Een Acht En Twintigtal Voorwerpen Uit De Natuurlijke Geschieden
Chapter 4
Ieder huis Heeft zijn kruis, Al was het maar door _één_ muis. 't Is altijd een gast, Die in een provisiekast Niet past en veroorzaakt veel last. Uiterst levendig in aard Kan zij loopen en springen in snelle vaart, En bragten wij een paard In vergelijking met de kleine muis, Dan moest dat groote dier wel kunnen springen over een huis. Tegen haar spitsen tand Is niets bestand En het diertje zal zich niet generen Zelfs in de beste Zondagsche kleêren Gaten te bijten, en die dus te ruïneren, Zoodat Stultz ze zelf niet kan repareren. Misschien denkt het dan wel: »o Mensch! in dat kleine wil ik u exerceren Om later nog grootere rampen te kunnen trotseren, Want als ge nu reeds zuur kijkt, Dan is het mogelijk dat ge later bezwijkt.” Zij snuffelt overal rond Onder den vloer en boven 't plafond, Of haar mond Niets te vernielen vond. De Natuurlijke Geschiedenis Leert dat het diertje zeer snoeperig is; 't Knabbelt aan alles en wil veel dingen eten, Bijv. brood, boter, kaarsen, vet, en kaas vooral niet te vergeten. Soms klimt het den schoorsteen in, waar het spek in ruikt, En daar bij afwisseling een reepje van gebruikt, Of likt uit 't pomadepotje dat op de waschtafel staat, Of verorbert ook wel van den kanarievogel 't zaad. 't Is een huiselijk diertje, en iemand die 's nachts aan kiespijn lijdt, Hoort menigmaal, hoe dit beestje onder het kussen in de matras bijt, Dan loopt 't ook wel eens voor een aardigheid over de wangen henen. Maar eer men 't denkt, is 't al weder verdwenen. Enfin papier, stroo, sigaren en nog zooveel Kaauwt het, vernielt het, of 't gaat door haar keel. Overigens schijnen die dieren zich bijzonder te veramuseren Als ze achter 't behangsel kunnen springen, of over den zolder galopperen. In het Latijn noemt men de muis _mus_ Het verschil is maar de letter I dus, En de dichter Horatius Spreekt in Satire 6 van het tweede boek, Dat een veldmuis bij een stadmuis deed een bezoek, Doch de weelde die zij er kon genieten, Deed het haar daar spoedig verdrieten. »Ik ben hier gansch niet om te blijven leven op mijn gemak,” Zoo sprak zij, onder dat steedsche dak. »Pas op, als Mie komt; ik heb er mijn buik al van vol; Ik keer weer terug naar het veld in mijn hol; Daar leef ik niet in onrust, maar stil, Want hier is 't maar een vergulde pil Die ik niet slikken wil. Nu vaarwel dan; kan ik te huis wel geen tulband eten of kaas, Ik leef daar gerust, en ben er mijn eigen baas.” Deez' fabel leert, behalve veel, dat de muis haar eigen wil kan volgen, En daarom is ze ook altijd nog zoo tegen de kat verbolgen. Men zegt dat voor de Chinezen Muizen een aangename maaltijd moet wezen. Wij gebruiken de muisjes liever met wat sla, Met worteltjes of peultjes, en dan nog het noodige na. Ook worden muizenkeuteltjes dikwerf gegeten Als een kleintje hooren laat zijn eerste kreten. Muizen met staarten en muizennesten in het hoofd Hebben wel eens ongelukkig een mensch van zijn zinnen beroofd. Verder kan een muizenjaar gebragt worden onder de Egyptische plagen. Die het niet gelooven wil, ga het den landbouwer maar eens vragen; Hij zal u zeggen zeker en gewis, Dat zoo'n jaar tegen zijn zin is, En dan ook dat zijn berg meer als een muisje kan baren, Namelijk een legioen muisjes tusschen haksel en looze aren, En iemand die op physiologie nog niet heeft gelet Staat dan verbaasd over die multiplicatie-wet. Wezels, egels, katten, uilen en valken Kunnen dikwijls muizen verschalken, Doch ook een groot getal muizen Gaan _nolens volens_ door vallen en kraansoogen _ad patres_ verhuizen.
DE SPIN.
(_Aranea domestica_.)
De spin, ook wel spinnekop genoemd, Is wegens hare kunstvaardigheid beroemd. Z'is een weefster van het eerste soort, En hetgeen nog tot hare eigenschappen behoort, Is dat zij menig een vlieg onbarmhartig vermoordt, Om daarna zich met haar bloed op te vullen En er lekkertjes van te smullen, En dat geschiedt met een gretigheid en moed, Nog beter dan de zuigeling met de moedermelk doet, Wanneer de moeder zegt: »Mijn kindje is gansch niet goed, De doctor moet komen, kom roep hem met spoed.” Voor een ragebol Gaat een spin op hol, En een nette huisvrouw is voor een spin Nimmer een vriendin. Ook gaat welééns een juffer op de vlugt Of krijgt een flaauwte, of laat een gillende zucht, Als er regen is aan de lucht, Omdat het diertje dan soms in de kamer een wandeling gaat maken, Waarin de juffer onder een kopje thee wat zit te haken. Niemand zal voorzeker het beestje willen aaijen, Doch ook geen mensch is in staat, het den nek om te draaijen Om reden dat, volgens de natuurlijke geschiedenis, Het een diertje zonder hals is. Men zegt dat menig een meisje verandert in een spin, Wanneer ze het niet heeft naar haar zin; Als ze bijv. van haar toilet De verkeerde muts heeft opgezet, Of met een verkeerd been gestapt is uit bed, Enfin als ze aan zoogenaamde humeursbuijen wil laboreren. Is dit nu zoo, dan kan een physioloog belangrijke dingen observeren, Ik bedoel hoe de zenuwen _in vivo_ abnormaal functioneren. Dan wordt, hetgeen men niet had verwacht, Dat meisje, als een duifje vroeger zoo zacht, Dat zoo prettig was en zoo aanminnig lacht, Zoo boos als een spin, of er springt een wolvinnetje uit de schapevacht, Volgens Cuvier is de spin altijd een beest Van een goede memorie geweest, Want ze rekent het onder de niet met allen In het donker zelfs te spinnen, zonder een draad te laten vallen, En als men naauwkeurig let Op dit uit spinrag-draden geweven net, Dan ziet men dat 't gemaakt is volgens geometrische wet. Linnaeus zegt dat bij veel soorten van spinnen De wijfjes zijn echte bazinnen, En strijdlustig, om een vechtpartij met de mannetjes te beginnen, Waarin de laatste het nooit zullen winnen. Hierom volgt het mannetje de verstandige les Van den wijzen Socrates, Om met zijn beminnelijke ega op een respectable distantie te blijven, Waardoor er minder aanleiding komt tot vechten, twisten of kijven. Onder de verschillende soorten van spinnen Zijn er spinnetjes in miniatuur, en ook vele reuzinnen. Aan Mevrouw Theridion viel er voor Anna Maria van Schuurman niet veel te kluiven, Want dit beestje is zoo klein, dat wij 't ongemerkt opeten met de druiven. De dames Mygale en Tarantula hebben veel meer in de melk te brokken, Doch bij haar is nog niet, zoo ik hoor, de mode ingevoerd van de hoepelrokken. Is er verder nog iemand die _zeer veel_ merkwaardigs over spinnen wil lezen Zoo wordt die door mij naar 't Album der Natuur, jaargang '57, verwezen. En nu vrouwen-gespin Spinnen-gespin En katten-gespin, 't Zijn allen woorden van dezelfde maat, Maar bij de laatste bezigheid bemerken we geen draad, Doch zien we een rug, als een halven hoepel zoo krom, En hooren we, als bij het eerste, een gemor of gebrom.
DE KAT.
_Felis domestica._
Volgens het moderne stelsel der natuurlijke geschiedenis Behoort de kat onder 't gevlekte soort van 't _genus_ kat of _felis_. Het mannetje heet _kater_ en het wijfje _his_. Men gebruikt de woorden _poes poes_ om het beest tot zich te roepen, Doch betrapt de kindermeid het in het snoepen, Dan schreeuwt ze luidkeels: „kets, kets, kat!” En de kat is op die woorden altijd gevat, Als of het zeggen wou: „pak je weg, waarom doe je dat?” Onder de bijzondere kwaliteiten, die de kat vereeren, En die van Alphen aan jonge jufvrouwen en jonge heeren Als een goede vader heeft willen leeren, Behoort het geduld dat hij in zijn kat mogt observeren, Te weten als die kat Op een rat Uren lang te loeren zat, Tot zij haar in de klaauwen had. Verder beschouwt de kat het als een gewigtige zaak, En ze kwijt zich ijverig van die taak, Om behoorlijk op te volgen de hygiènische wetten, Dat wil zeggen zich te poetsen, te reinigen en de snor op te zetten. En zoo iemand er op wil letten Zal hij zeggen dat het merkwaardig is, Dat die knevel ook gedragen wordt door de _his_. Beiden vertoonen een sterke neiging tot visch, Doch omdat ze bang zijn voor natte pooten, Vangen ze zelf nooit katvisch in de slooten, Doch stelen liever uit de keuken, visch gesneden aan mooten. Volgens Lavater Is de kater Een aristocraat Een fijne diplomaat Vol eigenbaat, Die met slinksche streken omgaat. Hoe verschilt hij van den hond, dien cosmopolitischen democraat, Die, gehecht aan zijn meester, hem niet verlaat, Al loopt die ook in regen, sneeuw, storm en onweer op straat. Enfin, de kater is een gevaarlijke maat Die met zijn scherpe nagels geniepig krabt en slaat En als een geretireerde pronker Niet zelden de kat knijpt in het donker. Een jonge kat is speelziek en doet menig een grap Bijv. hoe of ze de krullen krabt van den trap, Of gymnastiseert ook wel met een stuk papier, touw of een lap En wordt hierdoor later om muizen en ratten te vangen rap, Zoodat ze tot een muis kan zeggen: „'t was heusch maar een grap Dat ik je daar eventjes los liet, want ik ben, al zeg ik 't zelf, in dit werk knap. Ik gun je nogmaals je vrijheid, maar dan krijg je weêr een flap, En dan,--doch nu is het uit--daar krijg je mijn laatste hap.” Dan schijnt dit dier zich ook bijzonder te amuseren, Als het in de open lucht #_alta voce_# kan declameren, Waarin een aantal makkers uit de buurt accompagneren, En hierdoor ontstaat een leven dat hooren en zien vergaat, Waardoor men denken zou: „er is zeker groote ruzie op straat.” Ook rust de kat gaarne uit op een warme plaat, Of als de zon schijnt en zij een luchtje scheppen gaat Dan zoekt ze dikwijls een plekje op in den hof, om daar naar haar verlangen Zich in de zon te kunnen koesteren of een uiltje te vangen. Bij een heks of tooverkol Speelde de kat vroeger een mystieke rol En de bijgeloovige had er den mond van vol Of raakte er door op hol. Verder dient hier nog te worden gezeid De bijzondere omstandigheid Dat sommige menschen die niet trouwen, En hieronder rekenen we vooral ook vrouwen, De kat dan als een lieveling beschouwen. Ook Petrarca en Lessing waren zeer op katten gesteld En van generaal Chassé wordt verteld, Dat hij op 't citadel in de kazemat Altijd de kat in zijn nabijheid had, Dat dit beest met hem dronk en at, Doch geen champagne gebruikte, want dit is geen kost voor een kat. Na haar dood is zij dikwijls van nut Als de poes tegen de kou beschut, Of als een arme vent Door kattesnaar-muziek aan de deur krijgt een cent.
DE KOE.
_Vacca._
_Bos taurus._
De koe, in het latijn _vacca_, Behoort onder de herkaauwers of _ruminantia_. Wat ze dus eerst at, proeft ze nog ééns na. Haar kalf moet altijd tegen de koe zeggen Ma, En een kind ziet haar representatie in _spa a_. Als familie-leden noemen we: vaarsen, ossen en stieren, Mitsgaders hokkelingen en pinken, alle zoodanige dieren Die de natuur, even als de koe, met 2 hoorns heeft willen versieren. 24 maaltanden staan in haar beide kaken vast, Terwijl in de onderkaak nog een rij van 6 snijtanden past. Aan haar staart hangt een harige kwast En dit dier heeft 's zomers veel van horzels last. Doch als we van eene bijzonderheid bij de koe wilden gewagen Zoo zou dit wezen dat haar maag verdeeld wordt in 4 magen. Men kan dit, zoo men wil aan den vilder gaan vragen, En zoo die een man is, die omtrent dat punt nog al wat weet, Zoo zal hij zeggen dat No. 1 pens enz. muts, boekpens en lebmaag heet. Was het nu fatsoenlijk oude koeijen uit de sloot te halen, Dan gingen we voorzeker van hare vroegere familie wat verhalen, Bijv. welk een belangrijk persoon de os #Apis# Was in de Egyptische geschiedenis, En hoe, in contrarie, #_Minotaurus_#, dat monsterdier, Ieder jaar 7 jongens en meisjes opat met 't grootste pleizier. Doch nu vertellen we daarover geen zier. Het behoort zeker onder de bekendste zaken, Welk voordeel en nut men van een koe al niet kan maken. Zoo hare familie althans uitstierf zouden melk, boter en kaas, spoedig op de flesch geraken En men zou met biefstuk en rollende te eten het spoedig moeten staken. Ook het vel van dat nuttige beest Werd dan niet meer door den schoenmaker gespannen over de leest. Over koetjes en kalfjes wordt dikwijls gepraat in 't hoekje van den haard, Als men in een vlammend vuurtje staart En zeker is het, dat die causerie aan veel menschen genoegen baart; Enfin, anderen houden meer van de kaart. Maar vraagt men nog, waardoor de koe groot genoegen gaf en zeer werd vermaard, 't Is dat ze zoo menig een juffer van de pokken heeft gespaard En hierdoor kwam er dikwerf een gelukkig huwelijk op aard. Van die koepokinënting zullen we hier niet vertellen En nog minder van die leelijke pokdellen. Liever roep ik thans de dames toe, Die niet altijd willen blijven bij moe: Alle respect voor de koe! Slechts nog dit ééne over een product van de koeijen, Te weten: karnemelk te wasschen noemen we knoeijen.
HET VARKEN.
_Sus Scrofa domesticus._
Een varken of zwijn Wordt door Cicero _sus_ genaamd in 't Latijn, Doch volgens Horatius mag dit ook _porcus_ zijn. Enfin, Dat beest is een echte polyphaag, Dat alles zoo maar opstopt in zijn maag En het blijft altijd nog een vraag, Een belangrijk probleem op te lossen voor die heeren Die in organische chemie studeren, Hoe zijn vreemdsoortig voedsel zich in spek kan transformeren. Het dier geeft dikwijls een blijk Dat 't voor een bad prefereert modder of slijk. Van zijn laatste bad voelt 't natuurlijk niets, want dan is het reeds een lijk. In plaats van ringen in de ooren Draagt het een of meer ringen in den neus van voren,-- Niet door de natuur geschonken, dat laat zich wel hooren, Maar 't is een cadeautje van den smid, om wat minder te wroeten of in den grond te boren; En als het dat geschenk krijgt, kan men zeggen: „dat beest heeft nog niet zijn stem verloren,” Zoo ook gilt het vreeselijk, als de slager het vermoordt, Een muziek dat den doove niet verveelt, omdat die het niet hoort, En wanneer het dan geen geluid meer doet hooren, Wordt het voor de eerste en de laatste maal van top tot teen geschoren, Komt daarop uit het warme bad Als een knikker zoo glad, En wordt verder door den slager geanatomiseerd, Die u zeggen zal dat dit hersenloos dier nog wordt geleerd, Een Geschichte waarover die man graag philosopheert, En bij die gelegenheid ook wel demonstreert, De dikte van het spek, Vroeger te schatten naar den nek, Of ook wel hoe de nieren, zoo mager volgens de natuurwet, Te midden liggen van het vette nierenvet. Dat alles is te zien, als men er maar op let. Is het varken een heer Dan spreekt men van een beer, En diens ega heet de zeug of de zog. Vervolgens hebben we uit die familie de gilten en de bargten nog. De kleintjes heeten keujes of biggen En 't is interessant hoe die naast mama te zuigen liggen; Althans iemand die dat ziet Zou kunnen zeggen: „kijk, dat is toch zoo dom nog niet.” Een varken laboreert slechts aan een bijzonder verdriet, Te weten: dat het niet overal onrein hiet, En hierdoor niet Een lang leven geniet. Daarom ziet het slechts iederen jood of mohammedaan Voor zijn beste vrienden aan, Dewijl deze zijne ribben niet tot krabjes zullen slaan Doch de christenen wenscht het naar de maan Of ook wel naar de haaijen, Omdat die zoo roekeloos zijn vleesch kunnen kooken of braaijen, Zijn reuzel smelten en sommigen, behalve smout, nog opeten de kaaijen, Of anderen het vet gebruiken, om het haar mede te verfraaijen. Als dit beest nadenkt over zijn lot, Hoe de christen met zijn dierbaar leven spot, Ligt het te knorren in zijn kot, En geen wonder, want die blijft maar zeggen: „van jou krijg ik een hutspot. Ben je vet dan mot j'er aan, dan laat ik je niet langer meer leven, Alleen om mij ham, spek, saucijsjes etc. te geven.” In den laatsten tijd taande de glorie van het varken wat, Want zijn vleesch kwam in de klad, Toen men er trichinen in gevonden had.
HET PAARD.
_Equus caballus._
We behoeven van de natuurlijke historie niet veel te weten, Om het beest te kennen, dat we paard heeten, En iemand zal het niet ligt vergeten, Dat een paard, Vier pooten heeft, manen draagt en een staart. Behalve stappen kan het dier ook draven en galloperen, En wil men het dresseren, Dan wordt het in kunsten te maken een piet, Zooals men in 't circus van Carré ziet. Het kind van een paard is een individu dat veulen hiet, Dat in zijn prille jeugd veel voorregten geniet, Want er is geen boer, die 't voor een mestwagen loopen liet, En zweepslagen kent 't ook nog niet. De achterpooten van een paard zijn volgens de natuurlijke historie, Een magtig wapen, waardoor 't dikwerf krijgt de victorie. Gelukkig na zoo'n strijd, als men zeggen kan: „ik heb 't nog in me memorie”. Want dan leeft men nog, al is het door een blaauwe scheen niet in volle glorie. Als #Porta# een physionomie over paarden had geschreven, Dan had hij voorzeker daarbij waarnemingen gegeven, Misschien wel een geheel boekdeel er van vol, Dat de invloed van den mensch op dit beest speelt een belangrijke rol. Hier hebt ge b. v. No. 1, die bles gaat zeker op hol, Omdat zijn baas topzwaar is, en in de rondte draait als een tol. No. 2 en 3 zijn echte aristocratische dieren, Vol zoogenaamde educatie en gesoigneerde manieren. De koetsier gaf hun les, en doet zijn best ze dagelijks op te sieren; Men kan het aan die beesten zien, dat ze niet vroeg opstaan En 's avonds met een vollen buik naar bed gaan, Enfin het vette der aarde genieten ze op hun levensbaan. Hoe mager kijkt daarentegen dat beest van dien klapzweeper je aan, Men kan er de ribben van tellen, en strepen van de zweep ziet men op den rug staan; Dit beest heeft 't zuur, en tot den laten avond met werken niet gedaan. Een voorwerp is 't, waarop de beschermers der dieren wel het oog mogen slaan. Na No. 4 Komt een druiloor van een dier, Maar zijn baas heeft ook in werken geen pleizier, En van hier Bij dit beest die luiheids-manier. Hieruit kunnen we leeren, Dat het paard is te biologiseren. Ook is het, volgens de natuurlijke geschiedenis, Een dier dat goedgunstig is; Want na zijn sterven, Laat het altijd nog iets achter om te erven; Vooreerst en dit is geen bagetel, Zijn vet en het vel, En denken we aan matras of kanapé, Dan brengen we den staart en de manen ook nog meê. Dikwijls neemt de mensch sub rosa, Zijn bouten ook nog daarna, Om die later met den naam van rundvleesch te doopen, En behoorlijk gerookt aan de liefhebbers te verkoopen, En iemand, die zijn smaak een oogenblikje vergat, Zegt dan soms dat hij er smakelijk van at; Maar hetgeen men nu niet meer heeft, doch vroeger te Troje had, Is dat mooije paard, waaruit een heel leger Grieken te voorschijn trad, En waardoor na tienjarig beleg veroverd werd die stad, Die nu spoedig in puin lag, te midden van een bloedbad. Iemand die nieuwsgierig omtrent dit groote paard mogt wezen, Die moet maar eens eventjes in vader Homerus lezen. Dit behoeft echter niet, Om te weten wat een boer graag bij zijn paard ziet, Een soort van gymnastie, dat 't beest soms in de wei aanbiedt, Als 't dier, met zijn rug op den grond, zijn vier pooten in de lucht laat zweven, Die naar beide kanten een slingering geven, Waardoor 't corpus over 't gras henenschuift; En als 't hierna opstaande, met een goeden adem snuift, Dan is dit een bewijs, dat het paard als een visch Zoo gezond is, Althans volgens boeren-getuigenis. Schedels van paarden prijken hier en daar op de stallen, Opdat de nachtmerrie de paarden niet zou overvallen. Dit idée (men begrijpt 't) behoort tot den fabuleusen tijd, En daarom kan er worden gezeid, Dat zoo'n ding er voor niets op leit. Als nu de schedels konden spreken, zouden zij over die verkeerde praktijk niet zwijgen, En ook zeggen dat paarden, die de haver verdienen, ze niet krijgen.
DE OOIJEVAAR.
_Ciconia alba._