Een acht en twintigtal voorwerpen uit de natuurlijke geschiedenis, geschikt voor rederijkers- & nutsvoordrachten, in den trant van de gedichten van den schoolmeester, met een aanbevelend woord van wijlen Mr. J. Van Lennep

Part 5

Chapter 53,620 wordsPublic domain

De ooijevaar Bezoekt ons ieder jaar En dan kan men zeggen: het voorjaar is daar. Hij leeft met zijn wijfje als een gelukkig paar, Althans volgens iederen naturalist Zoekt die vogel nimmer met zijn ega twist En is eene strenge monogamist. Na zijn arriveren, Gaat hij terstond zijn woning repareren, Houdt dan schoonmaaktijd met een, En de kinderen verwelkomen hem, door te zingen: »ooijevaar langbeen,” Onze sinjeur draagt witte en zwarte kleeren, Beter bekend onder den naam van veêren, Heeft een paar lange pooten, en een snavel zoo rood als een kreeft, Te weten als men dit schaaldier gekookt heeft. Daar hij privilegie heeft om te visschen en te jagen, Zal een koddebeijer hem nooit naar de acte vragen; En daar hij in de visscherij door en door kundig is, Kan hij, als hij wil, dagelijks eten visch; Wanneer de kraaijen gapen, om door de hitte niet te stikken, Gaat mijnheer in de hoogte zich door een frisch luchtbad verkwikken, Want zooveel natuurkennis heeft hij, dat hij best weet, Dat 't in de bovenlucht nimmer is heet. Men ziet hem daar dan op zijn uiterste gemak laveren, Zonder een wiekslag te doen, kringetjes formeeren, Zoo als de meisjes te Hindelopen, wanneer ze promeneren. Als hij voetje voor voetje boven over een huis henen gaat, Dan vertoont hij de kunsten van een echte acrobaat; Ook, als hij soms met één been op een schoorsteen staat; Enfin, wil men weten uit welk een hoek de wind komt te waaijen, Dan moet men maar eens kijken, naar welken kant hij zijn kop zal draaijen, Want hij verrigt, als men hem daar zoo ziet staan, De functiën van den besten weerhaan; Dat wil zeggen: hij staat altijd met zijn kop vlak tegen den wind. De musschen beschouwen hem als een beste vrind, Die zoo humaan is gratis aan hen een logeerkamertje te geven, Waarin zij hoog en droog kunnen nestelen, zonder te moeten beleven, Dat de kwâjongens hun jongen uithalen en op de wipplank doen sneven. Doch ook menig een kind, Beschouwt den ooijevaar als een vrind, Die zoo goed is aan mamatje een zusje of een broertje te verkoopen, En hiervoor moet, volgens bakers zeggen, het zoldervenster maar open. Menig volwassen mensch, Heeft ook den wensch, Dien vogel voor het eerst niet te zien staan of zitten; Want ziet men hem vliegen, dan heeft men het gansche jaar door pitten, Om hier duidelijk te zijn, geld in den zak, en dat wil ieder graag bezitten. Ook wordt er verhaald Dat hij prompt tiend betaalt, Omdat men heeft kunnen observeren, Dat hij ieder jaar uit zijn nest laat glijden, hetzij een jong, een ei of een paar veêren. De Haagsche ooijevaar stoort zich daar niet aan, Dien ziet men ook nooit op een schoorsteen staan. Enfin, ook in dit opzigt is er variatie onder de maan.

DE HAAS.

_Lepus timidus._

De haas Is in 't loopen een baas, En als men 't ziet, zou men denken hij is zeker op hol. Aan zijn kop geeft men den naam van bol, En zijn haar noemt men wol; Vervolgens mag niet worden vergeten, Dat zijn ooren lepels en zijn oogen kijkers heeten, En dat zijn pluim nabij zijn kussens is gezeten. Het mannetje der hazen is de rammelaar, En de moerhaas krijgt 2 of 3 keer jongen in 't jaar. Van September tot Januarij is hij dikwijls in gevaar, Doch in den overigen tijd heeft hij het niet zoo naar, Of 't moest zijn dat hij door een strik, een strooper, of een wezel, gebragt werd op de baar, Want passen die dieren niet op hun tellen, Dan blijft er van hen spoedig niets over dan de vellen, Mitsgaders, indien er een tabaksrooker soms op was gezet, Een sprong of een pijpje van zijn skelet. Enfin het is een vaste wet, Als een haas sterk is aan het zweeten, Dat hij dan dra niets meer van 't ondermaansche zal weten, En dan ook geen boerenkool meer zal eten. Van nature een weerloos beest, Is de haas zeer bevreesd, En een dier dat een hazenslaap weet te maken, Om door 't minste gedruisch wakker te geraken, Waarna hij als hij wil het hazenpad kiest, En in zijn snellen loop nooit zijn sokken verliest, En hetgeen de waarde van zoodanig schoeisel nog wil verhoogen, Is dat mijnheer of mevrouw nooit last hebben van eksteroogen. Door hun zachten tred werd ook dikwerf een jager in het spoor bedrogen, Of door hun dwarssprongen en terugloopen om den tuin geleid, Want ook de eigenschap van listigheid, Kan aan dit dier niet worden ontzeid. Als 't zomer is en dan 's avonds mooi weêr, Kuijert mijnheer Een wei of een boomgaard op en neêr, Of zit daar dan op zijn gemak als een raadsheer In het rond te kijken En zijn baard uit te strijken; Of hij speelt met zijn familie, bijv. een drieling en een halfwas, Haasje over in het klavergras, En als 't komt van pas, Geeft hij les aan de jongeluitjes, Om te kunnen misloopen de hagelbuitjes, En niet te struikelen over de kluitjes. Iedere jagtpaal Noemt de haas een schandaal, En als hij ze ziet denkt hij aan zijn galgemaal. Doch de jager heeft een ander verhaal, Te weten, als men zijn lepels scheuren kan als neteldoek, Of het middelschot van zijn neus zamendrukken kan als peperkoek, Dan is het dier nog jong, dat spreekt als een boek. Men behoeft slechts een oogenblik in 't groote boek der natuur te lezen, Om te weten dat een runderhaas is een geheel ander wezen.

DE HOND.

_Canis familiaris._

De hond is een persoon, Die gezelligheid spreidt ten toon, En die door trouw en andere manieren, Uitmunt onder de dieren. Iemand die een weinigje van de physionomie verstaat Ziet terstond bij dit beest een hoogen aanleg op 't gelaat, En hoe of 't met de zenuwen staat. En met welk een harttoon het hart van dit beest slaat Kan ook blijken Als men maar eenvoudig naar zijn staart wil kijken. De natuurlijke geschiedenis, Leert dat hij in 't ruiken door en door kundig is, En 't moet nog altijd worden bewezen, Of er wel één dier onder de viervoeters is, hetwelk daarin zoo knap zal wezen, Want met zijn neus Is hij een reus, En als hij drinkt is hij ook uniek, Want er vertoont zich dan een eigenaardige mekaniek, En zijn tong maakt daarenboven met de vloeistof nog een muziek. Men houdt den hond voor zijn liefhebberij, Doch hij verrigt ook menigen post of karrewei, Hetgeen natuurlijk afhangt van geboorte en educatie, En van hier op dat punt nog al wat variatie; Doch iedere hond heeft naar vleesch een sterke inclinatie, En wordt in dit geval Niet graag gezien in een vleeschhal. Een slager rekent hem daarom niet onder zijn vrinden; Doch hij zegt daarentegen: „Men kan mij ligt slaan als men maar een knuppel kan vinden.” Enfin als men den hond observeert, Zal men kunnen zien dat hij sedert Esopus het stelen nog niet heeft afgeleerd, Want vechten er twee om een been, Dan loopt er een derde meê heen. Ook zijn ze conservatief (hetgeen die wijsgeer ook reeds zag), Dat een blaffende hond niet bijten mag, En hiervoor willen ze slechts aan den mensch de wederdienst vragen, Dat men hen bij een hondeweêr niet naar buiten zal jagen. Als men het doopboek van de honden op woû slaan, Zou men er verschillende namen van hen in vinden staan, Maar den naam van #Cerberus# zou men te vergeefs zoeken, Want die driekop was een monster, en daarom heeft men hem onder hunne familie niet willen inboeken.

DE GEIT.

_Capra hircus._

Als men een blik Werpt op een geit of sik, Dan zal men terstond kunnen denken: Dit beest dient even als de koe om melk te schenken; En als men nu de grootte nagaat van elk, Dan moet natuurlijk een geit minder geven melk. Enfin, die er geen koe op na weet te houen, Die moet zijn geit maar als een kleine koe beschouwen, En tevredenheid zal immers niemand berouwen? Een jonge geit, Is een dier dat een vrolijk leventje leidt, En het rekent dansen, klauteren en springen, Onder de pleizierigste dingen. Soms zelfs huppelt het uit baldadigheid Op zijn moeder, die er echter niets van zeit, Want die ziet graag zulke luchtsprongen Bij haar jongen, En denkt dan: „mijn dierbare panden hebben goede longen, Ik was vroeger ook zoo vrolijk en ongedwongen, En ik herinner me den tijd nog als of 't gisteren was, Dat ik vrij rond kon huppelen in 't gras, Maar toen ik grooter werd, sneden ze mij af dien pas, En kreeg ik als cadeau om mijn hals een soort van een das, Waaraan een kettingje was.” Enfin, #_tempora mutantur et nos mutamur in ipsis_#, Dit leert iedere levensgeschiedenis, En ook een oude geit die vast ligt, verschilt van haar kind dat nog vrij is. Dikwijls echter is 't spoedig voor een geitekind met zoo'n leventje uit Door een vilder van een jood, die 't in zijn levensbaan stuit, Als die 't voor een stuiver of wat afstroopt de huid, Vooral wanneer de geitespruit, Is _masculini generis_, Dat wil zeggen een bokje is. Doch ook de dochtertjes loopen niet altijd dat bloedbad mis. Voordat ze gespeend zijn of behoorlijk kunnen blaten, Moeten ze mama dikwijls hier achterlaten. Naar haar aard Draagt de geit een of geen baard, Ook wil ze met of zonder horens stooten; In ieder geval heeft zij vier pooten. Haar spitse kin, Toont aan een wispelturigen zin, En als ze u met haar vierkante oogen aan wil kijken, Nu eens nadert en dan eens diplomatisch gaat wijken, Zal er in haar karakter zekere stuurschheid en loosheid blijken. Zijn de geiten manswaardig, Dan vertoonen zij in een kunst zich vaardig, Te weten in de kunst van villen Die ze trouw beoefenen willen, Als ze kans hebben den bast van boomen af te schillen, Niet zoo zeer om bepaald haar honger te stillen, Maar ze beschouwen zoo'n beetje, Als een extra-ordinair dinétje. Volgens een Franschman lijkt bij kaarslicht, Een geitekop op een juffersgezigt. Dit wordt althans bewezen, Als we lezen: „A la chandelle La chèvre semble demoiselle.” We zeggen hem dit echter niet na, Omdat we hierover hebben een andere logica.

DE KWARTEL.

_Tetrao coturnix._

Wanneer hier door ons iets over den kwartel wordt verteld, Zoo bedoelen we hem, die gevonden wordt in 't Burensche veld. De kwartel Is veelal dartel, Doch komt in gespartel En gemartel Als hij naar 't beentje wil hooren, Want hierdoor heeft hij spoedig zijn vrijheid verloren, En dan denkt hij: „hoe kon me toch die lokstem zoo bekoren! Ik heb zeker een gebrek in mijn ooren, En 't is wel een ongelukkige geschiedenis, Als iemand zoo doof als een kwartel is. Nu is 't mij gebleken, Dat al dat steken Niets anders was dan valsche streken; En dat al dat wekken, Slechts diende om mij in 't net te trekken En tot mijn verderf te strekken. Nu word ik gewaar Hoeveel gevaar Er gelegen is om te luisteren naar 't kwartelbeentje van #Frans Langelaar#, Want die man is op dat punt van zessen klaar; Ik hield het stellig voor waar, Dat Mejufvrouw Coturnix was daar; 't Was mijn voornemen aan haar Een voorstel te doen, om te worden een gelukkig paar; Want ik zal toch ook ééns trouwen moeten. Doch hoe moet ik nu voor mijn stommigheids schuld boeten. Ik raak niet meer uit de voeten; 't Is nu met me geheel en al mis, Want de deur staat reeds open van mijn gevangenis.” Enfin, zoo kan een kwartel doorslaan, die pas in 't net is. Anders slaat hij gewoonlijk _kwikmedit_, En hoe meer hij 't doet, hoe meer waarde hij voor de liefhebbers bezit, Vooral als hij in een kooi zit. Doch behalve dat heeft dit dier, Ook dikwijls pleizier, Zelfs voor dag en daauw, Te roepen _ma auw ma auw_. Slaat hij veel, dan is de lucht meestal graauw, Dan kan men zeggen, er zal gaauw Regen komen. Is zijn vrijheid hem niet ontnomen, Dan leeft hij als een vischje in 't water, En volgens Lavater Zijn zijn hersenen zoo georganiseerd, Dat hij voor reizen en trekken is gedisponeerd, Hetgeen hij toont als hij in 't voorjaar hier arriveert, En van hier weer in September naar zijn vroegere woonplaats retourneert. Op die terugreis is hij zoo gezet, Dat, volgens Martinet, Dit dier op dien tijd in de kooi onstuimig aan kan gaan, En in zijn drift zijn schedel soms aan stuk kan slaan. 't Is gelukkig voor zijn persoonlijkheid als hij wordt verbeend, Want dan is 't zeker dat hij nooit weer aan 't kwartelfluitje 't oor leent, En dan kan hij gerust zeggen: „je ziet nu wel dat ik niet zoo doof ben, Maar dat ik zeer goed hooren ken.” Daar 't kwartelwijfje niet van de tongriem is gesneden, Zoo zal een liefhebber van kwartels nooit aan haar zijn geld besteden.

DE HAAN.

(_mas._)

_Gallus domesticus._

Het boek der natuur, Leert dat de haan een vogel is met oogen vol vuur. Zijn tred, Is statig en net, En 't is de moeite waard Om eens te kijken naar zijn hals en staart, Want zijn vedertooi Is bijzonder mooi. Bovendien Zijn zijn pooten van sporen voorzien, En kan men als sieraad nog tellen, De kam op zijn kop en aan den hals de lellen. Kortom, als men een haan Daar zoo ziet staan, Zal men kunnen zeggen: „wat is die vogel prachtig,” En als hij kraait: „wat is zijn stem krachtig, Hoe gevoelt hij zich magtig, En hoe uitgedrukt is bij dien mijnheer, Het gevoel van eigenwaarde en van eer.” De haan bemint daarenboven zeer Zijn echtgenooten of hennen, Die hem ook als 't hoofd des huisgezins erkennen, En die hij heeft willen gewennen, Vroegtijdig te gaan naar bed, Waarop hij zeer is gezet; Doch het is ook zijn vaste wet, 's Morgens niet lang te blijven luijeren, Maar vroeg op te staan en dan rond te kuijeren, Want hij weet zeer wel, Dat dit goed is voor zijn gestel, En daarenboven houdt hij 't in tel, Omdat 't 's morgens voor hem is een bagatel De wormpjes te krijgen in de knel, Waarop hij, nuchter, is zeer fel. En hoeveel schepseltjes hij op die wijs al een loer heeft kunnen draaijen, Daar zal stellig geen haan naar kraaijen. Enfin, de morgenstond Heeft bij hem goud in den mond, En als hij kraait, dan kraaijen alle hanen van de buurt in 't rond, En, die 't niet doen, hebben stellig keelpijn of zijn niet gezond. Hiervan is uitgezonderd, Hetgeen ons niet verwondert, Die op den toren moet staan, Want die stoort er zich niet aan, En die wil ook nooit meê uit vechten gaan, Zoo als het geval is met den kippenhaan; Want is onze sinjeur Uit zijn humeur, Dan toont hij, dat hij 't vechten door en door kent, Als hij als haantje de voorste of driftige vent Tegen zijn vijand inrent. Trouwens, dat heeft zijn grootvader hem reeds ingeprent, Toen die tegen hem zeide: „toon altijd dat je een flinke kerel bent; Je moet al die vreemde windzakken, Als ze op je erf komen, maar goed aanpakken En afjakken.” Welnu, met zijn scherpe sporen Kan hij bloed storten, ja zelfs zijn collega vermooren, Waarop hij koning kraait, als de andere het heeft verloren, En dan mogen alle hanen uit de buurt zijn zegepraal hooren. Kippen zonder haan, Kunnen op den duur niet blijven bestaan, Want ze hebben zonder haan geen zin, Even als de bijen zonder koningin. Er is echter onderscheid in, Te weten: de natuurlijke geschiedenis, Zegt dat de haan een mannetje en de koningin een vrouwtje is.

DE HEN.

(_femina._)

_Gallus domesticus._

Een hen of kip Heeft van eijerenleggen een goed begrip, Doch een kuiken Kan men voor dat werk niet gebruiken. Vliegen kan zij slecht, Doch kakelen beter, als ze namelijk eijeren heeft gelegd, Terwijl zij _klok klok klok_ tegen haar kiekens zegt, Opdat deze 't zouden kunnen verstaan, Dat het niet raadzaam is ver van honk te gaan. Enfin, zij weet er alles van, Als de nood is aan den man, En dan Hoort men ook dat zij alarm blazen kan. Volgens de natuurlijke historie, Heeft omtrent dit punt een hen altijd gehad veel memorie, En haar koesterende liefde is immer nog op te merken, Wanneer zij aan haar kiekens een schuilplaats geeft onder de vlerken. Geen wonder dat die kippekuur Pestalozzi meer bekoorde dan de zorgeloosheid van zoo menig een eigenwijs creatuur, Te weten van een baker, die dikwijls uur op uur Zit te dommelen boven een kooltje vuur, Terwijl zij het kindje, dat laboreert aan buikpijn, spruw of zuur, Maar laat liggen in de natte luur. Kippig is een kip niet, Want 't blijkt dat zij ver en scherp ziet; Doch beschouwt men één of honderd kippen, Dan kan men zien, dat zij dikwijls met de oogen knippen. Naar haar aard Draagt een hen 14 pennen in den staart, En met haar voeten Kan zij scharrelen, dat wil zeggen den grond omwroeten, Waarom men haar niet graag in een tuin zal ontmoeten. Er schijnt lang dispuut te zijn geweest, Omtrent den naam van dit beest, En van hier dat 't geroep _kiep kiep_ nog is overgebleven, Dat men hooren kan, als men aan haar wat voeder wil geven.

HET SCHAAP.

_Ovis aries._

Als men de natuur nagaat in hare werken, Zal men bemerken, Dat ieder individu varieert in de verschillende levenstijdperken. Zoo was b. v. het schaap een lam, Toen het in de wereld kwam, Een beestje dat men door scheren nooit wol ontnam, Om de eenvoudige reden, Dat zijn rok te kaal was om zijn leden. Een schaap is vermaard, Wegens zijn zachten aard, Waarin, naar men zegt, geen dier het evenaart. Enfin, met gemak Gaan er veel schapen onder één en hetzelfde dak. Verder is het dier te respecteren, Naardien het uit zijn melk lammertjespap laat fabriceren, Mitsgaders uit zijn vacht een aantal wollen kleeren. Ook zeggen de kenners, dat het dier onmisbaar is om goede tabak te cultiveren. Iemand, die in een keukenboek leest, Ziet spoedig dat er nog al wat te maken valt van dat beest, Doch een schurft schaap schreeuwt 't meest, Hetgeen ook meestal het geval bij den mensch is geweest. Echter kan van een schaap worden gezeid, Dat het altijd een lageren toon aanslaat dan een geit, Al wordt het ook op de slagtbank geleid; Benevens nog de bijzonderheid: Als er één over een brug is gegaan, Dan nemen de andere schapen daar een voorbeeld aan, Want dan volgen ze en blijven niet staan. Volgens #Carus# gelijken sommige menschen op schapen, Met de minzaamheid op hun voorhoofd en slapen, Waarvan hij echter zegt, Dat die nooit gedacht hebben aan het woord „opregt,” Hetgeen men ook bij hen kan observeren, Als ze zich van schaap in wolf metamorphoseren, Want dan komt de echte man uit de kleeren.

AANTEEKENINGEN.

=Homerisch gelach.= Het is een uitdrukking ontleend aan Homerus Iliad I vers 599.

ἄσβεστος δ' άῤ ενῶρτο γέλως μακάρεσσι θεοῖσιν

D. I. Een onophoudelijk gelach ontstond er bij de gelukkige Goden.

=Fatum.= Fatum noemt men de onvermijdelijke noodzakelijkheid van gebeurtenissen en omstandigheden.

=De gustibus non disputandum est.= Over de smaak valt niet te twisten, of plat uitgedrukt: „Ieder zijn meug”.

=Ganzenvoeten.= Ganzenvoet (pes anserinus) heet men de onderlinge verbinding van acht tot tien zenuwtakjes, die hun oorsprong ontleenen aan het zevende hersen-zenuwpaar (nervus facialis) aangezigt zenuw. Hij wordt digt nabij het oor in het aangezigt gevonden.

=Doodgraver.= De doodgraver (sijlpha vespillo) behoort onder de schildvleugelige insecten. Op de dekschilden vindt men twee oranje gekleurde streepen. Dit insect heeft zijn naam ontleend aan de eigenschap, dat het doode dieren bv. mollen, kikvorschen onder den grond begraaft.

=Hollereselem etc.= De vinken hebben op verschillende plaatsen een verschillenden slag. De vogelaars onderscheiden hen in dit opzigt, en berekenen daaruit de waarde. De benamingen van Hollereselem etc. hier gebezigd, zijn mij medegedeeld door wijlen J. P. van der Veer, vogelaar te Culemborg.

=Gepsen en boksen.= Uitdrukkingen die hier gebruikt worden bij het volk, om een inspanning bij de beweging, een loopen op een draf te kennen te geven.

=Midas.= Midas, koning van Phrijgie had een wedstrijd in de toonkunst tusschen Apollo en Pan geopend, en kende ten onregte aan Pan de overwinning toe. Om nu Midas te straffen gaf Apollo hem ezelsooren.

=Darwin.= Charles Robert Darwin werd op 12 Febr. 1809 te Shrewsburij geboren. Hij is een zeer beroemd natuurkundige van den tegenwoordigen tijd, door wien men in de gelegenheid wordt gesteld een dieperen blik in de organische natuur te werpen. Zijne werken die ook bij vele anderen aanleiding hebben gegeven tot veel strijd en tegenkanting, zijn of worden in alle beschaafde talen overgezet. Hij heeft aan de wetenschap eene rigting gegeven, die nog een uitgestrekt veld van onderzoek kan opleveren. Behalve eenige andere geschriften, schreef deze vlijtige natuurvorscher de navolgende werken. On the origin of species bij means of natural selection or the preservation of favoured races in the struggle for life.--The variation of animals and plants under domestication.--The descent of man.--The expression of the emotions in man and animals.

=Dr. Galvani.= Aloisius Galvani, professor in de ontleedkunde te Bologna in Noordelijk Italië was in 1789 bezig met het ontleden van kikvorschen. Hij had eenige van deze dieren met de achterpooten aan koperen haakjes, die aan een ijzer hekwerk verbonden waren, opgehangen. Toen nu toevallig de pooten, die van de huid beroofd waren in aanraking kwamen met het ijzer, terwijl de zenuwtakjes in contact stonden met de koperen haakjes, ontstonden er hevige trekkingen in de pooten. Galvani meende in deze verschijnselen een nieuw beginsel werkzaam te zien, en werd alzoo de schepper van die tak der natuurkunde, die men ter eere van hem met den naam van Galvanismus heeft bestempeld.

=Sub divo.= Sub divo, dat is, in de open lucht.