar met den dood voor oogen slapen en eten zij even gerust. «De boom moet zijn vrucht dragen,» vervolgt onze geestelijke, «God heeft in zijne wijsheid vele menschenstammen geschapen, even als Hij verscheidene soorten van bloemen doet ontspruiten, en eindelijk getroostte ik mij met de onverschilligheid der Indianen omtrent al hetgeen wij zouden doen; met het oog daarop kon ik ze als was naar mijn goedvinden rigten.»
Over het algemeen heb ik onder deze Indiaansche stammen niet een gevonden, die zich door intellectuele begaafdheden onderscheidde. Eenige weinigen wisten iets van werktuigkunde; een paar waren vrij goede beeldhouwers; ik ontwaarde overigens eene algemeene liefde voor de muziek en zelfs eenige waardering van de verdiensten van Europesche componisten, maar men moet er bijvoegen dat er ook niets of weinig gedaan wordt voor de ontwikkeling van de begaafdheden, die de Indiaan bezit; het veld van openbaar onderwijs is even beperkt door godsdienstigen als officielen invloed, en de zamenleving onder de meer vermogende klassen, waarnaar de Indiaan alleen kan opzien, staat verre beneden die van het Spaansche schiereiland. De letterkunde wordt weinig beoefend; de nieuwsbladen zijn meer met levensgeschiedenissen van heiligen en verhalen of berigten van godsdienstige feesten opgevuld, dan met de grootste gebeurtenissen in de politieke wereld. De Spanjaarden zijn nooit beroemd geweest om hunne groote onderzoekingen of activiteit, maar het is te hopen dat de manana, waarnaar alles wordt verwezen, eindelijk een hoy dia zal worden.
Men zegt van den Indiaan dat hij meer vier- dan tweevoetig is. Zijne handen zijn groot en de toonen aan zijne voeten gebogen, daar hij geoefend is in het klimmen op boomen en andere dergelijke bezigheden. Hij is als een amphibie en brengt den meesten tijd in het water door. Hij is ongevoelig zoo wel voor de brandende zon als voor den verkwikkenden regen. De indrukken, die hij ontvangt, zijn slechts een overgang en hij herinnert zich flaauw voorbijgaande of plaats gehad hebbende gebeurtenissen. Vraagt men hem naar zijnen ouderdom, dan kan hij niet antwoorden. Wie waren zijne voorouders? Hij weet het niet en bekommert er zich niet over. Hij ontvangt geene gunsten en kan dus niet ondankbaar zijn; hij bezit weinig ambitie en kan dus niet ongerust wezen; hij heeft weinig behoeften en is dan ook nooit jaloersch of afgunstig; hij bemoeit zich niet met de zaken van zijn buurman en let ook dikwijls op de zijne niet, zijne hoofdondeugd is luiheid; dat is zijn geluk. Het werk dat hij moet verrigten, doet hij met weêrzin. Hij is over het algemeen gezond, en is hij eens ongesteld, dan geneest hij zich met kruiden, waarvan hij de stoppende of laxerende eigenschappen ondervonden heeft. Hij gebruikt geen zeep om zich te wasschen, noch mes om zich te scheren; de rivier is zijn bad, en zijne haren kamt hij uit met eene schelp; hij behoeft geen klok om den tijd te weten; tafel, stoelen, borden, messen ontbeert hij bij zijn' maaltijd; een hacha of groot mes en een zak hangen gewoonlijk om zijn lijf; hij kent geene andere muziek dan het kraaijen van zijn' haan en acht een schoen even overtollig als een handschoen of een das.
Ik heb onder de Indianen niet dien voortdurenden afkeer van vreemdelingen ondervonden, waarvan Mallat gewaagt, en die vooral tegen Engelschen zou gerigt zijn. Integendeel zag ik dat vele Engelschen, die op de Philippijnen gevestigd waren, veel vertrouwen en genegenheid ondervonden en ik heb mestizen en Indianen hooren zeggen dat zij veel meer vertrouwen in de handelseerlijkheid van Engelschen stellen, dan in die van eenige andere natie. Ik ben getuige geweest van de vriendschappelijkheid, waarmede het oude Spaansche spreekwoord «Paz con Ynglaterra y con todo el mundo guerra» in groote vergaderingen van de Filipinos is aangehaald. Er is dan ook geene natie, die meer dan Engeland tot de welvaart van den Spaanschen Archipel heeft bijgedragen. In den loop van dit ons verhaal zal men blijken genoeg zien van de goedheid, die men aan Engelschen betoont.
De Spanjaarden--het is meermalen gezegd--hebben zeer bescheiden en met goed geluk van het «divide et impera» onder de Indiaansche stammen gebruik gemaakt als een middel om hun eigen gezag te bewaren. Het is dan ook eene waarheid dat onder de meer verwijderde stammen weinig sympathie bestaat; maar dat hunne scheiding en verwijdering door de Spaansche staatkunde is bewerkt, wordt tegengesproken door het feit dat in Binondo bijna 1/3 van de inwoners Indianen van verre provinciën zijn.
Het aantal Spanjaarden is klein, dat van de gewapende inlanders groot, wanneer er een opstand tegen het bestuur mogt ontstaan, maar ik geloof dat daartoe geene de minste neiging bestaat. Laatstelijk werden de Tagalesche soldaten naar een vreemd land (Cochin-China) in werkelijke dienst opgeroepen en in een' strijd gewikkeld, waarin het Spaansche belang niet zeer te onderscheiden is. Geene klagten werden omtrent hun gedrag gehoord, ofschoon zij aan vele ontberingen blootgesteld waren.
Er bestaat eene aardige gewoonte onder de landlieden in het binnenland. Kleine houten bakjes ziet men daar buiten staan of uit de vensters van de choza hangen, waarin men onder plantaan-bladeren, spijzen of vruchten vindt uit den tuin achter het huis. Iedere reiziger, die voorbijgaat, voorziet zich daaruit van het noodige, wanneer hij arm is, betaalt hij daarvoor niets; anders geeft hij zulk eene vergoeding als hij noodig oordeelt. Geen zweem van verwijt treft den persoon, die, zonder dat hij kan betalen, van de goedheid gebruik maakt. Deze gastvrije ontvangst is het meest algemeen in de minst bevolkte plaatsen en herinnerde mij aan het water en de lamp, die ik in de graven van de heilige Muselmannen vond, welke op die wijze zich van de menschlievende pligt kweten of hunne volgelingen deden kwijten, om in de dorre woestijnen die aangename en treffende welkomstgroeten te geven aan den dorstigen en vermoeiden reiziger.
De tact of kunst van navolging is sterk onder de Indianen en vergemakkelijkte de pogingen der monniken, maar men vindt zeer verschillende en uiteenloopende berigten omtrent hunne bekwaamheden. Die van Pampanga, Cagajan, Pangasinan, Ilocos en Zebu moeten dapper, edelmoedig, werkzaam zijn en somtijds veel kunstsmaak ten toon spreiden. De liefde en uitoefening der muziek is algemeen en ik zag eenige merkwaardige staaltjes van beeldhouwkunst, maar op de schilderkunst werd mijne aandacht niet gevestigd, en de voorbeelden van volhardende studie tot eenig vak waren zeer weinige. Als bedienden, staan de Tagalezen in alle opzigten beneden de Chinezen; als soldaten worden over het algemeen gunstige berigten omtrent hen gegeven. De Indianen, te Manilla gevestigd, moeten de ergsten van hunne stammen zijn. Het lijdt geen twijfel dat in de groote steden het meeste graauw verblijf houdt, maar tegelijkertijd huisvesten daarin dan ook de grootste verdiensten. De hoffelijkheden, die ons als hunne gasten werden betoond, waren eindeloos; er was geene moeite te groot om ons genoegen te doen. Veel kon wel is waar niet anders dan aan de leiding van de priesters en de tegenwoordigheid der autoriteiten worden toegeschreven, maar wij ontvingen toch duizende blijken van ongedwongene goedheid, die door geen' invloed van buiten konden zijn bewerkt.
HOOFDSTUK VII.
GEWOONTEN EN BIJGELOOF VAN HET VOLK.
Veel meer dan het geringe aandeel van huishoudelijke zorgen rust op de Indiaansche vrouw, en zij heeft veel minder genoegens dan haar toekomen. Barbaarsche handelingen zijn dikwijls aan de barenssmarten verbonden. De Mabuling hilot, de goede vroedvrouw, wordt geroepen. Duurt de verlossing lang, dan wordt de oorzaak daarvan aan tooverheksen toegeschreven en dan verwijdert men die door de ontploffing van kruid uit een bamboestok, vlak op het hoofd van de lijderes. De jonggeborene wordt op een mat of kussen in de lucht gelegd, ten einde daardoor den kwaden invloed uit het ligchaam te verwijderen; daartoe plaatst men ook twee brandende waskaarsen op de wangen en de kin van het wicht, dikwijls tot diens groot gevaar. Deze handelingen worden dikwijls zooveel mogelijk door de priesters belet en gecontroleerd, die, waar zij kunnen, voor den doop en de inschrijving van het kind zorgen.
De aartsvaderlijke gewoonte om den vader ter wille van de dochter te dienen, bestaat nog op de Philippijnen; evenzeer als de meer intime gemeenschap van verpligte minnaars, die nog in de ruwere streken van Wales moet in gebruik zijn, met dezelfde gevaarlijke gevolgen voor de zwakke sekse. Het verblijf van den minnaar in het huis van zijn aanstaanden schoonvader doet vele onwettige kinderen geboren worden, geeft aanleiding tot de herhaalde verbreking van beloften en eeden, tot huisselijke twisten en veel ellende. De invloed van de monniken wordt meestal hierbij ingeroepen, wier pligt én belang daarmede in strijd zijn, daar de huwelijksgiften de meest productive hunner inkomsten zijn.
Ik heb een der priesters de volgende instructiën omtrent het huwelijk aan de Indianen hooren geven. «Het is niet goed--zegt hij--het huwelijk als een nietige zaak te beschouwen of de heilige ceremonie te bespoedigen, ten einde die zoo snel mogelijk geëindigd te hebben. Laten zij den geestelijken raadplegen, die hun zal zeggen of zij werkelijk geschikt zijn te trouwen. Gij Indianen weet dat de man natuurlijk de vrouw achtervolgt en hare toestemming verkrijgt (een Indisch spreekwoord); maar dat is niet welvoegelijk. De geschikte wijze om de hand te vragen is voor den priester, wanneer hij zegt: «Wilt gij de echtgenoot zijn van een ...., naar de voorschriften onzer Heilige Kerk?» Dit moet eerst aan de vrouw gevraagd worden, daarna moet men zich met dezelfde vraag tot den man wenden en de oude en onzedelijke gebruiken van vroegere tijden laten varen.» In denzelfden geest is een algemeen gezegde van de Indianen: «Savangmatovir ang ihinahatol nang manga padre» (de raadgevingen van den geestelijke zijn altijd juist). Een ander gezegde is: «Er bestaat geen Christelijke weg buiten dien der Roomsch-Katholieke Kerk.»
F. de los Santos zegt dat geen Tagalesche vrouw moeite doet om te huwen, evenmin als een vader of eene moeder naar een' bruidegom voor hunne dochter zoekt; dat het eene groote beleediging zou zijn, wanneer een meisje de gunst zou trachten te verkrijgen van een persoon, dien zij tot hare schoonmoeder verlangde ten einde den zoon te huwen. Men heeft nooit eene vrouw hooren zeggen: «Manciganguin mo aco» (maak mij tot uwe schoondochter).
Dezelfde monnik verzekert, dat de Indianen de beteekenis hebben leeren kennen, die de Europeanen aan het woord «horens» geven, en dat het gebruik van het Tagalesche woord sungayan (horenbeest) eene groote beleediging is. Hij ergert zich zeer om den onzin (boberias en disparates), dien hij zegt dat de inlanders hunne kinderen toevoegen. Eene moeder noemt haar kind vader, moeder, tante, zelfs koning en koningin, heer en dame, en overlaadt het met meer andere overdreven en ongepaste uitdrukkingen van hare liefde, die hij allen afkeurenswaardig en onverdragelijk noemt.
Ofschoon eenige verscheidenheid in de huizen der Indianen bestaat naar mate van hunnen rijkdom, behouden die woningen toch allen hetzelfde karakter en vindt men overal bamboe-vloeren, nipa zolderingen en houten pilaren om die te ondersteunen. Nabij Manilla heeft men wel eens eene speculatie gemaakt om de inlanders betere woningen te verschaffen door daarin verbeteringen aan te brengen, maar de huizen bleven onbewoond en de onderneming bleek mislukt te zijn. Ik heb wel schoone lampen aan de zolderingen en schilderijen aan de wanden van sommige Indiaansche woningen zien hangen, terwijl onder de mestizen velen van voorwerpen van Spaansche weelde gebruik maken en daarin met de rijkste Europesche kolonisten wedijveren. Maar godsdienstige sieraden worden nooit vergeten, als beelden en schilderijen van de H. Maagd en haar kind, vaatwerk voor wijwater en kruisbeelden.
De bedden van de Indianen bestaan eenvoudig uit matten, waarop de geheele familie zonder onderscheid rust. Hierop rooken zij hunne sigaren, kaauwen hun bétel en vallen in slaap. De huisselijke gereedschappen bestaan volgens Buzeta uit «een vijzel om rijst te stampen, bamboes voor alle doeleinden, kopjes en lepels van kokosnoten-bast, potten en ketels, een mes dat goloc wordt genoemd, een bank tegen de muur, een stoel, die voor tafel dient, een Chinesche kom voor olie, eene kleijen lamp, eenige rieten pitten, een beeld van de H. Maagd, een kruisbeeld, matten, eene kruik met betelbladeren, eenige arecanoten en lijm die tot gebruik gereed is, soms ook uit eene fluit of guitar.»
De Indianen hebben een zeer onbestemd denkbeeld van afstand. Zij noemen de rustplaatsen tusschen twee verschillende oorden Tahanan en Bitangan. In plaats van het Spaansche woord «mijl» zeggen zij «taval» hetwelk een afstand aangeeft waarop eene gewone vracht zonder rusten kan worden gedragen.
De veertigdaagsche arbeid, die de Indianen jaarlijks moeten verrigten, wordt atag of bayani genoemd. Deze wordt gevoegd bij den tributo van 1 1/3 dollars; door betaling van drie dollars is men van den atag vrij. De belasting wordt buvis of bavis genoemd. «Buvis aco sa balangay ni covan» (Ik ben aan dien of dezen balangay belastingschuldig).
Eene merkwaardige bijdrage tot den hartstogt voor het spel, die zoo algemeen op de Filipinos is, wordt door de commissie voor de statistiek, in haar rapport over Binondo gegeven. Onder de niet verboden spelen behoort dat wat de inlanders Panguingui noemen. Men speelt het met 5 pakken kaarten, terwijl vijf en zes personen een partij uitmaken. Dit spel is het meest populaire onder alle klassen. De autoriteiten verbieden het gedurende de uren van den arbeid; maar van 12 tot 2 ure voormiddags en van zonsondergang tot 10 ure 's avonds wordt het toegelaten op gewone dagen, terwijl op feestdagen geen bepaalde tijd is vastgesteld. De commissie besloot al de verschillende tafels te bezoeken, waaraan gespeeld werd; zij vond gemiddeld 200 tafels, die bezet waren en 39 die wel gereed stonden, maar waarbij de plaatsen nog niet waren ingenomen. Aan de 200 tafels speelden 867 mannen en 313 vrouwen, terwijl 405 mannen en 353 vrouwen de toeschouwers uitmaakten. Hierbij zijn nog niet gerekend de tafels in particuliere huizen, waartoe de commissie geen' toegang had. Vermoedelijk hadden die bezoeken op het niet verboden uur plaats, maar de commissie zegt daarvan niets.