Een Acht En Twintigtal Voorwerpen Uit De Natuurlijke Geschieden

Chapter 2

Chapter 22,690 wordsPublic domain

De mol in 't latijn Talpa, Doet ons denken aan de molsla, 't Is een lastige passagier, En voorwaar geen pleizier, Voor een hovenier, Als hij in voorjaarstijd, Loopgraven door de bedden snijdt, En den boel ten onderste boven smijt, Waardoor menig slaaiplantje lijdt.-- Doch als een mol zoo op den bezem rijdt, Met het maken van hoopen en gangen, Kan zijn leven dra aan een zijden draadje hangen En gaauw is het uit met zijn liedje van verlangen. Want een burgerman, Zegt, »Ik weet er alles van,” »Als ik hem snappen kan,” »Dan moet hij er dadelijk an,” »Ik zal hem met de spaai een wip geven,” »En dan een slag op kop of nek, dat is me om 't even.” Trouwens het is zeker en gewis, Als een mol _gebold_ is, Dat hij dra _gemold_ is En zijn bloed spoedig _gestold_ is. Waar is gemest, Heeft 't een mol doorgaans best, Doch op schralen grond, Maakt hij het niet erg bont, En blijft niet lang gezond, Want hij vindt er geen engerlingen, slakken of pieren, Om aan zijn vraatzucht bot te vieren, En in zoo'n mager oord Kan hij niet _zoo vet als een mol_ worden, zooals 't behoort. Echter moet hij overal erg sloven, En als men de natuurlijke geschiedenis mag gelooven, Is het een feit, dat volkomen _waar_ is, Dat een mol daags meer eet, dan hij _zwaar_ is, Terstond flaauw wordt en _naar_ is, Als zijn eten op zijn tijd _niet klaar_ is, Enfin hongersnood verwekt een oorlog die vol _gevaar_ is, Want als ze geen voedsel meer kunnen vinden, Gaan ze elkaar maar doodeenvoudig verslinden, Een schranspartij, die hun goed voldoet, Want honger maakt raauwe boonen zoet, En zooals de mollen ook gelooven, Honger is een scherp zwaard daarenboven.-- Zijn gezigt, Is voor weinig licht, Ingerigt, Doch hij geeft ook blijken, Overdag goed te kunnen kijken; En als men 't dus op den keeper beschouwt, Ziet men dat het spreekwoord, _zoo blind als een mol_, geen steek houdt. Een mol heeft een kleine staart, Want een groote was hem niets waard, Daar hij, zooals de koeijen, Zich met vliegen slaan, niet hoeft te vermoeijen; Doch met zijn bewegelijken snuit, Voert hij veel uit, Want een steenharde kluit, Die hem in zijn loopbaan stuit, Werpt hij flink omhoog, of vooruit, En voegt men daarbij nog een paar fiksche handen, Dan ziet men dat hij goed, tot zijn doel kan aanlanden; Doch hij is ook een vrind, Van het spreekwoord, »_De aanhouder wint._” Vervolgens munt een mol uit, Door zijn fluweel zachte huid, En wat nog al iets beduidt, Is, al komt sinjeur uit een kuil, Zoo is hij nooit vuil, Doch altijd proper en net, In een zwart toilet Zonder kreuk of smet.-- De natuur heeft hem geen ooren aan zijn hoofd gezet, Want het was te vreezen Dat ze gaauw verstopt zouden wezen, Echter slaat hij niet ligt den _bal_ mis, Hetgeen ook met zijn reuk het _geval_ is. Als een dooije mol in een tuin ligt, onbegraven, Dan komen er dikwijls #doodgravers# aandraven, En zonder veel ceremonieel, Valt hem dan een begravenis ten deel. Indien er iets op zijn graf moest staan, Voor de diensten den lande gedaan, Zou het zijn: hij had talent van draineren en genie om pieren dood te slaan. Veenmollen, gelijk men ziet, Schrijven hun naam net als hij, doch familie is het niet.

DE ELFT.

(_Clupea alosa_.)

De elft, Is een voorwerp, dat men uit 't water delft, Is er onweer in Maart, Dan vat men hem vroeg bij den staart, En wordt hij veel gevangen, Zoo zegt men: Er zullen veel kersen aan de boomen hangen.-- Cuvier geeft een juiste verklaring, Dat de elft een lid is van de familie clupea of haring. En een ieder kan zich vergewissen, Dat hij behoort onder de weekvinnige visschen, Hij heeft een instinctmatige trek, Om op een bepaalden tijd een reisje te doen in Maas, Waal of Lek, Maar ook in andere groote rivieren, Gaan ze te zamen rondzwieren, Doch van zoo'n trekkende karavaan, Loopt menigen makker tegen de lamp aan, Die onder 't zwemmen, Niet gelet heeft op de voetangels en klemmen.-- Door het opgetrokken net, Dat uit was gezet, Ligt een elft dra op het doodsbed, Aangezien het is een vaste wet, Dat elften buiten water spoedig pier _dood_ zijn, En bleeke kieuwen krijgen die anders _rood_ zijn. Karpers toch en aalen, Behoeven op die wijs, niet zoo gaauw den tol der natuur te betalen. De elft is of _hom_ of _kuit_, De eerste munt boven de laatste uit, En als men ze te koop rondkruit, Hoort men een schreeuwend geluid, Te weten: Elf is geen twaalf en twaalf is geen elf, Dat is maar een straatdeuntje, dat spreekt van zelf, En moet slechts strekken, Om de aandacht van 't publiek op te wekken. Aaltje de zuinige keukemeid, Leert dat elft op verschillende wijze wordt toebereid, En als ik 't haar na wou zeggen, Zou het zijn: kooken, rooken, stoven, bakken en in 't zuur leggen. Verder wordt door de natuurlijke geschiedenis vermeld, Dat hij door de liefhebbers op hoogen prijs wordt gesteld, Anderen daarentegen zeggen: een elft is danig Vet, magtig, alias tranig. Men zou nog kunnen mededeelen, Een elft laat zich door muzikale toonen lokken of streelen, En menigen visscher meent veel elft te kunnen vangen, Als hij klokjes of schelletjes boven de netten laat hangen. Ten slotte, komt er elft in het land, Dan zegt men niet, zooals van haring, _docters aan een kant_, Eet dus van elft maar niet te veel, En pas op de graten in de keel.

DE VINK.

(_Fringilla coelebs_).

Een vink, naar zijn aard, Begint gewoonlijk te slaan in Maart, Liefst in een boomgaard, Of in iepen en linden, Die men bij een boeren hofsteê kan vinden; Soms slaat hij in Januarij voluit, Doch dan is hij blind, zit in een kooi en kwam uit de muit. Een goede vink, Slaat gewoonlijk flink, Want men vindt ook breekebeenen, Om de eenvoudige reden, dat de natuur verschillende gaven wil verleenen. Enfin men hoort gaarne hem, Die bekend is door den slag van #_hollereselem_# in #_didelem_#, Doch de Heeren #_Tjiplem_# en #_Jaglem_# zijn niet erg gezocht, En de vogelaars noemen soortgelijke vinken maar bogt. Een vink bouwt een aardige woning, Waarin hij meer schik heeft dan in 't paleis van een koning, Het huisje dat beschut is tegen wind en regen, Wordt door een dos van bladeren omringd allerwegen En de frissche buitenlucht stroomt de bewoners tegen, De vinken kennen de ongemakken van een menschenhuis niet, En ze hebben dan ook nimmer van rookwalm, muizen of muggen verdriet, Ze behoeven in dat hooge prieel daar buiten, Geen vensters te grendelen, noch deuren te sluiten, Ze hooren als ze willen de vogelkens fluiten; En 's morgens vroeg als ze de oogen opendoen, Straalt het licht hun tegen door een geurig groen; Voegt men hier nog bij dat een vinkenpaar, Met zuivere liefde trad voor het echtaltaar En dat beide veel houden van elkaâr, Geen menschelijke zorgen hebben te torschen, In één woord, de boeren maar laten dorschen, Dan heeft dit allen schijn, Dat hier voor beiden een leventje zou zijn, Van rozengeur en maneschijn, Zoo denkt welligt een jeugdig maagdelijn, Misgedacht! Mijnheer vink heeft dikwijls chagrijn, Cupido stortte in zijn hart een doodend venijn, Sinjeur vink toch is iemand, Die dikwerf krijgt 't land, Door jaloersheid, die hem overmant, Die dan op 't punt van verstand, Een groote nul is, een niemand. In zoo groote mate is hij daarmeê vervuld, Dat hij geen buurman vink in zijn nabijheid duldt, Krijgt hij toch een collega in het oog, Dan vliegt hij naar hem toe als een pijl uit een boog, Is woedend van nijd, Bijt, schopt en slaat in den strijd, Totdat één der vinkridders in het stof bijt, Of de plaat poetst, na verloop van tijd; Een blaauw oog, is voor een vink maar een kleinigheid, Wat erger is, zooals de vogelaar zeit, Hij raakt door zijn jaloersheid, Menigmaal zijn persoonlijke vrijheid kwijt, Als hij door partijvink, pop en lijmgarden om den tuin wordt geleid. Verder weet de natuurlijke geschiedenis u te verhalen, Dat al moet mijnheer vink in een kooi het gelag betalen, Het weeuwtje over zijn gemis niet lang zal malen, Zij toont weinig smart, En beoefent de spreuk, »_uit het oog, uit het hart_,” Ze geeft daarom nooit een blaauwe scheen, En zegt bij een nieuw bezoek niet, _ga heen_, En alle vinkenweeuwtjes hebben dit met elkander gemeen, Dat ze dra trouwen, en denken wat is één vink toch alleen. Blinde vinken Kunnen in een kooi goed eten vinden en drinken 't Zij 's morgens of in een avonduur, Trouwens de gewoonte is de tweede natuur. Het volk spreekt nog van andere vinken, Doch dat zijn zespooters met twee sprieten die bloed drinken.

DE SPREEUW.

(_Sturnus vulgaris_).

De spreeuw, sturnus vulgaris, Is een wezen dat van zessen klaar is, Om kersen te stelen, En brutaal, zooals de keerder U wil mededeelen, Want, zegt hij, te vuur en te zwaard, Moet men blijven #_gepsen_ en _boksen_# in den boomgaard, Kan men de schoenen maar aantrekken en loopen als een paard, Wil men niet rekenen buiten den waard.-- Volgens Buffon, Is daarom kersendief zijn epitheton, Toen hij als embryon, Nog niets zien kon, Van het licht der zon, En een blaauw-groene schaal hem insloot, Werd hij allengskens groot, Door de koesterende warmte, die hij van zijn moeder genoot, Nabij een dakpan of goot, Doch toen 't hulsel hem geen ruimte meer genoeg aanbood, En zoodanig een leventje hem verdroot, Gaf hij met zijn snavel of poot Een stoot....... De wand brak en naar behooren, Werd daarop een nuchter spreeuwenkind geboren, Ik geloof echter dat niemand van u, Bij de beschouwing van zoodanig individu, Zeggen zal, wat een pracht zie ik nu, Geen harmonie toch van vorm en deelen, Zullen in dit geval uw schoonheidsgevoel kunnen streelen, Zoo'n spreeuwenkind, Is een dag of wat blind, En zonder bewijs van veêr, Dikbuikig en teêr, Hangen de magere beentjes bij hem neêr, En de ouders zijn druk in de weer, Om de kleuters, (want er zijn er meer,) Daags menigkeer, Volgens de gezondheidsleer, Het noodige voedsel te geven, en wel zonder morren, Te weten: piertjes, muggenschenkels, of lendenstukken van vliegen en torren, De kleine groeit met het uur, En moederspreeuw behoeft niet te klagen bij een buur, Mijn kindje heeft 't koperzuur, Noch daauwworm en stuipjes vindt men bij de jonge spreeuwen, En wat het mooiste is, ze slapen 's nachts goed door zonder te schreeuwen; Kortom, De beentjes groeijen niet krom, De kinderdagen zijn bij een spreeuw snel om, En is hij volwassen, Dan heeft hij alle eigenschappen, die aan een spreeuw passen;-- Zijn gefluit of gekweel, Niet sentimenteel, Geschiedt met een ferme borst en keel, Gedost in zwart-paars-goud-groen fluweel, En behalve zijn muziek, die ons kan amuseren, Boeit ons zijn gave van te gesticuleren, En het declameren, Waaruit men nog wel iets kan leeren; Immers als hij bezig is met dat werk, Daar buiten op een kerk, Is het als of hij ons toeroept, als hij op die hoogte staat, Weest altijd een Jan cordaat, Verruimt uw gezigtskring, zorgt dat ge de dingen niet beperkt gadeslaat, Dompelt u in een luchtbad, wascht uw longen, 't is voor het leven probaat, Zoo'n taal, Is waarlijk liberaal, Ook wordt er bewezen, Dat binnen de muren dikwerf een andere les wordt voorgelezen.-- De spreeuw geeft ons een aardige blijk, Dat hij ervaren is in de jagtpraktijk, Want om zich niet veel te vermoeijen, Houdt hij er speurhonden op na, beter bekend onder den naam van koeijen, Die drijven in de wei de wormpjes naar hem toe, En daarom heeft een spreeuw groot respect voor een koe, Geen wonder dat de oude luitjes er op staan, Dat hun kinderen gaauw mede op de jagtpartij gaan, Wel kijken in 't begin de jeugdige jagers 't groote beest scrupuleus aan, Doch pa en moe, Zeggen ieder op hun beurt, »Je ziet maar toe,” »Hoe of ik het doe,” »Niets zal je hinderen,” »Me lieve kinderen,” »Komt hier,” »Geneert je geen zier,” »Daar ligt een pier,” »Naast dat boterbloemken, bij die grasspier,” En met een zwier, Loopen ze nu dra onder de 4 maagen langs de pooten henen, Zonder dat ze getrapt worden op hun teenen, Krijgen wat ze meenen, En op die jagt, Worden er dan veel creatuurtjes om zeep gebragt. Het torenhaantje is hem lief, _Daar_ heeft hij een schoon vogelperspectief, _Daar_ op dat haantje, dat zoo mooi kan blinken, Houdt hij een concert met zijn makkers als de zon gaat zinken; Want vrolijk is de spreeuw, Hij stoort zich niet aan Aprilsche sneeuw, Zijn hoopvol gemoed profiteert van de daken, Dat de boomgaard zich dra kleeden zal in een ander wit laken, Dan zullen de kinderen zich met meizoetjes en pinksterbloemen vermaken, In het zonnetje zal de herstellende op de been geraken, En den blos van gezondheid weêr terugkrijgen op de kaken; De meidoorn zal bloeijen, Gras zal er groeijen, De lammekens zullen stoeijen; En ossen en koeijen, Ontslagen van hunne boeijen, Zal men niet meer in den stal hooren loeijen; Weg dan met kagchels die broeijen, gloeijen, En soms broeken verschroeijen! Is dit nu zoo, Dan is de spreeuw een andere Don Antonio Magino. Zooals de natuurlijke geschiedenis ons verder vermeldt, Is er onder zijn geslacht nog wel ééns een dappere held; Immers volgens Martinet, Heeft een spreeuw zich ééns ferm tegen een kat verzet; 't Was te Buiksloot, Waar de kat in den strijd vlood, Doch de spreeuw was door zijn wonden dra dood, En nu mogen de spreeuwen, Hem beschouwen als Reinier Claassens onder de waterleeuwen. Ten slotte: 't Wijfje en mannetje verschillen veel, Bij het eerste is de bek graauw, bij het laatste geel.

DE BLOEDZUIGER.

(_Hirudo medicinalis_).

Een bloedzuiger in 't Latijn hirudo, Kan meer menschenbloed opdrinken dan een vloo, En men heeft hem daarom uit willen kiezen, Als er sprake was, dat de mensch wat van dat vocht moest verliezen. Bij zoo'n operatie ziet men graag, Dat mijnheer opzwelt of krijgt een volle maag, Want hoewel menschenbloed Een bloedzuiger immer goeddoet, Zoo wil hij er soms zijn kop niet voor buigen Om een aanval te doen en door te zuigen. Aangezien hij op sommige punten zeer _precies_ is, Dat wil zeggen voor al wat vuil en _vies_ is, En hieruit volgt dat hij er wel voor zal _passen_, Om in een menschenhuid te bijten, die niet dikwerf wordt _gewasschen_. Een bloedzuiger is verder een van die dieren, Die de Natuur op den rug met 6 oranje-bruine streepen heeft willen versieren, Van achteren aan zijn lijf, Draagt hij een breede schijf, Een orgaan, Om zich vast te _hechten_, te _kruipen_ en met zijn kop in de hoogte te _staan_. Van voren, Heeft hij de machine om de huid van den mensch te doorboren, Dat uit een _3-tal_ kaken met 180 tanden bestaat, En een scherp werktuig is, dat er goed door heengaat.-- Zijn ligchaam, Stellen 100 ringen te zaam, Hij bezit gevoel en is tot proeven bekwaam, Want een bloedzuiger houdt Meer van suiker dan van zout, En hij heeft in die keuze nimmer fout. Opdat hij ook goed zou kunnen zien, Gaf de Natuur hem bovendien, Oogen ten getale van tien, Die hij als hij drinkt niet als een haan toe wil sluiten, Waardoor hij niet zeggen wil, _ik ken het van buiten_ Zooals men toch volgens den Schoolmeester zal mogen _besluiten_.-- Wegens zijn bijzonderen aard, Is hij reeds meer dan 20 _eeuwen_ vermaard; En Galenus, en meer van die oude Heeren, Hebben hem in hun tijd, zeer willen respecteren; Doch alles verandert, en waar vroeger een bloedzuiger aangewezen was, Laat men hem nu maar rondzwemmen in 't _glas_, Een kruipende En bloeddruipende Bloedzuiger heeft een eigenaardige pas, En geneert zich niet zelfs onder een beddelaken, Als hij kans heeft een wandeling te maken, Doch dan is de mensch ook weldra gezind, Om ten opzigte van onzen vrind, In praktijk te brengen, die zoekt die vindt, Tot genoegen van hem, of haar die op het bed ligt, En dubbel tevreden is, dat hij zijn pligt, Op de plaats der huid, waar het noodig was heeft verrigt. Ten slotte: De internationalen, Weten u nog van een ander soort van bloedzuigers _veel_ te verhalen, Dit heeft betrekking op werkloon en kapitalen, Ze willen onder die voorwerpen zoodanige wezens begrijpen, Die zooals ze zeggen, hun de keel toeknijpen.

DE DUIF.

(_Columba livia_).